CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

11.01 - Raadsvoorstel -besluit Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026

Gemeenteraad 15 december 2025, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 202623.970 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Zaaknr:2113578

Raadsvoorstel Nummer raadsvoorstel

Portefeuillehouder college / burgemeester griffier / initiatiefnemer raad

2115331

M.E. Wilson

Raadsvergadering

Programma / product / collegewerkplan

15 december 2025

6C

ONDERWERP Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026

GEVRAAGDE BESLISSING De Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026 vast te stellen.

WETTELIJKE BASIS / AANLEIDING RAADSVOORSTEL Artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo2015) bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. De huidige Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023 (hierna: Verordening 2023) is op 19 december 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. Voorgesteld wordt per 1 januari 2026 de Verordening 2023 te actualiseren in verband met nieuwe jurisprudentie en regel- en wetgeving en ontwikkelingen op het gebied van rechtmatigheid en het persoonsgebonden budget en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026 vast te stellen.

BEOOGD DOEL / EFFECT Vaststellen van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026.

ONDERBOUWING VAN DE GEVRAAGDE BESLISSING Afgelopen periode hebben wij de huidige Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2023 (hierna: Verordening 2023) geëvalueerd. Aanleiding hiervoor was nieuwe jurisprudentie, nieuwe wet- en regelgeving en ontwikkelingen op het gebied op toezicht en handhaving en het persoonsgebonden budget (pgb). Tijdens de evaluatie is de gehele Verordening 2023 inhoudelijk getoetst en zo nodig aangepast. Uitgangspunten Uitgangspunt ook binnen de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026 (hierna: Verordening 2026) blijft de eigen kracht van de Capellenaren waarbij participatie en zelfredzaamheid worden gestimuleerd door o.a. de inzet van het sociale netwerk en voorliggende voorzieningen. De Verordening 2023 is gebaseerd op de Modelverordening van de VNG. Ook voor de Verordening 2026 vormt deze modelverordening de basis.

1

Zaaknr:2113578

Wijzigingen ten opzichte van Verordening 2023 Op basis van de evaluatie is gebleken dat het noodzakelijk is om de Verordening 2023 op een aantal punten aan te passen. Het betreffen met name technische en redactionele wijzigingen die in de concept Verordening 2026 zijn verwerkt. De wijzigingen ten opzichte van de Verordening 2023 en de toelichting bij de wijzigingen zijn verwerkt in een overzicht (zie bijlage ‘was-wordt tabel’). Hieronder volgen de belangrijkste voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de huidige verordening: - Een aanpassing van het artikel “Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren” conform jurisprudentie. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een aantal uitspraken uitgelegd welke stappen de gemeente moet zetten in een Wmo-onderzoek om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren naar alle relevante feiten en omstandigheden. Dit stappenplan van de CRvB vormt de basis voor het nieuwe artikel over het onderzoek. Deze stappen worden nu al doorlopen in de onderzoeken die door de Wmo-adviseurs worden uitgevoerd; - Een aanpassing van de hoogte van het persoonsgebonden budget (pgb) voor het sociale netwerk conform jurisprudentie. In 2024 is het huidige artikel aangepast n.a.v.

een uitspraak van de CRvB waarin zij oordeelde dat de hoogte van het pgb voor deze groep gelijk moest zijn aan het hoogste periodiek van de voor de benodigde hulp benodigde cao. Daarvoor moest de hoogte van het pgb voor sociale netwerk minimaal het minimumloon betreffen. De uitspraak van de CRvB had als ongewenste gevolg dat iemand uit het sociaal netwerk een hoger uurtarief kon krijgen dan een professional. De CRvB heeft in een nieuwe uitspraak deze oude jurisprudentie herzien en concludeert dat het hanteren van het minimumloon wel mogelijk is. Gezien het ongewenste effect wordt voorgesteld het artikel weer aan te passen, waardoor de pgb-tarieven weer evenwichtig zijn. Omdat het werkzaamheden betreffen waar geen opleidingseis voor geldt, wordt het minimumloon als passend gezien. Door deze wijziging kan het zijn dat pgb-budgethouders die ondersteuning inkopen bij hun sociale netwerk hun zorgovereenkomst moeten aanpassen. Om ze hier voldoende tijd voor te geven, wordt een overgangsperiode van 12 maanden gehanteerd; - Een verduidelijking en aanscherping van de regels met betrekking tot een pgb en het toezicht op de kwaliteit van pgb-hulp. Om pgb-aanvragen en de kwaliteit van de ingekochte ondersteuning goed te kunnen beoordelen moeten regels vastgesteld worden.

