CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

13.03 - Bijlage 2 planregels Oeverrijk

Gemeenteraad 9 maart 2026, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Omgevingsplan Oeverrijk2.845 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Omgevingsplan gemeente Capelle aan den IJssel Hoofdstuk 21 21.2

Oeverrijk

21.2.1

Algemene bepalingen

Artikel 21.52

Ontwikkelgebieden

Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn uitsluitend van toepassing op de locatie Oeverrijk. Artikel 21.53

Begripsbepalingen

1. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op deze afdeling. 2. In aanvulling op het eerste lid gelden de volgende begripsbepalingen: a. Gebiedseigen beplanting: beplanting die van nature en vanuit cultuurhistorie voorkomt binnen het plangebied, zoals: hoogstamvruchtbomen, leilinden, wilgensoorten, els, populier, kastanje, es, eik, beuk, veldesdoorn, liguster. b. Groenvoorziening: ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren en ondergrondse infrastructurele voorzieningen. c.

Houtgewas: bomen, struiken, cactussen of doorlevende klimplanten (zoals druiven).

d. Kunstobject: uiting van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde. e. Kunstwerk: bouwwerken ten behoeve van verkeersdoeleinden, zoals viaducten, alsmede bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding, zoals dammen, duikers, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, niet zijnde steigers. f.

Landschapselementen: zijn de bouwstenen die samen de structuur van het landschap bepalen.

g. Landschapswaarde: de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur. h. Peil: voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. i.

Verharden: verharding waarbij sprake is van een massieve toplaag zoals asfalt, beton, of verhardingen van al dan niet gebonden elementen zoals tegels, klinkers en grind.

j.

Waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten et cetera.

Artikel 21.54

Meet- en rekenbepalingen

In deze afdeling gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. c.

de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

d. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. e. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. f.

het bebouwingspercentage: een in het plan aangegeven percentage van het bouwvlak, gerekend per bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd.

g. breedte van een gebouw: grootste uitwendige afstand in een rechte lijn tussen de zijgevels. Artikel 21.55

Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit zoals aangewezen in deze afdeling verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

1

c.

als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 21.56

Bevoegdheid stellen maatwerk/vergunningvoorschriften

1. Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in deze afdeling. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling, tenzij anders is bepaald. 3. Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu 4. Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. 5. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden. 6. Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist. Artikel 21.57

Verboden gebruiksactiviteiten

1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde activiteiten in deze afdeling zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken. 2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) alsmede aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (m.e.r.-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een milieueffectrapportage is opgesteld in het kader van het omgevingsplan. 3. Gebruiksactiviteiten die op grond van deze afdeling niet zijn toegestaan - rechtstreeks dan wel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden. Artikel 21.58

Bouwen passend binnen gebruiksactiviteit

Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze passen binnen de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in deze regels. Artikel 21.59

Bouwen conform maatvoering

1. Indien op de verbeelding ter plaatse van een locatie maatvoeringsaanduidingen of omgevingsnormen zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse van deze locatie gegeven maximum-,minimum-, verplichte dan wel andere maten. 2. Voor een locatie waar geen maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de eventueel in de regels opgenomen maten of omgevingsnormen, die van toepassing zijn op de betreffende locatie. 21.2.2 Groen-landschap - Oeverrijk 21.2.2.1 Inleidende begrippen Artikel 21.60

Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat regels voor het gebied Groen – landschap - Oeverrijk. 21.2.2.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.61

Natuur en groenvoorzieningen

Ter plaatse van de locatie Groen – Landschap - Oeverrijk zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan: a. weilanden; b. gebiedseigen beplantingen en andere gebiedseigen vegetatie, zoals opgenomen in de begripsbepaling gebiedseigen beplanting; c.

de instandhouding van natuurlijke en/ of cultuurhistorisch en/ of landschappelijk waardevolle landschapselementen en kavelstructuren;

d. bij deze activiteit behorende voorzieningen zoals, onverharde paden, kunstobjecten, water ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, waterberging en bruggen met open relingen. 21.2.2.3 Bouwen Artikel 21.62

Bouwregels gebouwen

Gebouwen zijn niet toegestaan, tenzij anders aangegeven. Artikel 21.63

Schuilhutten

Schuilhutten zijn toegestaan, mits ze voldoen aan de volgende beoordelingsregels: a. per kavel mag 1 schuilhut worden gebouwd; b. de oppervlakte van een kavel waarop een schuilhut wordt gebouwd dient ten minste 2.000 m² te bedragen;

2

c.

het grondoppervlak van een schuilhut mag ten hoogste 10 m² bedragen;

d. de schuilhut dient minimaal 20 meter uit de as van de weg te worden gesitueerd; e. de schuilhut dient op 5 meter vanaf de kant sloot en evenwijdig aan de sloot te worden gesitueerd; f.

de bouwhoogte van een schuilhut mag ten hoogste 3 meter bedragen.

