KaderstelWTNotReactieECC
Tekst van het document
Notitie Kaderstelling Warmtetransitie Capelle , maart 2021. Reactie EnergieCollectiefCapelle 1. Aanleiding 1.a. Op 8 maart jl. is in de vergadering van de Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer de Kaderstelling Warmtetransitie besproken. Omdat er tijdens de vergadering enige onduidelijkheid bestond over de rol van het ECC bij de totstandkoming van deze kaderstelling en over inhoudelijke standpunten volgen hieronder een aantal kanttekeningen van de betrokken ECC-leden. 1.b. Rol ECC in de projectgroep en m.b.t. de notitie. Het ECC heeft de status van stakeholder en is vertegenwoordigd door één lid. De stakeholders geven hun opmerkingen, adviezen e.d. op de stukken die ambtelijk worden voorgelegd, maar dragen daarvoor geen verantwoordelijkheid. In de projectgroep is afgesproken dat de ingebrachte notities als vertrouwelijk zouden worden behandeld. Daarom heeft het ECC-lid uitsluitend inhoudelijk met zijn ‘vaste vervanger’ informatie gedeeld en met de overige ECCleden alleen procesinformatie. Tot slot geldt dat het ECC primair een vrijwilligersorganisatie is die gericht is op het bevorderen van duurzaamheid door concrete activiteiten, maar ook door meedenken met de gemeente en andere relevante organisaties. Het ECC als geheel doet geen beleidsuitspraken. 2.
Hoofdpunten: A. Ambitie en regierol: er worden in paragraaf 2 Randvoorwaarden een tweetal randvoorwaarden genoemd, waarvan de eerste feitelijk een uitgangspunt is. Bij de andere zijn I en III begrijpelijk, maar II leidt in combinatie met de uitwerking in uitgangspunt 5 in paragraaf 3 Uitgangspunten tot een pat-stelling. De tekst legt de bal dan vooral bij ‘de Capellenaren’ maar in het midden blijft welke ambities de gemeente dan zelf nog heeft. Bovendien: wie zijn de Capellenaren? Uit beschikbare gegevens ( CBS/AlleCijfers/ Buurtmonitor) blijkt dat - na aftrek van Fascinatio/Rivium en Schollevaar - Capelle 11 duizend ( =51%) woningen particulier eigendom heeft en 10,4 duizend (= 49%) corporatie-woningen ( 7,8K) plus particuliere verhuur ( 2,6 K) telt. Daarnaast zijn er nog ruim 4 duizend ‘utiliteitadressen’ waarvan ± 1.300 met een verwachte aanzienlijke warmtevraag ( kantoren, winkels, scholen, gezondheidszorg en woonzorg). Alles bij elkaar vormen de woningcorporaties, particuliere verhuurders en utiliteit dus een duidelijke meerderheid. Voor deze categorieën gelden andere financiële overwegingen en mogelijkheden. Het is niet duidelijk hoe de gemeente op deze andersoortige eigenaren regie gaat voeren. B. Doelstellingen, kwalitatief en kwantitatief: Kwalitatief: het overheidsbeleid is gericht op CO2-reductie èn op aardgasvrij maken.
Voor nieuwbouw gaan deze twee gelijk op, maar voor bestaande bouw niet. Het relativeren van de doelstelling aardgasvrij maken betekent dat – voor de bestaande bouw- de uiteindelijk onvermijdbare stap naar aardgasvrij verschoven wordt naar na 2030. Immers de voorgestelde aanpak geeft geen enkele garantie dat bepaalde buurten als geheel ‘aardgasvrij ready’ zullen worden. Bovendien betekent het in de praktijk voor Capelle a. onzekerheid voor lange tijd op het leggen van claims op meer regionale warmtecapaciteit* dan nu en b. dat nieuwbouwprojecten in de nabije toekomst niet kunnen kiezen voor aansluiting op een warmtenet en dat er dus een andere oplossing moet worden gekozen , met gevolgen voor de business case van het warmtenet ( minder aansluitingen). * Bij paragraaf Criteria, criterium 4.1 in VOORSTEL wordt dit cryptisch geformuleerd en er ontbreekt een inschatting van het risico . Kwantitatief: voor nieuwbouw wordt alleen Rivium genoemd, maar geen andere nieuwbouwprojecten die in de komende jaren worden gerealiseerd. De genoemde
reductieopgave van 8 à 9 procent warmte in ± 10 jaar moet zonder inspanning/maatregelen al gerealiseerd kunnen worden door de nu al gangbare besparing van ± 1 % per jaar door minder koude winters en vervanging van oude CV-ketels door nieuwe, zuiniger exemplaren. Bij het Voorstel wordt genoemd ‘het plaatsen van hybride warmtepompen’ en zelfs ‘het stimuleren van hybride oplossingen’. Over de voor- en nadelen van de keuze voor hybride warmtepompen ( m.n. in vergelijking met een volledige warmtepomp en/of isolatie) is landelijk veel discussie, ook omdat het sterk afhangt van de specifieke situatie van de woning.. Sowieso is de hybride oplossing financieel alleen aantrekkelijk als duidelijk is dat de betrokken woning de eerstkomende ± 15 jaar nog niet van het gas afgaat . Daarover is voor het overgrote deel van Capelle niets bekend en heeft de bewoner geen zekerheid over een realistische terugverdientijd. Voorts wordt er naast Florabuurt (i.c.m. Akker-/Haagwinde) ook gesproken over Schenkel. De suggestie is dat alle overige buurten van Schenkel ook kunnen worden aangesloten op het ‘Alexander/Schenkel-tracé. De ‘robuuste analyses’ wijzen niet in die richting en er wordt geen andere argumentatie gegeven. Duidelijkheid voor de bewoners van Schenkel is gewenst. C.