Een deel van de nieuwe regels lag al vast in de beleidsregels pgb, maar wordt gezien hun belang nu opgenomen in de Verordening. Enkele regels zijn nieuw toegevoegd om meer handvatten te bieden bij de beoordeling. Het doel hiervan is om de kwaliteit van de ondersteuning te borgen en de rechtszekerheid voor de Capellenaar te vergroten. - Een aanpassing van het artikel over beschermd wonen in verband met de gewijzigde verordening van Rotterdam. Rotterdam voert als centrumgemeente de indicatiestelling voor aanvragen voor beschermd wonen uit. Wij maken in onze verordening een verwijzing naar de artikelen over beschermd wonen in de verordening van Rotterdam. Aangezien Rotterdam sinds dit jaar een nieuwe verordening heeft, moeten de verwijzingen in onze verordening worden aangepast. - Een aanpassing van het artikel met betrekking tot toezicht en handhaving in het kader van de rechtmatigheid. Hierdoor biedt de verordening ruimte om nadere regels op te stellen. Deze nadere regels kunnen in de toekomst de toezichthouders meer handvatten geven bij het uitvoeren van het toezicht en bij de handhaving.

FINANCIELE CONSEQUENTIES / WIJZE VAN DEKKING Door het aanpassen van artikel 15 lid 7a zal vanaf 1 januari 2026 de hoogte van het pgb-tarief voor hulp vanuit het sociaal netwerk lager worden. Voor de huidige indicaties met een informeel pgb-tarief betekent dat een verlaging tussen de € 65,46 en € 150,41 per maand. In het kader van zorgvuldigheid zullen de cliënten met een lopende indicatie een termijn van 12 maanden gegund worden om aan de nieuwe situatie te wennen en nieuwe afspraken te kunnen maken met hulpverleners uit hun sociaal netwerk. Op basis van de cijfers van 29 oktober 2025 betreffen dit 29 indicaties. Hiervan zullen 10 indicaties in 2026 aflopen. Vanaf 1 januari 2027 zullen voor de nog lopende indicaties ook de nieuwe tarieven gaan gelden, tenzij er tussentijds een nieuwe indicatie gesteld wordt. De verwachting is dat deze cliënten in het 2027 samen € 16.000,00 minder pgb zullen ontvangen.

2

Zaaknr:2113578

REACTIES VAN DERDE / FORMELE INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN / COMMUNICATIE Het merendeel van de wijzigingen betrof een actualisatie van de verordening op basis van nieuwe wetgeving en jurisprudentie. Er waren slechts enkele beleidswijzigingen. De Adviesraad Sociaal Domein is gevraagd advies te geven over deze voorgestelde wijzigingen. In de schriftelijke reactie van de adviesraad d.d. 9 september 2025 heeft zij haar positieve advies met betrekking tot de wijzigingen van de Verordening 2026 ingediend. Onze reactie op het advies van de Adviesraad Sociaal Domein treft u als bijlage bij dit voorstel aan.

VOORTRAJECT N.v.t.

VERVOLGTRAJECT De aangepaste Verordening treedt op 1 januari 2026 in werking. Cliënten die door het aanpassen van artikel 15 lid 7a vanaf 1 april/juli 2026 een lager pgb-tarief voor individuele begeleiding en huishoudelijke ondersteuning zullen krijgen, zullen zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd zodat zij voldoende tijd hebben om te wennen aan de nieuwe situatie.

