CConstaterende datCapelle aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

08.01 - Raadsvoorstel 1e wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning

Commissie Samenleving en Economie 22 juni 2026, gemeente Capelle aan den IJsselBij agendapunt: Verordening tot wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 20267.805 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zaaknr:2453349

Raadsvoorstel Nummer raadsvoorstel

Portefeuillehouder college / burgemeester griffier / initiatiefnemer raad

2453351

M.E. Wilson

Raadsvergadering

Programma / product / collegewerkplan

13 juli 2026

Programma 6 Sociaal Domein, deelprogramma 6C Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo2015)

ONDERWERP Verordening tot eerste wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026

GEVRAAGDE BESLISSING Vaststellen verordening tot eerste wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026

WETTELIJKE BASIS/ AANLEIDING RAADSVOORSTEL Wettelijke basis Artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo2015) verplicht de gemeenteraad een verordening vast te stellen waarin in ieder geval is vastgelegd: - op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; - op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn; - welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen; - ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; - ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. Uit de rechtspraak volgt dat essentiële zaken in de verordening moeten staan. Dit betekent dat in de verordening opgenomen moet worden op welke wijze de gemeente de omvang van ondersteuning vaststelt.

Aanleiding raadsvoorstel Het is op basis van de volgende overweging noodzakelijk om de verordening aan te passen: - bij de nieuwe aanbesteding voor het doelgroepenvervoer zijn nieuwe regels opgesteld voor het berekenen van de hoogte van de ritbijdrage voor het collectief aanvullend vervoer (CAV); - de manier waarop de omvang van de ondersteuning wordt vastgesteld dient in de verordening te staan.

1

Zaaknr:2453349

BEOOGD DOEL / EFFECT Het doel is het vaststellen van de verordening tot eerste wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026.

ONDERBOUWING VAN DE GEVRAAGDE BESLISSING Algemeen De Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026 (hierna: Verordening 2026) is in december 2025 vastgesteld. In verband met een nieuwe aanbesteding voor het doelgroepenvervoer en jurisprudentie is het noodzakelijk de huidige verordening aan te passen. Hieronder worden de voorgestelde aanpassingen per artikel toegelicht. Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening Momenteel is in de nadere regels vastgelegd op welke manier de omvang van de Wmo-diensten (huishoudelijke ondersteuning en alle vormen van begeleiding) wordt bepaald. Echter uit de rechtspraak volgt dat essentiële zaken in de verordening moeten worden vastgelegd. Zodoende is het noodzakelijk om de kaders voor het indiceren van de Wmo-diensten in de Verordening 2026 vast te stellen in plaats van in de nadere regels. Wij maken voor de indicatiestelling gebruik van bestaande normenkaders, daarom is enkel een verwijzing naar de gehanteerde normenkaders voldoende. Huidig artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Als het uit het onderzoek, bedoeld in artikel 6, tweede lid, blijkt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, dan verstrekt het college de goedkoopst adequate beschikbare voorziening. 2.

Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maakt. 3. Een cliënt komt in aanmerking voor een forfaitaire financiële tegemoetkoming voor een individuele vervoersvoorziening of voor verhuis- en (her)inrichtingskosten voor zover hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het bevorderen van diens zelfredzaamheid en/of participatie. 4. Het college stelt de hoogte voor de forfaitaire financiële tegemoetkoming vast in het Besluit. Voorgesteld artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Als het uit het onderzoek, bedoeld in artikel 6, tweede lid, blijkt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, dan verstrekt het college de goedkoopst adequate beschikbare voorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maakt. 3. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening begeleiding individueel en groep maakt het college gebruik van het actuele HHM-normenkader begeleiding. 4.

Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening begeleiding zelfzorg maakt het college gebruik van de normtijden zoals die in de CIZ-beleidsregels uit 2014 zijn opgenomen. 5. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning maakt het college gebruik van het actuele HHM-normenkader huishoudelijke ondersteuning. 6. Het college stelt nadere regels vast over de wijze waarop het college gebruik maakt van de HHM-normenkaders, genoemd in het derde en vijfde lid en de normtijden zoals die in de CIZ-beleidsregels uit 2014 zijn opgenomen, genoemd in het vierde lid. 7. Een cliënt komt in aanmerking voor een forfaitaire financiële tegemoetkoming voor een individuele vervoersvoorziening of voor verhuis- en (her)inrichtingskosten voor zover hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het bevorderen van diens zelfredzaamheid en/of participatie. 8. Het college stelt de hoogte voor de forfaitaire financiële tegemoetkoming vast in het Besluit.

