Beeldvormendecommissie31082021
Tekst van het document
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
1
Verslag van de beeldvormende commissievergadering invulling bezuinigingstaakstelling op dinsdag 31 augustus 2021, in de raadzaal, aanvang 20.00 uur. Aanwezig zijn als: voorzitter
:
de heer M.N. Landzaad MSc MA.
volksvertegenwoordigers :
de heer drs. M.G. Jaliens, raadslid Leefbaar Capelle; de heer J. Janson, raadslid Leefbaar Capelle; de heer G. Slagboom, raadslid Leefbaar Capelle; de heer G. Spruit, raadslid Leefbaar Capelle; de heer L.C.A. Anink, raadslid VVD; de heer J.C. Brasser, burgerraadslid VVD; de heer drs. S. van Loef, raadslid VVD; de heer P.G. Holkamp, raadslid D66; de heer H.E. Tiesma, burgerraadslid D66; de heer drs. A. Terlouw, raadslid SGP; de heer mr. P.M.D. Weijers, raadslid SGP; de heer S. Geissler, raadslid PvdA; mevrouw J. den Engelsman, raadslid CDA; mevrouw H.A. Groenendijk-de Vries MEd, raadslid ChristenUnie; de heer J.M. Snijders, raadslid GroenLinks
secretaris
:
de heer drs. A.J.M.C. Schoenmakers;
portefeuillehouder
:
de heer N.C. van Veen, wethouder;
ambtelijke ondersteuning :
de heer drs. A.R. Ruijmgaart RA MGA (presentatie 1); de heer S. Duijmaer van Twist (presentatie 2);
notulist
de heer D.J. van Eck (Notuleerservice Dictum).
:
Op de publieke tribune zijn bij de aanvang van de vergadering 2 personen aanwezig.
1. Opening, mededelingen en vaststelling agenda. De VOORZITTER opent de vergadering en heet een ieder van harte welkom. 2. Vaststelling agenda De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 3. Technische toelichting invulling taakstelling sporen 1, 2 en 3 Wethouder VAN VEEN spreekt voorafgaande aan de ambtelijke toelichting zijn dank uit aan het ambtelijk apparaat voor het goede werk dat is geleverd. De VOORZITTER geeft hierna het woord aan de heer Ruijmgaart. De heer RUIJMGAART zegt dank voor de mogelijkheid die hem wordt geboden om een technische toelichting te geven op de in het memo van 8 juni jl. van het college opgenomen voorstellen. Zijn presentatie zal de sporen 1, 2 en 3 betreffen, waarna de algemeen directeur aanvullend een toelichting zal geven op de sporen 4 en 5, de kadernota en de kerntakendiscussie. Als uitgangspunt heeft het college ervoor gekozen op een verantwoorde manier invulling te geven aan de bezuinigingsopgave, die vanaf 2024 in de boeken staat, en tegelijkertijd zoveel mogelijk te voorkomen dat de bezuinigingen de Capellenaren raken, daarbij de dienstverlening en het voorzieningenniveau in stand te houden en de lokale lasten niet met meer dan met de gebruikelijke inflatiecorrectie te hoeven verhogen, mede gelet op de moeilijke tijd waarin de gemeente zich momenteel bevindt.
Gekozen is daarom voor een ‘stap voor stap’-proces, waarbij de focus eerst zal liggen op de financieel-technische bezuinigingsvoorstellen, vervolgens op het scherper zeilen aan de wind en op de maatregelen die in het memo en in de eerdere bespreking in de commissie BVM zijn genoemd.
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
2
De heer TIESMA vraagt wat er nu anders is dan vroeger: waarom het college zich nu wel op financieel-technische bezuinigingsvoorstellen richt en vroeger niet. Boekhoudkundig worden nu een aantal zaken naar de toekomst verschoven, terwijl dat ook vier, vijf jaar geleden gedaan had kunnen worden. De heer RUIJMGAART antwoordt dat ook in de bezuinigingsronden van 2010 en 2013 door de gemeenteraad besloten is een aantal financieel-technische bezuinigingsmaatregelen te treffen om de begroting sluiten te krijgen en te houden. Wat dat betreft is de situatie nu niet wezenlijk anders. Wel heeft het college er nu voor gekozen wat optimistischer te gaan begroten, omdat een analyse van de rekeningresultaten van de afgelopen vier jaren steeds een positiever exploitatiesaldo en een positiever bedrag aan kasstroom heeft laten zien dan waarvan oorspronkelijk bij de begroting was uitgegaan. De heer TERLOUW vraagt of de uitgangspunten die bij het ‘stap voor stap’-proces zijn aangegeven ook in volgorde van prioriteit zijn vermeld, of dat bijvoorbeeld het vermelde achter punt 3 iets is waar altijd naar gekeken moet worden. De heer RUIJMGAART licht toe dat zowel het één als het ander waar kan zijn. De opsomming kan worden begrepen als een voorkeur voor de sporen 1, 2 en 3. Zoals uit de memo blijkt, zouden veel van de voorstellen direct verwerkt kunnen worden in de begroting 2022.
Voor een aantal is wat meer tijd nodig, en daarbij is de begroting 2023 vermeld, of ‘zoveel eerder als mogelijk’. De voorstellen die onder punt 3 staan zijn voor een gedeelte nog niet concreet ingevuld. De opdrachten daarvoor moeten nog geformaliseerd worden en zullen, naar hij meent, in de begroting 2022 worden meegenomen. Wat daaruit zal komen bepaalt in feite ook de mate waarin de wat minder gewenste voorstellen in de sporen 4 en 5 aan bod komen. De heer TERLOUW concludeert dat de punten 1, 2 en 3 min of meer tegelijk in gang worden gezet en dat aan de hand van de uitkomsten daarvan, die op verschillende momenten naar voren komen, kan worden bepaald wat ermee moet worden gedaan. De heer RUIJMGAART bevestigt dat. De heer JANSON brengt daartegen in dat bij punt 3 is vermeld dat de daar genoemde maatregelen “daarna”, dat wil dus zeggen ná de punten 1 en 2, bij de gemeente aan bod komen. De heer RUIJMGAART meent dat dat op hoofdlijnen te maken heeft met het feit dat bij de sporen 1 en 2 sneller duidelijk zal zijn hoeveel het precies is dan bij de voorstellen onder 3. Het eerste voorstel betreft het toerekenen van kosten aan investeringen. Het is de eerste keer dat er ook een bedrag wordt genoemd: het voordeel in 2024 zou 250.000 euro kunnen zijn. Hij hecht eraan daarbij op te merken dat bij alle voorstellen, op een enkele uitzondering na, indicatieve bedragen zijn vermeld.