RAADSCOMMISSIE Commissie Samenleving en Economie 1 december 2025

BIJLAGE(N) WELKE TER KENNIS VAN DE RAAD WORDEN GEBRACHT -

Was-wordt tabel met wijzigingen t.o.v. huidige verordening; Adviesvraag Adviesraad Sociaal Domein; Advies Adviesraad Sociaal Domein; Antwoordbrief Adviesraad Sociaal Domein.

NADERE INFORMATIE / TECHNISCHE VRAGEN BIJ Josmie Broeren, j.broeren@capelleaandenijssel.nl, (06) 5005 5598

Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester,

R. Elling MA

drs. J.J. Manusama

3

Zaaknr:2113578

Raadsbesluit De gemeenteraad van de gemeente Capelle aan den IJssel, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid; 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gezien het advies van de commissie Samenleving en Economie; overwegende dat: - burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; - van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; - burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; - het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en - het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en

daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving. B E S L U I T: vast te stellen de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026’.

HOOFDSTUK 1: Begrippen Artikel 1. Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. 2.

3.

4. 5. 6.

7.

Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: a. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; b. daadwerkelijk beschikbaar is; c. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en; d. financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang; Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026; Bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt of door namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het 4

Zaaknr:2113578

8. 9. 10. 11. 12. 13.

14.

15.

16.

17.

18.

19. 20. 21. 22. 23.

24.

verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlenging op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel; Eigen kracht: het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen; Forfaitaire financiële tegemoetkoming: Een bijdrage in de kosten, die ongeacht het inkomen van de aanvrager en los van de werkelijke/feitelijke kosten van een voorziening, wordt verstrekt; Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgeno(o)t(e), ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; Goedkoopst adequaat: een oplossing biedend voor het opheffen en/of verminderen van de belemmeringen die de cliënt ervaart tegen de voordeligste prijs; Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en a. in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel b. zal staan ingeschreven; dan wel c.

het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven; Ingezetene: een cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Capelle aan den IJssel, tenzij een maatwerkvoorziening wordt geboden op het gebied van beschermd wonen of opvang als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, van de wet; Langdurig noodzakelijk: voor langere tijd aangewezen op de desbetreffende maatwerkvoorziening voor het opheffen en/of verminderen van de belemmeringen die de cliënt ervaart; Maatschappelijke ondersteuning: 1. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3. bieden van beschermd wonen en opvang; Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1.

ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015; Nadere regels mo: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026; Nadere regels pgb: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning persoonsgebonden budget Capelle aan den IJssel 2026; Participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; Pgb: persoonsgebonden budget is een bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken;

Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; 5

Zaaknr:2113578

25. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; 26. Sportvoorziening: een voorziening voor sportbeoefening die wordt toegekend om de participatie van de cliënt te bevorderen; 27. Vertegenwoordiger: meerderjarig persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Personen of rechtspersonen die als vertegenwoordiger kunnen optreden zijn de curator, de mentor of de gevolmachtigde van de cliënt, dan wel, indien zodanige persoon of rechtspersoon ontbreekt, diens echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, diens ouder, kind, broer of zus, tenzij deze persoon dat niet wenst; 28. Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de behoefte aan ondersteuning wordt tegemoetgekomen; 29. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; 30. Woningaanpassing: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte; 31. Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2.

Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte, zoals bedoeld in artikel 4 van de Verordening. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. Artikel 3. Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. Artikel 4. Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 5. Persoonlijk plan Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel 6.

Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college onderzoekt of de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Het college verricht het onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie.