2

Zaaknr:2453349

Artikel 11. Weigeringsgronden Voor bepaalde individuele vervoersvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld een scootmobiel, is het van belang dat deze adequaat gestald kunnen worden. Een passende stallingsmogelijkheid is noodzakelijk om veilig gebruik mogelijk te maken, overlast en onveilige situaties te voorkomen en de voorziening duurzaam inzetbaar te houden. In de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026 zijn regels vastgelegd met betrekking tot de stalling van individuele vervoersvoorzieningen. Echter uit de rechtspraak volgt dat essentiële zaken in de verordening moeten worden vastgelegd. Daarnaast adviseert de VNG in de Wmo-verordening voor scootmobielen de eis te stellen dat er een brandveilige stallingsplek beschikbaar is. Zodoende wordt voorgesteld een nieuwe weigeringsgrond op te nemen in de Verordening 2026. Hiermee is gewaarborgd dat een individuele vervoersvoorziening alleen verstrekt kan worden, als er ook daadwerkelijk een geschikte stallingsplek (mogelijk) is als dat noodzakelijk is. Wij spannen ons in om samen met cliënten en woningeigenaren een geschikte stallingsmogelijk te realiseren, als dit mogelijk is. Als er geen geschikte stallingsmogelijk gerealiseerd kan worden, zal met cliënt gezocht worden naar andere oplossingsmogelijkheden om zijn vervoersprobleem te compenseren.

Daarbij blijft maatwerk in de individuele beoordeling het uitgangspunt. Voorgesteld nieuw lid artikel 11 Weigeringsgronden 4. Het college kan een individuele vervoersvoorziening weigeren als de benodigde brandveilige en geschikte stallingsplek in of rondom de woning niet aanwezig of realiseerbaar is. Artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen In artikel 17 van de Verordening 2026 is vastgelegd voor welke maatwerkvoorzieningen een eigen bijdrage geldt en de hoogte van deze eigen bijdrage. In lid 4 is ook vastgelegd voor welke voorzieningen en situaties een uitzondering geldt. Er geldt reeds een vrijstelling voor het vervoer van en naar de dagbesteding, omdat dit gezien wordt als een randvoorwaarde om te kunnen deelnemen aan de dagbesteding. Echter is dit per abuis nog niet in de verordening vastgelegd. Zodoende wordt lid 4 aangevuld met een nieuwe uitzonderingsgrond voor het vrijstellen van het vervoer van en naar de dagbesteding. Daarnaast is in artikel 17 de hoogte van de ritbijdrage voor het collectief aanvullende vervoer (CAV) vastgelegd. Deze kosten vallen niet onder de eigen bijdrage en worden door de cliënt betaald aan de vervoerder die het CAV uitvoert namens de gemeente. Collectief aanvullend vervoer is vervanging voor het gebruik van het OV.

De ritbijdrage is daarom gebaseerd op de OV-tarieven die gelden in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH-regio). Zo wordt er een vergelijkbaar bedrag betaald voor een reis met het reguliere OV en met het CAV. Onze huidige methodiek voor het bepalen van de ritbijdrage is nog gebaseerd op OV-zones. Binnen het OV betaal je tegenwoordig niet meer per zone, maar is er sprake van een starttarief aangevuld met prijs per kilometer. Deze methodiek is transparant en beter uit te leggen aan reizigers. Daarnaast wordt alleen betaald voor de daadwerkelijk afgelegde kilometers. Bij het bepalen van het aantal kilometers wordt de kortste rechtstreekse route gehanteerd, ongeacht welke route gereden wordt. Dus dit betreft altijd de voor de client goedkoopste bijdrage en zal nooit meer bedragen dan het OV-tarief voor dezelfde reis. Om aan te blijven sluiten op het OVtarief, aangezien het collectief vervoer het OV-gebruik vervangt, moet voor het collectief aanvullend vervoer de overstap gemaakt worden naar deze methodiek. Met ingang van het nieuwe contract, te weten per 1 augustus 2026, wordt overgestapt naar een kilometertarief voor de ritbijdrage. Zodoende wordt geadviseerd lid 7 en 8 van artikel 17 van de Verordening 2026 aan te passen. Door in lid 7 te verwijzen naar het regionale OV-tarief kan lid 8 komen te vervallen. Huidig lid 4 artikel 17.

Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 4. In afwijking van het eerste lid a. kunnen zorgmijders geen bijdrage verschuldigd zijn de eerste zes maanden van zorgverlening, of langer wanneer dat noodzakelijk is naar oordeel van het college; b. zijn cliënten die in een hospice verblijven geen bijdrage verschuldigd voor de huishoudelijke ondersteuning die ze ontvangen tijdens het verblijf in het hospice; c. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor individuele begeleiding categorie waakvlamcontact; 3

