07.06 - Het Verhaal van Capelle aan den IJssel 1945-1990
Tekst van het document
Het Verhaal van Capelle 1945-1990
Contrei Noor Mens 2022
Het Verhaal van Capelle aan den IJssel 1945-1990 Colofon Opdrachtgever: Gemeente Capelle aan den IJssel Stadsarchitect Roelant ten Kate
Uitvoering/Research: Met speciale dank aan:
Contrei, cultuurhistorie & ruimtelijke kwaliteit Provenierssingel 13 3033 ED Rotterdam www.contrei.eu
Noor Mens architectuurhistoricus Eelkemastraat 40 9723 ZW Groningen www.noormens.nl
ir. Hugo J. van Velzen drs. ing. Marcel R. van Winsen Sanne van Drenth MA Daniël v.d. Heijden
dr. Noor Mens
september 2023
Deze rapportage is alleen opgesteld t.b.v. onderzoeksdoeleinden, en niet t.b.v. commerciële verspreiding. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere manier dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Contrei te Rotterdam.
Rotterdam, november 2022 ISBN: [invullen] NUR: [invullen] Contrei
Joost Hekman, Vada-archieven Nijverdal Paul Weyling, Historische Vereniging Capelle aan den IJssel Wim Janse Han van Ardenne
Foto voorzijde: gezicht richting de Diepenbuurt met de Terp, 2022 <Contrei> 2
het Verhaal van Capelle 1945-1990
Leeswijzer Het rapport Het Verhaal van Capelle aan den IJssel 1945-1990 behandelt de ruimtelijke geschiedenis van Capelle aan den IJssel met nadrukkelijke aandacht voor de hieraan ten grondslag liggende planvorming en ontstaan en ontwikkeling van de verschillende woonwijken. Industrie- en bedrijventerreinen, groenstructuren en woonwijken van na 1990 komen slechts zijdelings aan de orde. Naast de planologische feiten komen vanzelfsprekend de veranderende opvattingen over stedenbouw en architectuur aan de orde die de periode 1945-1990 typeren. De studie bestaat uit twee delen. Deel A behandelt in vogelvlucht de ruimtelijke geschiedenis van de gemeente vanaf het ontstaan en vormt een algemeen kader voor de meer diepgaande stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen en beschrijvingen in deel B. Hierin wordt nader ingegaan op de totstandkoming en uitbreiding van de woonwijken uit de periode 1945-1990. Dit wordt echter voorafgegaan door een hoofdstuk waarin aandacht wordt besteed aan de RoCa-planperiode. Deze periode, waarin Rotterdam en Capelle nauw samenwerkten aan plannen voor Rotterdam-Oost en Capelle aan den IJssel, is van invloed geweest op de stedenbouwkundige uitleg van Capelle aan den IJssel.
De daaropvolgende hoofdstukken, waarin de ruimtelijke ontwikkelingen van de wijken worden beschreven, bevatten elk een zogenaamde hulpkaart waarop verschillende de buurten en complexen in die wijk zijn aangegeven. Aanvullend presenteren we een reeks complexen die zijn geselecteerd op basis van maatschappelijk-historische, stedenbouwkundige, ensembleen architectuurhistorische waarden, gaafheid en zeldzaamheid (samen: cultuurhistorische waarden). Deze zijn kort beschreven. Van een aantal karakteristieke projecten uit deze selectie is een uitgebreidere beschrijving opgenomen. De keuze voor deze projecten is gebaseerd op de hoge cultuurhistorische waarden en/of hun specificiteit voor de desbetreffende wijk. Juist in de Post 65-periode werd uitgebreid geëxperimenteerd met nieuwe stedenbouwkundige en architectonische typologieën. De geselecteerde projecten tonen een interessante dwarsdoorsnede van de Capelse bijdrage daaraan.
