CConstaterende datCastricum
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting BP Schoutenbosch 60A Castricum

Raadsplein - Carrousels 24 juni 2021, gemeente CastricumBij agendapunt: Bestemmingsplan Schoutenbos 60a Castricum9.774 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Castricum, Schoutenbosch 60A

Gemeente Castricum

Datum: 27 mei 2021 Projectnummer: 200492 ID: NL.IMRO.0383.BPC21Schoutbosch60-ON01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Begrenzing plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer

3 3 4 5

2

Het plan

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 8

3

Beleidskader

10

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

10 12 14 14

4

Onderzoek en uitvoerbaarheidsaspecten

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

Milieueffectrapportage Bedrijven en milieuzonering Bodem Geluid Externe veiligheid Luchtkwaliteit Natuur Water Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Trillingen

17 17 18 19 20 22 24 25 27 28 28 29

5

Wijze van bestemmen

31

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

31 32

6

Economische haalbaarheid

34

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

35

7.1 7.2

Overleg Zienswijzen

35 35

Bijlagen    

Bijlage 1: bodem- en asbestonderzoek Bijlage 2: bodemonderzoek na asbestsanering Bijlage 3: akoestisch onderzoek spoor- en wegverkeerslawaai Bijlage 4: resultaat digitale watertoets

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Schoutenbosch 60A te Castricum is een onbebouwd perceel gesitueerd. Passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving bestaat nu het voornemen om ter plaatse een vrijstaande woning te realiseren. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan ‘Castricum Noord, Oost en West en Bedrijventerreinen’, aangezien de ontwikkeling is beoogd binnen de bestemming ‘Bedrijf’, waarbinnen woningbouw niet mogelijk is. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Begrenzing plangebied Het plangebied bevindt zich in een woonwijk aan de zuidzijde van Castricum, aan de Schoutenbosch 60A. Het perceel wordt aan de noord-, west- en zuidzijde begrensd door woningen. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een speeltuin en enkele parkeerplaatsen. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Castricum, Sectie B, 2 perceelnummer 9028. De totale oppervlakte is circa 1.250 m . Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Castricum

Ligging plangebied (gele stip) in relatie tot de kern Castricum (Bron: PDOK viewer).

3

Het plangebied bij benadering globaal geel omlijnd (Bron: PDOK viewer).

1.3

Geldende bestemmingsplannen Ter plaatse van het plangebied geldt de beheersverordening ‘Bakkum, Castricum Noord, Oost en West en Bedrijventerreinen’ (vastgesteld op 31 oktober 2019), waarin de onderliggende bestemmingsplannen van toepassing zijn verklaard. Voor onderhavige ontwikkeling betreft dit ‘Castricum Noord, Oost en West’ (zoals vastgesteld op 12 februari 2009). Op grond van het bestemmingsplan ‘Castricum Noord, Oost en West’ kent het plangebied de enkelbestemming ‘Bedrijf’. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven. Daarnaast voorziet de bestemming in detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde goederen. Op het perceel bevindt zich een bouwvlak. Het bouwvlak mag volledig bebouwd, onder voorwaarde dat de maximum bouw- en goothoogte maximaal 4 meter bedraagt. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan te zien.

4

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Castricum Noord, Oost en West’ met daarop het plangebied globaal in rood omlijnd (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

Als gevolg van de bedrijfsbestemming is een burgerwoning niet mogelijk ter plaatse van het plangebied. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voorliggend document voorziet in een toelichting op het bestemmingsplan.

1.4

Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijk beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan wordt getoetst. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5), de economische uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6) en de resultaten van de gevolgde procedure (hoofdstuk 7).

5

2 2.1

Het plan Huidige situatie Ontstaansgeschiedenis Castricum ligt in het Kennemerland. Dat is een streek in de provincie Noord-Holland. Castricum ligt in het (zuid)westelijke gedeelte van de provincie. Binnen deze streek is de natuurlijke terreingesteldheid heel duidelijk in de inrichting van het landschap terug te vinden. De strandwallen ten oosten van de huidige duinen zijn al duizenden jaren een zeer geliefde woonplaats. In de prehistorie was dit gebied uitzonderlijk, aangezien het bewoonbaar was. Meer naar het oosten lagen de grote veenmoerassen die daar niet voor geschikt waren. De nederzettingen van Castricum zijn gebouwd op de strandwallen. Bij deze kleine nederzettingen lagen kleine akkercomplexen, ook wel ‘geesten’ genoemd. Castricum komt al vroeg voor in de geschreven bronnen, al omstreeks 980. Castricum werd belangrijk doordat zij aan de postweg Haarlem-Alkmaar lag. De groei naar de huidige vorm begon vanaf 1865. Het plangebied ligt in een woonwijk aan de zuidzijde van Castricum. De woonwijk is grotendeels gerealiseerd vanaf de jaren ’90 van de vorige eeuw, zoals navolgende afbeelding inzichtelijk maakt. In dit gebied is de woningbouwdifferentiatie hoog vergeleken met de andere delen van Castricum. Voornamelijk twee-onder-een-kapwoningen worden afgewisseld door vrijstaande woningen.

