CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

08.13 - technische vragen én antwoorden Rivium

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 23 juni 2026, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Omgevingsplanwijziging Rivium, MER en monitoring MER, actualisatie parkeernormen 2025 en Beeldkwaliteitsplan Rivium7.006 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1 alinea's met “breed”: 41

BEANTWOORDING TECHNISCHE VRAGEN OMGEVINGSPLAN RIVIUM FRACTIE D66 – Kiki Kersten en Jasper Hooijkaas 1. Wat betekent; Bestaande bomen blijven zo veel mogelijk behouden? Het uitgangspunt is dat bestaande bomen behouden blijven. Alleen wanneer dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de ontwikkeling of de inrichting van de openbare ruimte, kan het nodig zijn bomen te verwijderen. Op sommige plekken, zoals langs delen van de Rivium Boulevard (het deel ten noorden van de Rivium 1e straat), kan de aanpassing van de verkeersstructuur ertoe leiden dat niet alle bestaande bomen behouden kunnen blijven. 2. Wat gaat er met de grote platanen gebeuren op de Rivium Boulevard? In het huidige voorlopige (nog niet vastgestelde) ontwerp van de openbare ruimte wordt uitgegaan van behoud van deze bomen, voor zover dit ruimtelijk en technisch mogelijk is (met uitzondering van de platanen ten noorden van de Rivium 1e straat). Tijdens de bouw- en uitvoeringswerkzaamheden worden passende beschermingsmaatregelen getroffen om schade aan de te behouden bomen te voorkomen. 3.

Welke groennormen, schaduwnormen, boombehoud, waterberging en beheerkwaliteit worden juridisch of privaatrechtelijk afdwingbaar vastgelegd, en welke blijven alleen ontwerpambitie? Zie onderstaande regels uit het omgevingsplan: 9.4.1 Algemeen Op de in artikel 9.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functies worden gebouwd, met dien verstande dat: (…) d. voldaan wordt aan de beeldkwaliteit zoals vastgelegd in hoofdstuk 12 van het Beeldkwaliteitsplan plus; e. het vloerpeil is ten minste 0,21 m hoger dan het aangrenzende straatpeil. 9.4.6

Beoordelingsregel natuurinclusieve kwaliteit

Het bebouwen van de voor 'Ontwikkelveld' aangewezen gronden is slechts toegestaan als het ontwerp voor de inrichting van het (van het bouwwerk deel uitmakende) groene binnengebied ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - binnengebied' en het opgetilde maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - opgetild maaiveld', voldoet aan de regel dat het Q-team positief heeft geadviseerd dat de met het plan beoogde natuurinclusieve kwaliteit, zoals vastgelegd in paragraaf 8.2 van het Beeldkwaliteitsplan plus, wordt behaald. College van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies. 9.4.7 Beoordelingsregel klimaatadaptief bouwen a. Het bebouwen van de voor 'Ontwikkelveld' aangewezen gronden is slechts toegestaan als naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders middels een waterhuishoudkundig plan is aangetoond dat: 1. bij een bui 1:100 jaar op eigen terrein voorzien wordt in de opvang van minimaal 70 mm water per 1 m2 van de totale oppervlakte van het bouwvlak; 2. de hemelwaterberging zo wordt ontworpen en in stand wordt gehouden dat deze binnen 48 uur weer volledig beschikbaar is; b. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.7 sub a, geen waterbergingscapaciteit te realiseren; c.

De omgevingsvergunning als bedoeld onder b wordt alleen verleend als is aangetoond dat het

realiseren van de waterbergingscapaciteit redelijkerwijs niet mogelijk is. 22.12 Bezonning 22.12.1 Toepassingsbereik De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit. 22.12.2 Waarden bezonning Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit bouwwerk als bedoeld in artikel 22.12.1, dient aangetoond te worden dat er sprake is van een acceptabele bezonning zoals bepaald in paragraaf 7.2.1 van het Beeldkwaliteitsplan plus.

4. Kan worden aangegeven welke onderdelen uit het BKP+ juridisch zijn geborgd in het omgevingsplan of andere bindende afspraken, en welke onderdelen als ontwerpambitie of richtlijn gelden? In het omgevingsplan wordt direct verwezen naar bezonningsnormen, windnormen, natuurinclusieve kwaliteit en naar de klassieke functie van een BKP zoals in hoofdstuk 12 opgenomen: redelijke eisen van welstand (zie ook beantwoording hierboven). De overige onderdelen zijn minder ‘hard’ en vormen een leidraad voor de ontwikkeling van de blokken en inrichting van de openbare ruimte. Daarnaast vormt het BKP een belangrijk toetsingskader voor de beoordeling van toekomstige initiatieven in fase 2.

• •

•

• •

5. Kan een overzicht gegeven worden waarin uiteen wordt gezet hoe MER Rivium 3.0 afwijkt van de 2.0 versie? Zo nee, waarom niet? Het MER 3.0 is geactualiseerd op basis van de ingevoerde Omgevingswet (nieuwe beleidskaders, andere beoordelingskaders voor geluid, etc.) In het MER 3.0 zijn de opmerkingen voortkomend uit het vooroverleg met adviesorganen en DCMR verwerkt (het MER 2.0 was met het voorontwerp bestemmingsplan gebruikt voor dit vooroverleg) In het MER 3.0 is invulling gegeven aan de verzoeken van de wijkraad Kralingseveer en de klankbordgroep (KBG) om het verkeersonderzoek op 2 fundamentele zaken te verbeteren: o in verband met leegstand is nu uitgegaan van een meer realistische referentiesituatie (in plaats van wat maximaal planologisch mogelijk is). o de resultaten van de proef met een tijdelijke knip in de Rivium Boulevard (tijdelijke wegafsluiting) zijn verwerkt in de verkeersanalyses. In het MER 3.0 is het definitieve voorkeursalternatief, zoals dat in het omgevingsplan wordt verankerd, opgenomen. In het MER 3.0 is een nieuw referentiejaar gehanteerd dat verder in de toekomst ligt (vanwege de langere duur van de planvoorbereiding).

6. Wat betekent dat huisartsenzorg mogelijk wordt gemaakt? De omgevingsplanwijziging maakt het mogelijk om huisartsenzorg en andere maatschappelijke voorzieningen binnen het gebied te vestigen. Huisartsenzorg valt binnen de functie maatschappelijke voorzieningen. Om ervoor te zorgen dat hiervoor daadwerkelijk ruimte beschikbaar komt, is niet alleen een maximaal oppervlak van 4.000 m² toegestaan, maar is ook privaatrechtelijk vastgelegd dat minimaal 2.175 m² maatschappelijke voorzieningen wordt gerealiseerd, exclusief de basisschool. Hiermee wordt geborgd dat maatschappelijke functies een volwaardige plek krijgen binnen de ontwikkeling en wordt ruimte gecreëerd voor voorzieningen die passen bij de groei van het gebied en de behoeften van toekomstige bewoners en gebruikers.