Wat hier wordt voorgesteld is om de kosten die nu jaarlijks in de exploitatie zitten, dus die ten laste gaan van het resultaat, toe te voegen aan de te activeren post, die vervolgens wordt afgeschreven. Het voordeel loopt jaarlijks af, van 250.000 euro tot 237.500, 225.000 en zo vervolgens, tot uiteindelijk 0 na 20 jaar. Vanaf dat moment blijft de situatie gelijk en heeft het geen effect op de exploitatie. Het voorstel wordt tevens gedaan omdat de voorwaarden die door de commissie BBV zijn gesteld voor het opstellen van de begroting en de jaarstukken voorschrijven dat de salariskosten die direct aan een actief toe te rekenen zijn moeten worden toegerekend aan dat actief. Zo moeten de salariskosten van de projectleiders bij de afdeling Stadsbeheer volgens de commissie BBV worden toegerekend aan de investeringen die worden gedaan om bijvoorbeeld in Schollevaar een IBOR-project te realiseren. De indirecte salariskosten, zoals bijvoorbeeld voor de medewerkers van de salarisadministratie, of voor communicatie, of vastgoed, kúnnen volgens diezelfde commissie worden toegerekend. Er is dus een moet-bepaling en een kan-bepaling. De heer ANINK merkt op dat voor het toepassen van de moet-bepaling wel een tarievenlijst moet worden vastgesteld met wélke salariskosten worden toeberekend en die bestaat in Capelle niet.
Als die niet op korte termijn wordt vastgesteld, kan de maatregel niet worden toegepast. De heer RUIJMGAART verzekert dat alles zal worden gedaan wat volgens de voorschriften moet worden gedaan. Mogelijk zal uit het nader onderzoek blijken dat een aantal directe arbeidskosten tot
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
3
op heden, en misschien wel ten onrechte, niet zijn geactiveerd, wat dan sowieso zal moeten gebeuren. De heer TERLOUW concludeert dat het laatste wel heel bijzonder zou zijn. Als iets geactiveerd moet worden, maar dat niet gebeurt, is dat toch gewoon een fout? De heer RUIJMGAART zal de eerste zijn om toe te geven dat een fout die is gemaakt hersteld zal moeten worden. Overigens wijst hij erop dat hij niet heeft vastgesteld dát het zo is. Het onderzoek is erg gericht op de vraag of alle kosten die toegerekend moeten worden ook zijn toegerekend. Daarnaast is nog de vraag welke kosten extra toegerekend zouden kúnnen worden. De heer TERLOUW verzoekt nader toe te lichten waarom dit een negatief effect zou hebben op de kasstroom, zoals op de vorige slide werd aangegeven. De heer RUIJMGAART zet uiteen dat er verschillende stromingen zijn. Als er een taakstelling is van een miljoen, kun je zeggen dat dat bedrag feitelijk een miljoen euro kasstroom moet zijn, dat minder wordt uitgegeven, dan wel meer binnen wordt gekregen, dan wel elke mix daartussen, dus dat elke exploitatie-euro ook een kasstroom-euro is. Dat is het ene uiterste van het continuüm. Als daarvan wordt uitgegaan, heeft dit voorstel ten opzichte van dat uitgangspunt een negatief effect op de kasstroom. Aan de feitelijke uitgaven verandert niets, het is uitsluitend de administratieve verwerkingswijze die anders is.
De heer TERLOUW zegt dat niet te begrijpen. Als je namelijk een factuur betaalt van een derde waarop salariskosten staan, heb je een exploitatielast en een extra uitgaande kasstroom. De indirecte salariskosten van de salarisadministratie betaal je ook en dan heb je ook een uitgaande kasstroom. Volgens hem kan dit dus geen effect hebben op de kasstroom van de gemeente. De heer RUIJMGAART erkent dat hij ook geworsteld heeft met dit zinnetje; de vraag is immers: ten opzichte waarvan dan? De enige uitleg die hij er technisch aan kan geven is vanuit de situatie dat je feitelijk de taakstelling invult met zowel qua exploitatie een voordeel als met de kasstroom. Omdat het geen effect heeft op de kasstroom, staat hier, heeft het voorstel een negatief effect op de kasstroom ten opzichte van dat andere uitgangspunt. De salariskosten van de projectleiders zouden aanvullend kunnen worden toegerekend. De overhead berekend op de salariskosten bedraagt 65%. Vanuit de kan-bepaling zou dat een extra toevoeging kunnen zijn. Tot op heden is die kan-bepaling niet ingevuld. Deze keuze zou nu gemaakt kunnen worden omdat het een integraler beeld geeft van de totale kosten van het realiseren van het krediet. Alle integrale kosten worden dan toegerekend aan de jaren waarin het uitgevoerde werk nut toevoegt aan de openbare ruimte.
IBOR-projecten worden gemiddeld afgeschreven in een jaar of twintig, vandaar dat ook in het gegeven rekenvoorbeeld de te activeren uitgaven over een periode van twintig jaar worden afgeschreven. Het tweede voorstel in spoor 1 is het vormen van een kapitaallastenreserve. Rekening houdend met een minimale solvabiliteit van 20% – zijnde een van de adviezen van de raadswerkgroep SIR –, kan vanuit de algemene reserve een reserve kapitaallasten worden gevormd. Ook hier is er weer voor gekozen om aan te sluiten bij de gemiddelde afschrijvingstermijn van de investeringen, zijnde rond 20, 22,5 jaar. Een bedrag wordt dus uit de algemene reserve gehaald en apart gezet in een nieuwe bestemmingsreserve, waarbij jaarlijks het gedeelte van de bijbehorende afschrijvingslasten van die activa vrij valt ten gunste van de exploitatie, wat in het gegeven voorbeeld een voordeel oplevert van 1.250.000 euro in de eerste tien jaar. Na tien jaar is een aantal afschrijvingen volledig afgeschreven, in het rekenvoorbeeld 250.000 euro. Als die afschrijvingslasten er niet zijn, is ook die dekking uit de vrijvallende reserve niet nodig, dus die loopt af naar 0 in 2044. Desgevraagd voegt hij eraan toe dat dit een rekenvoorbeeld is.
De gedachte is om de reserve te vormen in lijn met de onderliggende activa en de resterende afschrijvingstermijnen, maar op het moment dat het daadwerkelijk wordt geëffectueerd zal het nog moeten worden gefinetuned. De heer TERLOUW herinnert eraan dat de gemeenteraad eerder een motie heeft aangenomen over transformatie van de begroting, waarbij als een soort uitgangspunt zou gelden dat de structurele las-
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
4
ten in lijn liggen met de structurele inkomsten. Volgens hem is de vorming van deze reserve daarmee in strijd. De heer RUIJMGAART erkent dat. Wat blijft is dat de afschrijvingslasten ten laste van de exploitatie moeten komen, want de afschrijvingslasten lopen door. Alleen wordt vanuit de algemene reserve een stuk afgezonderd voor de dekking van die afschrijvingslasten, zodat de afschrijvingslasten per saldo nul zijn. Dat is inderdaad niet in lijn met genoemde motie. De heer TERLOUW leidt hieruit af dat de toekomstige exploitatie onvoldoende zal zijn om de afschrijvingslasten voor eventueel vervanging enz. te dekken. De heer RUIJMGAART bevestigt dit. Als zich in de mix van investeringen die wordt gekozen om af te zetten tegen het bedrag dat wordt afgezonderd investeringen bevinden die op enig moment een vervangingsverplichting in zich hebben, wat zeker een reële veronderstelling is, zullen de afschrijvingslasten van die nieuwe vervangingsinvesteringen uit de begroting moeten worden gedekt. De heer TERLOUW merkt op dat deze tekst letterlijk is terug te vinden in paragraaf 4.1. van de betreffende notitie.
