CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

09.05 - Ruimtelijke onderbouwing incl bijlagen

Gemeenteraad 13 december 2021, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Beraadslagingen Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Fascinatio Boulevard kavel 2K4 studentenhuisvesting26.393 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Beeldkwaliteitsplan Fascinatio 1999 In november 1999 is het Beeldkwaliteitsplan (hierna: BKP) Fascinatio 1999 vastgesteld. In het BKP zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke vormgeving van de wijk neergelegd. Fascinatio is een woon- en werkgebied. De opbouw van het gebied zorgt ervoor dat de mensen in bedrijven en kantoren zullen uitkijken op de woonwijk en zo nodig gebruik kunnen maken van de voorzieningen in deze wijken, zoals winkels en kinderopvang. Het bedrijven- en kantorengebied bevindt zich in de buitenste ring van Fascinatio. De grens van dit gebied en het woongebied is een wijkverzamelweg in de vorm van een ringweg. Het woongebied komt daardoor als een burcht binnen de slotgracht te liggen. 3.4.4.1 Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van één woongebouw met 15 woonfuncties, die ruimte bieden voor 400 kamers voor de kamergewijze verhuur voor studenten. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning aangevraagd om af te wijken van het bestemmingsplan. De projectlocatie bevindt zich op een plek waar in beginsel bedrijven- en kantoren beoogd waren. Het Beeldkwaliteitsplan uit 1999 is daar dan ook op ingericht en schrijft voor de projectlocatie dan ook een maximale hoogte van zes bouwlagen voor.

Zoals eerder in deze ruimtelijke onderbouwing al is opgemerkt is de kantorenmarkt de afgelopen jaren sterk beïnvloed door de economische crisis. Er is onder andere sprake van overaanbod, een toenemende leegstand en een afnemende nieuwbouwbehoefte. Zowel in provinciaal (paragraaf 3.2) als rijksbeleid wordt de voorkeur gegeven aan het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen stedelijk‐ en/of dorpsgebied. Uit het oogpunt van optimaal benutten van de locatie en zorgvuldig ruimtegebruik, is het gebruiken van de locatie voor woningbouw (ten behoeve van studentenhuisvesting) gewenst. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een (woon)gebouw met een maximale hoogte van 25 meter en bestaat uit acht bouwlagen (begane grond + zeven verdiepingen). Daarmee wijkt het voorgenomen bouwplan voor wat betreft het aantal bouwlagen af van het beeldkwaliteitsplan uit 1999. De verdiepingshoogte van een kantoor wijkt af van die voor een woonfunctie. Deze ligt voor een kantoor veelal hoger dan voor een woongebouw. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee wel in een hoger aantal bouwlagen dan het beeldkwaliteitsplan toestaat, de daaruit volgende bouwhoogte verschilt zo’n 3 meter per functie. De toekomstige bebouwing wordt daarmee ca. 3 meter hoger dan dat het beeldkwaliteitsplan heeft beoogd.

Het beeldkwaliteitsplan uit 1999 is echter concreet toegespitst op een kantoorfunctie, terwijl hedendaags als gevolg van de veranderende markt een andere invulling voor het gebied (met studentenwoningen) op zijn plaats is. Een afwijking van het beeldkwaliteitsplan voor wat betreft het aantal bouwlagen is dan ook gerechtvaardigd en is bovendien stedenbouwkundig goed inpasbaar. Daarbij wordt opgemerkt dat het huidige bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 25 meter toestaat en deze bouwhoogte met de voorgenomen ontwikkeling niet wordt overschreden. Het bestemmingsplan weegt juridisch gezien zwaarder dan het beeldkwaliteitsplan. De bouwhoogte uit het bestemmingsplan is dan ook leidend. Het beeldkwaliteitsplan wordt enkel gebruikt voor de welstandstoets. Qua materialisatie is eveneens aansluiting gezocht bij het kenmerkende materiaalgebruik binnen de wijk. Naast toetsing aan het beeldkwaliteitsplan zal bij de aanvraag om de activiteit bouwen ook een toets plaats vinden aan het gemeentelijk welstandsbeleid.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 30

3.4.4.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling wijkt voor wat betreft het aantal bouwlagen af van het Beeldkwaliteitsplan Fascinatio 1999. Deze afwijking is echter stedenbouwkundig gezien gerechtvaardigd en past tevens in het vigerende bestemmingsplan (dat voor wat betreft de bouwhoogte leidend is). Verder zal in de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen getoetst worden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, waarin het beeldkwaliteitsplan een belangrijke rol speelt.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 31

4

OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING / LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Voor het beoogde bouwvolume is aansluiting gezocht bij de reeds bestaande bebouwingsmogelijkheden. De toekomstige bebouwing binnen de projectlocatie wordt voornamelijk binnen het bouwvlak gerealiseerd. De beperkte beoogde bebouwing buiten het bouwvlak kan volgens het vigerende bestemmingsplan worden toegestaan middels de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsregels. De maximale bouwhoogte bedraagt – net als reeds volgens het vigerende bestemmingsplan is toegestaan - 25 meter. In figuur 22 is de locatie van de beoogde bebouwing weergegeven (uitgaande van de situatie op maaiveldniveau). Figuur 23. Projectlocatie (rood kader) met bouwplan (Qgis eigen bewerking)