Kaart bouwjaren omliggende gebouwen plangebied (gele stip) (Bron: www.code.waag.org).

Huidige situatie plangebied Aan de Schoutenbosch 60A was tot voor kort een bedrijf gevestigd. Ten behoeve van de bedrijvigheid was het plangebied thans geheel verhard. De bebouwing van het bedrijf, waaronder een grote schuur, zijn inmiddels gesloopt en het perceel is in de huidige situatie onbebouwd en braakliggend. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie weer ter hoogte van het plangebied. Tevens is een afbeelding weergegeven van het plangebied zoals het eruit zag voor de sloop van de opbouwen van het bedrijf. 6

Huidige situatie plangebied gezien vanaf de westzijde (Bron: www.funda.nl).

Huidige situatie plangebied gezien vanaf de noordzijde (Bron: www.funda.nl).

Situatie plangebied voor de sloop van de bebouwing (Bron: Google Streetview).

7

2.2

Toekomstige situatie Op basis van de hiervoor beschreven ruimtelijke analyse van de omgeving van de ontwikkellocatie kan de bedrijfsfunctie van de ontwikkellocatie als ‘gebiedsvreemd’ worden gezien. Het plangebied is immers gelegen in een woonwijk en wordt bijna geheel begrensd door woningen. De bebouwing in het plangebied was tot de sloop van de opbouwen in vergelijking met de omliggende bebouwing fors te noemen. Ook zorgde het stenige karakter voor een onderbreking van het aanwezige groen in de woonwijk. Met de beoogde woningbouwontwikkeling wordt ingezet op het realiseren van één vrijstaande woning, passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving. De woning bestaat uit twee bouwlagen met kap, waarbij de maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 4 en 8 meter bedraagt (exclusief ondergeschikte bouwonderdelen). De dakconstructie van de beoogde woning, een zogenaamd zadeldak, sluit aan bij de dakconstructies van de woningen nabij het plangebied. Er gelden hoge ambities voor wat betreft duurzaamheid. Zo zijn zonnepanelen, een warmtepomp en de hoogst mogelijke isolatiewaarden beoogd, zowel in wanden, het dak als de kozijnen. Wat betreft de parkeervoorzieningen geldt dat er 3 parkeerplaatsen op eigen terrein zijn beoogd, ten noorden van de beoogde woning, welke worden ontsloten aan de noordoostzijde van het perceel.

Ten noordwesten van de beoogde woning is ten slotte ruimte gereserveerd voor een vrijstaand bijgebouw (berging). Hierna volgen een aantal referentiebeelden.

Stedenbouwkundig plan voorgevel (Bron: Tekenbureau Ab Half).

8

Stedenbouwkundig plan linker zijgevel (Bron: Tekenbureau Ab Half).

Situatieschets toekomstige situatie bovenzijde plangebied (Bron: Tekenbureau Ab Half).

Uit de bovenstaande situatietekening komt naar voren dat niet het gehele plangebied wordt aangewend voor de voorgenomen ontwikkeling. Het noordelijk deel van het plangebied (rood omlijnd in de bovenstaande afbeelding) betreft erf behorend bij het noordelijk gesitueerde perceel. Aangezien de geldende bedrijfbestemming ter plaatse dient te worden wegbestemd maakt dit deel onderdeel uit van voorliggend plan. Het huidig gebruik wordt ter plaatse positief bestemd.

9

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio's;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3.