Zaaknr:2453349

d. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een woningaanpassing/ woonvoorziening van/in een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex; e. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening die is verstrekt ten behoeve van een jeugdige die op dat moment minderjarig was; f. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een tegemoetkoming; g. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rij- of gewenningslessen voor scootmobiel of rolstoelvoorziening; h. is geen eigen bijdrage verschuldigd als het resultaat behaald kan worden door een voorziening in de vorm van aanpassingen aan eerder verstrekte woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen; i. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor het onderhoud, reparatie, keuring en verzekering van een voorziening; j. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een sportvoorziening; k. is geen eigen bijdrage verschuldigd als het woningaanpassingen zijn die behoren tot de standaarduitrusting van een ADL-clusterwoning. Voorgesteld lid 4 artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 4. In afwijking van het eerste lid a. kunnen zorgmijders geen bijdrage verschuldigd zijn de eerste zes maanden van zorgverlening, of langer wanneer dat noodzakelijk is naar oordeel van het college; b.

zijn cliënten die in een hospice verblijven geen bijdrage verschuldigd voor de huishoudelijke ondersteuning die ze ontvangen tijdens het verblijf in het hospice; c. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor individuele begeleiding categorie waakvlamcontact; d. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een woningaanpassing/ woonvoorziening van/in een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex; e. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening die is verstrekt ten behoeve van een jeugdige die op dat moment minderjarig was; f. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een tegemoetkoming; g. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rij- of gewenningslessen voor scootmobiel of rolstoelvoorziening; h. is geen eigen bijdrage verschuldigd als het resultaat behaald kan worden door een voorziening in de vorm van aanpassingen aan eerder verstrekte woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen; i. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor het onderhoud, reparatie, keuring en verzekering van een voorziening; j. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een sportvoorziening; k. is geen eigen bijdrage verschuldigd als het woningaanpassingen zijn die behoren tot de standaarduitrusting van een ADL-clusterwoning. l. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor het vervoer van en naar de locatie van begeleiding groep. Huidig lid 7 en lid 8 artikel 17.

Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 7. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening voor vervoer (collectief aanvullend vervoer) voor: a. 1 zone € 1,38 per rit; b. 2 zones € 2,06 per rit; c. 3 zones € 2,75 per rit; d. 4 zones € 3,43 per rit e. 5 zones € 4,12 per rit. 8. De bedragen genoemd in het vierde lid worden met ingang van 1 januari 2027 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het LTI-indexcijfer heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar.

4

Zaaknr:2453349

Voorgesteld lid 7 en lid 8 artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 7. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is de hoogte van de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening voor vervoer (collectief aanvullend vervoer) gelijk aan het in de regio voor het reguliere openbaar vervoer geldende basistarief plus het geldende kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers. 8. De bedragen genoemd in het zevende lid worden met ingang van 1 januari 2027 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het LTI-indexcijfer heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar.

FINANCIELE CONSEQUENTIES / WIJZE VAN DEKKING Het aanpassen van artikel 17 heeft geen financiële gevolgen voor de gemeentelijke begroting. De methodiek voor het bepalen van de ritbijdrage voor het collectief aanvullend vervoer wordt gewijzigd. Echter deze bijdrage betaalt de cliënt aan de vervoerder. De wijzigingen hebben zodoende geen impact op het desbetreffende budget (kostenplaats Trevvel Samen: 6660026 en kostensoort Vervoersdiensten collectief: 434101).

REACTIES VAN DERDE / FORMELE INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN / COMMUNICATIE Niet van toepassing

VOORTRAJECT Niet van toepassing

VERVOLGTRAJECT Wmo-cliënten die een indicatie hebben voor het collectief aanvullend vervoer worden schriftelijk geïnformeerd over de nieuwe systematiek voor de ritbijdrage.

RAADSCOMMISSIE Commissie Samenleving en Economie op 22 juni 2026

BIJLAGE(N) WELKE TER KENNIS VAN DE RAAD WORDEN GEBRACHT Niet van toepassing

NADERE INFORMATIE / TECHNISCHE VRAGEN BIJ Josmie Broeren, j.broeren@capelleaandenijssel.nl, (06) 5005 5598

5

Zaaknr:2453349

Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester,

R. Elling MA

drs. J.J. Manusama

6

Zaaknr:2453349

Raadsbesluit De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 juni 2026 gelet op, artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; gelet op, artikel 2.1.3 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 gezien het advies van de commissie Samenleving en Economie van 22 juni 2026 B E S L U I T: vast te stellen de ‘Verordening tot eerste wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026’ Artikel I De Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026 wordt als volgt gewijzigd: A Onder vernummering van het derde en vierde lid, worden vier leden toegevoegd aan artikel 10, luidende: 3. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening begeleiding individueel en groep maakt het college gebruik van het actuele HHM-normenkader begeleiding. 4. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening begeleiding zelfzorg maakt het college gebruik van de normtijden zoals die in de CIZ-beleidsregels uit 2014 zijn opgenomen. 5. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning maakt het college gebruik van het actuele HHM-normenkader huishoudelijke ondersteuning. 6.