Door bebouwing van maximaal 25 meter te realiseren, wordt aangesloten bij de bestaande structuur. Op de gronden aan de oost- en westzijde van de projectlocatie is (planologisch gezien) eveneens bebouwing met een bouwhoogte van maximaal 25 meter toegestaan. Aan de zuidzijde van de projectlocatie is bebouwing van maximaal 32 meter toegestaan. Daarnaast wordt middels vormgeving, kleur en materiaal aangesloten bij de reeds aanwezige bebouwing. In figuur 23 is de huidige omliggende bebouwing weergegeven en in figuur 24 is een impressie van de toekomstige bebouwing binnen de projectlocatie opgenomen. In paragraaf 2.2 zijn de gemaakte keuzes ten aanzien van de inpassing van de bebouwing reeds nader toegelicht. Daaruit volgt dat zowel qua volume als uitstraling aansluiting is gezocht bij de reeds in de omgeving aanwezige bebouwing.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 32

Figuur 24. Reeds aanwezige bebouwing in de omgeving (bron: Google Maps)

Figuur 25. Impressie toekomstige situatie, uitgaande van 92 parkeerplaatsen (bron: White House Development en Rotterdamse Ontwikkelings Maatschappij (ROM))

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

Gemeentelijk beleid De gemeente Capelle aan den IJssel onderschrijft de uitwerking van het 'Verdrag van Malta': behoud van het archeologisch erfgoed waar mogelijk en documentatie waar nodig. Hierbij wordt aangesloten op het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. De gemeenteraad heeft op 20 september 2010 haar gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 33

Archeologische Kenmerkenkaart (AKK) en Archeologische Waardenkaart (AWK) belangrijke instrumenten vormen. De kaarten tonen de archeologische waarden en verwachtingen binnen het gemeentelijk grondgebied en geeft aan hoe de gemeente Capelle aan den IJssel daarmee wenst om te gaan.

Relatie tot ontwikkeling Archeologie Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is in het bestemmingsplan ”Fascinatio‐ Capelsebrug” een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” opgenomen. Op basis van deze dubbelbestemming vraagt het aspect archeologie om aandacht wanneer bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden). Daarbij geldt dat een omgevingsvergunning nodig is op het oment dat het gaat om werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 2 meter beneden NAP en die tevens een terreinoppervlak groter dan 100 m² beslaan. Aangezien deze waarden worden overschreden is het palenplan aan het BOOR voorgelegd. Plantoets BOOR De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) heeft de eventuele noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van de voorgenomen grondwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw van een woongebouw aan de Fascinatio Boulevard te Capelle aan den IJssel beoordeeld. Aan de hand van de beoordeling is een advies opgesteld d.d. 9 maart 2021.

Het advies is opgenomen in bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing.1 De afdeling Archeologie ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente Capelle aan den IJssel dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. Cultuurhistorie Ter plaatse en in de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De beoogde ontwikkeling voorziet dan ook niet in een aantasting van cultuurhistorische waarden.

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt

1

Opgemerkt wordt dat in het advies wordt gesproken over studentenwoningen of jongerenwoningen. Het realiseren van jongerenwoningen is thans niet meer aan de orde. Aangezien de omvang van de bodemverstorende werkzaamheden niet is gewijzigd ziet het advies nog steeds toe op de beoogde plannen.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 34

zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Functiemenging Indien sprake is van functiemenging wordt niet gewerkt met de systematiek waarbij gebruik wordt gemaakt van richtafstanden, zoals deze zijn opgenomen in tabel 1. In de VNG-publicatie geldt dit bijvoorbeeld ten aanzien van gebieden waar sprake is van een zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functie, ook wel gebieden waar sprake is van functiemenging. In dergelijke gebieden is de systematiek, waarbij richtafstanden gehanteerd worden niet geschikt. In bestaande gebieden waar sprake is van functiemenging wordt de Staat van Bedrijven (SvB) 'functiemenging' toegepast. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan:  stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;  horecaconcentratiegebieden;  zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen;  (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Daarnaast kan ook in (delen van) woongebieden waar enige vorm van bedrijvigheid aanwezig of gewenst is de SvB 'functiemenging' worden toegepast.

In de SvB ‘functiemening’ worden vier categorieën onderscheiden met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid van de betreffende functies:  Categorie A: bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn.  Categorie B1: bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 35

Categorie B2: bedrijfsactiviteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig afgescheiden van woningen/andere gevoelige functies. Bouwkundig afgescheiden betekent dat de panden los van elkaar moeten staan. Uitzondering hierop vormen binnenterreinen omringd door voornamelijk woningen: ook al zijn bedrijven bouwkundig afgescheiden van woningen, op deze locaties zijn hooguit categorie B1 bedrijven toegestaan. Categorie C: activiteiten genoemd onder categorie B2, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is.