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties Toetsing Het rijk zet in de NOVI onder andere in op meer dichtheid, minder leegstand en verval, en meer groen en water. Het plangebied betreft een inbreidingslocatie binnen de bebouwde kom van Castricum. Door op deze locatie te voorzien in woningbouw wordt de ruimte optimaal benut en wordt bijgedragen aan het principe van inbreiding boven uitbreiding. Verder wordt in de NOVI gesteld dat een goede bereikbaarheid cruciaal is. Het plangebied bevindt zich op loopafstand van het treinstation van Castricum waardoor woningbouw op deze locatie uitermate geschikt is.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. 10

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans: NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het gestelde in de SVIR en het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of ande1 re stedelijke voorzieningen’.

Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een kern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Daarmee hoeft er voor dit plan geen toets aan de Ladder te worden doorlopen. Verder geldt dat de woning op particulier initiatief wordt gerealiseerd en direct voorziet in een behoefte. De ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.4

Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

1

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921). 11

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland. De omgevingsvisie is opgesteld om koers te zetten richting te toekomst. De Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie NoordHolland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: 1) Leefomgeving De provincie Noord-Holland zet in op een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving. Meer specifiek is er aandacht voor het realiseren van een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. Ook het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond maakt onderdeel uit van de provinciale ambitie op het gebied van de leefomgeving. Tot slot zet de provincie in op het vergroten van de biodiversiteit.

2) Gebruik van de leefomgeving Ruimtelijke ontwikkelingen worden zo veel mogelijk gefaciliteerd, mits sprake is van het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geldt dat de provincie ruimte biedt aan de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Ook moeten vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) met elkaar overeenstemmen. Het landschap moet daarbij worden benoemd, behouden en versterkt. Tot slot is sprake van een goede bereikbaarheid. 3) Energietransitie De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie. De Omgevingsvisie NH2050 zorgt voor een balans tussen economische groei en leefbaarheid. Het doel daarvan is om het welvaarts- en welzijnsniveau in Noord-Holland op een hoog niveau te houden. De visie geeft enerzijds richting en houvast naar een onbekende toekomst en anderzijds voldoende ruimte en handelingsperspectief om te anticiperen op nieuwe ontwikkelingen. Om het hoofddoel te bereiken worden vijf samenhangende bewegingen genoemd die een aantal ontwikkelprincipes en randvoorwaarden geven om de beweging naar de toekomst te kunnen maken:  dynamisch schiereiland: benutten van een unieke ligging;

12

 metropool in ontwikkeling: vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem;  sterke kernen, sterke regio's: ontwikkeling van centrumgemeenten waarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio vitaal wordt gehouden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden;  nieuwe energie: economische kansen benutten van energietransitie en circulaire economie;  natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector. Alle vijf bewegingen hebben een economische drijver. De bewegingen verbinden deze economische kansen door het versterken van de leefbaarheid met het oog op duurzame economische groei. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in een meer passende ruimtelijke inrichting door één vrijstaande woning te realiseren op een groot en groen perceel. Hierdoor wordt voorzien in een gebiedseigen functie passend binnen een woonwijk. Daarnaast zal als gevolg van het initiatief het voormalige stenige karakter van de ontwikkellocatie definitief verdwijnen. Zo wordt met dit plan een bijdrage geleverd aan het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving. Verder wordt ook in de provinciale omgevingsvisie gesteld dat een goede bereikbaarheid cruciaal is.

Het plangebied bevindt zich op loopafstand van het treinstation van Castricum waardoor woningbouw op deze locatie uitermate geschikt is. 3.2.2

Provinciale omgevingsverordening NH2020 Op donderdag 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De borging van de provinciale belangen vindt plaats in de Omgevingsverordening NH2020. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Toetsing Raadpleging van de digitale Omgevingsverordening NH2020 wijst uit dat het plangebied niet binnen een gebied ligt waar specifieke provinciale belangen spelen. Wel is artikel 6.62 relevant, waarin wordt gesteld dat de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving bevat van de wijze waarop rekening is gehouden met risico’s van klimaatverandering. Met voorliggend plan gelden hoge ambities voor wat betreft duurzaamheid. Zo zijn zonnepanelen, een warmtepomp en de hoogst mogelijke isolatiewaarden beoogd, zowel in wanden, het dak als de kozijnen. Verder betreft voorliggende ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling, waarmee verder geen specifieke regels vanuit de verordening volgen.

Gelet op het kleinschalige karakter van voorliggend plan en de ligging van het plangebied doen er zich geen belemmeringen voor vanuit de Omgevingsverordening NH2020.