Het college stelt nadere regels vast over de wijze waarop het college gebruik maakt van de HHMnormenkaders, genoemd in het derde en vijfde lid en de normtijden zoals die in de CIZbeleidsregels uit 2014 zijn opgenomen, genoemd in het vierde lid. B Aan artikel 11 wordt een lid toegevoegd, luidende: 4. Het college kan een individuele vervoersvoorziening weigeren de benodigde brandveilige en geschikte stallingsplek in of rondom de woning niet aanwezig of realiseerbaar is. C Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd: 1. Aan het vierde lid wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: l. is geen eigen bijdrage verschuldigd voor het vervoer van en naar de locatie van begeleiding groep. 2. Het zevende lid komt als volgt te luiden: 7. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is de hoogte van de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening voor vervoer (collectief aanvullend vervoer) gelijk aan het in de regio voor het reguliere openbaar vervoer geldende basistarief plus het geldende kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers.

7

Zaaknr:2453349

3. Het achtste lid vervalt, onder vernummering van het negende lid. Artikel II Dit besluit treedt de dag na datum bekendmaking in werking, waarbij de wijziging van artikel 17, zevende lid in werking treedt per 1 augustus 2026.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 13 juli 2026, De griffier, de voorzitter,

drs. T.A. de Mik

drs. J.J. Manusama

8

Zaaknr:2453349

Toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026 Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening De criteria voor de maatwerkvoorzieningen voor beschermd wonen en opvang zijn in dit artikel niet opgenomen, De gemeente volgt hiervoor de regels van de centrumgemeente Rotterdam. Dit is verder uitgewerkt in artikel Beschermd wonen en opvang. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

In het tweede lid is opgenomen dat binnen de maatwerkvoorzieningen de ‘collectief aangeboden maatwerkvoorzieningen’ nog kunnen worden onderscheiden die ondanks wat de naam doet vermoeden (weliswaar collectief aangeboden) maatwerkvoorzieningen zijn. Een voorbeeld hiervan is het collectief aanvullend vervoer. In het derde lid is opgenomen met als doel specifieke criteria vast te stellen om de inzet van forfaitaire financiële tegemoetkomingen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Dit, in aanvulling op hetgeen al bepaald is, ter uitvoering van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet. Daarin is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, of opvang in aanmerking komt. Dat kan ook met een forfaitaire financiële tegemoetkoming (CRvB 12-02-2018 ECLI:NL:CRVB2018:395 en 396). In het vierde, vijfde en zesde lid is opgenomen op welke wijze de omvang van de indicaties voor respectievelijk begeleiding individueel en groep, begeleiding bij zelfzorg en huishoudelijke ondersteuning bepaald worden.

In het zevende lid is vastgelegd dat het college de bevoegdheid heeft om in Nadere regels vast te stellen op welke wijze het college gebruik maakt van deze kaders. In het zevende lid is vastgesteld dat in het Besluit de hoogte van de forfaitaire financiële tegemoetkomingen wordt bepaald. Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a, van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen. Artikel 11, eerste lid: Ad a. Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

9

Zaaknr:2453349

Indien een persoon zijn belemmeringen kan compenseren op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van een ander persoon uit zijn sociale netwerk dan is dit een voorbeeld van eigen kracht en is dus de verstrekking van een maatwerkvoorziening niet aan de orde. Onder eigen kracht valt ook het anders organiseren van zijn leven en/of huishouden onder, waarbij gedacht kan worden aan herindeling van de ruimte en herschikking van inrichtingselementen (CrvB25-05-2005 nr 03/2188 LJN AT6661 en CrvB 19-04-2006 nr 04/1650 LJN AW2344). Ook het gebruik maken van een reeds verkregen maatwerkvoorziening valt onder eigen kracht. Dit kan een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo zijn, maar ook een maatwerkvoorziening vanuit een andere wettelijke regeling, zoals de Jeugdwet, de Zorgverzekeringswet en de Wlz. Ook het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt gezien als een vorm van eigen kracht. De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.

Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09‐ 11‐2011, nr. 11/3583 Wmo en CRvB 28‐09‐2011, nr. 10/2587 Wmo). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03‐08‐2011, nr. 11/517 Wmo) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19‐04‐2010, nr. 09/1082 Wmo). Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een passende en toereikende voorliggende voorziening (CRvB 22‐05‐2013, nr. 10/6782 Wmo). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. Mantelzorg is de hulp bij zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en/of opvang die direct het gevolg is van een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt gegeven vanuit een hulpverlenend beroep. Vaak zijn mantelzorgers mensen met wie een cliënt regelmatig contact heeft en behoren tot het sociale netwerk van cliënt. Mantelzorg is vrijwillige, onbetaalde zorg.

Mantelzorg is dus niet verplicht (CRvB 11-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17, CRvB 3-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3108 en CRvB 24-01-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:368). Wil een hulpverlener betaald worden voor zijn inspanningen dan is er geen sprake van mantelzorg (CRvB 25-11-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4317, CRvB 11-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17 en CRvB 24-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3348). Maar geeft de hulpverlener uit het sociale netwerk aan dat hij zonder vergoeding de hulp ook blijft verlenen dan is er wel sprake van mantelzorg (CRvB 6-9-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3209, CRvB 7-6-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1068). Ad b. Dit betreft de herhaling van artikel 2.3.5 zesde lid van de wet. Ad c. Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid maatwerkvoorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐ 08‐2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 Wmo).