Relatie tot ontwikkeling Bedrijven en milieuzonering In het gebied rondom de projectlocatie zijn woningen, kantoren en bedrijven gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als een 'gemengd gebied'. De projectlocatie ligt in een strook met de bestemming 'Bedrijf' langs de Fascinatio Boulevard (waar het bestemmingsplan ”Fascinatio‐Capelsebrug” vigeert). Binnen deze strook zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan bedrijven uit ten hoogste categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'Fascinatio‐Capelsebrug' en kantoren toegestaan. Aan de noordzijde van de projectlocatie is op een afstand van circa 50 meter een woonfunctie toegestaan. De te realiseren woonfunctie vormt geen belemmering voor de bestaande woningen, mede aangezien daarvoor geen sprake is van een richtafstand. Aan de oost-, en zuidzijde zijn in de feitelijke situatie kantoorpanden gesitueerd. In een gemengd gebied geldt op basis van de VNG Handreiking een richtafstand van 0 meter voor kantoren (SBI: 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82). Aan deze richtafstand wordt voldaan. De woningbouwontwikkeling zorgt niet voor een belemmering in uitvoering van de feitelijk aanwezige bedrijfsactiviteiten. Aan de westzijde van de projectlocatie is bebouwing gelegen waarbinnen diverse bedrijven zijn gevestigd.

De bedrijvigheden zijn onder meer een fysiopraktijk, reclamebureau, dienstverlening, groothandel in hondenaccessoires en een kinderopvang. Ten hoogste is hier sprake van milieucategorie 2 (SBI: 8891 en 464, 46733), waarbij in gemengd gebied sprake is van een richtafstand van 10 meter. De bebouwing is gelegen op een afstand van circa 40 meter van de projectlocatie. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan en wordt de uitvoering van de in de omgeving aanwezige bedrijfsactiviteiten niet belemmerd door de realisatie van woningen op de projectlocatie. Functiemenging De projectlocatie kent in de huidige situatie de bestemming ‘Bedrijf’. In de toekomstige situatie wordt een woongebouw met 15 woonfuncties waarin ruimte is voor 400 studentenkamers, met daarbij een fitnessruimte voor bewoners, gemeenschappelijke ruimten en bijbehorende (fiets)parkeergelegenheid gerealiseerd. De fitnessruimten voor de bewoners wordt in hetzelfde gebouw als de woningen gerealiseerd en zullen niet toegankelijk zijn voor derden. Deze functies zijn dermate ondergeschikt dat de aard en omvang van de activiteiten beperkt is. Aangezien de woningen en de activiteit bouwkundig van elkaar worden gescheiden vormen ze geen belemmering voor elkaar.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 36

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ter plaatse van de projectlocatie is een partijkeuring uitgevoerd door onderzoeksbureau Arnicon. De rapportage d.d. 21 februari 2020 is opgenomen in de bijlage 2 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Uit het vooronderzoek volgt de verwachting dat geen sprake is van sterke verontreinigingen. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN 5725, "Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek", oktober 2017. Uit www.dcmr.gisinternet.nl is gebleken dat er voorafgaand aan de bodemsanering diverse bodemonderzoeken zijn verricht. Deze onderzoeken en de documenten met betrekking tot de sanering zijn onder de code AA050200046 bij de DCMR geregistreerd. Op de locatie is na de realisatie van de leeflaag volgende bodemonderzoek uitgevoerd. 1) Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek in bodem ter plaatse van de Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel, Arnicon B.V., rapportnummer C19-476-O6, d.d. 28 januari 2020.

Op het perceel is een leeflaag aangebracht met een dikte van 1,2 à 1,5 meter die een verontreinigd bodem afdekt. Tijdens het veldwerk is gebleken dat de leeflaag tot een diepte circa 1,2 à 1,5 m-mv aanwezig is, onder deze diepte wordt de baggerspecielaag waargenomen. In de leeflaag (0- 1,0 m-mv) zijn geen lichte bijmengingen met baksteen en beton waargenomen. In de opgegraven en geïnspecteerde grond zijn geen asbestverdachte materiaal waargenomen. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat grond (0-1,0 m-mv) van de leeflaag niet verontreinigd is met de stoffen uit het standaardpakket. De gehalten aan PFOA en PFOS in de bovengrond (0-0,5 m-mv) overschrijden de tijdelijke landelijke achtergrondwaarde niet. In de bovengrond (0-0,5 m-mv) zijn analytisch geen asbesthoudende materialen aangetroffen. Uit het hiervoor genoemde bodemonderzoek blijkt dat de te onderzoeken partij grond waarschijnlijk uit zand bestaat. Vervolgens heeft veldonderzoek plaats gevonden. In de partij grond zijn gehalten PFOA (som) en PFOS (som) aangetoond die voldoen aan de Tijdelijke Landelijke Achtergrondwaarden. De overige gehalten (stoffen uit het standaardanalysepakket) voldoen aan de klasse ‘Achtergrondwaarde’.

De grond kan op basis van het geactualiseerde “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” van 29 november 2019 worden toegepast ter plaatse van de onder meer bodemfuncties ‘wonen met tuin’. Aangezien – behalve het realiseren van heipalen – onder de leeflaag geen werkzaamheden zijn wordt niet verwacht dat het aspect bodem om nadere aandacht vraagt.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 37

Conclusie Door de aangebrachte leeflaag staat het aspect bodem de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar.

Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Waterzijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dientzowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 38

worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Relatie tot ontwikkeling Om te onderzoeken of aan de voor het aspect externe veiligheid geldende wetgeving kan worden voldaan is onderzoek uitgevoerd door Rho adviseurs voor leefruimte d.d. 22 februari 2019. De rapportage is opgenomen in de bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing. In de rapportage is het uitgangspunt van 450 woningen gehanteerd. Momenteel is het uitgangspunt veranderd naar één woongebouw met 15 woonfuncties, die ruimte bieden voor 400 kamers voor de kamergewijze verhuur voor studenten. Dit betekent dat sprake is van een afname in personentoename ten opzichte van de in het onderzoek gehanteerde onderzoek. In dit kader kan gesteld worden dat in het onderzoek is uitgegaan van een worst case benadering en daarmee representatief is voor de beoogde situatie. Met de berekeningen in de rapportage wordt inzicht gegeven in de risicosituatie (het plaatsgebonden risico en het groepsrisico) ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. De projectlocatie ligt nabij de A16 en N210 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In figuur 25 is de globale ligging van de projectlocatie nabij de A16 en N210 weergegeven. Naast de wegen is ten zuidoosten op een afstand van 150 meter een tankstation gelegen. Voorheen had dit tankstation een vergunning voor de opslag en levering van LPG.

Deze vergunning is na de overname van het tankstation en omvorming tot onbemand tankstation ingetrokken. Het tankstation staat dan ook niet meer weergegeven op de risicokaart. Een berekening van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk, het tankstation vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling Figuur 26. Globale ligging projectlocatie (paarse cirkel) nabij A16 (geel) en N210 (rood) (bron: onderzoek externe veiligheid – Rho adviseurs

Op basis van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: - De projectlocatie ligt niet binnen de PR 10-6 contour van een risicobron.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 39

-

De projectlocatie ligt niet in het maatgevende invloedsgebied van het groepsrisico (355 meter) van de A16. Doordat het tankstation geen LPG vergunning meer heeft vormt dit ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De projectlocatie ligt in het invloedsgebied van het groepsrisico van de N210. Uit de groepsrisicoberekening blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de totale route neemt toe van 0,703 naar 0,725 en de deelroute met het hoogste groepsrisico neemt toe van 0,663 naar 0,685. Het groepsrisico ligt boven 0,1 maal de oriëntatiewaarde, maar neemt met minder dan 10% toe.

Beperkte verantwoording groepsrisico vanwege ligging in het invloedsgebied N210 Voor het groepsrisico geldt geen harde norm maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht. Gezien het feit dat de projectlocatie binnen het invloedsgebied van de N210 ligt is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Doordat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft en het groepsrisico met minder dan 10% toeneemt kan volstaan worden met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. De verantwoording is hieronder opgenomen. In de voorliggende situatie is het maatgevende ongevalsscenario 'toxisch gas'. De mogelijke maatregelen ten einde de zelfredzaamheid en de beheersbaarheid te bevorderen zullen zich dan ook voornamelijk op dit scenario moeten richten. Wat betreft de toxische wolk zijn eenvoudige maatregelen mogelijk, zoals centraal en eenvoudig uitschakelbare en afsluitbare ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. Naar verwachting zullen in zeer beperkte mate personen aanwezig zijn die niet zelfredzaam zijn. Indien dat wel het geval is zullen ze te allen tijde aanwezig onder leiding van een of meerdere zelfredzame volwassene. Op die manier kunnen ze onder leiding van deze volwassene(n) in veiligheid worden gebracht. Gezien voorgaande zal geen sprake zijn van een hoge concentratie van “verminderd zelfredzame” personen.

Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van de projectlocatie. In het ontwerp zal rekening gehouden worden met vluchtwegen voor aanwezige personen. De toekomstige bevolking dient goed geïnformeerd te worden over hoe te handelen bij een calamiteit. Hiertoe zal een adequaat ontruimings- en alarmeringsplan opgesteld moeten worden. Het is immers raadzaam om te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijde van een mogelijke ramp. Indien nodig zal tevens een calamiteitenplan opgesteld worden. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft aangegeven met de hiervoor benoemde maatregelen akkoord te gaan.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 40

 

psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven.

Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van één woongebouw met 15 woonfuncties, die ruimte bieden voor 400 kamers voor de kamergewijze verhuur voor studenten. Woningen zijn geluidsgevoelige objecten, waardoor akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. In onderhavig geval is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Alcedo d.d. 8 april 2021, zie ook bijlage 7 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten zijn hieronder samengevat weergegeven. Rijksweg A16 De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Rijksweg A16 bedraagt ten hoogste 57 dB inclusief 2 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt ook de maximaal toelaatbare waarde van 53 dB (auto(snel)weg, buitenstedelijk). Abram van Rijckevorselweg (N210) De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Abram van Rijckevorselweg bedraagt ten hoogste 59 dB inclusief 2 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt ook de maximaal toelaatbare waarde van 53 dB (auto(snel)weg, buitenstedelijk). Fascinatio Boulevard De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Fascinatio Boulevard bedraagt ten hoogste 53 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh.