Fotoverantwoording Historische foto’s zijn afkomstig uit de Beeldbank van de Historische Vereniging Capelle aan den IJssel. De copyrechten berusten bij deze instantie, en anders bij de vermelde eigenaar c.q. fotograaf, en mogen niet zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbenden worden gebruikt.
Afkortingen • • • • • •
Contrei
september 2023
3
GAC - Gemeentearchief Capelle aan den IJssel GAC BA - Gemeentearchief Capelle aan den IJssel; Bouwaanvraag GAC BV - Gemeentearchief Capelle aan den IJssel; Bouwvergunning Beeldbank HVC - Beeldbank van de Historische Vereniging Capelle HNI - Het Nieuwe Instituut SAR - Stadsarchief Rotterdam
het Verhaal van Capelle 1945-1990
Inhoudsopgave Leeswijzer
3
Inleiding
x
A. Capelle aan den IJssel in vogelvlucht
6
1. Voorgeschiedenis 2. Wederopbouw 3. Groei Bevolkingsexplosie Industrialisatie Nieuwe motieven in de stedenbouw Ontwikkelingen in de volkshuisvesting 4. Verandering Veranderingen in het planningsproces Aanwijzing als groeikern 5. Differentiatie Noten
7 12 14 15 15 16 18 19 20 21 22 23
B. Ruimtelijke ontwikkelingen van de naoorlogse wijken (1945-1990)
24
1. RoCa: Rotterdam en Capelle aan den IJssel bouwen een nieuwe stad Toelichting op het Schetsplan Rotterdam-Oost 1957 Structuurschema 1959 Werkschema Rotterdam-Oost 1962 Aangepast schema 1967 Noten
2.
Middelwatering
Hulpkaart Middelwatering Eerste naoorlogse uitbreidingsplannen Noten Contrei
september 2023
Geselecteerde projecten 747-woningen Rijwoningen van Wissing Rijwoningen van Verschoor en Bier
60 62 67 71
3.
74 76 77 83 87 88
4.
27 27 30 35 40 41 43 44 59
Capelle-West
Hulpkaart Capelle-West Naoorlogse planvorming Plan 1956 Plan 1960 Plan 1965 Bestemmingsplan capelle-West Noten
5. 25
Schenkel-Zuid
Hulpkaart Schenkel-Zuid Kom Bermweg (Schenkel-Oost) Schenkel-West Noten Geselecteerde projecten Wingerd, Bongerd, Dotterlei, Wilgenhoek Haagwinde
Oostgaarde
Plannen Instituut Stad en Landschap Plan Hazewinkel voor het noordelijk deel van Oostgaarde Bestemmingsplan Oostgaarde Schetsplannen Veranderende inzichten: wijziging van het bestemmingsplan Verschil van inzicht tussen Hazewinkel en de dienst openbare werken Hulpkaart Oostgaarde Nadere uitwerking van de deelplannen Noten Geselecteerde projecten 4
89 93 96 98 99 101 102 104 105 107 108 110 113 117 124 128 131 132 133 141 142
HYPERLINKS De inhoudsopgave is in het digitale document voorzien van hyperlinks. Door met de muis in de bovenstaande inhoudsopgave op een titel te klikken komt u automatisch in het betreffende deel van de verkenning. Door op een randbalk te klikken komt u terug in deze inhoudsopgave.
het Verhaal van Capelle 1945-1990
6.