De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad.

10

Zaaknr:2453349

Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535):  niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;  daadwerkelijk beschikbaar is;  een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en;  financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten. Ad d. Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Ad e. Hier wordt bepaald dat de maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Het betekent dat er altijd één individuele aanvrager moet zijn die de voorziening aanvraagt, die voor hem of haar ook noodzakelijk moet zijn in de zin van de Wmo.

De voorziening moet specifiek op de persoon van de aanvrager gericht zijn (Rechtbank Maastricht 0704-2000, nr. 99/379 WVG Z BUC). Artikel 2.3.5, vijfde lid onder a, van de wet bepaalt dat de maatwerkvoorziening zover daartoe aanleiding bestaat is afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt. Er is per definitie pas sprake van een maatwerkvoorziening indien deze zorgvuldig is afgestemd op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon. Ad f. Als een maatwerkvoorziening onveilig is voor de cliënt zelf of voor derden, of het de gezondheid of het functioneren van de cliënt niet ten goede komt wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als iemand beschikt over te weinig verkeersinzicht om zich veilig in het verkeer te begeven, of als iemand een maatwerkvoorziening wil op het gebied van mobiliteit terwijl hij op medische gronden zoveel als mogelijk moet bewegen. Ad g. Verwacht mag worden dat een cliënt bij keuzes die gemaakt worden rekening houdt met zijn beperkingen. Er zullen geen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt bij situaties die het gevolg zijn van keuzes die gemaakt zijn maar niet passen bij de individuele omstandigheden waarin de cliënt zich bevindt. Een voorbeeld is een verhuizing naar een niet geschikte woning indien de beperkingen al aanwezig zijn. Ad h en i.

Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen belemmeringen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de maatwerkvoorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de maatwerkvoorziening weigeren als de noodzaak en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als van tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisatie van de gevraagde maatwerkvoorziening.

11

Zaaknr:2453349

Ad j. Hier wordt aangegeven dat de maatwerkvoorziening geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus indien de cliënt schuld treft. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt ook een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een dure voorziening, zoals een aanbouw, is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Artikel 11, tweede lid: Ad b. Onder b wordt bepaald dat een maatwerkvoorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is. Dit geldt niet voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding (begeleiding individueel, groep, bij hoarding en bij zelfzorg). Het begrip langdurig noodzakelijk bestaat uit twee onderdelen die los van elkaar bezien kunnen worden. De maatwerkvoorziening moet: - noodzakelijk zijn om de belemmeringen te compenseren; - langdurig noodzakelijk zijn. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie.

Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose van ziektebeeld en daaruit voortvloeiende beperkingen dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt.

Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Naast het vereiste dat de maatwerkvoorziening langdurig nodig moet zijn, moet uit het de uitkomsten van het onderzoek blijken dat de voorziening ook noodzakelijk is om de belemmeringen die voortkomen uit de beperkingen te compenseren. De beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om de belemmeringen te compenseren, is niet altijd beperkt tot het moment van de aanvraag. Wel moet duidelijk zijn binnen welke termijn de belemmeringen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd zullen optreden (CRvB 13-06-2012, nr. 10/3307 Wmo). Ad c. Dit lid is gebaseerd op jurisprudentie die tot op heden onder de Wvg en Wmo naar voren is gekomen waaruit blijkt dat voor bovenregionaal verplaatsen per vervoermiddel geen resultaatsverplichting bestaat. (CRvB 30-11-2011, nr. 10/4121 Wmo en CRvB 29-02-2012, nr. 10/906 Wmo). De CRvB oordeelt in CRvB 30-11-2011, nr. 10/4121 W dat het college niet is gehouden om vervoersvoorzieningen te treffen die een cliënt in staat stellen zich bovenregionaal te verplaatsen.

Het begrip verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving moet uitgelegd worden als verplaatsingen in een straal van 15-20 kilometer rondom de woning. Waar het om gaat is dat een cliënt alledaagse verplaatsingen kan maken, zoals het doen van boodschappen, bezoek aan familieleden en bekenden in de eigen omgeving, deelnemen aan sociale activiteiten etc (CRvB LJN: AA9001 12-06-1998). 12