7. Is binnen het programma van Rivium specifieke ruimte gereserveerd voor eerstelijnszorg, waaronder huisartsenpraktijken, en zo nee, waarom is ervoor gekozen dit niet vooraf ruimtelijk te borgen? Zie de beantwoording van vraag 6

8. Op welke wijze wordt voorkomen dat geschikte locaties voor huisartsenpraktijken en andere eerstelijnszorgvoorzieningen gedurende de gebiedsontwikkeling worden ingevuld door andere functies, waardoor vestiging van zorgvoorzieningen op een later moment wordt bemoeilijkt? Zie de beantwoording van vraag 6 9. Welke concrete speel-, sport-, wandel- en verblijfsplekken worden gerealiseerd en zijn deze ook toegankelijk voor Fascinatio, Kralingseveer en Capelle-West? Rivium wordt ingericht als een voetgangers- en fietsvriendelijk gebied met veel ruimte voor verblijf, ontmoeting en recreatie. De Rivium Boulevard wordt grotendeels autovrij. Het noordelijke deel krijgt de uitstraling van een levendig stadsplein met ruimte voor verblijf en ontmoeting. Het zuidelijke deel wordt in een latere fase ontwikkeld en krijgt een meer parkachtige inrichting, met ruimte voor wandelen, verblijven en groenbeleving. Daarnaast is budget gereserveerd om, in overleg met de gemeente Rotterdam en bewoners van Kralingseveer, het park Kralingseveer te verbeteren. Daarbij wordt ook gekeken naar mogelijkheden voor speel- en sportvoorzieningen. De ontwikkeling van Rivium is niet alleen gericht op toekomstige bewoners en gebruikers van het gebied, maar draagt ook bij aan de kwaliteit van de openbare ruimte voor omliggende wijken. 10.

Komt er vóór oplevering van de eerste woningen een nulmeting parkeerdruk in Fascinatio, ’s-Gravenland, Capelle-West en rond de Waterbus, en welke maatregelen liggen klaar als overloopparkeren ontstaat? Zo nee, waarom niet? Ja, zowel met betrekking tot parkeren als verkeersintensiteiten gaat er monitoring plaatsvinden om de effecten van de ontwikkeling op parkeren en (wijzigingen in) verkeersstromen in beeld te brengen. Voorafgaand aan de ontwikkeling van de eerste blokken vindt er een nul-meting plaats, zowel in Rivium zelf als in de omliggende wijken. De parkeernormen voor Rivium zijn relatief laag vergeleken met de rest van Capelle, maar zijn ook in lijn met de parkeernormen die andere stedelijke gemeenten hanteren voor sterk stedelijk gebieden. Bovendien vallen de normen voor Rivium in veel gevallen binnen de bandbreedtes zoals die zijn opgenomen in de meest actuele CROW-publicatie Parkeerkentallen. Het is dus niet zo dat we op voorhand een tekort creëren. Als onderdeel van de verdere planuitwerking moeten de ontwikkelaars uitwerken hoe ze de parkeeropgave inpassen en organiseren, dusdanig dat zo goed mogelijk wordt aangesloten bij de parkeerbehoefte. Er liggen geen ‘maatregelen op voorhand klaar’ voor het geval er overloopparkeren ontstaat. Daar is op basis van bovenstaande geen aanleiding toe.

Als monitoring wel aanleiding geeft, is het logisch om op dat moment, op basis van de optredende effecten en oorzaken en omstandigheden de best passende maatregelen te bepalen. We kunnen daarbij niet uitsluiten dat er op termijn sprake is van noodzakelijke parkeerregulering in omliggende wijken. Dit is ook al eerder in het door uw Raad vastgestelde Gebiedspaspoort 2.0 aangegeven. Het invoeren van

een vorm van parkeerregulering kan juist ook in het belang van de wijkbewoners zelf zijn, om parkeeroverloop en -overlast te voorkomen. Daar zal uiteraard altijd een zorgvuldige onderbouwing, bewonersbetrokkenheid en een zorgvuldig bestuurlijk proces voor worden doorlopen. 11. In de stukken wordt verwezen naar geactualiseerde verkeersonderzoeken en verkeersmodellen. Kan worden aangegeven in welke bijlagen de verkeersintensiteiten per wegvak en kruispunt zijn opgenomen? En kan dit worden gedeeld? Zo nee, waarom niet? In alinea 5.2. van bijlage 3.3. bij het raadsvoorstel staan de verkeerseffecten op hoofdlijn beschreven. In tabel 5.1. van deze bijlage staan de samenvatting van de verkeerskundige effecten op de verschillende wegen in en om Rivium. In bijlage 3.4 bij het raadsvoorstel zijn de achterliggende onderzoeken opgenomen. Daaronder ook de uitgebreide verkeerskundige onderzoeken met daarin de uitkomsten van de verkeersmodelberekeningen. In bijlage 6 (MER bijlage 2; pagina 363 en verder) en bijlage 33 (pagina 1483 en verder) zijn de betreffende gegevens opgenomen.

12. Hoeveel openbare fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de ParkShuttlehaltes, het Marktplein, Maasplein, Waterbus en andere publieke voorzieningen? Dit is onderdeel van het nog uit te werken ontwerp openbare ruimte. Hoogwaardig openbaar vervoer en goede fietsvoorzieningen zijn belangrijke pijlers onder de mobiliteitsaanpak voor Rivium. Daarmee is de inzet voor het ontwerp openbare ruimte voldoende en goede fietsenstallingsvoorzieningen bij OV-haltes, op centrale plaatsen en bij voorzieningen. 13. Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt met de gemeente Rotterdam over de inrichting en ontwikkeling van het Toepad en de recreatieve groenstrook richting Kralingse Veer, en welke onderdelen zijn daarbij bestuurlijk of juridisch vastgelegd? Met betrekking tot het Toepad: deze is onderdeel van de ontsluitingsstructuur van Rivium. Er zijn verschillende ontwikkelingen die gevolgen hebben op het verkeersbeeld op het Toepad: de ontwikkeling van Rivium, maar ook project Algeracorridor en de afkoppeling Nijverheidsstraat, woningbouw in De Esch en de nieuwe stadsbrug in Rotterdam. In de afspraken met Rotterdam wordt het belang van het Toepad voor de ontsluiting van Rivium onderkend en het Toepad is onderdeel van de monitoring. Ontwikkelingen kunnen aanleiding geven tot een andere functie of inrichting van het Toepad, daarover treden Rotterdam en Capelle indien nodig in overleg.