Bergenbuurt Diepenbuurt De Baronie
144 147 152
Schollevaar
156 158 159 162 164 165 167
Schollevaar(t), planontwikkeling Structuurplannen Hazewinkel en het ‘witte boekje’ Programma van eisen Hoofdstructuur van de wijk Uitwerking van de hoofdstructuur Bestemmingsplan Schollevaar: globaal plan + Deelplan 1 Intentiekaart Het ‘rode boekje’ Globaal bestemmingsplan Schollevaar en deel 1 Karakteristieken van het plan Hulpkaart Schollevaar deelplannen Deelplan 1 De woonbuurten Parkeer- en woondekken De terpen Wonen op het water Hulpkaart Schollevaar deelplan 1 Deelplan 2 De voorzieningenstrook Het noordelijke gedeelte De zuidelijke rand Hulpkaart Schollevaar deelplan 2 Het centrum van Schollevaar Deelplan 3 a+b Deelplan 3a Voorzieningenstrook Hulpkaart Schollevaar deelplan 3
Contrei
september 2023
168 168 169 173 174 175 176 178 178 180 180 181 182 182 182 183 187 188 189 189 189 191
Deelplan 3b Wonen aan een hofje Wonen aan groen en water Deelplan 4 Vak 4.8 Hulpkaart Schollevaar deelplan 4 Het rationele woonerf Noten Geselecteerde projecten Pallieterburg Filomeentje Erf Floris Burgwal Max Havelaarburg
194 194 195 197 197 198 199 200 201 204 207 211 215
7.
Hulpkaart Schenkel-Noord Een plan voor 1000 bewoners Planwijziging Noten Geselecteerde projecten
219 221 222 224 227 228
8.
229
Schenkel-Noord
Literatuur
5
het Verhaal van Capelle 1945-1990
Capelle aan den IJssel in vogelvlucht
A
A
1. Voorgeschiedenis
1. Voorgeschiedenis
Capelle aan den IJssel is een gemeente in de oostelijke periferie van Rotterdam. Er zijn vermoedelijk niet veel plekken die in nog geen vijftig jaar zo volledig van karakter zijn veranderd. Dat was ook de slotsom van het voorwoord dat de toenmalige burgemeester J. Verbree bij een boek over de geschiedenis van Capelle aan den IJssel schreef: ‘Wie dit boek gaat lezen, zal tot de slotsom komen, dat er in ons land nauwelijks plaatsen zijn aan te wijzen die een grotere gedaantewisseling hebben ondergaan dan onze woonplaats Capelle aan den IJssel.’1 Aan die conclusie valt moeilijk te ontkomen. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw was er sprake van een landelijk gebied; de vestiging van enkele industriële bedrijven sinds 1860 – een meekrapfabriek, een glasblazerij, en verder steenfabrieken en scheepswerven – deed daar weinig aan af. In enkele decennia is het landelijk karakter bedolven geraakt onder een reeks in ijltempo gebouwde woonwijken, die het inwonertal opjoeg van amper 9000 in 1948 tot een kleine 70.000 nu. Ook van het oorspronkelijke dijkdorp aan de Hollandsche IJssel zijn nog slechts delen over, en hetzelfde geldt voor de buurtschappen Keten, Oude Plaats en Nieuwe Schenkel.
‘s-Gravenweg 242, 2022 <Contrei>
Contrei
september 2023
7
het Verhaal van Capelle 1945-1990
Kaart van Rotterdam e.o, F.H. Görlitz, 1851 <RtSA 4001, 1558; nr. 1986-1918> Samengestelde kaart van de Topografische Dienst en rechtsvoorgangers, (1590) 1814-1932 (1993) <Het Nationaal Archief, 4 TOPO; 8.37 en 8.38> Contrei
september 2023
8
het Verhaal van Capelle 1945-1990
1. Voorgeschiedenis
A
Rond het jaar 1100 begon de ontginning in deze streek, wat de kenmerkende structuur oplevert die ook nu nog is te herkennen. Noordelijk van de iets hoger gelegen rug langs de Hollandsche IJssel ontstond een karakteristiek slagen- en werenlandschap, het resultaat van het perceelsgewijs uitgeven van kavels en het begrenzen ervan door nieuw gegraven, dicht bij elkaar gelegen sloten.3 De huidige gemeente Capelle ligt in de Polder Prins Alexander, en drie polders – de Keetense polder, de Middenmolens- polder en de Hooghdorpse polder – die samen de Gecombineerde polders in Capelle aan den IJssel vormen. Bodemdaling door het inklinken van het land noopte tot bemaling van de polders. Tot ongeveer 1870 in de negentiende eeuw werden die met windmolens bemalen, daarna nam stoomkracht het over; de molens werden Contrei
september 2023
A
gesloopt, maar het karakteristieke landschap bleef lange tijd intact.4 De Ommoorden Polder (de latere Prins Alexanderpolder) – door sterke vervening 15 veenplassen groot – kwam als droogmakerij tussen 1863 en 1874 door het inzetten van stoombemaling tot stand. De ringvaart (met daaraan de huidige Bermweg) dateert van 1866.