13

3.2.3

Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciaal beleid.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionale Woonvisie Regio Alkmaar 2013-2020 De Regionale Woonvisie Regio Alkmaar 2013-2020 is de opvolger van de Regionale Woonvisie Noord-Kennemerland 2005-2015. De regio Alkmaar bestaat uit de gemeenten Alkmaar, Bergen NH, Castricum, Graft-De Rijp, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk en Schermer. De regionale woonvisie dient als bouwsteen voor de tweede ronde RAP’s voor de periode 2015-2020. Bovendien legt de visie de kaders vast voor de lokale woonvisies van de gemeenten en geeft ze richting aan de afspraken met marktpartijen. Daarbij wordt voldoende ruimte overgelaten om op de lokale behoefte in te spelen. De woonvisie geeft richting en zorgt ervoor dat gemeenten van elkaar weten wat ze doen en waar ze elkaar kunnen aanvullen en versterken. Hiermee wordt voorkomen dat onderlinge concurrentie ontstaat en kansen in de regio onbenut blijven. Corporaties zijn daarbij de natuurlijke partners van gemeenten maar ook coalities met andere marktpartijen zoals regionale bouwers en ontwikkelaars en het aanboren van contacten van buiten de regio is in dit tijdsbestek noodzaak. In de woonvisie ligt de focus uiteraard op het beleidsterrein wonen. Het Wonen staat echter niet op zichzelf, maar heeft raakvlakken met diverse andere beleidsterreinen zoals Ruimtelijke Ordening, Economie, Infrastructuur, Duurzaamheid, Welzijn, Zorg en Onderwijs. Beleidsterreinen kunnen elkaar onderling versterken.

Een vitale woningmarkt zorgt voor een vitale Regio en andersom zorgt een vitale Regio voor een blijvende vraag naar woningen en daarmee een vitale woningmarkt. Toetsing De ontwikkeling doet geen afbreuk aan het gestelde in de Regionale Woonvisie Regio Alkmaar 2013-2020. Door haar beperkte omvang (één woning binnen bestaand stedelijk gebied) heeft het plan een zeer beperkte invloed op de regionale ontwikkelingen op het gebied van wonen.

3.3.2

Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Buiten Gewoon Castricum 2030 Op 7 oktober 2010 heeft de gemeenteraad de structuurvisie Buiten Gewoon Castricum 2030 vastgesteld. De structuurvisie biedt een belangrijk kader voor de toekomst van de gemeente en zet de koers op hoofdlijnen uit. Er zijn kerndoelen geformuleerd ten aanzien van de identiteit, bevolkingsontwikkeling en doelgroepen van de volkshuisvesting, landelijk gebied / buitengebied, routes voor langzaam verkeer, werkgelegenheid, winkelvoorzieningen, welzijnsvoorzieningen, duurzaamheid en water. 14

De vijf kernen Akersloot, Bakkum, Castricum, Limmen en De Woude die als eenheid in verscheidenheid bij elkaar horen, maken gemeente Castricum tot een gemeente met een buitengewoon karakter. De dorpen zijn eigen gemeenschappen, die zich samen met elkaar bewust zijn van hun bevoorrechte positie in een aantrekkelijk en open landschap. De verbindende factor zijn de polders van de Binnendelta. Daarom worden deze bijzonder gekoesterd. Nieuwbouwlocaties in de kernen bieden kansen voor experimenten: verschillende leeftijdsgroepen kunnen in een gebouw een plek krijgen (generatie wonen) en kleinschalige buitengewone projecten sluiten aan bij de wensen van een specifieke leefstijl. Inbreiden in de kernen houdt het landelijk gebied open. Daarmee zorgt het voor behoud van het dorpse karakter van de gemeente en maakt toch ontwikkeling mogelijk. Nieuwe ontwikkelingen zijn gericht op het realiseren van een duurzame omgeving. Dit maakt de gemeente Castricum met haar kernen Akersloot, Bakkum, Castricum, Limmen en De Woude buitengewoon. Het buitengebied blijft open, verdichting vindt plaats in de bebouwde kom. Dit sluit aan bij actueel provinciaal en Rijksbeleid zoals geformuleerd in bijvoorbeeld de Rijksstructuurvisie Randstad 2040. Toetsing Op de structuurvisiekaart is het plangebied aangeduid als ‘bestaande kern’, zoals op navolgende afbeelding weergegeven.