Hiermee wordt voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 63 dB niet. Rivium Boulevard De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Rivium Boulevard bedraagt ten hoogste 37 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gecumuleerde geluidsbelasting De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ter plaatse van de studentenkamers ten hoogste 63 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh. Er is geen sprake van relevante cumulatie ten gevolge van andere zoneringsplichtige geluidsbronnen. In situaties waar nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen een geluidsbelasting ondervinden boven de voorkeursgrenswaarde, dient allereerst onderzocht te worden of deze geluidsbelasting gereduceerd kan worden door het treffen van maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied. Maatregelen Voor wat betreft vermindering van het wegverkeerslawaai kan gedacht worden aan verbetering van het wegdektype en/of het toepassen van schermen. Verbetering van het wegdektype brengt echter hoge kosten met zich mee en de initiatiefnemer heeft geen zeggenschap over de weg. Het plaatsen van een geluidsscherm of wal zijn in voorliggende situatie stedenbouwkundig niet wenselijk.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 41

Gelet op het voorgaande wordt overwogen dat het treffen van verdere maatregelen aan de wegen zelf of in de vorm van een afscherming redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Daarmee resteert het vaststellen van hogere waarden en het zorgen voor voldoende geluidswering zodat in de woningen sprake is van een aanvaardbaar binnenniveau. Hogere waarden Vanwege de overschrijding van de maximale ontheffingswaarde moeten voor sommige studentenkamers aan de achtergevel en rechtergevel van het gebouw van dove gevels worden voorzien. Hier zal gebruik worden gemaakt van een houten roosterconstructie met daarachter een geluidgedempt rooster. In paragraaf 3.6 van het akoestisch onderzoek (in tabel 6) is vervolgens per bouwlaag en per gevel oriëntatie welke hogere waarden noodzakelijk zijn. Ook is per gevel oriëntatie de hoogste waarde van de gecumuleerde geluidbelasting weergegeven. Gemeentelijk geluidsbeleid In het gemeentelijk geluidsbeleid zijn voorwaarden gesteld ten aanzien van het verlenen van hogere waarde. De toetsing aan het gemeentelijk geluidsbeleid is beschreven in paragraaf 3.5 van het akoestisch onderzoek. Belangrijk criterium uit het geluidsbeleid is dat een woning met een hogere waarde ten minste één geluidsluwe zijde moet hebben. Het overgrote deel van de woningen voldoet aan de voorwaarde van een geluidsluwe gevel.

Op deze wijze wordt op gebouwniveau aan de voorwaarde uit het geluidsbeleid voldaan. Voor de studentenkamers waarvoor geen sprake is van een geluidsluwe gevel en de woningen die niet zijn voorzien van een geluidsluwe buitenruimte wordt op gebouwniveau voorzien in gezamenlijke geluidsluwe buitenruimten. Deze bevinden zich ter plaatse van de vloer van de vide aan de binnenzijde van het gebouw en het begane grondniveau ter plaatse van de voorgevel aan de noordzijde van het gebouw. Ook aan rechterzijgevel en een groot deel van de linker zijgevel kunnen op begane grondniveau als geluidsluwe buitenruimte worden ingericht. Daarnaast is er nog de mogelijkheid om het dak van het gebouw (gedeeltelijk) in te richten als gezamenlijke geluidsluwe buitenruimte. Hiervoor zijn geen nadere maatregelen in de vorm van afschermende voorzieningen ter plaatse van de dakranden noodzakelijk. Alle studentenkamers in het woongebouw zijn eenzijdig georiënteerd. Ook de studentenkamers met een dove gevel (gevel zonder te openen delen) zullen moeten worden voorzien van voldoende ventilatiecapaciteit om te kunnen voldoen aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen ten aanzien van de spuiventilatie. Om via deze gevels toch te kunnen spuien wordt een geveldeel gecreëerd waar ten gevolge van de betreffende wegen de maximale grenswaarde voor de geluidsbelasting niet wordt overschreden.

Deze maatregel is nader beschreven in paragraaf 3.5.3 van het akoestisch onderzoek.

Conclusie In het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat hogere waarden verleend dienen te worden. Het overgrote deel van de studentenkamers voldoet aan de voorwaarde van een geluidsluwe gevel. Daarbij wordt voorzien in gezamenlijke geluidsluwe buitenruimten. Op deze wijze wordt op gebouwniveau aan de voorwaarde uit het geluidsbeleid voldaan. Gezien voorgaande kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het woongebouw sprake zal zijn van een acceptabele woon- en leefklimaat.

KABELS EN HOOGSPANNINGSLEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 42

regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).

Relatie tot ontwikkeling Binnen de projectlocatie en in de directe omgeving zijn voor zover bekend geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Volledigheidshalve wordt voorafgaand aan de werkzaamheden een klic-melding gedaan. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met eventuele aanwezige kabels en leidingen.

Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 43

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is geen sprake van de realisatie van 1.500 woningen bij één ontsluitende weg. Derhalve mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie de NIBM-rekentool gebruikt. De verwachting is dat in de praktijk sprake zal zijn van een lagere verkeergeneratie, zie paragraaf 4.10. Op basis van de berekende verkeersgeneratie kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Figuur 27. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 23 maart 2021)

In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 24 februari 2021). Tabel 2. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl) Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie rekenpunt 15961246 NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

29.4

19.5

11.7

2030

20.2

17.2

9.6

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 44

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

Indien de projectlocatie in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door IDDS een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 22 februari 2021 is bijgevoegd in de bijlage 4 bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Binnen de projectlocatie kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (15 maart - 15 augustus). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 45

werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Ten behoeve dan de ontwikkeling zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden.

Gebiedsbescherming De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Stikstof In het kader van gebiedsbescherming is het aspect stikstof tevens van belang. Ten behoeve van de ontwikkeling is door Mees Ruimte & Milieu een stikstofdepositie berekening uitgevoerd en een rapportage opgesteld. De rapportage van 25 maart 2021 is opgenomen in de bijlage 5 bij voorliggende onderbouwing. Na berekening van de stikstofdepositie concludeert de AERIUS-calculator dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de gebruiksfase.

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Gemeentelijk beleid De gemeente Capelle aan den IJssel beschikt over eigen parkeerbeleid en parkeernormen. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt dan ook getoetst aan de Parkeernormen 2015 van Capelle aan den IJssel. De parkeernormen zijn op 14 december 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze parkeernormen vormen een doorvertaling van de landelijke parkeercijfers (CROW) naar de Capelse situatie. Het parkeerbeleid is in de bestemmingsplannen van de gemeente Capelle aan den IJssel opgenomen door middel van de parapluherziening 'Parkeren' (vastgesteld 9 juli 2018). Deze herziening geldt ook voor de projectlocatie aan de Fascinatio Boulevard.

Relatie tot ontwikkeling Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (2018). De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Parkeernormen 2015, gemeente Capelle aan den IJssel). Voor het juiste kencijfer / parkeernorm wordt een ligging in de schil/rest bebouwde kom aangehouden, de gemeente heeft een sterk stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. Uitgangspunt is dat de berekende parkeerbehoefte op eigen terrein dient te worden opgelost. 4.10.2.1 Parkeren auto In deze (sub)paragraaf wordt eerst ingegaan op de toe te passen parkeernorm. Aan de hand van deze parkeernorm kan de normatieve parkeerbehoefte worden bepaald. Vervolgens wordt door middel van het toepassen van aanwezigheidspercentages inzichtelijk gemaakt wat het maatgevende parkeermoment in de Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 46

week is. Hieruit volgt de parkeerbehoefte waarin op eigen terrein moet worden voorzien. Dat hierin kan worden voorzien wordt behandeld onder het kopje 'parkeeraanbod’. Omdat de parkeervraag in de praktijk lager kan uitvallen, wordt in deze (sub)paragraaf tot slot ingegaan op de mogelijkheid om in de toekomst, onder strikte voorwaarden, parkeerplaatsen te laten vervallen en daarvoor in de plaats de locatie verder te vergroenen. Toe te passen (gemeentelijke) parkeernorm en de normatieve parkeerbehoefte De parkeerbehoefte van de beoogde woningbouw (15 woonfuncties met daarin ruimte voor 400 studentenkamers bedoeld voor kamergewijze verhuur) en daarbij behorende ondergeschikte functies dient te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen en moet binnen de plangrenzen worden opgelost. In figuur 28 zijn de gemeentelijke parkeernormen opgenomen. Aangezien de bij de woningen behorende functies alleen beschikbaar zijn voor de toekomstige bewoners zullen deze op zichzelf geen parkeerbehoefte met zich meebrengen. Hier wordt dan ook niet nader op ingegaan. Figuur 28. Parkeernormen ‘Wonen (inclusief bezoekers)’ (Nota Parkeernormen 2015)

Bij het bepalen van de parkeernorm voor kamerverhuur zijn in het gemeentelijk parkeerbeleid alleen normen opgenomen voor niet zelfstandige eenheden (waarbij geen sprake is van de specifieke doelgroep studenten(woningen/kamers)). Voor niet zelfstandige eenheden geldt een norm van 0,25 parkeerplaatsen per woning. Dit komt overeen met de gemiddelde parkeernorm uit de CROW voor kamerverhuur, studenten, nietzelfstandig (minimale norm van 0,2 en een maximale norm van 0,3 per kamer). Omdat de locatie zeer gunstig is gelegen ten opzichte van het openbaar vervoer, de Erasmus Universiteit, wordt geen groot onderscheid verwacht tussen het autobezit van zelfstandige en niet-zelfstandige (studenten)kamers. Het uitgaan van de (voor de CROW gemiddelde) parkeernorm van 0,25 is derhalve gerechtvaardigd. De normatieve parkeerbehoefte bedraagt in dat geval 100 parkeerplaatsen (400 kamers * 0,25). Het toepassen van aanwezigheidspercentages en de parkeerbehoefte op het maatgevende moment De parkeerplaatsen voor de woningen zullen niet allemaal op dezelfde momenten worden gebruikt, omdat bewoners en bezoekers niet gelijktijdig aanwezig zijn. Hierdoor is op bepaalde momenten dubbelgebruik van de te realiseren parkeerplaatsen mogelijk (het parkeerterrein wordt weliswaar afgesloten middels een slagboom, maar is te allen tijde voor bewoners en bezoekers toegankelijk, zie ook onder ‘parkeeraanbod’).