De Ringvaart gezien vanaf het het ‘s-Gravenpark in zuidwestelijke richting, 2022 <Contrei>
9
het Verhaal van Capelle 1945-1990
1. Voorgeschiedenis
De explosieve groei zorgde voor een scherpe tweedeling tussen de periode na de tweede helft van de jaren vijftig, toen de gemeente haar huidige identiteit vormde, en de voorgeschiedenis. Toch is ook die van belang. De streek waarin het dorp ontstond werd al voor onze jaartelling bewoond. De Bataven vertoefden er, en de Romeinen slaagden erin het in te lijven in hun imperium. Deze eerste bewoning is alleen in de vorm van archeologische overblijfselen bewaard – met één uitzondering: de ’s-Gravenweg, die teruggaat op een door de Romeinen aangelegde verbinding, tevens de eerste waterkering in deze streek.2 Rond het jaar 250 hielden de Romeinen het voor gezien en vestigden Friezen en Franken zich in deze streek. Niet voor lang. In de middeleeuwen steeg het waterpeil en dat dwong hen om hun heil elders te zoeken. Zij lieten nauwelijks zichtbare sporen achter. De oudste ook nu nog zichtbare tekenen van menselijke activiteit zijn in de verkaveling van delen van het landschap, in de oudste nederzettingen, en in de bedijking van de rivier te herkennen.
prooi aan de door de Bataafse Republiek gestimuleerde algehele afkeer tegen de oude elite. Alleen het koetshuis, het Dief- en Duifhuisje, het sloteiland, de dubbele slotgrachten en wat fundamenten overleefden dit vandalisme, maar het koetshuis viel in 1968 alsnog ten prooi aan de sloophamer.6 Capelle ontwikkelde zich tot een dorp rond de ‘Capel op tie Ysel’, met daarbij de grootste bebouwingskern. Daarnaast ontstonden enkele kleinere kernen. De bewoners voorzagen in hun levensonderhoud door als boeren of vissers te werken; het zwaartepunt van het boerenbedrijf lag aan de ’s-Gravenweg, de vissers woonden
westelijk, dichtbij de rivier en bij Kralingseveer met de grote zalmafslag. De rivieren nabij Capelle, Maas en Merwede, waren uitstekend geschikt voor de visserij op zalm. De gemeente bestond rond 1900 uit het eigenlijke dorp (de Kom, waarbij later Middelwatering ontstond), de aanzet van een dijkdorp aan de rivier (Keten, het latere Capelle-West), Oude Plaats en Schinkelsveen (Schenkel). Bebouwing die dateert van voor de tweede helft van de negentiende eeuw is er in deze streek maar weinig. Een uitzondering is de Dorpskerk, in oorsprong daterend uit het begin van de vijftiende eeuw, verwoest in 1574 en vervolgens hersteld in 1592 en 1664 - ‘65.