Door te bouwen in de bestaande kern draagt dit plan bij aan de ambities zoals gesteld in de gemeentelijke structuurvisie. Inbreiding in de kernen houdt het landelijk gebied open. Het plangebied ligt in een woonwijk aan de zuidzijde van Castricum, waar de woningbouwdifferentiatie hoog is vergeleken met de andere delen van Castricum. Door een vrijstaande woning te realiseren wordt bijgedragen aan de woningbouwdifferentiatie in de woonwijk en blijft het dorpse karakter van de kern gewaarborgd.

Uitsnede structuurvisiekaart met daarop het plangebied globaal weergegeven met een zwarte stip (Bron: gemeente Castricum).

3.4.2

Woonvisie 2020-2025 Met de Woonvisie Castricum schetst de gemeente haar visie op het wonen in de gemeente Castricum. Gesteld wordt dat er een grote vraag is naar woningen, dat koopprijzen verder oplopen en dat het woningaanbod daalt. In Castricum zijn er, afhankelijk

15

van het scenario, jaarlijks tussen de 150 en 200 woningen nodig tot 2023. Na 2023 neemt de jaarlijkse vraag af tot tussen de 60 en 110 woningen per jaar. Het zijn niet alleen starters die het moeilijk hebben door stijgende huizenprijzen en strengere leennormen, maar ook doorstromers zien minder mogelijkheden. Om de woningbehoefte op de korte en middellange termijn tegemoet te komen, moeten er de komende jaren meer woningen worden gebouwd en bestaande plannen worden versneld. Om dit waar te kunnen maken heeft de gemeente Castricum samen met de gemeenten in Regio Alkmaar en de Woningmakers de ‘Woningbouwafspraken en programmering regio Alkmaar’ gemaakt. Hierin zijn de ambities en opgaven, programmering- en woningbouwafspraken uit het Regionaal Actie Programma nader uitgewerkt. Met deze nieuwe woningbouwafspraken gaan de gemeenten in Regio Alkmaar zich richten op realisatiecapaciteit. Zo moet het bouwtempo stevig omhoog en moet worden ingezet op een diversiteit aan woonmilieus. Toetsing Uit de gemeentelijke woonvisie volgt dat er tot aan 2023 een grote vraag is naar woningen in Castricum. Starters hebben behoefte aan betaalbare koopwoningen, gezinnen hebben behoefte aan woningen van €250.000,- en meer en senioren hebben een sterke voorkeur voor relatief luxere koop- en vrijesector huurappartementen.

Gesteld wordt dat door woningen te realiseren in het segment vanaf €250.000,- er meer betaalbare woningen vrijkomen in de bestaande voorraad voor jonge huishoudens. Onderhavig initiatief draagt (mede door het hogere prijssegment) bij aan de ambities zoals gesteld in de gemeentelijke woonvisie. Daarbij komt dat gebouwd wordt op basis van lokale behoefte. 3.4.3

Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

16

4 4.1

Onderzoek en uitvoerbaarheidsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Onderhavig plan betreft de bouw van één vrijstaande woning op een op dit moment onbebouwd perceel. De omgeving van het plangebied is veelal omringd en gevormd door stedelijke functies en bebouwing. Met dit plan wordt het areaal aan stedelijke functies niet vergroot en zijn, gelet op het feit dat het een woningbouwontwikkeling betreft, niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten. Dit maakt dat, gelet op de aard (wonen) en omvang (één woning) van de ontwikkeling, gesteld wordt dat er geen sprake is van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

4.2

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide

17

deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het plangebied ligt te midden van een woonwijk in Castricum. Wonen is de dominante functie en het plangebied ligt afgezien van het spoor niet aan hoofdstructuuraders. Het plangebied is dan ook aan te merken als een ‘rustige woonwijk’. Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functie in onderhavig plan leidt tot hinder voor de bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. In het plangebied worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Er hoeft daarom niet onderzocht te worden of de functie in het plangebied hinder veroorzaakt voor omliggende functies. Interne werking Naast de externe werking moet ook de interne werking worden beoordeeld. Met andere woorden: laat de omgeving de nieuwe functie toe? In de navolgende tabel zijn hinderveroorzakende functies in de omgeving opgenomen, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Bedrijventerrein

Gasstraat

Middelbare school

Pieter Kieftstraat 20

Bedrijvigheid uit maximaal milieucategorie 3.1 Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs

Grootste richtafstand (m) 50

Gemeten afstand (m) 70

30 (geluid)

175

Uit voorgaande tabel blijkt dat aan alle richtafstanden kan worden voldaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en dat omliggende bedrijvigheid niet onevenredig wordt geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Bodem Algemeen Voor de vaststelling van een bestemmingsplan moet in verband met de uitvoerbaarheid een reëel beeld aanwezig zijn van de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt moeten zijn voor de beoogde functies.