Wij hebben budget gereserveerd voor een upgrade van park Kralingseveer, dit moet nog nader worden uitgewerkt. Met de gemeente Rotterdam is afgesproken dat de bewoners van Kralingseveer hier actief bij betrokken worden.

14. Kunnen deze afspraken worden gedeeld met de raad? Zo nee, waarom niet? Als u de Samenwerkingsovereenkomst die wij met de gemeente Rotterdam hebben afgesloten wilt inzien, kunt u hier een afspraak voor maken. 15. Is onderzocht welke effecten de volledige ontwikkeling van Rivium heeft op de capaciteit van bestaande gemeentelijke voorzieningen, waaronder sportaccommodaties, bibliotheekvoorzieningen, recreatiegebieden en eerstelijnszorg? Zo nee, waarom niet?

Ten tijde van het gebiedspaspoort 2.0 is de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen van de bewoners van de wijk onderzocht. Aan de hand hiervan is de onder punt 6 benoemde maatschappelijke minimale m2 nader in te vullen maatschappelijke voorzieningen bepaald. Wat voor effecten dit heeft op gemeentebrede maatschappelijke voorzieningen is niet onderzocht. Verder is hier aandacht aan besteed in de laddertoets (bijlage 1 bij de motivering van de omgevingsplanwijziging) waarbij ten aanzien van maatschappelijke voorzieningen het volgende is geconcludeerd: Maatschappelijke voorzieningen maken een belangrijk onderdeel uit van een compleet voorzieningenaanbod van een ge mengde stadswijk. Voor de bewoners van Capelle is het van belang dat voorzieningen op een aanvaardbare afstand te be reiken zijn. Voor een vitale wijk is er behoefte aan een huis van de wijk, zorg- en welzijnsvoorzieningen. Gelet op de groei van het aantal bewoners in Rivium, en daarbij ook kinderen, is er ook behoefte aan onderwijsvoorzieningen en kinderop vang.

16. Op basis van welke analyse wordt aangenomen dat de ontwikkeling van Rivium niet leidt tot een relevante extra vraag naar bestaande stedelijke voorzieningen in Capelle, zoals sportvoorzieningen, zwembadvoorzieningen, bibliotheekvoorzieningen en winkelvoorzieningen? Zie beantwoording vraag 15 Parkeren en waterbedeffect. 17. Op welke wijze zijn de effecten van uitwijk parkeren naar omliggende wijken zoals Fascinatio, Kralingseveer en Capelle-West onderzocht? Zijn hiervoor afzonderlijke parkeerdrukanalyses of verkeersmodellen opgesteld en zo ja, kunnen deze met de raad worden gedeeld? Zie ook het antwoord op vraag 10. Er zijn parkeernormen voor Rivium, door de raad vastgesteld en ieder initiatief in Rivium moet daaraan voldoen en voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor auto en fiets. Parkeernormen zijn lager dan in de rest van Capelle maar zijn ook in lijn met de parkeernormen die andere stedelijke gemeenten hanteren voor sterk stedelijk gebieden. Bovendien vallen de normen voor Rivium in veel gevallen binnen de bandbreedtes zoals die zijn opgenomen in de meest actuele CROW-publicatie Parkeerkentallen. Er zijn geen ‘parkeerdrukanalyses’ of verkeermodellen opgesteld voor mogelijke overloop van parkeren naar omliggende gebieden.

Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 10: de parkeerdruk in de omliggende wijken en de mogelijke effecten hier als gevolg van de ontwikkeling van Rivium is onderdeel van de monitoring. 18. Zijn de verkeers- en parkeerprognoses gebaseerd op de aanname dat parkeren voor bewoners en bezoekers betaald wordt? Zo ja: welke tarieven zijn daarbij gehanteerd? ; welke invloed hebben deze tarieven op het verwachte autobezit en parkeergedrag?; zijn alternatieve scenario’s onderzocht? In de MER en de doorrekening van het VKA (voorkeursalternatief) zijn twee scenario’s doorgerekend: VKA Laag dat uitgaat van een succesvolle mobiliteitsaanpak (groter aandeel OV en fiets) en VKA Hoog dat ervan uitgaat dat de mobiliteitsaanpak niet of minder goed werkt. Daarbij is er niet specifiek vanuit gegaan dat er betaald parkeren wordt ingevoerd. Dit is in het gehanteerde regionale verkeersmodel geen parameter.

19. Wie bepaalt uiteindelijk de tarieven voor bewoners- en bezoekers parkeren in Rivium: de gemeente, de ontwikkelaar, de exploitant van de parkeervoorzieningen of een VvE? Hier zijn geen afspraken over gemaakt. Met de nu voorliggende planologische kaders en de Nota Parkeernormen, liggen de kaders vast voor de ontwikkeling. Binnen de kaders moeten ontwikkelaars hun plannen verder uitwerken en aan de gemeente voorleggen. Dat geldt ook voor de wijze waarop het parkeren wordt georganiseerd en ingeregeld. Prijsstelling, toegankelijkheid en gebruik door de verschillende gebruikersgroepen etc., zijn onderdeel van die verdere uitwerking. ParkShuttle 20. Welke gevolgen heeft de verwachte hogere frequentie van de ParkShuttle voor: de wachttijden bij de overgangen in Fascinatio? de verkeersdoorstroming; o de bereikbaarheid voor hulpdiensten? en de bereikbaarheid van de wijk tijdens piekmomenten? Er zijn twee overgangen/overwegen in Fascinatio. De overgang ter hoogte van het Solisplein bij de Parkshuttle-halte betreft alleen een overgang voor langzaam verkeer. Dit is een zeer rustige oversteek voor fietsers en voetgangers. Verder naar het noorden ligt de gelijkvloerse kruising van de Parkshuttle met de Fascinatio Boulevard (autoverkeer en langzaam verkeer). We verwachten geen negatieve effecten van een verhoging van de frequentie van de Parkshuttle op deze overwegen.