Het is hem echter opgevallen dat daar een paragraaf onder stond die hier ontbreekt, luidende: “Mocht het zo zijn dat er eigen middelen zijn, dan kunnen deze middelen in een door de raad in te stellen bestemmingsreserve kapitaallasten worden gestort voor de dekking van de kapitaallasten die uit de activering en de wijze van afschrijving voortvloeien.” Zou die referentie aan het BBV alsnog kunnen worden toegevoegd? Wethouder VAN VEEN benadrukt dat het de bedoeling is met deze kapitaallastenreserve rust in de tent te brengen. Met deze reserve wordt een deel van de afschrijving opgevangen. Het nieuwe college dat na de verkiezingen gevormd zal worden kan er dan rustig verder mee werken, zonder dat in deze coronatijd enorme bezuinigingen doorgevoerd behoeven te worden. Alles wat wordt overgehouden kan weer teruggestort worden. De heer HOLKAMP constateert dat nu net wordt gedaan alsof het op elk moment kan worden gestart en stopgezet. Hoe verhoudt dat zich tot een bestendige lijn in het financieel beleid? Daar wordt immers vaak naar gekeken, juist om ervoor te zorgen dat jaren vergelijkbaar blijven. Wethouder VAN VEEN erkent dat daarvan nu iets wordt afgeweken. Anderen zullen zich wellicht afvragen waarom zo’n groot eigen vermogen of reserve nodig is, terwijl dat ook ingezet kan worden voor de Capellenaar.
In deze coronatijd, met een begroting waarin flinke tekorten worden verwacht voor jeugdhulp et cetera, vindt het college dit de manier om een en ander te temperen. De heer RUIJMGAART merkt aanvullend op dat hier echt een keuze voorligt voor de wat langere termijn, wat niet wil zeggen dat niet tegelijkertijd ook bijvoorbeeld de stelselafspraak kan worden gemaakt dat, als er voordelen zijn, die eerst en vooral worden ingezet om de kapitaallastenreserve te verminderen, zijnde exact dezelfde stelselafspraak die de raad heeft gemaakt ten aanzien van de reserve IBOR in voorgaande jaren. De heer HOLKAMP toont zich voorts benieuwd naar de gevolgen van de kasstroom. Daarover is op deze sheet namelijk niets vermeld, en volgens hem ook niet op de voorgaande of de volgende. De heer RUIJMGAART merkt in navolging van de heer Terlouw op dat afschrijvingslasten geen kasstroom zijn. Als een deel van de algemene reserve wordt ingezet ter dekking van nietkasstroomkosten, heeft dat geen enkel effect. De heer HOLKAMP vraagt hoe dit later dan zal worden verwerkt in het kasstroomoverzicht. Er zit namelijk gewoon een post in die gaat over mutaties van reserves, en dat is wel wat hier gaat gebeuren. De heer RUIJMGAART vreest dat het nu heel technisch gaat worden.
Hij weet niet of de vrijval uit de kapitaallastenreserve in mindering wordt gebracht op de afschrijvingslasten, maar qua kasstroom heeft het volgens hem geen effect. Het voorstel is om de reserve voor twintig jaar te vormen en om de rust die de wethouder noemde voor de eerstkomende jaar in te bouwen om de investeringen te kiezen
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
5
die in minimaal tien jaar worden afgeschreven. Daarom is er geen verschil te zien in de bedragen voor de eerste tien jaar. Pas vanaf tien jaar lopen de bedragen verder af. In de presentatie is een willekeurig rekenvoorbeeld opgenomen met in de eerste jaren een afschrijvingslast van 5 miljoen euro, vanaf 2034 4.750.00 euro, en zo doorlopend. De investeringen A t/m F tellen, als het goed is, netjes op tot 1.250.00 euro, dus de kapitaallastenreserve die gevormd wordt, wordt in dit voorbeeld gevormd voor de investeringen A t/m F. In de eerste tien jaar worden die gewoon afgeschreven en vanaf het elfde jaar, 2034, is de investering A in dit voorbeeld volledig afgeschreven. Zo lopen een aantal investeringen in de jaren daarna af, waardoor ook de dekking uit de kapitaallastenreserve steeds lager wordt. Desgevraagd bevestigt hij dat het mogelijk zou zijn vanaf 2034 weer een bestemmingsreserve te vormen. In de huidige context heeft het college ervoor gekozen om, zoals de wethouder zei, vooral rust te creëren en de sporen stap voor stap te doen. Op een later moment in de toekomst kan altijd een ander besluit worden genomen. Wethouder VAN VEEN attendeert erop dat buiten de rust die hiermee wordt gecreëerd jegens de provincie ook een sluitende begroting voor een langere termijn kan worden gepresenteerd.
Daarbij komt dat de kapitaallastenreserve die hier wordt gehanteerd een door de provincie toegestaan fenomeen is en niet door de gemeente zelf is verzonnen. De heer RUIJMGAART vervolgt met spoor 2 uit het memo. De kosten van de GR Jeugdhulp zijn de afgelopen jaren toegenomen, zoals overigens, naar hij heeft begrepen, ook in de jaren voor de decentralisatie het geval was. Er is een efficiencykorting opgelegd en gepoogd is de kosten te beheersen en te bezien wat de gemeente daaraan kan doen. De kosten van de GRJR lopen op en in 2020 is door alle 15 aan de GRJR deelnemende gemeenten besloten een taakstelling door te voeren. Voor die taakstelling zijn ook concrete maatregelen aangeleverd bij de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp. De daarbij behorende bedragen zijn weergegeven op de sheet. In 2021 beloopt het 148.000 euro, in de twee jaren daarna wordt het weer verder verhoogd met steeds 148.000 euro. Uit voorzichtigheidsoverwegingen heeft de raad eerder besloten uitsluitend de taakstelling 2021, oplopend naar 296.000 in 2022, in de begroting te verwerken. Het is een keuze om de taakstelling die verder oploopt in de jaren ’23 en ’24 eveneens te verwerken. Het verschil tussen die twee is 296.000 euro. De VOORZITTER brengt in herinnering dat bij de try out werd gevraagd hoe het er nu voorstaat met de taakstelling. Wellicht kan daarop ook even worden ingegaan.
De heer RUIJMGAART geeft aan dat de kosten van de jeugdzorg nog steeds verder oplopen. Als deelnemer aan het controllersoverleg van de GRJR weet hij dat binnenkort een bestuursrapportage zal worden uitgebracht waarin staat dat de kosten ook in 2021 naar verwachting verder doorstijgen ten opzichte van de 1ste bestuursrapportage. In het conceptstuk is aangegeven dat, als de totale naar verwachting te realiseren kosten hoger liggen dan de begrote kosten, de taakstelling voor 2021 daarmee dus niet is gerealiseerd. Zelf vindt hij dat overigens te ver gaan, want alle 15 gemeenten hebben een pakket aan maatregelen voorgelegd en het kan best zijn dat Capelle aan den IJssel goed kan leren van een voorstel of maatregel van Rotterdam, Nissewaard of Schiedam, maar dat zicht heeft hij op dit moment nog niet. Het is helemaal niet uitgesloten dat de taakstelling in z’n geheel gerealiseerd wordt, maar ondersneeuwt door kostenoverschrijdingen op andere budgetten. In de begroting is vrij recent de stelpost ‘inwoneraantal’ opgenomen. In de meerjarendoorkijk van de ontvangsten uit het gemeentefonds wordt meer geld toegekend naar mate het aantal inwoners groter is en dat is netjes in de begroting opgenomen.