18

Toetsing 2 In het kader van de ontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek en 3 een bodemonderzoek na asbestsanering uitgevoerd. Onderzoeksbureau Grondslag en Dominus Milieutechniek BV geven aan dat er op basis van de onderzoeken geen belemmeringen zijn voor de huidige en de beoogde bestemming en de eventuele afgifte van een omgevingsvergunning (bouw). Wel wordt gesteld dat hydrologisch onderzoek benodigd is indien wordt voorzien in een kelderverdieping. Indien daarvan sprake is zal desbetreffend onderzoek worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Geconcludeerd wordt dat het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4

Geluid Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Indien geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen, zoals in het plangebied, is bijvoorbeeld een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek, maar vanuit een goede ruimtelijke ordening kan onderzoek toch wenselijk zijn. Toetsing 4 Door SAB is voorzien in een akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai . Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  Ten gevolge van de spoorlijn Amsterdam - Alkmaar wordt de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 55 dB niet overschreden. Er wordt voldaan aan de Wgh.  Ten gevolge van de niet-gezoneerde omliggende 30 km/uur wegen (Schoutenbosch, Neetje Groentjesstraat, Meester Bodewesstraat en Meester Nijssenstraat) wordt de gehanteerde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB inclusief aftrek conform art. 110g van de Wet geluidhinder niet overschreden. Er wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Een nadere beschouwing is daarmee niet benodigd.

2

Grondslag bodemkwaliteitsbureau (2016). Verkennend bodem- en asbestonderzoek. Schoutenbosch 60 te Castricum. Projectnummer: 25727. 14 november 2016.

3

Dominus Milieutechniek BV (2016). Bevindingenrapport na asbestsanering. Projectnummer: 1.16.0755. 12 oktober 2016.

4

SAB (2020). Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai. Castricum, Schoutenbosch 60A. Projectnummer: 200492. 11 november 2020. 19

Conclusie Het aspect geluid afkomstig van rail- en wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen -6 (ofwel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst -6 aan het plaatsgebonden risico van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen.

Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. Toetsing Onderhavig plan voorziet in de toevoeging van een kwetsbaar object (een woning). Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat op circa 150 meter afstand van het plangebied een buisleiding ligt van de Gasunie. De buisleiding kent een invloedsgebied van 100 meter en ligt daarbij op voldoende afstand van het plangebied. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart met daarop het plangebied weergegeven door middel van een paarse stip ten opzichte van de buisleiding.

20

Uitsnede Risicokaart met daarop het plangebied globaal weergegeven door middel van een paarse stip (Bron: www.risicokaart.nl).

Aan de Achterweg in het Heemskerkerduin ligt het Eye Film Instituut. In een voormalige bunker worden, onder geconditioneerde omstandigheden, oude nitrocellulose films opgeslagen. In het geval van een calamiteit kan een toxische wolk ontstaan. Het invloedsgebied bedraagt 4,5 kilometer en ligt daarmee over het plangebied. Plaatsgebonden risico Het plangebied valt buiten de 10-6/jaar contour van het Film Instituut. Hierdoor wordt voldaan aan de streef- en richtwaarden van het Bevi. Wel dient een beschouwing van het groepsrisico plaats te vinden. Navolgend wordt ingegaan op het groepsrisico. Groepsrisico De overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is een factor twee.

Groepsrisico in verband met het Eye Film Instituut

21

Maatregelen Bij de verlening van de revisievergunning (12-2010) voor Eye Film Instituut is onderzocht of er risicoreducerende alternatieven realiseerbaar zijn. De onderzochte maatregelen zijn om diverse redenen niet haalbaar gebleken. De mogelijkheden om het risico aan de bron te beperken zijn zeer divers en tegelijk weer zeer beperkt. In een 5 door TNO opgestelde reportage zijn naar mening van het bevoegd gezag alle redelijke en relevante mogelijkheden onderzocht. Bij het verlenen van de revisievergunning in december 2010 is gemotiveerd besloten een overschrijding van het groepsrisico toe te staan. De voorgestelde risicoreducerende maatregelen en de door de regionale brandweer geformuleerde adviezen zijn als voorschriften aan de vergunning voor het Film Instituut verbonden. De hoogte van het groepsrisico wordt niet in betekenende mate beïnvloed aangezien het aantal personen binnen de 1% letaliteitscontour als gevolg van de nieuwe situatie (één woning) met minder dan 10% toeneemt. De ontwikkeling wordt daarom aanvaardbaar geacht en een nadere beschouwing is niet benodigd. Advies Veiligheidsregio Door de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord is advies uitgebracht in het kader van het aspect externe veiligheid. Het advies luidt: voor personen binnen is het handelingsperspectief binnen blijven, ramen en deuren sluiten en ventilatie uitzetten.