Dit deel van de Fascinatio Boulevard is een naar verhouding rustig wegvak met relatief lage verkeersintensiteiten. Bij een sluiting van de slagbomen bouwen er zeer korte wachtrijen op die bij opening van de slagbomen direct weer kunnen afrijden. Dit zal niet veranderen als de shuttle vaker gaat rijden: het aantal sluitingen neemt dan wel toe, maar na iedere sluiting en opening kan een eventuele korte wachtrij snel weer afrijden. 21. Welke uitbreidingsmogelijkheden zijn nog beschikbaar voor de ParkShuttle indien de reizigersgroei hoger uitvalt dan verwacht? Welke maatregelen zijn voorzien wanneer de maximale capaciteit van het huidige systeem wordt bereikt? Met de ontwikkeling van Rivium moet de Parkshuttle gaan ‘meegroeien’ om de toenemende vervoersvraag goed te kunnen opvangen. Dat heeft betrekking op de operatietijden (van nu alleen op werkdagen van 06.00 tot 21.00 naar zeven dagen per week en ruimere tijden) en op de capaciteit. Het huidige aanbod heeft nog genoeg restcapaciteit. Als de woningen worden opgeleverd en er meer gebruikers komen, zal die capaciteit steeds meer worden benut, tot het moment dat de capaciteit omhoog moet om in de vraag te kunnen voorzien. De gemeente heeft op dit moment de aanbesteding lopen voor een studie naar de ‘doorgroei’ van de Parkshuttle:.

Die studie moet antwoord geven op de vraag hoe het systeem moet doorgroeien met de ontwikkeling van Rivium de komende jaren. Daarbij wordt ook gekeken naar wat de maximale capaciteit is het van het systeem, of en wanneer die wordt bereikt en welke alternatieven er dan zijn. Deze studie gaat de komende periode starten. Short stay 22. Op welke wijze wordt gecontroleerd dat de maximale verblijfsduur van zes maanden voor short-stay woningen niet wordt overschreden? Dit is aan de (ver)huurder. Op het moment dat er een short stay-contract is afgesloten maar feitelijk sprake is van reguliere verhuur kan een huurder naar de huurcommissie. Daarnaast kan op basis van de bepalingen uit het omgevingsplan handhavend worden opgetreden als hier aanleiding toe is.

23. Welke handhavingsinstrumenten zijn beschikbaar wanneer short-stay woningen in de praktijk worden gebruikt voor langdurige of feitelijk permanente bewoning? Short-stay is binnen het omgevingsplan uitsluitend toegestaan voor tijdelijk verblijf en kent een eigen begripsomschrijving. Wanneer uit toezicht blijkt dat woningen feitelijk worden gebruikt voor langdurige of permanente bewoning, is geen sprake meer van short-stay zoals bedoeld in het omgevingsplan. "Of sprake is van een overtreding wordt altijd beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie en de definitie van short-stay zoals opgenomen in het omgevingsplan. 24. Op basis van welke analyse is vastgesteld dat circa 500 short-stay woningen passen binnen de beoogde sociale structuur van Rivium? Zijn de mogelijke effecten op sociale cohesie, leefbaarheid en wijkbinding onderzocht? Logistiek, bevoorrading en pakketdiensten? Er is geen afzonderlijk onderzoek uitgevoerd naar de effecten van short-stay op sociale cohesie, leefbaarheid of wijkbinding in Rivium. De keuze om ruimte te bieden aan short-stay is gemaakt vanuit de programmatische ambitie om in Rivium een gemengd stedelijk gebied te ontwikkelen, met ruimte voor verschillende doelgroepen en woonvormen. De circa 500 short-stay eenheden maken onderdeel uit van het totale programma en komen niet in de plaats van reguliere woningen.

Het merendeel van het woonprogramma bestaat uit reguliere woningen voor permanente bewoning. Short-stay is bedoeld voor mensen die tijdelijk in de regio verblijven, bijvoorbeeld vanwege werk, studie of een projectmatige opdracht. Bij de afweging is rekening gehouden met de ligging van Rivium nabij Brainpark en universiteitscampus en de behoefte aan tijdelijke verblijfsmogelijkheden in de regio. Daarnaast kunnen tijdelijke bewoners bijdragen aan het draagvlak voor voorzieningen, horeca en andere functies in het gebied. 25. Hoeveel logistieke voertuigbewegingen per etmaal worden verwacht bij volledige ontwikkeling van Rivium, inclusief pakketdiensten, boodschappenbezorging, thuiszorg, onderhoudsbedrijven, verhuisdiensten, afvalinzameling en bevoorrading van winkels en horeca? De verkeersbewegingen van de genoemde functies zijn onderdeel van c.q. zitten in de verkeersprognoses die zijn opgesteld en zoals in de verkeersonderzoeken zijn beschreven. Kleine voertuigen zoals bestelbusjes zitten in dezelfde categorie als personenauto’s. Hier wordt dus in het verkeersmodel niet apart rekening mee gehouden. Voor grotere en zwaardere voertuigen (bakwagen, vrachtwagens etc.) geldt dat in het model een percentage van 3,4% is aangehouden van de berekende verkeersintensiteiten. 26.

Op welke wijze is in het ontwerp rekening gehouden met de dagelijkse pakketbezorging door onder meer PostNL, DHL, DPD, UPS, boodschappenbezorgers en maaltijdbezorgers? Voor kleine voertuigen (bestelbusjes) die kort stoppen voor pakketbezorging is ruimte opgenomen in het nieuwe profiel van de straten van Rivium. Deze zullen uiteraard niet in een parkeergarage gaan staan. Voor groot logistiek verkeer, zoals de bevoorrading van de supermarkt, geldt dat dit moet worden opgelost en ingepast in het ontwerp van het betreffende bouwblok. 27. Komen er centrale pakketpunten, pakketkluizen, logistieke hubs of andere voorzieningen om te voorkomen dat pakketdiensten voortdurend door de autoluwe delen van Rivium rijden?

Ook hier geldt: wat nu voorligt met het Omgevingsplan is het planologische kader voor de ontwikkeling van Rivium. Dat is nog geen ontwerp of uitgewerkt plan. Pakketkluizen/pakketkluizen/logistieke hubs zijn onderdeel van de verdere uitwerking. Gemeente is hier voorstander van want, zoals u terecht aangeeft, biedt dit een voorziening voor de nieuwe bewoners en vermijdt dit ritten door de wijk. Wij zullen hier dus een positieve grondhouding in hebben in de verdere planuitwerking. Overigens: alle bouwblokken zijn gelegen aan en ontsloten op de ontsluitende stratenstructuur van Rivium. Logistieke diensten hoeven dus voor het bereiken van adressen in Rivium niet per definitie door ‘autoluwe delen te rijden’.