Zaaknr:2453349

Het is vaste jurisprudentie van de CRvB dat bovenregionaal vervoer in beginsel niet valt onder de minimaal door de gemeente in acht te nemen zorg voor een maatwerkvoorziening voor wat het lokaal verplaatsen per vervoermiddel, het betreft immers het lokaal verplaatsen per vervoermiddel waar de gemeente compensatie voor dient te bieden. Er kan uitzondering hierop zijn wanneer er sprake is van een dusdanig essentieel enkel door bezoek ter plekke te onderhouden- contact dat bij gebreke daarvan sociaal isolement optreedt (CrvB LJN:BN0775 08/5422 Wmo, CrvB LJN: BQ 1738 09/3844 Wmo). Als cliënten op vakantie zijn (langdurig of slechts een aantal dagen/weken) dan hoeft gedurende die vakantie geen huishoudelijke ondersteuning ingezet te worden. Maatschappelijke ondersteuning dient op grond van de Wmo 2015 namelijk zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving plaats te vinden. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever met de woorden ‘zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving’ bedoelt dat het doel van de Wmo 2015 is dat mensen zo lang als mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Om dit doel te verwezenlijken, kan het college op grond van de Wmo 2015 maatwerkvoorzieningen verstrekken. Huishoudelijke ondersteuning op de camping draagt niet direct bij aan het doel dat mensen in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.

Artikel 11, derde lid: In dit lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek toezien op woonvoorzieningen. Ad b. verwijst naar het minimale uitrustingsniveau voor een woning in Nederland, zowel in de sociale woningbouw als vrije sector. Deze normering is vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Ad c. Onder c wordt met de aard van de materialen bijvoorbeeld bedoeld het aanpassen van de woning in verband met allergene factoren en vocht- en tochtproblemen. Bij allergene factoren kan veelal een oplossing gezocht worden in algemeen gebruikelijke voorzieningen, bijvoorbeeld laminaat of lamellen of andere zaken in het kader van allergeenarm wonen. Bij vocht- en tochtproblemen is de eigenaar van de woning de eerst aangewezene om oplossingen aan te dragen. Ad d. Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Capelle aan den IJssel en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van belemmeringen in de zelfredzaamheid en participatie. In het geval van co-ouderschap ligt het vaststellen van de woonplaats ingewikkelder. De jurisprudentie hierover is verdeeld. De rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat bij co-ouderschap een kind in twee woningen zijn hoofdverblijf kan hebben (Rechtbank Noord-Holland 25-11-2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11535 ).

De rechtbank Gelderland concludeert echter dat ook bij coouderschap sprake is van één hoofdverblijfplaats (Rechtbank Gelderland 16-6-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3589). Op grond van artikel 1:12 BW volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over het kind uitoefent. Dit heet ook wel ‘afgeleide woonplaats’. Bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag in de praktijk vaak bij beide ouders. De CRvB heeft echter geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben (CRvB 22-9-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285). Het juridische hoofdverblijf wordt meestal door de rechter bepaald en vastgelegd in het ouderschapsplan. Als het hoofdverblijf niet is vastgesteld, dan kan gekeken worden naar het feitelijk verblijf. In de praktijk kan het voorkomen dat het feitelijk verblijf evenredig is verdeeld. Nu de CRvB heeft geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben, geeft de inschrijving van het kind in het BRP de doorslag. Voor wat betreft woningaanpassingen heeft dit tot gevolg dat slechts één woning hoeft te worden aangepast. Het is de vraag of dit niet in strijd is met artikel 1:247 lid 4 BW en artikel 3 IVRK. In artikel 1:247 lid 4 BW is gewaarborgd dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. 13

Zaaknr:2453349

En uit artikel 3 IVRK volgt dat het belang van het kind voorop moet staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. Het is in het belang van het kind om bij co-ouderschap zowel in een (aangepaste) woning van de moeder als in een (aangepaste) woning van de vader te kunnen wonen. Daarom kan zowel bij moeder als bij vader een woningaanpassing worden aangebracht. Ad e. Onder e worden bepaalde woonruimten uitgesloten, wat betekent dat voor deze woonruimten geen woonvoorzieningen worden verstrekt, met uitzondering van verhuis- en (her)inrichtingskosten. Individuele woningaanpassingen in ADL-clusters worden sinds 1 januari 2009 wel verstrekt op grond van de Wmo behalve collectieve voorzieningen in het ADL-cluster zoals het alarmintercomsysteem en aangepast bad/douche gelegenheid. Ad f. Onder f bepaalt dat de aanvraag die betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kan worden geweigerd, tenzij het gaat om:  het verbreden van toegangsdeuren;  het aanbrengen van elektrische deuropeners;  de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot het wooncomplex;  drempelhulpen en vlonders;  het aanbrengen van een extra trapleuning;  een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw, mits passend bij het Bouwbesluit.

Naar het oordeel van de CRvB is een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd met de in de Wmo neergelegde compensatieplicht (CRvB 02-11-2011, nr. 10/6238 Wmo-T). Als het college een aanvraag op grond van deze bepaling afwijst, moet het college nog wel compenseren, het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten verstrekken (CRvB 10-03-2004, nr. 02/4460 WVG). Ad g. Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn.

Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 Wmo). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Ad h. Onder h bepaalt dat van personen met beperkingen verlangd mag worden dat zij inspanningen verrichten op het verkrijgen van een woning die zoveel als mogelijk is aangepast aan zijn beperkingen (CRvB 20-02-2002 LJN AE 3414 nr.00/5063), tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Van cliënt wordt verwacht dat hij zich in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente zodat de gemeente de mogelijkheid krijgt om na te gaan of er voor cliënt (goedkopere) eveneens adequate oplossingen voorhanden zijn en te bepalen wat de meest adequate en zo goedkoop mogelijke oplossing is (CRvB 25-01-2006 LJN AV:1177 nr. 03/5232). Er kan sprake zijn dat ten tijde van binnenkomst van de melding of aanvraag alternatieve adequate woningen beschikbaar waren (CRvB 16-02-2005, LJN: AS7560, nr. 03/455 en CRvB 28-04-2008, LJN: AO8762, nr. 02/3254).

14

Zaaknr:2453349

Ad i. Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Hierbij wordt noemenswaardig gedefinieerd als dat het financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau, zoals in de definitie van algemeen gebruikelijk. Ad j. Onder j bepaalt dat er sprake moet zijn van objectieve aanknopingspunten voor een causaal verband tussen de beperkingen van de cliënt en de belemmeringen die hij ondervindt bij bewoning van de woning. Het ligt hierbij op de weg van cliënt dit verband door middel van objectieve feiten en omstandigheden aannemelijk te maken (CRvB 10-10-2012, nr. 11-5873 LJN BY0324). Onder de Wmo kan er ook een resultaatsverplichting zijn, wanneer er sprake is van een causaal verband tussen de belemmeringen en omgevingsfactoren. Ook hier dient dit causale verband echter wel aannemelijk gemaakt te worden. (CRvB 12-02-2014, nr. 12/3394 Wmo). Ad k. Onder k bepaalt dat geen woonvoorziening kan worden getroffen in zogenoemde doelgroepenwoningen. Hierbij kan gedacht worden aan specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen. Dit geldt dan voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen bij (nieuw) bouw, verbouw of renovatie.

De CRvB stelt vast dat de verordeningsbepaling waarin woonvoorzieningen uitgesloten worden in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen, een verbijzondering is van de bepaling dat geen voorziening wordt toegekend als de voorziening algemeen gebruikelijk is. Het is aan het college om aan te tonen dat de voorziening algemeen gebruikelijk is. Een voorziening in een specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoeld woongebouw is in principe algemeen gebruikelijk als op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners onmiskenbaar niet voldoet aan de geldende vereisten voor een dergelijke woning: - op grond van wettelijke voorschriften, - algemeen aanvaarbare regels of - contractuele bepalingen. Artikel 11, vierde lid: In dit lid is vastgelegd dat een individuele vervoersvoorziening geweigerd kan worden als er een adequate stallingsmogelijkheid ontbreekt, en ook niet te realiseren is. Voor bepaalde individuele vervoersvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld een scootmobiel, is het van belang dat deze adequaat gestald kunnen worden. Een passende stallingsmogelijkheid is noodzakelijk om veilig gebruik mogelijk te maken, overlast en onveilige situaties te voorkomen en de voorziening duurzaam inzetbaar te houden. Een adequate stallingsmogelijkheid dient o.a.

te voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hierin is o.a. vastgelegd dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. Artikel 17. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. In het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in de verordening passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt. In het eerste lid is vastgelegd voor welke maatwerkvoorziening een eigen bijdrage wordt opgelegd, te weten alle maatwerkvoorzieningen en pgb’s. In het tweede lid is de hoogte van de eigen bijdrage vastgelegd. Hierbij wordt verwezen naar de artikelen in de wet waar dit is vastgelegd.

15

Zaaknr:2453349

De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet). In het derde lid is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt. In het vierde lid is vastgelegd in welke situaties en welke voorzieningen zijn vrijgesteld van de bijdrage:  Voor zorgmijders bestaat de mogelijkheid de eigen bijdrage de eerste zes maanden van zorgverlening niet te innen. Dit is vastgelegd in het vierde lid onder a. Deze periode kan worden verlengd wanneer de situatie hierom vraagt, bijvoorbeeld wanneer inzet van bemoeizorg noodzakelijk is om verdere zorgmijding te voorkomen. Dit betreft zorgmijdende cliënten waarvoor bemoeizorg om Wmo-ondersteuning vraagt en waarvan zij het nodig acht dat het niet innen van de eigen bijdrage noodzakelijk is. Dit volgt uit het Besluit van 6 december 2017 (Stb. 2017, nr. 481) waarin een wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is opgenomen voor een verruiming van de gemeentelijke beleidsruimte bij het opleggen van de bijdrage voor een cliënt. In de toelichting op het wijzigingsbesluit is opgenomen dat middels dit besluit o.a.