Indien de woning wordt voorzien van een mechanisch ventilatiesysteem dan is het wenselijk om het met één handeling af te schakelen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.

5

TNO (2010). kwantitatieve risicoanalyse voor de opslag van cellulosenitraatfilms bij Filmmuseum, locatie Heemskerk 22

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit.

Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

Toetsing Dit plan voorziet in de realisatie van één nieuwe woning. Het project draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

23

4.7

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing De beoogde ontwikkeling vindt plaats op een thans braakliggend terrein. Het plangebied ligt in de bebouwde kom en is volledig braakliggende en bevat geen groen of andere schuilmogelijkheden, waardoor het voor vrijwel alle soorten, behalve enkele zeer algemene soorten, ongeschikt leefgebied is. Toch is op basis van recente foto’s onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Gebiedsbescherming Uit kaartmateriaal blijkt dat Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’ in de buurt van het plangebied ligt.

Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen echter op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkeling niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Eens temeer gezien de vaststelling van een besluit van de BUCH-gemeentes dat kleine ontwikkelingen (onder andere de bouw van maximaal 2 woningen) kunnen worden gerealiseerd indien gelegen in een bufferzone, waar uit eigen berekeningen van de gemeentes blijkt dat geen sprake is van stikstofdepositie. Onderhavig plangebied is gesitueerd in een dergelijke bufferzone. Verder blijkt uit kaartmateriaal dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.

Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen

24

provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.8

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven.

Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Beleid provincie - Watervisie 2021 De Provinciale watervisie beschrijft de kaders voor waterbeheer in Noord-Holland. De belevingswaarde van het alom aanwezige water en de mogelijkheden die het biedt, het leven met en strijden tegen, dat is wat Noord-Holland uniek maakt. Vanuit dit vertrekpunt wil de provincie met het waterbeleid Noord-Holland mooier, bedrijviger en veiliger maken dan het al is, op een haalbare en betaalbare manier. De provincie zet het waterbeleid daarom zo in dat er een impuls vanuit gaat voor de leefomgevingskwaliteit en/of het vestigingsklimaat. Er wordt onderscheid gemaakt in twee thema's, te weten “Veilig” en “Schoon en “Voldoende”. Binnen deze thema's worden doelen gesteld. De doelen voor het thema Veilig zien vooral toe op het in orde zijn van de regionale ke-

25

ringen, het beperken van slachtoffers, economische schade en een adequate rampenbestrijding. Bij dijkversterkingen moet aandacht zijn voor een goede ruimtelijke inpassing. Bij Schoon en Voldoende gaat het er vooral om dat er schoon grondwater moet zijn en schoon en voldoende oppervlaktewater, zwemwater en drinkwater Beleid Waterschap - Waterbeleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is een integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016.

Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die op de website van het HHNK gevonden kunnen worden. Toetsing Voor het plan is de digitale watertoets van het Hoogheemraadschap Hollands Noor6 derkwartier doorlopen. Uit de digitale watertoets blijkt dat het plan onder de korte procedure valt. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden ondervangen met standaard maatregelen. Het hoogheemraadschap hoeft niet betrokken te worden bij de verdere planvorming. Het plan zorgt voor enige toename aan verharding ten opzichte van de huidige situatie. Het grootste deel van het plangebied blijft echter onbebouwd, waarmee voldoende ruimte bestaat voor hemelwater om te infiltreren. Daarnaast was de locatie in het verleden geheel bebouwd c.q. verhard, waarmee de voorliggende ontwikkeling een duurzamere invulling geeft aan het perceel vanuit het oogpunt van water. Conclusie Gelet op voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

6

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (2020). Resultaat watertoets. Schoutenbosch 60A te Castricum. Dossierscode: 20201027-12-24615. 27 oktober 2020. 26

4.9

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Raadpleging van de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Castricum wijst uit dat het plangebied een middelhoge archeologische verwachtingswaarde kent (categorie 4), zoals weergegeven op navolgende afbeelding. Dit betekent dat bij bo2 demingrepen groter dan 500 m en dieper dan 50 centimeter een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De bodemingrepen voor de voorgenomen ontwikkeling zullen deze grenswaarden niet overschrijden. Derhalve is een archeologisch onderzoek niet benodigd.