In alle jaren daarvoor was het voorstel opgenomen om tegenover de stijging van de vergoeding in het gemeentefonds naar aanleiding van het inwoneraantal een fictieve kostenpost te zetten, uitgaande van het gegeven dat meer inwoners naar alle waarschijnlijkheid ook leidt tot meer Wmo-kosten e.d. Dit voorstel stelt voor om weer terug te gaan naar de situatie zoals die voor 2020 gold, de stelpost te laten vervallen en op het moment dat concreet zicht bestaat op het causaal met het toenemen van het aantal inwoners stijgen van de kosten, die ook te verwerken. Het meest simpele voorbeeld waarin dat werkt is de inwonerbijdrage aan de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, want die kent een inwonerafhankelijke bijdrage. De heer HOLKAMP meent dat in het kader van het Nieuwe Rivium is onderzocht wat de invloed zou zijn van een toename van het aantal inwoners. In zijn herinnering heeft dat opgeleverd dat de kosten
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
6
en opbrengsten ongeveer even hoog zouden worden. Wat is de motivatie om dat nu toch weer los te laten? De heer RUIJMGAART denkt dat het zowel een kwestie is van schaal als van de manier waarop je tegen de begroting aan wilt kijken. Er is vaak niet een lineair verband aan te wijzen. De stijging van het inwoneraantal in Rivium is overigens niet in de meerjarenbegroting opgenomen, van de andere ontwikkelingen wel, maar dat is van een andere orde van grootte. Het andere deel is: hoe kijk je tegen de begroting aan? De kosten waarvan duidelijk is dat ze samenhangen met de stijging van het aantal inwoners zullen verwerkt moeten worden, van andere kosten zal eerst moeten worden onderzocht wanneer ze komen en misschien wel onvermijdelijk zijn, in welk geval ze op dat moment in de begroting worden opgenomen. In de raadswerkgroep SIR is de afgelopen jaren behoorlijk gediscussieerd over het rentepercentage. Bij een aantal omliggende gemeenten in de regio en ook bij de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond is navraag gedaan welk percentage zij hanteren voor hun aan te trekken langlopende leningen. Het college stelt voor de rente structureel terug te brengen naar 1%, wat redelijk in lijn ligt met het gemiddelde in de regiogemeenten.
Verder stelt het college voor eenmaal per jaar bij de begroting een evaluatie uit te voeren met de regiogemeenten, om na te gaan of men zich nog steeds verhoudt tot het gemiddelde in de regio. Het percentage kan dus jaarlijks worden aangepast. De nu volgende sheets zijn wat minder technisch van aard en kunnen wellicht wat sneller worden afgedaan. Zoals eerder gezegd, zullen de onderzoeksopdrachten zo snel mogelijk worden uitgevoerd. Voor sommige zal zeker de tijd nodig zijn tot de begroting 2023. Een daarvan is de stofkamanalyse. Er zullen heel veel combinaties van kostenplaatsen en kostensoorten worden beoordeeld op de vraag of begrotingsposten niet, of minder, worden uitgenut dan ze in de begroting staan en kunnen worden afgeboekt in de begroting. Bij kabels en leidingen bleek in de jaarrekening 2020 500.000 euro aan meeropbrengsten te zijn gerealiseerd. Bij de voorjaarsnota is 100.000 euro daarvan door de raad reeds als structureel aangemerkt. Er blijft dan nog minimaal vier ton over, die ook zou moeten kunnen. Onderzocht wordt nu of dat niet zou leiden tot een te optimistisch beeld. Hopelijk zal voor de begroting 2022 duidelijk zijn wat een verantwoord bedrag is dat in de begroting kan worden opgenomen naar aanleiding van de meeropbrengsten kabels. De huidige waarderingsvoorschriften geven aan dat de activa kunnen worden afgeschreven, rekening houdend met een restwaarde.
Als iets wordt geactiveerd voor 1.000 euro en wordt afgeschreven in tien jaar, dan wordt het afgeschreven naar nul. Daarbij wordt lineair afgeschreven, dus ieder jaar een zelfde bedrag, waarna aan het eind van de tien jaar de investering op nul staat. Dat gebeurt met alle activa, met uitzondering van een aantal voertuigen en het pand waarin men momenteel bijeen is. In 2011 heeft de raad besloten de helft van de WOZ-waarde van dit pand als restwaarde aan te houden. Het college heeft gevraagd te onderzoeken of dat op meerdere investeringen van toepassing zou kunnen zijn. Daarvoor gelden vanuit de commissie BBV weer een aantal voorwaarden. In het kader van de controle op de verzekerde waarde is een aantal taxaties gevraagd en daarvoor heeft de raad bij de voorjaarsnota ook een voorstel goedgekeurd. Bij een drietal panden is concreet aan de taxateur gevraagd ook de restwaarde aan te geven: Rivierweg 111, Groenedijk 10 en Stadsplein 39, het gemeentehuis, de gemeentewerf en de bibliotheek. Die rapporten zijn gisteren binnengekomen. Daarin is door de taxateur een bepaalde restwaarde voor de drie panden aangegeven en het voorstel van het college is om daar rekening mee te houden. Volgens de voorwaarden mag niet worden afgeschreven op de grond. Dat verbod is ingegaan nadat het gebouw was gekocht. Er moet dus rekening worden gehouden met heel veel factoren.
Rest nog een technisch voorstel duurzaamheid. De uitvoeringslasten zitten in de begroting, dat is een feitelijkheid, en het college is van mening dat de Rijksoverheid daarvoor de portemonnee moet trekken. Doet ze dat niet, dan voert de gemeente het niet uit, zo wel, dan ontstaat ten opzichte van de begroting een voordeel van 155.000 euro. De heer SNIJDERS vraagt waarom dit onderdeel is opgenomen bij spoor 3, handelend over efficiency. Wat wordt efficiënter bij het stopzetten van de duurzaamheidssubsidie? Volgens hem hoort dit eerder onder punt 4 thuis dan onder punt 3.
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
7
De heer RUIJMGAART antwoordt dat het doelmatiger wordt als de gemeente de gelden binnenkrijgt van degene die haars inziens de gelden dient te verstrekken, omdat dan hetzelfde resultaat wordt bereikt met minder geld. De gemeente huisvest in het Werkplein een aantal medewerkers in het kader van de Gemeenschappelijke Regeling IJsselgemeenten op het gebied van sociale zaken. Voorgesteld wordt die medewerkers te verhuizen naar het gemeentehuis. Uiteraard vergt dit voorstel overeenstemming met meerdere partijen, maar het is de bedoeling te komen tot een efficiënter, doelmatiger gebruik van de toren en door ruimte te creëren en te verhuren aan formeel een externe partij ontvangt de gemeente huurbaten, wat per saldo een voordeel oplevert. De heer GEISSLER brengt naar voren dat, als de huidige trend van flexibel en thuiswerken zich doorzet, zomaar de helft van het gebouw leeg zou kunnen komen te staan. Is er ambtelijk al over nagedacht om ook daarvan een onderzoeksvoorstel te maken? De heer RUIJMGAART bevestigt dat daarover wordt nagedacht, zoals, naar hij aanneemt, elke organisatie in Nederland zal doen: De heer HOLKAMP merkt op dat het memo niet alleen gewag maakt van het Werkplein, maar in veel bredere zin spreekt over vastgoed. In de presentatie komt dat niet terug.