De Kerklaan met de Dorpskerk, 2022 <Contrei>
Contrei
september 2023
A
1. Voorgeschiedenis
In 1340 liet Dirk Traveys van Moordrecht iets ten westen van Capelle een kasteel bouwen, dat in 1352 tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten alweer werd verwoest. Op de fundamenten ervan werd in 1360 een niet versterkte woning opgericht die in 1390 tot een kasteel werd uitgebouwd, dat het maar vier jaar volhield en toen eveneens werd afgebroken. In 1430 werd het gedeeltelijk herbouwd, waarna het tot het begin van de zestiende eeuw in gebruik bleef. Het verviel en werd in 1612 vervangen door een nieuw kasteel, een slot dat eigendom was van Johan van der Veecken, een schatrijke Rotterdamse koopman van Mechelse origine. Het slot bleef bestaan tot 1798; toen viel het ten
10
het Verhaal van Capelle 1945-1990
A
De vestiging van industrieën maakte dat visserij en landbouw niet langer de belangrijkste bedrijfstakken waren in Capelle, de meeste inwoners vonden werk in de scheepsbouw en de steenbakkerijen. Vooralsnog had de industrialisatie geen consequenties voor haar zelfstandigheid, hoe klein het aantal inwoners ook was (nauwelijks 5000 in 1910).8 De gerichtheid op Rotterdam reduceerde het dorp niet tot een buitenwijk van de metropool-in-wording. Uit deze fase zijn verschillende gebouwen bewaard gebleven. De meeste boerderijen dateren uit de jaren rond 1880; de meeste woningen voor fabrieksarbeiders, die vaak door de fabrikanten zelf werden opgericht, zijn verdwenen. Pas in 1862 kreeg de gemeente een raadhuis; hiervoor werd een herenhuis aangekocht en voor die bestemming verbouwd.9 In de jaren twintig verrezen aan de Piet Heinstraat de eerste woningen die aan de hedendaagse sanitaire eisen voldeden.10 Hoewel de eerste fase van de industrialisatie sporen naliet vallen ook die in het niet bij gevolgen van de bevolkingsexplosie die zich na de Tweede Wereldoorlog afspeelde. Contrei
september 2023
1. Voorgeschiedenis
Rond 1875 tekenden zich in Capelle ingrijpende veranderingen af. Doorslaggevend daarbij was de nabijheid van Rotterdam, de stad die na de aanleg van de Nieuwe Waterweg een spectaculaire groei meemaakte, die de stoot gaf tot de vestiging van fabrieken en scheepsbouwers in de wijde omtrek. Deze veranderingen kondigden zich al eerder aan met de aanleg van een spoorlijn van Utrecht via Gouda naar het Maasstation in Rotterdam. In 1855 kreeg Capelle een houten station aan deze lijn, in 1905 gevolgd door een tweede stationnetje bij Kralingse Veer. Het eenvoudige dorpsstation van Capelle werd in 1915 vervangen door een royaal bakstenen exemplaar, dat echter nog geen 20 jaar dienstdeed voor het personenvervoer. Concurrentie met het busvervoer deed het de das om.7 Het gebouw werd in de jaren zestig gesloopt.
Woningen aan de Piet Heinstraat, S. Gruteke, 1982 <Beeldbank HVC 730>
11
het Verhaal van Capelle 1945-1990
A
In de eerste jaren na de bevrijding verliep de ontwikkeling van Capelle langs dezelfde lijnen als in de periode ervoor. Met nog geen 10.000 inwoners had de gemeente weinig weg van een stad, en van de spectaculaire suburbanisatie die na het begin van de jaren zestig optrad was nog geen spoor te bekennen – aanvankelijk zelfs niet in de hoofden van de stedenbouwkundigen. Toch waren de wissels naar een nieuwe toekomst al gezet. In de volkshuisvesting nam de overheid het roer over van de particuliere bouwers. Dat veranderde het speelveld van de woningbouwcorporaties, die steeds meer als verlengstuk van de overheid gingen opereren. In 1950 kreeg ook Capelle een eigen woningbouwvereniging: Woningstichting Capelle aan den IJssel (Wostica). Deze bouwde, anders dan een in 1920 opgerichte socialistische voorganger die onder de naam Volksbelang opereerde maar alleen voor de eigen leden actief was, woningen voor iedereen. (Volksbelang realiseerde de eerste twee decennia van haar bestaan zo goed als niets.11) H. van der Kloot Meijburg ontwierp een bestemmingsplan voor woningbouw in polder Prins Alexander, ten noorden van de Bermweg-West, waarvoor hij ook woningontwerpen leverde. Het resultaat was de Bloemenbuurt in wat later de wijk Schenkel zou worden.