Uitsnede archeologische maatregelenkaart met daarop het plangebied globaal weergegeven door middel van een rode stip (Bron: gemeente Castricum).

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

27

4.10

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen. Toetsing Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is aangegeven waar cultuurhistorische waarden en archeologische (verwachtings)waarden te vinden zijn. De gemeente Castricum heeft daarnaast een selectie van monumentwaardige terreinen en landschappelijke structuren laten opstellen. In of nabij het plangebied liggen geen waardevolle cultuurhistorische structuren. Daarbij komt dat met de ontwikkeling wordt aangesloten bij de huidige stedenbouwkundige kenmerken van de wijk. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.11

Verkeer en parkeren Verkeer De nabij het plangebied gelegen Beverwijkerstraatweg maakt deel uit van de hoofdwegenstructuur van Castricum. De Schoutenbosch is gelegen binnen de bebouwde kom en kent een 30 km/u zone. De Schoutenbosch kent alleen bestemmingsverkeer. Gesteld wordt dat de extra verkeersgeneratie die met onderhavig plan gegenereerd wordt goed kan worden verwerkt in het heersende verkeersbeeld. Parkeren Ten behoeve van deze ontwikkeling zal moeten worden voldaan aan de parkeernormen die gesteld worden in de ‘Nota Parkeernormen Castricum 2013’. Er moet voldoende ruimte op eigen terrein beschikbaar zijn om de benodigde parkeerplaatsen te kunnen realiseren. Wat betreft de parkeervoorzieningen geldt dat er 3 parkeerplaatsen op eigen terrein zijn beoogd. Hiermee voldoet het initiatief aan de gemeentelijke parkeernormen. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

28

4.12

Trillingen Algemeen In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Om aan te kunnen tonen of er voor een beoogd plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om mogelijke trillingshinder inzichtelijk te maken. Er is een aantal richtlijnen en beleidsregels die hiervoor worden gebruikt, namelijk:  SBR-richtlijn;  Beleidsregel trillingshinder spoor;  Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen;  Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor.

Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn. Toetsing De toekomstige woning aan de Schoutenbosch 60A te Castricum komt op circa 45 meter tot het nabijgelegen spoor. In het kader van de PHS Alkmaar-Amsterdam heeft Movares in de nabijgelegen woning aan de Schoutenbosch 89 (gelegen op circa 30 meter afstand tot het spoor) in 2019 trillingmetingen uitgevoerd (rapport: MNPHSAA876048429-451 d.d. 25-1-2021). Uit dit onderzoek volgt een maximale trillingsterkte tot 0,4 in de middenvloer. Uitgaande van een vergelijkbare bouwwijze ten opzichte van de referentiesituatie mag worden verwacht dat de optredende trillingen ter plaatse van het plangebied bij een vergelijkbare afstand tot het spoor ook redelijk vergelijkbaar zullen zijn. Aangezien de woning 60A 15 m verder tot het spoor is voorzien zullen de trillingen gering lager zijn dan gemeten door Movares. Dit betekent dat in de beoogde woning sprake zal zijn van een maximale trillingsterkte die gering lager is dan 0,4. Een dergelijke waarde overschrijdt de in eerste instantie te hanteren streefwaarde van 0,2 (herhaald voorkomende trillingen, nieuwe situaties cfm SBR deel B) maar aan de streefwaarde voor bestaande situaties van 0,4 zal naar verwachting wel worden voldaan.

Op basis van ervaring dient de situatie, waarbij worst case een reductiedoelstelling met een factor 2 aan de orde is om te voldoen aan de streefwaarde voor nieuwbouw, beoordeeld te worden als technisch oplosbaar. De exacte maatregelen kunnen pas in een later stadium worden gedimensioneerd. Middels deze maatregelen kan een acceptabel woonklimaat worden gewaarborgd zodat qua trillingen geen belemmeringen bestaan om het bestemmingsplan vast te stellen.

29

Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

30

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat:  de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en  de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve:  het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:  het bebouwen van de gronden;  het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10274688/1