Moet hij daaruit concluderen dat het eigenlijk alleen over het Werkplein gaat? De heer RUIJMGAART antwoordt dat in dezen het memo moet worden aangehouden. Voorgesteld wordt ook de post te digitaliseren. Daaraan zijn allerlei randvoorwaarden verbonden, want niet iedereen is gediend van digitale post en er zal echt voor moeten worden gezorgd dat degenen die dat willen op de conventionele, vertrouwde manier post kunnen blijven ontvangen. Bij het Maria Danneels Erf wordt onderzocht of met vrijwilligers gewerkt kan worden in plaats van professionals. Natuurlijk moet dat heel zorgvuldig gebeuren, maar ook dit is weer een richting om een doelmatigheidskans te benutten. Zo ook met het combineren van de Brede School Netwerken, Kinderlabs en Onderwijskansen. Deze onderzoeksopdracht wordt verder uitgewerkt en zal bij de begrotingsstukken 2022 worden gevoegd. Er wordt op gekoerst om uiterlijk bij de begroting 2023, of zoveel eerder als mogelijk, helderheid te geven over wat dat kan betekenen. Voor de subsidies geldt hetzelfde. Er zijn verschillende subsidiestromen en de onderzoeksopdracht geeft aan dat nagegaan zal worden hoe mogelijke dubbelingen eruit kunnen worden gehaald. Onderzocht zal dus worden hoe hetzelfde effect kan worden bereikt met een andere opzet of mix van middelen.
De heer HOLKAMP vraagt of daarbij ook echt breed gekeken zal worden, bijvoorbeeld ook naar de subsidie die de Stichting Welzijn verstrekt, of CJG, of Sportief Capelle. De heer RUIJMGAART repliceert dat aan de opdracht geen enkele begrenzing is gegeven. In het memo is ze nog vrij kort en summier aangeduid, maar in de komende weken zal er in de aanloop naar de begroting 2022 verder aan worden gewerkt om de onderzoeksopdracht wat uitgebreider te krijgen. De heer GEISSLER oppert dat het criterium in hoeverre het bijdraagt aan het gewenste beleid deels ook gezien zou kunnen worden als een spoor 4-discussie. Zal dat nog verder beschreven worden in deze discussie? Te denken valt aan gevallen waarbij heel duidelijk is dat ze inmiddels overbodig zijn geworden. Stel bijvoorbeeld dat er geen branden meer zijn in Capelle, terwijl er nog wel een wijkbrandweerfunctionaris is, dan zou je je kunnen afvragen of dat nog wel bijdraagt aan het beleid. De heer JANSON werpt tegen dat je je ook het omgekeerde kunt afvragen: namelijk of er dankzij die brandweerfunctionaris geen branden meer zijn. Wat breder geldt dat ook voor subsidies die niet meer nodig zijn omdat het probleem opgelost is: is dat probleem niet opgelost ómdat die subsidies er zijn? De heer RUIJMGAART stelt dat binnen dit spoor in ieder geval bewaakt moet worden dat geen afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit en het resultaat.
Het onderzoek zal tot concrete voorstellen leiden en zodra die er zijn lijkt het hem handig te bezien wat het kwantitatieve en kwalitatieve effect is en of ze voldoen aan de criteria en de verwachtingen.
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
8
Een onderzoeksopdracht is ook verleend in het kader van het Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs. Dit najaar moet een geactualiseerd SHO worden vastgesteld. Nagegaan wordt of men in de tijd gezien op tijd zal zijn voor de najaarsnota 2021, dan wel of het de voorjaarsnota 2022 wordt. Onderzoeksopdrachten volgen verder nog voor twee grote beleidsdomeinen. Voor de Wmo individueel zijn bij de afgelopen planning- en controldocumenten voorstellen vastgesteld met een stijging van de uitgaven voor de Wmo, wat gedeeltelijk te maken heeft met de aanzuigende werking vanuit het abonnementstarief, maar ook door de vergrijzing lopen de kosten voor de Wmo de komende jaren op. Vraag is nu welke mogelijkheden er zijn om die kosten te beperken. Een specifiek onderdeel betreft het feit dat de raad heeft besloten tijdelijk een toezichthouder rechtmatigheid Wmo/Jeugd aan te stellen. In allerlei landelijke rapporten wordt namelijk gesteld dat cliënten te lang in de Wmo zitten, terwijl ze eigenlijk een beroep zouden moeten doen op de Wet langdurige zorg. De financiering van het laatste is niet aan de gemeente, maar aan een ander. De toezichthouder heeft tot taak te onderzoeken of iemand recht heeft op het ontvangen van hulp in het kader van de Wmo, dan wel of die vanuit een andere regeling dient te worden gegeven. Het andere grote onderdeel in het sociaal domein is de jeugdzorg.
De kosten voor de jeugdzorg lopen op en ook met het oog daarop heeft het college gevraagd te onderzoeken welke kostenbeperkende maatregelen kunnen worden doorgevoerd. Ook landelijk is er onderzoek naar gedaan naar aanleiding van de claim van de gemeenten dat ze hiervoor structureel te weinig geld hebben gekregen. AEF heeft het rapport ‘Stelsel in groei uitgebracht’ en de commissie Sint heeft daarna eveneens een rapport uitgebracht. AEF heeft 19 maatregelen geïdentificeerd, de commissie Sint nog meer, waaraan met behoud van kwaliteit gedacht zou kunnen worden om de stijging van de kosten in de jeugdzorg terug te dringen. De heer GEISSLER stelt in deze beeldvormende vergadering prijs op wat meer beeld bij de stelling dat het CJG de taken goedkoper kan uitvoeren dan de GRJR. Bij zijn weten moet daar in principe hetzelfde werk worden uitgevoerd en hoe zou dat dan tot een kostenbesparing kunnen leiden? De heer RUIJMGAART licht toe dat de insteek vanuit de Jeugdwet, en ook het beleid van deze raad, is dat de zorg zo licht als mogelijk en zo zwaar als noodzakelijk wordt verleend. De bovenlokale, landelijke hulp is de zware jeugdzorg en het CJG behartigt de lokale. Het landelijke beeld vanuit de doelstellingen van de Jeugdwet is door de gemeente overgenomen, waarbij de stelling is dat de jeugdhulp, voor zover die lokaal kan worden verstrekt, efficiënter en beter kan worden gedaan.
Als meer op preventie en op vroegsignalering wordt ingezet, kan met een lichtere jeugdzorgvorm mogelijk latere zwaardere hulp worden voorkomen. Concreet heeft deze gemeente vanuit de GRJR experimenteerruimte gekregen om in de percelen D en E, de wat ambulante jeugdhulp, bepaalde contracten die nu bovenlokaal worden gesloten met zorgaanbieders over te hevelen naar de gemeente Capelle. De gemeente Krimpen doet dat samen met de gemeente Capelle. Het hele domein van de jeugdzorg, en wat daarin effectief is en echt helpt, is een heel weerbarstig en lastig wetenschappelijk domein, heeft hij de afgelopen zomer bij het doornemen van alle rapporten geleerd. De mate van bewezen effectieve maatregelen is niet zo hoog. In heel Nederland wordt nog onderzocht wat een effectieve maatregel is en of het vanuit de lokale jeugdzorg inderdaad beter en efficiënter kan worden gedaan dan regionaal. Er zal nog heel wat water in de IJssel heen en weer gaan voordat echt zichtbaar, met betrouwbare data, de conclusie kan worden getrokken dat wanneer ‘dit’ wordt gedaan, ‘dat’ het resultaat zal zijn. Binnen de vele projecten die spelen binnen de gemeente zal worden nagegaan wat eventueel nog heroverwogen zou kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan projecten binnen Landelijk Capelle, of het Stadsplein dat nog zal worden aangepakt.