Langs de Ringvaart, de Bermweg en de Kanaalweg was hier al lintbebouwing aanwezig; Van der Kloot Meijburgs plan betrof dus inderdaad uitbreiding bij het bestaande, en niet de stichting van een nieuwe wijk in nog maagdelijk gebied. Duplexwoningen aan de Ericastraat in de Bloemenbuurt, 2022 <Contrei>
Contrei
september 2023
12
het Verhaal van Capelle 1945-1990
2. Wederopbouwperiode
2. Wederopbouwperiode
A
Contrei
september 2023
ringspoorbaan die het Maasstation, dat nu werd opgeheven, met station Delftse Poort (vlakbij het Hofplein) verbond (de directe verbinding over een viaduct langs de Rotte naar het nieuwe Centraal Station werd nooit gerealiseerd).12 Deze ingreep had gevolgen voor het polderland bij Capelle. Tot de aanleg van de spoorbaan leverde dat vanaf het opgespoten terrein bij de Kralingse Plas (de enkele veenplas die bij de aanleg van de Prins Alexanderpolder gehandhaafd bleef) de aanblik van een nagenoeg ongerept, karakteristiek polderlandschap op – het beeld dat G.J. de Jongh, directeur van de Rotterdamse dienst Gemeentewerken in het begin van de eeuw aangreep om zijn plannen voor het park bij de Kralingse Plas aan te prijzen. Dat uitzicht was in de jaren vijftig nog intact. Het nieuwe spoorwegtracé hakte het polderland in twee delen. Ten slotte lukte het in 1953 om een uitbreidingsplan voor de hele gemeente te presenteren. Dat was in de jaren ervoor stukje bij beetje uit min of meer losse fragmenten ontstaan en voorzag forse uitbreidingen bij Schenkel, Oude Plaats (vlakbij het oorspronkelijke dijkdorp) en Capelle-West.
13
2. Wederopbouwperiode
1953 markeert in de ontwikkeling van Capelle een belangrijke episode. In februari van dat jaar ontsnapte de gemeente ternauwernood aan de watersnoodramp, die vooral in Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden tot een catastrofe met talloze slachtoffers leidde. Na de ramp werd vrijwel onmiddellijk begonnen met noodmaatregelen om een volgende storm beter het hoofd te kunnen bieden. Van meer structurele aard was de bouw van een stormvloedkering nabij de monding van de Hollandsche IJssel in de Nieuwe Maas. In 1958 was de Algerakering klaar, compleet met een nieuwe brug en sluis – het was vermoedelijk de grootste infrastructurele ingreep in de gemeente tot dan toe. Daarbij bleef het niet: de noodzaak van dijkverzwaring maakte de sloop nodig van tal van dijkwoningen, waarmee het toch al karige historische gebouwenbestand nog verder terugliep. 1953 zag ook het definitieve einde van de spoorlijn van Gouda via Capelle naar het Maasstation in Rotterdam. Het tracé werd opgeheven, de Schielandweg in Nieuwerkerk en Abram van Rijckevorselweg kwamen ervoor in de plaats. Voortaan boog de lijn naar Rotterdam bij Nieuwerkerk af om aan te sluiten bij de in 1899 voor het goederenvervoer aangelegde
het Verhaal van Capelle 1945-1990
A
3. Groei Twee documenten markeren een omslag in het denken van planologen, politici en stedenbouwkundigen: de Nota Westen des Lands in 1958, en de Eerste Nota Ruimtelijke Ordening van 1960. Deze maakten aannemelijk dat zich een proces van razendsnelle verstedelijking aftekende waarvan het zwaartepunt in de westelijke provincies lag. Rotterdam, dat hard op weg was de grootste zeehaven ter wereld te worden, was een van de epicentra van deze trend, en dat maakte het noodzakelijk naar locaties voor woningbouw in de regio te zoeken. Het lag voor de hand dat hier voor Capelle aan den IJssel een belangrijke rol was weggelegd. De tijd van de langzame uitbouw van het dorp was voorbij. Binnen enkele decennia verrees een suburbane collage van woonwijken waar nu om en nabij de 70.000 mensen wonen. Alvorens de gemeente in onderdelen te ontleden gaan we in op de meest in het oog springende factoren die bij de uitbouw van Capelle een rol speelden. De identiteit van het huidige Capelle ontstond na de Tweede Wereldoorlog en markeerde een breuk met de voorgeschiedenis. Kenmerkend was dat de lotgevallen van het dorp nu volledig door Rotterdam werden bepaald, zonder dat Capelle haar status van zelfstandige gemeente hoefde prijs te geven. Het lijkt alsof de bereidheid zich ondergeschikt te maken aan Rotterdam een voorwaarde was om niet te worden opgeslokt.