28. Hoe wordt de toegang geregeld voor pakketdiensten, zorgverleners, onderhoudsbedrijven, verhuisdiensten en leveranciers? Wordt gewerkt met kentekenherkenning, toegangspassen, venstertijden, pollers of een andere vorm van toegangsbeheer? Zie ook het antwoord op de vorige vraag: de bouwblokken van Rivium worden ontsloten via een noordelijke en zuidelijke ontsluitende lus. Zie figuur 5.4 op pagina 56 van bijlage 3.3. (de motivering bij het Omgevingsplan). Bouwblokken, parkeergarages en adressen zijn via deze straten ontsloten en bereikbaar. Dit zijn openbare wegen. Er is dus geen sprake van noodzakelijke selectieve toegang. 29. Zijn logistieke verkeersbewegingen van pakket- en bezorgdiensten afzonderlijk meegenomen in de verkeersmodellen? Zo nee, waarom niet? Zie ook het antwoord op vraag 25: alle verkeersbewegingen die samenhangen met de ontwikkeling van Rivium zitten in de berekende verkeersintensiteiten voor de nieuwe situatie, zoals die in de rapportages zijn opgenomen. Voor bestelbusjes geldt dat deze in de categorie licht verkeer vallen, net als personenauto’s. Voor grotere en zwaardere voertuigen geldt dat dit een bepaald percentage van de totale hoeveelheid verkeer betreft. Hiermee is dus in de verkeersmodellen rekening gehouden. 30.

Hoe wordt voorkomen dat de autoluwe Rivium Boulevard in de praktijk een route wordt met voortdurend bestel- en vrachtverkeer? Zie ook het antwoord op vraag 28 en ook de motivatie bij het Omgevingsplan waarin wordt ingegaan op de ontsluiting in de nieuwe situatie. De wegenstructuur van Rivium wordt in de nieuwe situatie aangepast. De Rivium Boulevard wordt ‘geknipt’ en verliest zijn huidige functie als verkeersstraat. Het noordelijke deel van de Rivium Boulevard wordt het nieuwe centrale plein van de nieuwe wijk, het zuidelijke deel krijgt een parkfunctie. Onderdeel van deze nieuwe structuur zijn ook twee ‘ontsluitende lussen’: een noordelijke en een zuidelijke lus. Alle bouwblokken zijn via deze lussen ontsloten. Daarmee kan er geen doorgaand verkeer meer door de wijk rijden, vervalt de verkeersfunctie van de Rivium Boulevard tussen de Rivium 1e Straat en Rivium 4e Straat en zijn wel alle bouwblokken bereikbaar zonder dat gebruik van de Rivium Boulevard nodig is. Participatie en zienswijzen 31.

Kan het college per hoofdthema — parkeren, bereikbaarheid, ParkShuttle, voorzieningen, logistiek en leefbaarheid — aangeven welke aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen daadwerkelijk in het voorstel zijn verwerkt en welke punten zijn doorgeschoven naar monitoring, evaluatie of nadere uitwerking na realisatie van de wijk? Zienswijzen zijn beoordeeld op hun relevantie voor het omgevingsplan en de daarbij behorende onderzoeken. Waar dat aanleiding gaf, zijn aanpassingen doorgevoerd in het plan of de onderliggende stukken. Andere onderwerpen hebben betrekking op de verdere uitwerking van de ontwikkeling en worden in de daarvoor bestemde vervolgfasen opgepakt.

Niet alle onderwerpen worden echter in een omgevingsplan geregeld. Sommige aspecten worden in een latere fase verder uitgewerkt, bijvoorbeeld bij het opstellen van de definitieve ontwerpen voor gebouwen en openbare ruimte of tijdens de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden. Dit betreft geen openstaande beleidsmatige afwegingen, maar de nadere uitwerking van het vastgestelde kader. In de Nota van Beantwoording zienswijzen is per zienswijze aangegeven hoe deze is beoordeeld. In de laatste kolom is opgenomen of een zienswijze aanleiding heeft gegeven tot een aanpassing van het plan of de onderliggende stukken en, zo ja, welke aanpassing is doorgevoerd. 32. Klopt het dat een aanzienlijk deel van de beantwoording van zienswijzen bestaat uit monitoring, evaluatie of nadere uitwerking na realisatie van de wijk? Zo ja, welke onderwerpen betreft dit en waarom zijn hiervoor geen voorafgaande waarborgen of concrete maatregelen opgenomen? Nee dat klopt niet. Naar monitoring wordt in de nota van beantwoording slechts verwezen als het gaat over verkeer en bouwoverlast. Zie de beantwoording van vraag 10 voor een toelichting op monitoring op verkeer. Monitoring wordt toegepast om onvoorziene situaties in beeld te krijgen, het is niet realistisch om oplossingen te bedenken voor onvoorziene maatregelen.

CDA – Nico van Buren Gezondheid en geluid. 32. Het college staat toe dat woningen te maken gaan hebben met structurele overschrijding van WHO-advieswaarden en het gebruik van “hogere waarden”. Wat betekent dat voor de juridische positie die toekomstige inwoners hebben als zij die overschrijdingen juridisch gaan aanvechten, zeker als er iets in de ruimtelijke39. context van het Rivium gaat veranderen? De WHO-advieswaarden hebben geen juridisch bindende status. Om de gezondheid van mens en natuur te beschermen zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese normen zijn mede gebaseerd op de WHO-advieswaarden. De EU-normen zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in Nederlandse wetgeving. Vanaf 2030 gelden strengere Europese normen. Bij een (dreigende) overschrijding van de nieuwe normen is de overheid verplicht een programma op te stellen met daarin maatregelen voor verbetering van de luchtkwaliteit. Voor rijksomgevingswaarden is dit meestal de gemeente (artikel 3.10 lid 1 Omgevingswet). Dat programma geeft toekomstige bewoners wel een juridisch aanknopingspunt. Hogere waarden zijn belangrijk om de toekomstige bewoners te beschermen binnen in hun woning. Als het geluid voldoet aan de geluidsnorm (de standaardwaarde), dan biedt een standaardgevel voldoende geluidwering om te zorgen dat er aan de binnenwaarden wordt voldaan.

Door te berekenen hoeveel hoger de geluidswaarden aan de buitenkant zijn, kunnen we bepalen welke gevelmaatregelen noodzakelijk zijn. Om de toename van geluid te beheersen, is elke gemeente wettelijk verplicht om te monitoren. In de basisgeluidemissie leggen we het referentieniveau (nul-situatie) vast voor geluid van lokale wegen en spoorwegen (metro). In de jaren daarna bewaken (monitoren) we

de verandering van geluid ten opzichte van de referentie. Bij een significante toename moeten we maatregelen overwegen. Dit is een nieuw instrument sinds de Omgevingswet en biedt zowel huidige als toekomstige bewoners een nieuw juridisch haakje. In beide gevallen is het juridisch aanvechten eigenlijk alleen aan de orde als wij als gemeente, onze wettelijke verplichtingen niet nakomen. 33. Een te verwachten verandering: zo is te voorzien dat met de toename aan woningen in de directe omgeving, aan de oostflank van Rotterdam en in Capelle aan den IJssel, en veel bredere regio, het verkeer op de A16 en de Abram van Rijckevorsselweg alleen maar zal toenemen, wat uiteindelijk ook gaat leiden tot een andere belasting van het Rivium. Verdiepende subvragen: Hoeveel woningen voldoen níet aan WHO-richtlijnen? Hoeveel woningen hebben géén volledige geluidluwe gevel? De toename van woningen rondom Rivium heeft inderdaad gevolgen op het wegennet, en daarmee ook op het geluid en de luchtkwaliteit in Rivium. In het Milieu Effect Rapport (MER) zijn deze grote (zover bekende) ontwikkelingen meegenomen in de afweging van het voorkeursalternatief en in het bepalen van noodzakelijke maatregelen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. We kunnen op dit moment niet aangeven hoeveel woningen (in Rivium) er wel of niet gaan voldoen aan de nieuwe EU-normen (2030).