Artikel 21.64

Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 de volgende beoordelingsregels: a. er zijn uitsluitend erfafscheidingen met een open constructie toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 1,5 meter mag bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 2,5 meter bedragen. 21.2.2.4 Werken en werkzaamheden Artikel 21.65

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam heden

Het is verboden op de in Groen – Landschap - Oeverrijk bedoelde gronden ter waarborging van het landschappelijke karakter van het plangebied zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het vellen of rooien van landschapselementen en ander houtgewas; b. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; c.

het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;

d. het diepploegen vanaf 0,50 meter; e. het aanbrengen van verhardingen; f.

het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

Artikel 21.66

Uitzonderingen vergunningplicht

De vergunningplicht zoals bedoeld in artikel 21.65 is niet van toepassing op de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: a. die ten tijde van de inwerkingtreding van dit omgevingsplan reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning in uitvoering waren of mogen worden uitgevoerd; b. die het normale beheer en/ of onderhoud betreffen. Artikel 21.67

Afwegingskader

De in artikel 21.65 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de in artikel 21.61 genoemde waarden en gebruik. 21.2.3 Water - Oeverrijk 21.2.2.1 Inleidende begrippen Artikel 21.68

Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat regels voor het gebied Water - Oeverrijk. 21.2.2.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.69

Water en voorzieningen ten behoeve van water

Ter plaatse van de locatie Water - Oeverrijk zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan: a. water ten behoeve van de waterhuishouding; b. water ten behoeve van de aan- en afvoer, waterberging en sierwater; c.

verkeer over water;

d. bij deze functie behorende voorzieningen zoals: bruggen met open relingen, duikers, visvlonders en groenvoorzieningen ten behoeve van de bestemming. 21.2.2.3 Bouwen Artikel 21.70

Bouwregels gebouwen

Gebouwen zijn niet toegestaan. Artikel 21.71

Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 de volgende beoordelingsregels: a. de bouwhoogte van toegangspoorten mag niet meer bedragen dan 2 meter; b. de bouwhoogte van relingen van bruggen mag niet meer bedragen dan 1 meter; c.

de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 3 meter.

3

21.2.4

Gebieden met te beschermen waarden

Artikel 21.72

Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat regels over de gebieden met te beschermen waardes. 21.2.4.1 Archeologische waarden 21.2.4.1.1 Waarde – Archeologie 1 - Oeverrijk Artikel 21.73

Toepassingsbereik archeologische waarden

Ter plaatse van de locatie Waarde - Archeologie 1 - Oeverrijkk hebben de regels betrekking op het behoud van de archeologische waarden. Artikel 21.74

Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de locatie Waarde – Archeologie 1 - Oeverrijk te bouwen. Artikel 21.75

Uitzondering vergunningplicht

De vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 21.74 geldt niet voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte en/of dieptematen die minder diep reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak kleiner dan 100 m² beslaan. Artikel 21.76

Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden

In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van dat bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 21.77

Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.74 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c.

de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 21.78

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam heden

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de hierna genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 100 m² beslaan. Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c.

het indrijven van voorwerpen in de bodem;

d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f.

het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

Artikel 21.79

Uitzondering vergunningplicht

Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit omgevingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. Artikel 21.80

Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden

1. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 2. Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen. Artikel 21.81

Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.78 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c.

de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

4

21.2.4.1.1 Waarde – Archeologie 2 - Oeverrijk Artikel 21.82

Toepassingsbereik archeologische waarden

Ter plaatse van de locatie Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk hebben de regels betrekking op het behoud van de archeologische waarden. Artikel 21.83

Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de locatie Waarde – Archeologie 2 - Oeverrijk te bouwen. Artikel 21.84

Uitzondering vergunningplicht

De vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 21.83 geldt niet voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte en/of dieptematen die minder diep reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak kleiner dan 200 m² beslaan. Artikel 21.85

Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden

In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van dat bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 21.86

Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.83 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c.

de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 21.87

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam heden

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de hierna genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan. Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c.

het indrijven van voorwerpen in de bodem;

d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f.

het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

Artikel 21.88

Uitzondering vergunningplicht

Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit omgevingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. Artikel 21.89

Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden

1. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 2. Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen. Artikel 21.90

Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.87 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c.

de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16656153/1