wordt geregeld dat het college de bevoegdheid heeft de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget (niet zijnde opvang en beschermd wonen in natura) in een individueel geval op nihil te laten vaststellen in situaties dat wanneer de verschuldigdheid van de bijdrage nadelig is voor een persoonsgerichte aanpak om bepaalde specifieke doelgroepen mee te laten doen in de samenleving.  Indien gewenst kan vanaf 1 januari 2023 de vrijstelling van de eigen bijdrage voor zorgmijders met terugwerkende kracht (tot maximaal 36 maanden) ingaan (wijzigingsbesluit van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, Staatsblad 2022/346). - Daarnaast is in het derde lid onder b opgenomen dat cliënten die in een hospice verblijven geen eigen bijdrage voor de huishoudelijke ondersteuning betalen die zij in het hospice ontvangen gedurende hun verblijf in het hospice. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten in hun laatste levensfase moeten worden onderworpen aan een toetsing voor de noodzaak van de inzet van de ondersteuning door het college. - Woningaanpassingen voor jeugdigen zijn eveneens vrijgesteld, omdat deze kosten door de ouder(s)/verzorger(s) betaald dienen de te worden. Zij hebben vaak al hogere kosten voor hun kinderen als gevolg van hun beperking.

- Voorzieningen in een algemene ruimte, zoals deurdrangers in de hal van een wooncomplex, zijn vrijgesteld, omdat van dergelijke voorzieningen door meerdere bewoners gebruik wordt gemaakt. - tegemoetkomingen zijn vrijgesteld, zoals verhuis- en inrichtingskosten, omdat dit niet past bij het karakter van een tegemoetkoming, die niet persé kostendekkend hoeft te zijn. - rij- of gewenningslessen voor scootmobiel of rolstoelvoorziening zijn vrijgesteld, omdat deze worden uitgevoerd voorafgaand aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening. Kosten die bijkomstig zijn aan een rolstoelvoorziening zijn daarnaast wettelijk uitgesloten van het innen van een eigen bijdrage. - aanpassingen aan eerder verstrekte woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen zijn vrijgesteld, omdat de kosten van de aanpassingen al zijn opgenomen in de oorspronkelijke aanschafprijs; - onderhoud, reparatie, keuring en verzekering van voorzieningen zijn ook vrijgesteld, omdat de kostprijs alleen bepaald wordt aan de hand van de aanschafprijs; - Sportvoorzieningen zijn vrijgesteld, omdat deze voorzieningen ook een positieve bijdrage leveren aan een gezondere leefstijl; - de woningaanpassingen die behoren tot de standaarduitrusting van een ADL-clusterwoning zijn uitgesloten, omdat deze woningaanpassingen in de woning aanwezig dienen te zijn.

Als deze vervangen moeten worden, omdat ze technisch afgeschreven zijn, hoeft hier geen eigen bijdrage door de bewoner van de ADL-cluster-woning te worden betaald; - Tot slot is het vervoer van en naar de groepsbegeleiding uitgesloten, omdat dit vervoer een randvoorwaarde is om deel te kunnen nemen aan de groepsbegeleiding. In het vijfde en zesde lid is vastgelegd wanneer de eigen bijdrage gepauzeerd kan worden. Om de eigen bijdrage te kunnen pauzeren dient de onderbreking van ondersteuning tenminste 31 dagen of een volledige kalendermaand te bedragen. Als de onderbreking korter is wordt de eigen bijdrage niet gepauzeerd.

16

Zaaknr:2453349

In het zevende lid is bepaald dat bij het collectief aanvullend vervoer voor sociaal recreatief vervoer een bijdrage in de kosten gevraagd wordt voor algemeen gebruikelijke kosten. In artikel 2.1.4a van de wet is de maximale bijdrage die voor een maatwerkvoorziening gevraagd mag worden bepaald. Hiervan mag echter worden afgeweken als het gaat om een vervoersvoorziening. Dat moet dan wel in een verordening worden vastgelegd (artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). De hoogte van de bijdrage in de kosten voor het collectief aanvullend vervoer is vergelijkbaar met de kosten voor het regionale openbaar vervoer voor de afgelegde ritten. In het achtste lid is vastgelegd dat wanneer tijdens de rit medische begeleiding vereist is, de cliënt één begeleider gratis kan mee laten reizen. De criteria voor noodzakelijke medische en (psycho)sociale begeleiding tijdens de rit zijn:  er is medische zorg noodzakelijk tijdens de rit, bijvoorbeeld het moeten toedienen van medicatie (oraal) of het bedienen van medische apparatuur, en/of;  er sprake is van aantoonbare gedragsproblemen of angst bij de cliënt die door de begeleiding weggenomen of verminderd wordt, en/of;  er is tijdens de rit ADL- hulp noodzakelijk; dit zijn eenvoudige verzorgende handelingen, zoals bijvoorbeeld het afvegen van mond en neus bij een gestoorde handfunctie.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17080031/1