Capelle ligt in een aandachtsgebied voor fijnstof en stikstof daarom monitoren we jaarlijkse de luchtkwaliteit (www.cimlk.nl). Als we de resultaten van de laatste berekening toetsen aan de nieuwe EU-normen voor 2030 dan voldoen we overal aan de norm voor fijnstof, maar in grote delen van Capelle wordt nog niet voldaan aan de norm voor stikstof. Het is nog te vroeg om hier al bindende conclusies over te trekken omdat er op allerlei niveaus wordt gewerkt aan verbetering van de luchtkwaliteit, denk aan schonere industrieën, elektrische auto's, houtstookcampagnes. Geur AWZI 34. Welke concrete garanties zijn er dat de geurbelasting van de AWZI structureel onder de norm van 0,5 ouE/m³ blijft, en wat gebeurt bij overschrijding? Verdiepende subvraag Welke sancties of maatregelen zijn juridisch afdwingbaar bij overschrijding? Wij hebben met Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK), de exploitant van de AWZI een samenwerkingsovereenkomst afgesloten waarin wij hebben afgesproken dat zij diverse maatregelen nemen om de geurcontour te beperken. Denk hierbij aan beluchtingsinstallaties en afdekken van bassins. De geurcontour van 0,5 ouE/m3 wordt vastgelegd in de vernieuwde omgevingsvergunning milieu voor de AWZI. Binnen deze contour mogen geen geurgevoelige bestemmingen liggen, tenzij er maatregelen aan deze gebouwen worden genomen.

In het omgevingsplan zijn 2 milieuzones-Geur opgenomen. In milieuzone=Geur 1 zijn geurgevoelige bestemmingen niet toegestaan. In milieuzone-Geur 2 zijn geurgevoelige bestemmingen wel toegestaan, mits maatregelen tegen geurhinder genomen worden. Indien de geurhinder buiten de vastgelegde contour en zones overschreden wordt, kan handhavend opgetreden worden richting HHSK.

Mobiliteit (Robuustheid) 35. Wat gebeurt er als de mobiliteitsstrategie (30% reductie autogebruik) niet wordt gehaald? Verdiepende subvragen Welke fallback-scenario’s zijn doorgerekend? Wat is het effect bij “worst-case” (geen gedragsverandering)? In de MER en de doorrekening van het VKA (voorkeursalternatief) zijn twee scenario’s doorgerekend: scenario VKA Laag dat uitgaat van een succesvolle mobiliteitsaanpak (groter aandeel OV en fiets) en VKA Hoog dat ervan uitgaat dat de mobiliteitsaanpak niet of minder goed werkt. De berekeningen, noodzakelijk kruispuntaanpassingen en toets op doorstroming en bereikbaarheid zijn uitgevoerd uitgaande van ‘ VKA Hoog’. Ook in dit geval is er sprake van een ‘werkend verkeerssysteem’. Er is dus feitelijk gerekend met een ‘worst case’ scenario en in andere gevallen (VKA Laag) is het aandeel fiets en OV hoger en het autogebruik lager en zijn verkeersintensiteiten lager. Parkeren/ overloop 36. Hoe wordt voorkomen dat parkeerdruk zich verplaatst naar omliggende wijken zoals Fascinatio en Kralingseveer? Verdiepende subvraag Welke maatregelen treden automatisch in werking bij overschrijding? Zie het antwoord op vraag 10. Monitoring en bijsturing. 37. In het omgevingsplan wordt op vele plekken geschreven over monitoring.

Hoe worden de te meten normen bewaakt? En welke concrete drempelwaarden (KPI’s) leiden tot verplicht ingrijpen door het college? Verdiepende subvraag Welke indicatoren zijn juridisch bindend en welke informatief? Het MER heeft een breed palet van milieueffecten en doelbereik in beeld gebracht. Die worden niet allemaal gemonitord. In het Monitoring Effect Plan (MEP) staat beschreven welke onderwerpen worden bewaakt. Het gaat om verkeer en parkeren, geluid, geur, gebouwhinder, natuur en duurzaamheid. In de factsheets (blz. 2315 en verder) is daarna per onderwerp uitgewerkt welke indicatoren relevant zijn, op welke manier daarover gegevens worden verzameld, en wanneer het van belang is (trigger) om bij te sturen. Dit verschilt per onderwerp, bij verkeer worden bijvoorbeeld tellingen gebruikt, bij geluid modelberekeningen en metingen. Overigens kan conform het monitoringsplan de monitoring in de loop van de tijd wel wijzigen. Nieuwe onderwerpen die in de loop der tijd aan relevantie winnen kunnen worden toegevoegd. Bestaande onderwerpen kunnen komen te vervallen als uit evaluatie blijkt dat dit niet langer kan bijdragen aan de sturing van de gebiedsontwikkeling, als de (kosten)efficiëntie van de onderzoeksmethoden onvoldoende zijn of als de mogelijkheden om negatieve effecten te verhelpen niet realistisch zijn. Voorzieningen. 38.