6

Zaaknr:2113578

2. Het college beantwoordt in het onderzoek de volgende vragen: I. Wat is de hulpvraag van cliënt? II. Wat zijn de belemmeringen van cliënt in zijn zelfredzaamheid, participatie dan wel het zich kunnen handhaven in samenleving? III. Wat is de aard en omvang van de door het college te organiseren noodzakelijke maatschappelijke ondersteuning? Hierbij moet het college rekening houden met de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van cliënt. IV. In hoeverre zijn bij cliënt de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociaal netwerk en algemene voorzieningen aanwezig? 3. De cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, als na het beantwoorden van de vragen uit het tweede lid blijkt dat: a. er sprake is van een hulpvraag die betrekking heeft op belemmeringen van cliënt in zijn zelfredzaamheid, participatie dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving en; b. de weigeringsgronden uit artikel 11 niet van toepassing zijn. 4. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 5, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 5. Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Artikel 7.

Verslag Binnen 6 weken na melding verstrekt het college aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het gespreksverslag). Artikel 8. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, of na 6 weken na datum van ontvangst van de melding. 2. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van: a. een door het college vastgesteld aanvraagformulier; b. een door de cliënt ondertekend gespreksverslag als bedoeld in artikel 7, of; c. een door client zelf opgestelde schriftelijke aanvraag wanneer 6 weken na ontvangst van de melding zijn verstreken en het college geen aanvraagformulier of gespreksverslag heeft verstrekt aan client. 3. Als er overeenstemming is met de client over de inzet van de maatwerkvoorziening en als dit ook de door de client gewenste maatwerkvoorziening betreft, wordt automatisch de melding aangemerkt als aanvraag. 4. Het college besluit binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag, of binnen twee weken na overeenstemming als bedoeld in het derde lid. Artikel 9. Advisering 1.

Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek naar aanleiding van de melding en/of de aanvraag, degene die of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen; b. Zich te laten bevragen en onderzoek te laten verrichten door een of meer daartoe aangewezen specifiek onafhankelijk deskundigen. 2. Het college wint een specifiek onafhankelijk deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit naar het oordeel van het college vereist.

7

Zaaknr:2113578

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Als het uit het onderzoek, bedoeld in artikel 6, tweede lid, blijkt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, dan verstrekt het college de goedkoopst adequate beschikbare voorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maakt. 3. Een cliënt komt in aanmerking voor een forfaitaire financiële tegemoetkoming voor een individuele vervoersvoorziening of voor verhuis- en (her)inrichtingskosten voor zover hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het bevorderen van diens zelfredzaamheid en/of participatie. 4. Het college stelt de hoogte voor de forfaitaire financiële tegemoetkoming vast in het Besluit. Artikel 11. Weigeringsgronden 1. Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren: a. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de belemmeringen kan wegnemen; b.

als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover; c. als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; d. voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de belemmeringen kan wegnemen; e. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; f. als de voorziening als gevolg van de beperkingen van de cliënt voor zichzelf of voor derden onveilig is, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, of niet bevorderlijk is voor de gezondheid, of het functioneren van de cliënt; g. als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande en bekende beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase; h. als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak en adequaatheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan worden vastgesteld; i.

als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen en de noodzaak en passendheid van de voorziening en gemaakte kosten achteraf nog kan worden vastgesteld en de voorziening niet langer dan twee weken voor de melding is gerealiseerd of geaccepteerd; j. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt. 2. Het college kan een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie weigeren: a. als de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Capelle aan den IJssel; b. als deze niet langdurig noodzakelijk is tenzij het gaat om huishoudelijke ondersteuning of een vorm van begeleiding; c. als de voorziening niet gericht is op ondersteuning in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. 3. Het college kan een woonvoorziening weigeren: a.

als de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Capelle aan den IJssel; b. als de woonvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau in het vigerend Besluit bouwwerken leefomgeving; 8

Zaaknr:2113578

c.

d. e.

f.

g. h.

i. j.

k.

voor zover de ondervonden belemmeringen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, het gevolg zijn van achterstallig onderhoud of opgelost kunnen worden door algemeen gebruikelijk onderhoud; als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL- clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing; voor zover het woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van het normale gebruik van de woning en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn belemmeringen op dat moment meest geschikte en beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;

wanneer er geen sprake is van objectieve aanknopingspunten voor een causaal verband tussen de beperkingen van cliënt en de belemmeringen die hij ondervindt bij het wonen in de woning; om te komen tot het basisuitrustingsniveau van een zogenoemde doelgroepenwoning.