Wat voor warmtenet ? Her en der verspreid komen in de notitie passages voor die iets te maken hebben met aspecten van het warmtenet, zoals ‘bredere warmtenet-strategie’, temperatuurniveau, regionale vs. lokale bronnen, aanleggen en financieren. En dan is er nog het verschil tussen het Alexander/Schenkel-tracé en het ‘eigen hoofdtracé. De breed gedragen klacht van bewoners met een warmtenetaansluiting is het ontbreken van keuzevrijheid omdat er slechts één aanbieder is. Het nieuwe warmtenet moet tot ver na 2050 mee en dus toekomstbestendig zijn in velerlei opzicht. Maar er is geen totaalvisie op deze netten, in vaktermen: wat voor ‘generatie’ ( 3 zoals nu in Fascinatio 2020 of 4 of 5 etc. , warmte en koude?) warmtenet wordt beoogd , welke soort partijen ( privaat, semi-publiek, lokale energiecorporaties) mogen meedoen voor welke delen ( warmtelevering, netbeheer), dus een geheel van technische, juridische en sociale aspecten en bijbehorende financiële consequenties. Dit alles uiteraard binnen de kaders van de nieuwe Warmtewet, waarvan de contouren inmiddels duidelijker aan het worden zijn. Overige punten: 1. Individuele versus collectieve oplossingen paragraaf 3.6. Regie voeren ‘op collectief’ begint ( zie hierboven) met de regie op het kiezen van de oplossing. Regie voeren betekent ook het toewijzen van beschikbare middelen en passende gemeentelijke regelgeving.
Dat er ‘ ruimte is voor individuele oplossingen’ binnen collectief is vanzelfsprekend: er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat voor particuliere woningeigenaren de aansluiting op een collectieve oplossing afgedwongen zal kunnen worden. In dit gedeelte ontbreekt een categorie. Dit zijn gebouweigenaren voor wie er geen mogelijkheid gaat komen op een collectieve oplossing, dus een gedwongen individuele oplossing moeten vinden. De notitie maakt niet duidelijk welke verantwoordelijkheid de gemeente voor deze categorie neemt. Woningeigenaren die ( eventueel voor een ‘klein-collectieve oplossing’) een individuele, alternatieve oplossing overwegen, zullen in eerste instantie behoefte hebben aan onafhankelijk ( warmte-, bouw-) technisch advies/ondersteuning gekoppeld aan een ‘financieel plaatje’.. Wil de gemeente hierin investeren en wat betekent het uitgangspunt ‘voor de samenleving als geheel verstandig’?
2. Naast besparingen via technische voorzieningen is er ook veel te winnen via ‘bewonersgedrag’ o.a. vanwege het ‘reboundeffect’ ( bewoners passen hun gedrag aan waardoor er minder bespaard wordt). Dat vraagt om een lange-termijn aanpak via m.n. de energiecoaches. 3. Koeling: WKO’s zijn alleen realiseerbaar bij gebouwen met een lage temperatuurwarmtevraag. Dit zal voor het overgrote deel van Capelle ( bestaande bouw) niet ( technisch en/of financieel) haalbaar zijn. De genoemde ‘passieve’ ( = zonder elektriciteit) maatregelen zullen in de te verwachten warmere zomers richting 2050 onvoldoende soelaas bieden. ‘Actieve’ oplossingen zullen wijk-overstijgend zijn ( bijv. via het warmtenet) en kunnen daarom beter niet pas op het niveau van een WijkUitvoeringsPlan geregeld worden. 4. Kernenergie ( paragraaf 2) heeft als zodanig geen plaats in de warmtetransitie. Het is ( net als zon, wind, biomassa, fossiele brandstoffen) een energiebron. Voor de warmtelevering zijn alleen energiedragers (elektriciteit, warmte uit een warmtenet, biogas, waterstof) relevant. N.B. Tot nog toe leveren kerncentrales in West-Europa geen ( rest)warmte aan de huidige warmtenetten. Dat heeft twee hoofdoorzaken: a. voor kerncentrales ( veel meer dan voor conventionele centrales) gaat warmteproductie ten koste van elektriciteitsproductie en b.
kerncentrales worden vanwege veiligheid op zo groot mogelijke afstand van de woonkernen geplaatst, met als gevolg hoge kosten vanwege lange pijpleidingen.
5. Oude gebouwen: wij bevelen aan dat er tijdig onderzoek wordt gestart naar de oude ( met name de vooroorlogse) woningen en andere gebouwen vanwege de verwachte extra problemen met aardgasvrij maken.
Ondertekend door de volgende ECC-leden: Arne Beijer, lid ECC en lid van de projectgroep WarmteTansitieVisie Ger Keuzenkamp, lid ECC en ‘vaste vervanger’ WTV Tineke Winkels, lid ECC en energiecoach Dick Biesta, lid ECC en energiecoach John Renirie, lid ECC en deelnemer projectgroep ‘Wonen’