Vanuit de CDA fractie zijn in de afgelopen jaren meerdere vragen gesteld over voorzieningen op Rivium. Die eerder uitgesproken zorg blijft. Hoe wordt geborgd dat voorzieningen (school, zorg, supermarkt) tijdig gerealiseerd worden en niet achterblijven bij woningbouw? De basisschool wordt door de gemeente gerealiseerd, hier hoeven dus geen afspraken met de marktpartijen worden gemaakt. In vrijwel ieder blok moeten maatschappelijke

voorzieningen worden gerealiseerd, dit loopt dus synchroon aan de hoeveelheid nieuwe bewoners. De supermarkt en andere winkels komen met name in blok 3, zolang blok 3 niet gerealiseerd is, zullen nieuwe wijkbewoners elders hun boodschappen moeten doen. Sociale balans/woningbouwprogramma 39. Al jaren is duidelijk dat binnen de gemaakte afspraken het percentage sociale huur straks op Rivium lager ligt dan de gemeentelijke beleidsambitie. Nu zal deze gemeentelijke beleidsambitie bereikt moeten worden door in de overige woningbouwplannen in te zetten op hogere percentages sociale huur. Wat gaat dat doen voor de haalbaarheid van die overige woningbouwplannen? In het Programma Wonen 2024-2028 is opgenomen dat gemiddeld minimaal 30% van het woningbouwprogramma bestaat uit sociale huurwoningen. Dit gemiddelde van minimaal 30% geldt voor projecten die eerder nu nog niet waren opgenomen in de Woningbouwplanning. We vragen niet meer dan 30%, als een ontwikkelaar of eigenaar meer sociale huurwoningen wil realiseren, is het mogelijk een bijdrage te ontvangen uit de Vereveningsreserve. Hoewel het percentage van 30% sociaal in nieuwe projecten leidend is, houden we ruimte voor maatwerk zodat per project een afweging gemaakt kan worden. 40. Het CDA spreekt liever van het bouwen aan gemeenschappen, wanneer het gaat over woningbouw.

Het woningbouwprogramma is een eerste wijze waarmee gestuurd kan worden op een evenwichtige samenstelling. Welke inschattingen worden binnen het College gemaakt op de sociale dynamiek die het huidige voorgestelde woningbouwprogramma met zich meebrengt, zeker wanneer het gaat om short stay? In Rivium wordt een gedifferentieerd woningaanbod (met verschillen qua koop/huur, prijsklasse en grootte) gerealiseerd. Met een relatief hoog aandeel middenhuurwoningen in het programma biedt het gebied mogelijkheden voor middeninkomens die nu vaak tussen wal en schip vallen (te weinig verdienen om te kopen en te veel voor sociale huur). Ook voor woningzoekenden met een beperkt budget worden woningen gerealiseerd. Daarnaast is er plek voor specifieke doelgroepen als studenten. Dat maakt de ontwikkeling aantrekkelijk voor veel verschillende woningzoekenden en ontstaat er daarom naar verwachting een evenwichtige samenstelling van bewoners in de wijk. Zie voor wat betreft short stay de beanwoording van vraag 24. Klimaat en leefomgeving. 41. Wordt de aanpak van hittestress en het handhaven van een voldoende niveau aan leefkwaliteit in deze hoogstedelijke setting voldoende structureel geborgd? Ja. In het omgevingsplan zijn verschillende maatregelen opgenomen op het gebied van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen.

Deze maatregelen dragen bij aan het beperken van hittestress, het vergroten van de klimaatbestendigheid en het versterken van de leefkwaliteit in het gebied. Bij aanvragen voor een omgevingsvergunning wordt hieraan getoetst. Daarnaast wordt bij de inrichting van de openbare ruimte nadrukkelijk rekening gehouden met voldoende groen, bomen en verblijfskwaliteit. De toevoeging van groen en schaduwrijke plekken helpt om opwarming van de leefomgeving te beperken en draagt bij aan een aantrekkelijke en gezonde woonomgeving. Door de combinatie van planregels, vergunningsverlening en de inrichting van de openbare ruimte wordt de aandacht voor klimaatadaptatie en leefkwaliteit structureel verankerd in de ontwikkeling van Rivium.

Cumulatieve effecten. 42. In het Omgevingsplan is aandacht voor gecombineerde effectscores en zijn integrale effecttabellen opgenomen. Gaat deze integrale beoordeling van cumulatieve effecten (geluid + geur + verkeer + hittestress) in de monitoring ook vertaald worden naar ingrijpen? Nee. In het Milieu Effect Rapport zijn de gecombineerde effectscores gebruikt om te komen tot de ‘beste’ planvariant, het voorkeursalternatief (VKA). Bij de Monitoring wordt alleen gekeken naar de afzonderlijke onderwerpen en indicatoren. Het doel van monitoring is om bij te kunnen sturen, zodat elk afzonderlijk onderwerp voldoet aan het niveau dat in de gecombineerde effectscore is bepaald. 43. Pieken van cumulatieve effecten kunnen zich voordoen, maar bij welke piekniveaus, dan wel frequentie van pieken gaat ingegrepen worden en op welke wijze? Is het een mogelijkheid dat dit uiteindelijk ook kan leiden tot wijzigingen in het Omgevingsplan? In het Monitoring Effect Plan (MEP) wordt geen rekening gehouden met cumulatie, en dus ook niet met cumulatieve pieken. Voor elk onderwerp is in de bijbehorende factsheets bepaald welke gegevens worden verzameld, en wanneer de resultaten aanleiding geven om bij te sturen. Het verschilt per onderwerp of er gekeken wordt naar pieken of naar gemiddelden. Dit hangt ook samen met de wetgeving en normstelling van die onderwerpen.

Voor klimaatadaptatie zijn piekbuien juist relevant, voor geur en geluid wordt gekeken naar jaargemiddelden. In de dagelijkse praktijk kunnen milieueffecten tijdelijk sterker worden ervaren door specifieke omstandigheden, zoals weersomstandigheden, verkeersdrukte of de samenloop van meerdere factoren. Dergelijke tijdelijke fluctuaties zijn inherent aan een stedelijke omgeving. Het monitoringsprogramma is erop gericht om ontwikkelingen in beeld te brengen en tijdig te signaleren wanneer sprake is van een structurele verslechtering. Het doel van monitoring is om bij te kunnen sturen op de negatieve effecten door middel van mitigerende maatregelen. Als die voldoende doeltreffend zijn, dan is er geen reden om het Omgevingsplan te wijzigen. Risico’s en noodscenario’s 44. Welke scenario’s zijn uitgewerkt voor het geval cruciale aannames in het Omgevingsplan en de onderliggende beleidsstukken niet uitkomen (mobiliteit, parkeren, leefkwaliteit)? Er liggen geen ‘maatregelen op voorhand klaar’. Als monitoring wel aanleiding geeft, is het logisch om op dat moment, op basis van de optredende effecten en oorzaken en omstandigheden de best passende maatregelen te bepalen. Daar zal uiteraard altijd een zorgvuldige onderbouwing, bewonersbetrokkenheid en een zorgvuldig bestuurlijk proces voor worden doorlopen.