Er zijn nog allerlei keuzemogelijkheden, die nog niet allemaal vastliggen. In de monitor ‘Capelle bouwt aan de stad’ is van de verschillende onderdelen aangegeven welke maatregelen al gerealiseerd zijn en waarvoor al verplichtingen zijn aangegaan, maar ook wat nog vrij is. Bij Landelijk Capelle is daarbij een verschuiving zichtbaar van dit jaar naar latere jaren. Er is dus nog tijd en ruimte om mogelijke heroverwegingen door te voeren. De heer HOLKAMP valt het op dat de nu genoemde voorbeelden vooral in de hoek van SOB zitten. Is dat ook wat de scope is, of wordt ook gekeken naar bijvoorbeeld projecten in het sociaal domein, vastgoed enz.?
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
9
De heer RUIJMGAART memoreert dat uit het sociaal domein twee van de drie staken erin zitten: Wmo en jeugdhulp, en vastgoed is een opdracht. Hij vermoedt – maar dat kan een misvatting zijnerzijds zijn – dat het vooral in de fysieke, ruimtelijke hoek zit: echt projecten, en bij het sociaal domein denkt hij nooit aan projecten. De heer TIESMA vraagt wie het onderzoek gaat uitvoeren: de eigen staf, of een externe partij. De heer RUIJMGAART hoopt dat men heel veel zelf zal kunnen doen. Waar het de eigen expertise overstijgt, zal externe deskundigheid nodig zijn. De onderzoeksopdrachten worden verder uitgewerkt en er zijn trekkers benoemd om die uitwerking richting de begroting scherper te krijgen. Deloitte voert op dit moment een exploitatiescan uit, daarbij kijkend naar de taakvelden die voor alle gemeenten verplicht zijn voorgeschreven. Bij elk taakveld zal zowel aan de uitgavenkant als aan de inkomstenkant worden nagegaan hoe de gemeente zich verhoudt tot het IFLO-cluster (Inspectie Financiën Lagere Overheden), zijnde vergelijkbare gemeenten qua sociale structuur en centrumfunctie.
Voorts is verzocht specifieke vergelijkingen te maken, een op een, tussen Capelle en Nissewaard, Capelle en Schiedam, Capelle en Delft en Capelle en Maassluis, om wat nader te kunnen definiëren waar de verschillen zitten, zodat met die individuele gemeente(n) een vervolgdiscussie kan worden gevoerd op bepaalde specifieke onderdelen. Berenschot voert momenteel een benchmarkonderzoek uit over de ambtelijke organisatie. Zij heeft ook de hele begroting 2021 toegedeeld naar de verschillende clusters en categorieën die zij in de benchmark heeft zitten en zal de gemeente Capelle ook vergelijken met een aantal referentiegemeenten. De uitkomst hiervan zal naar verwachting voor het einde van het jaar bekend zijn en daarin zullen richtinggevende uitspraken worden gedaan over waar het door Berenschot verstandig wordt geacht een verdiepend onderzoek uit te voeren. De heer WEIJERS vraagt of hij goed heeft begrepen dat het bij de heroverweging van projecten alleen gaat om een mogelijke heroverweging binnen projecten, of dat het ook een heroverweging van projecten kan opleveren. De heer RUIJMGAART antwoordt dat beide het geval kan zijn. De heer TERLOUW vraagt aandacht voor de bijlage bij het memo, waarin in een tabel per regel is opgesomd wat de verwachte effecten zijn. Het is hem opgevallen dat de uitdrukking ‘pm’ daarbij heel vaak voorbij komt.
Met andere woorden: heel veel is nog onduidelijk, en dat is ook logisch, want heel veel moet nog uitgezocht worden. In de tabel daarvóór zouden de wel concreet ingevulde getallen ten opzichte van de taakstelling in de begroting de suggestie kunnen wekken dat alles wat nog van ‘pm’ komt een extra meevaller is. Als van ‘pm’ overal nul wordt gemaakt, zou men er dan al zijn. Hoe gaat dat dan werken? Is er ergens nog een andere technische knop, die hij niet heeft kunnen vinden, waarmee weer kan worden teruggedraaid? De heer RUIJMGAART zegt dat dat hem niet bekend is. Als zoveel mogelijk van de pm-posten met concrete bedragen zijn uitgewerkt, komt men voor de keuze te staan: welke maatregelen wel en welke niet? In het memo waaraan werd gerefereerd is volgens hem op de voorlaatste pagina aangegeven dat de taakstelling in de eerdere jaren met alle geconcretiseerde bedragen feitelijk zou kunnen worden ingevuld, maar niet voor alle jaren. De heer TERLOUW vat samen dat van de verschillende opties die voorbij zijn gekomen sommige een incidenteel effect hebben en andere een structureel effect. Een eenmaal ingezette reserve kapitaallasten kan het jaar daarop natuurlijk weer wel worden afgeschaft, maar dat is in het kader van bestendigheid wel lastig. Als eenmaal een aantal effecten is ingeboekt, kunnen die later bij een plus eigenlijk niet meer worden teruggedraaid.
Het zou daarom mooi zijn een inzicht te hebben in de structurele effecten en in de effecten die meer eenmalig of voor de korte termijn zijn. Wethouder VAN VEEN veroorlooft zich hierop een politiek antwoord. Het college wil niet over z’n graf heen regeren en biedt de raad alle mogelijkheden om ook in een college hierna allerlei wijzigingen aan te brengen. Er worden ook een heleboel wijzigingen weergegeven die de raad kan gebruiken om
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
10
wat voordelen te kunnen behalen, c.q. om de begroting sluitend te krijgen, en dat was ook de opzet van deze avond. De heer RUIJMGAART sluit af met de conclusie dat, als het goed is, elk voorstel een structurele component in zich heeft. Schorsing (21.37 – 21.45 uur) 4. Toelichting voorgenomen proces actualisatie nota kerntaken De VOORZITTER geeft voor een toelichting op het proces het woord aan de gemeentesecretaris. De heer DUIJMAER VAN TWIST memoreert dat voor de zomer door het college aan de raad was toegezegd dat de voorbereiding van de herziening van de kadernota kerntaken in de komende maanden echt vorm zou worden gegeven, zodat een vliegende start zou kunnen worden gemaakt met de discussie daarover. Ambtelijk is in de afgelopen periode nagedacht over de vraag hoe dat vormgegeven zou kunnen worden en het leek goed deze avond bij de raad te toetsen of datgene wat de komende maanden zal worden opgepakt in samenspraak met de raadswerkgroep SIR ook aansluit bij de verwachtingen van de raad. Als daarin andere accenten moeten worden gegeven, kan daarover nu de discussie worden gevoerd. Al in april 2020 heeft de raadswerkgroep SIR aangegeven dat het goed zou zijn om de kadernota kerntaken te herzien, om van daaruit de discussie te voeren over de bezuinigingsopgave die op de gemeente afkomt.