Artikel 12. Aanpalende wetgeving 1. In afwijking van artikel 11, derde lid, onderdeel d en artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden. 2. In afwijking van artikel 11, derde lid, onderdeel d en artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet kunnen woonvoorzieningen die op het moment van de verhuizing naar een Wlz-instelling in het hoofdverblijf voor opname aanwezig zijn, blijven staan als de client de intentie heeft minimaal 18 dagen per jaar in het hoofdverblijf voor opname te logeren en de woonvoorzieningen niet mee te nemen zijn naar huis op moment van logeren. 3. In afwijking van artikel 11, eerste lid, onderdeel b kan wel een maatwerkvoorziening worden verstrekt door het college als artikel 8.6a van de wet van toepassing is en de hulpvraag niet opgelost kan worden met de geïndiceerde Wlz-zorg.

9

Zaaknr:2113578

Artikel 13. Inhoud beschikking 1. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is en indien noodzakelijk de taken, frequentie en omvang in minuten; b. indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn; c. wat de duur van de verstrekking is en indien van toepassing de ingangsdatum; d. of de voorziening in eigendom of bruikleen wordt verstrekt; e. of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt; f. of een bijdrage in de kosten wordt opgelegd voor de voorziening en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening; g. hoe bezwaar tegen het besluit kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt aanvullend vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe daartoe is gekomen; d. wat de omvang van de eventuele vergoeding voor de instandhoudingskosten is en hoe daartoe is gekomen; e. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 3.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking vermeld dat de cliënt zich moet houden aan een eventueel van toepassing zijnde bruikleenovereenkomst. Artikel 14. Regels voor een pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, verstrekt het college een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van wet als: a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en; b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen, en; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. 2. Voor de toets van het college of voldaan wordt aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden dient client een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is in elk geval opgenomen: a.

hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; b. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; c. welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; d. op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; e. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 3. Het pgb-plan wordt ook voorzien van een schriftelijke machtiging en verklaring van de cliënt en zijn vertegenwoordiger, waaruit blijkt dat het beheer op verantwoorde wijze wordt doorgevoerd. 4. Een vertegenwoordiger wordt alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren als:

10

Zaaknr:2113578

a. deze niet ook uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht, tot het sociale netwerk van de uitvoerder van de ondersteuning behoort of een financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden, en; b. deze hier met voldoende afstand en kritisch invulling aan kan geven, en; c. er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd. 5. Het pgb mag alleen worden besteed aan de maatwerkvoorziening en indien van toepassing aan de instandhoudingskosten van de maatwerkvoorziening. 6. Voor cliënten met meerdere pgb’s geldt dat het niet is toegestaan om te schuiven tussen verschillende budgetten, tenzij hierover schriftelijke afspraken zijn gemaakt met het college. 7. Betalingen van diensten geschiedt op declaratiebasis. Vaste, maandelijkse betalingen zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen cliënt en zorgverlener. 8.

Het college kan de Sociale verzekeringsbank (Svb) gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien eken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. 9. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. 10. Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet, verstrekt het college geen pgb. Artikel 15. Hoogte van een pgb 1. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: a. welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de cliënt van het budget wil betrekken, en b. indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk en of deze persoon gekenmerkt kan worden als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en opteert voor een tegemoetkoming van € 141,- per kalendermaand, en voor zover van toepassing een tegemoetkoming per kalendermaand voor reiskosten. 2.