Aan de hand van aanwezigheidspercentages zoals genoemd in het gemeentelijk parkeerbeleid is het maatgevende moment bepaald voor de parkeerbehoefte. Dit is weergegeven in tabel 3. In tabel 3 is eveneens een onderscheid gemaakt in een bezoekers- en bewonersaandeel. Het bezoekers- en bewonersaandeel voor de voor onderhavige ontwikkeling te hanteren parkeernorm van 0,25 is echter niet gespecificeerd in het gemeentelijk parkeerbeleid. In de CROW-richtlijn is dit wel gedaan. Uitgaande van de maximale norm uit de CROW-richtlijn voor de groep ‘kamerverhuur, studenten, niet-zelfstandig’ geldt een maximale norm van 0,3 parkeerplaatsen per kamer, waarvan het aandeel bezoek conform de CROW 0,2

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 47

parkeerplaatsen per kamer bedraagt. Dit bezoekersaandeel uit de CROW is naar rato toegepast op de voor onderhavige ontwikkeling vastgestelde (voor de CROW gemiddelde) parkeernorm van 0,25. Het bezoekersaandeel waar in onderhavige ontwikkeling rekening moet worden gehouden bedraagt derhalve 0,15 parkeerplaatsen per kamer. Tabel 3. Aanwezigheidspercentages en maatgevende parkeerbehoefte in geval van het realiseren van 400 studentenwoningen

Uit tabel 3 volgt dat door toepassing van de aanwezigheidspercentages de zaterdagavond maatgevend is, wat leidt tot een totale parkeerbehoefte van 92 parkeerplaatsen. Parkeeraanbod Hiervoor is geconcludeerd dat op de zaterdagavond de parkeervraag het hoogst is, te weten 92 parkeerplaatsen (zie hiervoor ook tabel 3). In deze parkeerplaatsen moet op eigen terrein worden voorzien. Op eigen terrein is hier voldoende ruimte voor en initiatiefnemer legt derhalve ook 92 parkeerplaatsen aan. Dit is op onderstaand figuur weergegeven. Figuur 29. Situatietekening beoogde ontwikkeling met 92 parkeerplaatsen (bron: White House Development en Rotterdamse Ontwikkelings Maatschappij (ROM))

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 48

Het parkeerterrein wordt afgesloten middels een slagboom, maar zal zowel voor bewoners als bezoekers toegankelijk zijn. Het systeem dat hiervoor gehanteerd wordt (bijvoorbeeld het registreren van kentekens en/of het werken met een intercom) zal nog nader worden uitgewerkt. Uitgangspunt is echter dat het parkeerterrein te allen tijde voor zowel bewoners als bezoek van de bewoners toegankelijk is. Vervallen en vergroenen van parkeerplaatsen na monitoring De hiervoor berekende (maatgevende) parkeerbehoefte van 92 parkeerplaatsen zal naar verwachting in de praktijk lager uitvallen. Aanleiding voor deze aanname is de goede bereikbaarheid van de locatie met het openbaar vervoer, de specifieke doelgroep bestaande uit studenten en het relatief lage autobezit dat gepaard gaat met deze doelgroep. Naar verwachting zullen de studenten zich voornamelijk per fiets en OV naar de hogescholen en universiteiten in de omgeving verplaatsen. Voor het autobezit geldt het volgende. Ervan uitgaande dat in Capelle aan den IJssel circa 1 op de 10 studenten een eigen auto bezit en er een klein deel bezoekersparkeren nodig is, is een norm van 0,15 parkeerplaats per studentenwoning verdedigbaar. Een dergelijke parkeernorm wordt bijvoorbeeld ook inde schil van de binnenstad van Delft gehanteerd (Bron: Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Delft).

In Rotterdam wordt voor woningen < 40 m2 uitgegaan van een norm van 0,1 parkeerplaatsen per woning (Bron: Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018) en in Amsterdam geldt eenzelfde norm voor woningen tot 30 m2 (Bron: Nota Parkeernormen Auto 2017). Ondanks dat dit andere locaties zijn, is wel sprake van een vergelijkbare doelgroep. Een norm van 0,15 parkeerplaatsen per woning lijkt daarmee goed aan te sluiten bij de praktijk. Door Mees Ruimte & Milieu is een verkeer- en parkeren memo opgesteld, waarin nader op de parkeerbehoefte en lagere normering wordt ingegaan. Het memo is opgenomen in bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Op het moment dat wordt uitgegaan van een parkeernorm van 0,15 parkeerplaatsen per studentenkamer bedraagt de normatieve parkeerbehoefte 60 parkeerplaatsen voor de 400 studentenkamers (0,15 x 400 = 60). Rekening houdend met dubbelgebruik en de reductie die vanwege de ligging nabij het openbaar vervoer mag worden toegepast, zal dit zelfs nog minder zijn. Indien de lagere norm wordt gehanteerd, ontstaat de mogelijkheid om de projectlocatie extra te vergroenen. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat de toegepaste norm van 0,25 parkeerplaats per kamer weliswaar conform het gemeentelijk beleid is, maar gelet op voorgaande argumenten ook gezien kan worden als een worst-case variant.