Zojuist heeft de heer Ruijmgaart uiteengezet dat het college hierin een aantal stappen onderscheidt, waarbij deze zich heeft gefocust op de stappen 1, 2 en 3, waarmee het college beoogt rust te brengen in de begrotingen voor de komende jaren. De stappen 4 en 5 raken veel meer de kerntaken: waarop zal inhoudelijk geïntensiveerd moeten worden, of juist niét? Op 19 november 2020 is een procesvoorstel besproken, waarin is aangegeven dat het van belang is om de kerntakennota te herzien, dat de kadernota kerntaken uit 2010 daarvoor misschien niet het beste vertrekpunt is, omdat die nota niet alleen bestaat uit kerntaken, maar ook uit efficiencymaatregelen en bezuinigingsmaatregelen, en dat het beter is aan te sluiten bij de Stadsvisie, waarbij het belangrijk is ook raad en commissie in dat proces te betrekken en ruimte te bieden aan participatie. Het college heeft vervolgens aangegeven bewust te kiezen voor een gefaseerde aanpak en het verstandig te achten pas in de nieuwe raadsperiode te kijken of en wanneer de nota geactualiseerd moet worden, waarop in het voorjaarsdebat is geadviseerd in ieder geval wel de voorbereidingen daartoe te treffen. De vigerende kadernota is destijds opgesteld om daadwerkelijk een bezuinigingsopgave in te vullen en in te kaderen.
Ook toen al was het de bedoeling de basis te vormen voor afwegingen in die bezuinigingen, dat het ook maatregelen betreft op het gebied van efficiency en verhogen van inkomsten, dat er ook een generieke versobering in zit, het terugbrengen van subsidies tot een wettelijke basis, of in ieder geval maximaal 50%, en dat er ook een aantal zaken in staan die nu in de praktijk niet altijd meer worden gedaan, zoals de richtlijn ‘alleen nieuw beleid als daar oud beleid voor weggaat’. In de context van de bezuinigingsopgave die toen op de gemeente afkwam was dat een logisch kader. Wat ook in de kadernota staat is een centrale vraagstelling, want de nota beoogt richting te geven aan bezuinigingsvoorstellen op basis van de opgaven die op de stad afkomen. Hem is in ieder geval opgevallen dat in de vigerende kadernota wel die vraagstelling staat, maar niet het antwoord: hoé dat zou moeten worden gedaan, wat voor stad men wil zijn en waarop men wil investeren. Zijns inziens past dat ook bij de discussie die eerder in de raadswerkgroep SIR is gevoerd, waarbij is gezegd dat de inhoudelijke visie op wat voor stad men wil zijn een veel betere basis zou zijn om daaraan nader richting te geven. Die vragen zijn in de afgelopen jaren wel beantwoord, bijvoorbeeld met het opstellen van een nieuwe Stadsvisie, maar ook met het opstellen van belangrijke, vigerende beleidskaders.
Hoe je het sociale cement in de stad goed overeind houdt is een vraag waaraan de visies binnen het sociaal domein in belangrijke mate invulling geven. Dit even als inleiding. Het college heeft de vraag vanuit de raad zó begrepen, dat men met de kerntakendiscussie focus wil aanbrengen, c.q. bepalen wat de belangrijkste taken van de gemeente zijn, en als raad richting wil geven op basis van dat uitgangspunt, waarlangs het college, als er een bezuinigingsopgave ligt, ook de richting meekrijgt waarin dan gezocht kan worden qua voorstellen binnen de sporen 4 en 5. Om zo’n kadernota te kunnen herzien en daarover een goede discussie te kunnen voeren, zijn volgens hem twee dingen nodig: je moet weten aan welke knoppen je kunt draaien en je
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
11
moet weten wat voor stad je wilt zijn. Voorgesteld wordt in de komende maanden een inventarisatie te maken van de gemeentelijke taken langs de lijn van de taakvelden die ook in de vorige presentatie al aan de orde kwamen, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen het deel dat wettelijk is en het deel dat niet wettelijk is en het deel dat beïnvloedbaar is en het deel dat niet beïnvloedbaar is. Het zijn vragen die niet altijd simpel te beantwoorden zijn en daarom zullen in afstemming met de raadswerkgroep criteria moeten worden benoemd voor hoe tot zo’n oordeel kan worden gekomen. Daarbij is het ook zo dat een wettelijke taak niet per definitie een taak is die niet beïnvloedbaar is. Het is dus niet zwart-wit, maar het is wel heel belangrijk dat de raad inzicht heeft in de vraag waar binnen die taakvelden grofweg op gestuurd kan worden en waar niet. Daarnaast wil het college een samenhangend beeld schetsen van waarop de gemeente extra wil inzetten, wat voor stad men wil zijn, op basis van de Stadsvisie, maar ook op basis van de programma’s die al als uitwerking daarvan zijn opgesteld en de belangrijkste beleidskaders die in de afgelopen periode zijn vastgesteld. Vervolgens kan op basis daarvan de daadwerkelijke kerntakendiscussie gevoerd worden.
In de motie die tijdens het voorjaarsdebat voorlag is gesteld dat het mooi zou zijn als daarin scenario’s en keuzes zouden kunnen worden opgesteld. Het college meent dat het daadwerkelijk uitwerken van zo’n scenario meer in detail echt een onderdeel is van de kerntakendiscussie zelf, dus dat dat onderdeel zou moeten worden gemaakt van het herzien van de kadernota zelf, en dus ook in de vliegende start in de nieuwe raadsperiode verder opgepakt zou moeten worden. Wat wel gedaan zou kunnen worden, is voorbeelden geven van het soort scenario’s dat gedefinieerd zou kunnen worden om tot daadwerkelijke uitwerking daarvan te komen. Het college ziet deze toets ook als voorbereiding op een proces waarin de raad in staat wordt gesteld de kadernota te herzien, zodat de raad aan de voorkant de kaders mee kan geven in de zoekrichting van een bezuinigingsoperatie, die daarna nog kan volgen. Dat kan in tijd en in omvang echt nog wel wijzigen. De heer Ruijmgaart gaf zonet aan dat nog niet bekend is wat de resultaten kunnen zijn van de onderzoeksopdrachten. Wel is er nu de tijd om op sommige van die complexe opdrachten echt goed dat onderzoek te doen.
Maar de heer Ruijmgaart gaf ook aan dat alleen al in de afgelopen maanden grote veranderingen in het financieel perspectief lijken aan te komen met de herverdeeleffecten vanuit het gemeentefonds en de middelen rond jeugd die nu naar de gemeente lijken te komen. Een kadernota kan de basis zijn om sturing te geven aan het daadwerkelijk invullen van een bezuinigingsopgave, wanneer die aan de orde is. Het idee is om in de eerstvolgende vergadering van de raadswerkgroep SIR op 20 september op basis van deze globale aanpak een specifiekere aanpak en planning te bespreken, waarna de raadswerkgroep in nauwe afstemming dat proces verder zal volgen. Het eindproduct zal vervolgens in februari 2022 in de raadswerkgroep SIR, of in een commissie, worden besproken, waarna het, misschien als onderdeel van een overdrachtsdossier, aan de volgende raad kan worden aangeboden. De VOORZITTER zegt dank voor de presentatie en biedt de commissie de gelegenheid hierop te reageren. Mevrouw DEN ENGELSMAN vraagt of de dingen die al worden gedaan hierin ook worden meegenomen, of dat het twee verschillende sporen zijn. De heer DUIJMAER VAN TWIST verwijst naar de presentatie die door de heer Ruijmgaart is gegeven, waarin werd aangegeven hoe men in een aantal stappen zicht denkt te kunnen krijgen op bezuinigingsmogelijkheden en ombuigingen.