De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf en de instandhoudingskosten daarvan. 3. De hoogte van het pgb voor een tweedehandsvoorziening wordt bepaald aan de hand van het maximum van de kostprijs van de in de situatie van cliënt goedkoopste adequate voorziening in natura en de leeftijd van de tweedehandsvoorziening. De omvang van het pgb voor een tweedehandsvoorziening wordt naar rato berekend op de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven (gebruiksduur). 4. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor diensten wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor professionele hulp en hulp van het sociaal netwerk. a. Van het tarief voor professionele hulp is sprake als uit het onderzoek in de zin van artikel 2.3.2 van de wet blijkt dat: i. professionele hulp noodzakelijk is of ii. professionele hulp niet noodzakelijk is, maar cliënt geen sociaal netwerk heeft om de hulp te bieden. Professionele hulp kan niet worden verleend door iemand uit het sociaal netwerk van cliënt. b.

Van het tarief voor hulp van het sociaal netwerk is sprake als uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, blijkt dat professionele hulp niet noodzakelijk is en cliënt iemand uit het sociaal netwerk heeft om de hulp te bieden.

11

Zaaknr:2113578

5. Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door personen die: a. werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 van het Handelsregisterwet 2007), die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en voldoen aan de kwaliteitseisen conform artikel 18 lid 4, of; b. aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten zij ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 van het Handelsregisterwet 2007), beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en voldoen aan de kwaliteitseisen conform artikel 18 lid 4. 6. Het pgb voor personen als bedoeld in het vierde lid onder a bedraagt maximaal 100% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura en is toereikend. 7. Het persoonsgebonden budget voor personen als bedoeld in vierde lid onder b (sociaal netwerk) is: a. het wettelijke minimum(uur)loon, of; b.

een tegemoetkoming van € 141,- per kalendermaand, voor zover van toepassing aangevuld met een tegemoetkoming voor reiskosten ten behoeve van de hulp waarbij de hoogte van de tegemoetkoming voor reiskosten wordt vastgesteld op grond van de volgende berekening: 156 x de dagelijkse reisafstand x belastingvrije kilometervergoeding x deeltijdfactor, gedeeld door 12 maanden. Artikel 16. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing genomen op grond van deze verordening of diens rechtsvoorganger op basis van een heronderzoek herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d.

de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of; e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt of heeft gebruikt. Het college bepaalt in de beslissing, het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt. 3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4. Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten Artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Het college legt een bijdrage in de kosten op voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt;

12

Zaaknr:2113578

2. De hoogte van de bijdragen voor een of meerdere maatwerkvoorzieningen of pgb’s is samen gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het landelijk vastgestelde bedrag zoals genoemd in artikel 2.1.4 derde lid en artikel 2.1.4a vierde lid Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 3. De kostprijs van een a. maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de goedkoopste variant van de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt; b. maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 4. In afwijking van het eerste lid a. kunnen zorgmijders geen bijdrage verschuldigd zijn de eerste zes maanden van zorgverlening, of langer wanneer dat noodzakelijk is naar oordeel van het college; b. zijn cliënten die in een hospice verblijven geen bijdrage verschuldigd voor de huishoudelijke ondersteuning die ze ontvangen tijdens het verblijf in het hospice; c. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor individuele begeleiding categorie waakvlamcontact; d. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een woningaanpassing/ woonvoorziening van/in een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex; e.

is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening die is verstrekt ten behoeve van een jeugdige die op dat moment minderjarig was; f. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een tegemoetkoming; g. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rij- of gewenningslessen voor scootmobiel of rolstoelvoorziening; h. is geen eigen bijdrage verschuldigd als het resultaat behaald kan worden door een voorziening in de vorm van aanpassingen aan eerder verstrekte woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen; i. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor het onderhoud, reparatie, keuring en verzekering van een voorziening; j. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een sportvoorziening; k. is geen eigen bijdrage verschuldigd als het woningaanpassingen zijn die behoren tot de standaarduitrusting van een ADL-clusterwoning. 5. De eigen bijdrage pauzeert: a. indien op de eerste dag van een kalendermaand de onderbreking aanvangt: gedurende de periode met ingang van die eerste dag tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin de onderbreking van de voorziening eindigt; b. indien na de eerste dag van een kalendermaand de onderbreking aanvangt: gedurende de periode met ingang van de eerste dag van de daaropvolgende kalendermaand tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin de onderbreking van de voorziening eindigt. 6.