CU – Peter Heerens 45. Ik krijg vanuit de praktijk nog wel eens mee dat vleermuizen de bouw nogal eens i de weg staan. Waarom hier niet? Uit het uitgevoerde ecologische vervolgonderzoek blijkt dat in het plangebied verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. De aanwezigheid van vleermuizen betekent niet dat de

ontwikkeling niet kan plaatsvinden, maar wel dat bij de uitvoering moet worden voldaan aan de wettelijke eisen voor soortenbescherming. Voordat gebouwen met vleermuisverblijfplaatsen kunnen worden gesloopt, moet de initiatiefnemer een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit aanvragen. Daarbij moet worden aangetoond hoe negatieve effecten op de beschermde soorten worden voorkomen, beperkt of gecompenseerd. Indien nodig worden hiervoor mitigerende en compenserende maatregelen getroffen, zoals het realiseren van alternatieve verblijfplaatsen. Voor deze vergunning is niet de gemeente, maar de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag. De provincie beoordeelt of de aanvraag voldoet aan de wettelijke vereisten en of de voorgestelde maatregelen voldoende zijn om de gunstige staat van instandhouding van de soort te waarborgen. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en de beschikbare wettelijke procedure zijn er geen aanwijzingen dat de aanwezigheid van vleermuizen de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan in de weg staat. 46.

Waarom is de provincie van mening dat de plannen niet in lijn zijn met het woon- en economisch beleid en waarom is dit geen probleem? Wij hebben naar aanleiding van de ingediende zienswijzen gesprekken gevoerd met de Provincie en hen gewezen op de gedurende de planvorming gemaakte afspraken, deze zijn veelal ouder dan de beleidsstukken waar de provincie in haar zienswijzen naar verwijst. Zowel de adviseurs wonen als economie van de Provincie hebben naar aanleiding van deze gesprekken aangegeven akkoord te zijn met de manier waarop er met het woningbouwprogramma en bedrijven omgegaan wordt in het omgevingsplan Rivium. 47. Zorgen de 5.500 extra woningen niet voor extra opstoppingen bij de Brieneoord? De 5.500 extra woningen zorgen uiteraard voor extra verkeer. Van en naar Rivium verdeelt dat zich over het hoofdwegennet: deels over de Abram van Rijckevorselweg (AvR) naar het oosten richting Capelle, deels naar de AvR richting het westen, deels via het Toepad. Vanaf de AvR richting het westen verdeelt het zich verder richting A16 noord, A16 zuid en richting Rotterdam. De verwachting is dat de verkeersdruk op de A16 zal toenemen. Het aandeel van Rivium is hierin echter zeer beperkt. Rotterdam is bijvoorbeeld bezig met de planontwikkeling voor de Oostflank (enkele tienduizenden woningen) en ook elders in de regio wordt gebouwd. Die ontwikkelingen hebben veel grotere effecten.

Dat “de 5.500 woningen in Rivium zorgen voor extra opstoppingen bij de Van Brienenoord” kan dus niet worden gezegd. Ten opzichte van de totale verkeersdruk is dat een zeer beperkt aandeel.

LEEFBAAR CAPELLE – Jasper Borst. 48. De stikstofberekening is gedaan voor de gebruiksfase. Is ook berekend wat de stikstofdepositie is tijdens de bouwfase zelf, waarbij rekening is gehouden met bouwverkeer, materiaalinzet en de gefaseerde ontwikkeling van meerdere bouwblokken tegelijk? Ja, de berekeningen zijn gedaan in het onderzoek AERIUS-berekening realisatiefase, kenmerk RsnoqdkN8a5p, 31 oktober 2025 (ODH1745027), De Omgevingsdienst Haaglanden (bevoegd gezag namens de Provincie Zuid-Holland) verwijst hier ook naar in haar toets (bijlage 46 bij de motivering). De ODH concludeert dat de wijziging van het omgevingsplan de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

49. De parkeernorm voor studentenwoningen is verlaagd van 0,1 naar 0, maar een concrete onderbouwing ontbreekt hiervoor in de stukken. Op basis van welk onderzoek is deze keuze gemaakt? En wat zijn de toekomstige gevolgen als studentenwoningen worden omgebouwd naar reguliere woningen: Is geborgd dat de parkeernorm dan automatisch wordt aangepast, en hoe wordt voorkomen dat dit op dat moment alsnog tot structurele parkeeroverlast leidt in omliggende wijken zoals Fascinatio en Capelle-West? Eerst een nuance: de parkeernorm bestaat uit een bewonersdeel en een bezoekersdeel. Het bewonersdeel voor studentenwoningen is verlaagd naar 0. Het bezoekersdeel bedraagt 0,1 parkeerplaats per woning. Dat betekent dat ook met een bewonersdeel van 0 er nog steeds rekening moet worden gehouden met een parkeervraag als gevolg van de studentenwoningen. De onderbouwing hiervoor zit in het uitkomen van de nieuwe landelijke CROWparkeerkentallen (in 2024). Daarin zijn de kentallen voor studentenkamers aangepast naar 0 voor sterk stedelijk en zeer sterk stedelijk en ligging (schil) centrum. Over mogelijke parkeeroverlast in omliggende wijken: zie hiervoor het antwoord op vraag 10. Dit geldt in algemene zin en niet alleen voor de studentenwoningen.

50. De kosten voor de gemeente worden verhaald via de Dynamische GebiedsExploitatie. Hoe wordt omgegaan met kostenstijgingen gedurende de looptijd en wat zijn de financiële gevolgen voor de gemeente als een ontwikkelaar failliet gaat en een derde partij de bezittingen overneemt? De Dynamische Gebieds Exploitatie (DGE) is de cijfermatige onderbouwing van het kostenverhaal zoals vastgelegd in de Samenwerkingsovereenkomst die we met de grondeigenaren hebben afgesloten. In de DGE is rekening gehouden met de werkelijke kostenstijging (CPI/ GWW indexatie). De vergoeding van de ontwikkelende partijen voor onze plan- cievieltechnische kosten wordt meerdere malen per jaar gedurende het planproces uitbetaald en deze is dus ook gebaseerd op de daadwerkelijke kostenstijging. In geval van een faillissement kunnen de gronden in handen komen van een 3e partij, die conform het omgevingsplan de gronden kunnen ontwikkelen. In dat geval zijn de privaatrechtelijke afspraken die we met de vorige eigenaar (of diens rechtsvoorganger) gemaakt hebben niet meer rechtsgeldig. Juist hierom hebben wij regels voor kostenverhaal in het omgevingsplan opgenomen, deze zijn in Artikel 23.3 van het omgevingsplan opgenomen. 51. De provincie heeft een zienswijze ingediend dat de ontwikkeling niet in lijn is met haar beleid. In overleg is bevestigd dat de gemeente hiervan mag afwijken.

Is dat voldoende geborgd en is er risico dat de provincie alsnog beroep instelt bij de Raad van State? Zo ja, op welk onderdeel richt dat risico zich het meest? Zie de beantwoording van vraag 46. Wij zien geen risico dat de provincie beroep aantekent.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17102389/2