Daarvan is gezegd dat het niet strikt volgtijdelijk is en dat ook nu al dingen ingeboekt kunnen worden. Er worden nu ook onderzoeksopdrachten gestart waarvan het resultaat pas over een paar maanden, of misschien zelfs pas over negen maanden bekend zal zijn. Eerder is gevraagd of het alleen over subsidies gaat. Een aantal van de opdrachten gaat ook heel erg over de efficiency van de organisatie: hoe die zich qua benchmark verhoudt tot andere organisaties, waar verdiepend zou moeten worden nagegaan of iets toch nog efficiënter kan en of het ook kan binnen een aantal belangrijke beleidsdomeinen van de gemeente. Pas als die andere onderzoeksopdrachten en maatregelen niet voldoende resultaat opleveren, zou het college naar de sporen 4 en 5 willen gaan. Misschien komt er wel heel veel uit die efficiencyonderzoeken. De andere kant is dat de raad misschien zegt: ongeacht of het pas nu speelt of over drie jaar, het is belangrijk aan de voorkant kaders mee te geven voor waar men vooral moet zoeken als men in de sporen 4 en 5 terechtkomt.
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
12
Mevrouw GROIENENDIJK-DE VRIES vindt het iets ‘gespletens’ hebben om beide onderwerpen zo apart te behandelen, terwijl de bezuinigingsopgaven en de kerntaken toch behoorlijk in elkaar haken. Ze kan zich niet voorstellen dat het één kan worden gedaan zonder het ander. Voorts haakt zij in op de opmerking van de gemeentesecretaris dat het niet zo handig is om de kadernota kerntaken uit 2010 er nog bij te hebben. Zij kan zich niet voorstellen dat die geen rol heeft gespeeld bij het hele verhaal waar men nu mee bezig is. Dat kan toch niet zomaar overboord worden gegooid om helemaal blanco opnieuw te beginnen? De heer DUIJMAER VAN TWIST verduidelijkt dat met het laatste meer werd gerefereerd aan de discussie die eerder in de raadswerkgroep is gevoerd en die hij zó heeft geïnterpreteerd dat het simpel herijken van die nota wellicht onvoldoende zou zijn, omdat daarin ook efficiencypercentages waren opgenomen, die misschien niet de basis zijn om tot een actualisatie te komen. Elf jaar later lijkt het belangrijker om de nieuwe Stadsvisie, de vigerende beleidskaders, het voortschrijdende denken over waar men staat als stad en wat voor stad men wil zijn, veel meer de basis te laten zijn om zo’n kerntakendiscussie goed te voeren, daarin vervolgens ook participatie mee te nemen en met name de raad en de commissie een goede rol te geven.
De benadering die het college heeft gekozen is die van afpellen, vanuit de gedachte dat in deze moeilijke fase moet worden voorkomen dat in de stad pijnlijke maatregelen moeten worden genomen, terwijl dat misschien nog niet nodig is, of als niet alle andere mogelijkheden ook zijn bekeken. Dat neemt niet weg dat die situatie er wel aan kan komen en dat men daarvoor gesteld zal moeten staan. De heer SPRUIT maakt een compliment voor beide presentaties, die zijns inziens een goede basis vormen voor het vervolgtraject. De heer VAN LOEF sluit zich daarbij aan. Er zijn een aantal terechte vragen opgeworpen die hij graag nader in de fractie wil bespreken. Benieuwd is hij wel of de Stadsvisie in de ogen van de gemeentesecretaris voldoende handvatten biedt voor een dergelijke kerntakendiscussie. De heer DUIJMAER VAN TWIST antwoordt dat is geconstateerd dat de Stadsvisie echt ‘hoog over’ is. Als straks echt gekozen moet worden tussen waar versoberd, of de dienstverlening beperkt moet worden, of waar er juist een schepje bij moet worden gedaan, biedt de Stadsvisie daarvoor zelf onvoldoende richting. In combinatie echter met de uitwerking in programma’s en in beleidskaders, zoals die er ook zijn, kan een heel eind verder worden gekomen.
De heer WEIJERS meent dat hier een heel zuiver traject wordt voorgesteld, waaruit hij de conclusie trekt dat goed geluisterd is naar de discussie die hierover eerder is gevoerd, met name rondom de motie van destijds. De heer TERLOUW spreekt waardering uit voor de heldere presentatie en de referentie naar de kadernota 2010. In de werkgroep SIR had hij daarvoor aandacht gevraagd en erop aangedrongen een verband te leggen met de Stadsvisie. Het lijkt hem heel goed dat nu een kerntakennota wordt gemaakt die niet als donkere wolk een bezuinigingsopgave erboven heeft hangen. Het is goed om vanuit de Stadsvisie te kijken wat voor stad je wilt zijn en waar dan de knoppen zitten en de ruimte. Mochten er bezuinigingen nodig zijn, dan kan daaraan worden gedraaid. Hij zou willen zeggen: als dat niet aan de orde is, zou ook moeten worden nagegaan waar dan een schepje bovenop zou kunnen worden gedaan, om richting de stad die je wilt zijn iets extra’s te kunnen doen, ook al moet dat misschien leiden tot de keuze om iets anders terug te draaien, afhankelijk van de bestedingsruimte in de begroting. Het lijkt hem echter heel goed dat dat niet per se de zweem van bezuinigingen boven zich heeft. Hij hoopt dat goed te hebben begrepen. De heer DUIJMAER VAN TWIST bevestigt dat en voegt eraan toe dat de vraag vanuit de raad ook zo was begrepen.
Voorkomen moet worden dat pas een kerntakendiscussie wordt gevoerd op het moment dat er echt iets concreet moet worden ingevuld, zoals in 2010 meer de situatie was. Zoiets wil men nu vóór zijn.
Beeldvormende commissievergadering dinsdag 31 augustus 2021
Pagina:
13
De heer TERLOUW merkt op dat hem nu iets anders door het hoofd schiet, namelijk het woord ‘houtskoolschets’, dat in het kader van de coronadiscussie is opgeworpen door een inspreker die zich afvroeg wat voor stad Capelle wil zijn ná corona, of, in zijn eigen woorden: welke goede dingen van corona kun je vasthouden? Hij geeft in overweging ook dat op een of andere manier nog mee te nemen, niet per se in de kerntakendiscussie, maar wel door er open voor te staan. Ten slotte stelt hij voor bij vergelijkbare gemeenten eens na te gaan wat die in hun kerntakennota hebben staan. De heer DUIJMAER VAN TWIST verwelkomt deze aanvullingen en zegt toe ook die informatie bij het verder uitwerken van deze aanpak te zullen betrekken. De VOORZITTER sluit de beraadslagingen, onder dankzegging voor de geleverde inbreng. 5. Sluiting De VOORZITTER sluit te 22.14 uur de vergadering. Aldus vastgesteld in de vergadering van de commissie Samenleving en Economie van, de secretaris,
de voorzitter,
Aldus vastgesteld in de vergadering van de commissie Stadsontwikkeling en -beheer van, de secretaris, de voorzitter,
Aldus vastgesteld in de vergadering van de commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen van, de secretaris, de voorzitter,