De eigen bijdrage pauzeert niet als de onderbreking minder dan 31 opeenvolgende dagen bedraagt of een volledige kalendermaand. 7. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening voor vervoer (collectief aanvullend vervoer) voor: a. 1 zone € 1,38 per rit; b. 2 zones € 2,06 per rit; c. 3 zones € 2,75 per rit; d. 4 zones € 3,43 per rit e. 5 zones € 4,12 per rit. 8. De bedragen genoemd in het vierde lid worden met ingang van 1 januari 2027 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het LTI-indexcijfer heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar. 9. Indien medische begeleiding tijdens het collectief aanvullend vervoer verplicht is, is de verplichte begeleider geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor de kosten voor het gebruik van het collectief aanvullend vervoer.

13

Zaaknr:2113578

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Gecontracteerde aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van tijdig beschikbare maatwerkvoorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. inzet van de juiste deskundigheid; d. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van maatwerkvoorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard en conform vastgestelde eisen opgenomen in het inkooptraject dienstverlening of bij een ander lid als toevoeging; e. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de maatwerkvoorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen zoals genoemd in het eerste lid, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. 3.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen benoemd in het tweede lid door periodieke overleggen met de gecontracteerde aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de adequaatheid van de geleverde maatwerkvoorzieningen als ook de prestatielevering in relatie tot de maatwerkvoorzieningen. 4. Het college kan nadere regels stellen inzake de kwaliteit van ondersteuning bij het in artikel 13 genoemde pgb. 5. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen zoals benoemd in het vierde lid met behulp van een pgb-kwaliteitstoets, en zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de adequaatheid van de geleverde maatwerkvoorzieningen als ook de prestatielevering in relatie tot de maatwerkvoorzieningen. Artikel 19. Toezicht kwaliteit 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders doen onverwijld melding van calamiteiten en geweld bij de daarvoor aangewezen toezichthouder; 3. Aanbieders verlenen alle medewerking aan de toezichthouder, die hij redelijkerwijs kan vragen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. 4.

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de door het college gecontracteerde aanbieders en aanbieders die via een pgb worden betaald. Artikel 20. Toezicht en handhaving rechtmatigheid 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet en wijst daarvoor een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Ter uitvoering van het eerste lid stelt het college periodiek een handhavingsuitvoeringsplan vast. Het handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval hoe het proces van toezicht en handhaving is ingericht en de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de wet. 3. Het college kan nadere regels opstellen voor het toezicht en de handhaving op rechtmatigheid en het voorkomen van zorgfraude, waaronder welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast.

14

Zaaknr:2113578

Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de inkoopprocedure open-house en het aangaan van een overkomst met de derde; of b. een reële prijs conform Algemene maatregel van Bestuur (AMvB) (besluit van 10 februari 2017, houdende regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit in de zorgverlening tussen de cliënt en de zorgverlener) voor die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde; en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en b. rekening houdend met de continuïteit in de zorgverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken zorgverleners. 3.

Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen en baseert zich op de eisen zoals gesteld in de AMvB: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de voorziening stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a.

overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die voorziening, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet; 3. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

15

Zaaknr:2113578

HOOFDSTUK 6: Beschermd wonen en opvang Artikel 23. Beschermd wonen en opvang 1. Op beschermd wonen en opvang in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid van de wet zijn de artikelen 2.3, tweede lid, onderdeel a; 3.2.1, eerste lid, onderdeel f, g, h en i; 3.2.10; 3.2.11; 3.2.12; 3.2.13; 3.3.7, eerste lid, onderdeel a, sub 6°, 7°, 8° en 9°; 3.3.7, tweede lid, onderdeel a, sub 6°, 7°, 8° en 9°; hoofdstuk 4, 5.1.3 en 5.1.5 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025 van toepassing zoals die op 1 januari 2025 luiden. 2. Voor zover bepalingen in deze verordening in strijd zijn met de in het eerste lid bedoelde bepalingen, zijn uitsluitend de in het eerste lid genoemde bepalingen van toepassing en blijven de desbetreffende bepalingen uit deze verordening buiten toepassing. HOOFDSTUK 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit het beschikbaar stellen van een waardebon. Artikel 25. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1.

Een financiële tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende noodzakelijke meerkosten hebben ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie wordt niet verstrekt als maatwerkvoorziening; 2. Personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende noodzakelijke meerkosten hebben ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie kunnen aanspraak maken op de collectieve aanvullende zorgverzekering van de IJsselgemeenten; 3. De vigerende criteria van de IJsselgemeenten zijn van toepassing op de aanvraag. HOOFDSTUK 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 26. Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 27. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen. 2.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 28. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Ingezetenen worden bij de uitvoering van de wet betrokken op de wijze die is bepaald in de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018, of diens rechtsopvolger.

16

Zaaknr:2113578

HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 29. Nadere regels en hardheidsclausule 1. Voor zover in deze Verordening niet anders is bepaald is het college belast met de uitvoering van deze Verordening en alle besluiten ter uitvoering van deze verordening en de wet. 2. Ter uitvoering van deze Verordening stelt het college in ieder geval het Besluit en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en Nadere regels maatschappelijke ondersteuning pgb vast. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze Verordening indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 30. Inwerkingtreding en overgangsrecht 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 2. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2023 wordt op 1 januari 2026 ingetrokken. 3. Een cliënt houdt recht op een lopende maatwerkvoorziening of pgb, verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2023 of daaraan voorafgaande verordeningen, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt, wordt ingetrokken. 4.

Een melding voor een maatwerkvoorziening of pgb die is ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop het college nog geen besluit heeft genomen, wordt door het college beoordeeld op basis van deze verordening, tenzij de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2023 gunstiger is voor cliënt. 5. De hoogte van een toegekend pgb voor een dienst, verleend door persoon die behoort tot het sociaal netwerk, die uiterlijk 31 december 2025 is afgegeven en tot na 1 januari 2027 blijft doorlopen, wordt vanaf 1 januari 2027 bepaald op basis van artikel 15, zevende lid. Artikel 31. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2025 De griffier, de voorzitter,

17

Zaaknr:2113578

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026 ALGEMEEN Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De verordening kenmerkt zich door te kijken naar wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de behoefte aan ondersteuning van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke of algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt.

De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. HOOFDSTUK 1: Begrippen Artikel 1.

Definities In verband met de leesbaarheid van deze verordening zijn voor de duidelijkheid belangrijke begrippen opgenomen. De definities spreken voor zich en behoeven geen verdere uitleg. HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een vraag voor maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie.

18

Zaaknr:2113578

Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het college. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Wanneer een persoon zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Als de persoon alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Een persoon met een behoefte aan ondersteuning die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Als de persoon aangeeft behoefte te hebben aan maatschappelijke ondersteuning, is het van belang dat wordt onderzocht wat de behoefte aan ondersteuning van betrokkene is. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet is noodzakelijk.

In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, wordt dit ook schriftelijk bevestigd aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet). Registratie en een schriftelijke ontvangstbevestiging van de melding is in het kader van deze termijn van belang. Artikel 3. Spoedeisende gevallen In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Artikel 4. Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos en onafhankelijk (amendement TK 2013-2014, 33841, nr.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16351503/1