Omdat de praktijk eerst zal moeten uitwijzen of de hierboven nader toegelichte lagere norm daadwerkelijk gerechtvaardigd is, maar het wel wenselijk is de locatie verder te vergroenen indien mogelijk, is in overleg met het bevoegd gezag het volgende overeengekomen: -

In de omgevingsvergunning wordt opgenomen dat initiatiefnemer een aantal parkeerplaatsen kan laten vervallen en daarvoor in de plaats de locatie verder kan vergroenen indien uit monitoring blijkt dat de parkeerbehoefte in de praktijk lager uitvalt. Hiervoor is noodzakelijk dat uit monitoring volgt dat sprake is van een parkeerdruk lager dan 80% in de ochtend, middag, avond en nacht. Monitoring dient vier keer per jaar, gelijkmatig over het jaar verspreid, plaats te vinden gedurende de ochtend, middag, avond en nacht. Verkeerd geparkeerde voertuigen dienen te worden meegeteld. De resultaten van de parkeerdrukmetingen worden schriftelijk vastgelegd, waarbij eveneens wordt vastgelegd hoeveel van het totaal aantal woningen/kamers op het moment van monitoring zijn verhuurd. Op basis van de getelde bezetting van het aantal parkeerplaatsen, wordt de parkeerdruk bepaald, voor elk van de hiervoor genoemde momenten. Indien niet alle kamers verhuurd zijn, vindt een correctie plaats naar het totale aantal kamers. De parkeerdruk wordt afgerond op een geheel getal. Indien blijkt dat sprake is van een parkeerdruk lager dan 80% op alle momenten, kan een verzoek worden gedaan tot het laten vervallen en vergroenen van een aantal parkeerplaatsen. Als gevolg van het laten vervallen en vergroenen van parkeerplaatsen mag de parkeerdruk in geen geval hoger zijn dan 80%.

Na het vervallen en vergroenen van parkeerplaatsen dient een te hoge parkeerdruk (= een parkeerdruk hoger dan 90%) te allen tijde te worden voorkomen.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 49

-

Is er sprake van een parkeerdruk die boven de 90% uitkomt, dan dient initiatiefnemer (op eerste verzoek van de gemeente) binnen een termijn van één maand extra parkeerplaatsen aan te leggen zodat de parkeerdruk daalt tot onder de 90%. Het totaal van 92 parkeerplaatsen kan echter niet worden overschreden.

Het laten vervallen en vergroenen van parkeerplaatsen is dus enkel mogelijk wanneer bovenstaande stappen zijn doorlopen en door het bevoegd gezag zijn goedgekeurd. Conclusie parkeren auto De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de aanleg van 92 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarmee wordt voldaan aan de maatgevende parkeerbehoefte. Wanneer conform het in overleg met de gemeente vastgestelde systeem van monitoring wordt gevolgd, kan de mogelijkheid ontstaan om een aantal parkeerplaatsen te laten vervallen en daarvoor in de plaats te vergroenen. Dit is enkel mogelijk indien de parkeerdruk lager is dan 80% en indien de gemeente het verzoek hiertoe goedkeurt. 4.10.2.2 Parkeren fiets In het gemeentelijk parkeerbeleid zijn fietsparkeernormen opgenomen. Voor studentenkamers geldt een norm van 1 per kamer en voor appartementen (zonder fietsenberging) geldt een norm van 0,5 – 1 per woning. De variant met studentenkamers is daarmee maatgevend voor de fietsparkeerbehoefte. Er is een minimale fietsparkeerbehoefte van 400 stallingsplaatsen (400 * 1). De fietsparkeerbehoefte dient geheel op eigen terrein te worden gerealiseerd, waarbij de behoefte voor bezoekers voorzien dient te worden in de openbare ruimte en de behoefte voor bewoners bij voorkeur inpandig.

Fietsparkeerbehoefte bezoekers In de gemeentelijke fietsparkeernormen is niet aangegeven of de fietsparkeernorm van minimaal 1 fietsparkeerplek per woning in- of exclusief bezoekersparkeren is. Door de gemeente is aangegeven dat aanvullend rekening moet worden gehouden met een parkeernorm voor bezoekers van minimaal 0,15 per woning (in totaal zou de norm dan uitkomen op 1,15 fietsparkeerplekken per woning). Dit leidt tot een behoefte aan 60 stallingsplekken voor bezoekers (0,15 x 400). De stallingsplekken dienen op eigen terrein in de openbare ruimte gerealiseerd te worden en dienen vrij toegankelijk te zijn. De voorgenomen ontwikkeling voorziet hierin. Fietsparkeerbehoefte bewoners Voor bewoners dienen minimaal 400 stallingsplaatsen voor fietsen te worden gerealiseerd(1 x 400). De stallingsplaatsen voor bewoners van de studentenkamers mogen conform het geldende bouwbesluit (2012) in een gemeenschappelijke fietsenberging worden gerealiseerd. De initiatiefnemer zorgt ervoor dat alle studentenkamers inpandig een stallingsplaats toegewezen krijgen. Inpandig wordt eveneens voldoende ruimte gerealiseerd voor het stallen van scooters.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10897207/1