In de gemeente ontstond een lappendeken aan woonwijken die schijnbaar weinig samenhang vertonen en waarvan moeilijk vol te houden is dat die door het oorspronkelijke dorp bijeengehouden worden.
De flats aan de Beemster- Purmer- en Schermerhoek gezien vanaf de Abram van Rijckevorselweg, 2022 <Contrei> aa
3. Groei
Bij het ontstaan van de ruimtelijke structuur van de gemeente speelden een aantal factoren een grote rol: de bevolkingsgroei, de industrialisatie en de daardoor aangezwengelde binnenlandse migratie, de opkomst van nieuwe inzichten in architectuur en stedenbouw, ontwikkelingen in de volkshuisvesting, en door dit alles onvermijdelijk geworden aanpassingen in de methodieken van de ruimtelijke ordening en stedenbouwkundige planning.
Contrei
september 2023
14
het Verhaal van Capelle 1945-1990
A Industrialisatie
Allereerst was daar het fenomeen van de bevolkingsgroei. Aanvankelijk schatten planologen en demografen die veel te laag in. In 1940 telde het land 8,83 miljoen inwoners; in 1946 verwachtte het CBS een beperkte toename tot 10,6 miljoen in 1970. Dat zou betekenen dat er per jaar grofweg 10.000 woningen extra nodig waren, nog afgezien van de vervanging van krotten en de noodzaak de tijdens de crisis en de bezetting opgelopen achterstanden in te lopen. Vier jaar later boog de Rijksdienst voor het Nationale Plan zich over de verwachte bevolkingsontwikkeling; nu verscheen ook het magische jaar 2000 in de prognoses. Die waren naar boven bijgesteld: de aantallen waren nu 12 miljoen voor 1970, en 15 miljoen voor 2000. Dat kwam neer op 25.000 nieuw te bouwen woningen per jaar, de vervangende nieuwbouw niet meegerekend. In 1965 kwam het CBS met nieuwe ramingen – en die waren verontrustend. Nederland kreeg te maken met een ware bevolkingsexplosie. In 2000 zouden er 20 miljoen mensen wonen, en die waren alleen te huisvesten als er ruim 65.000 woningen per jaar bij zouden komen; ondertussen nam de bezetting per woning af van 3,93 in 1950 tot 2,30 in 2000. De woningbouwplannen werden onder druk van deze cijfers voortdurend naar boven bijgesteld – ook in de regio Rotterdam.
Dit vooruitzicht maakte diepe indruk – het was een enormiteit, iets ongekends, beangstigend maar vooral fascinerend, een teken van vooruitgang dat optimistisch stemde, maar ook een fenomeen dat het land voor grote problemen stelde. Een golf van nieuwe mensen kwam aangerold. Maar nog voor de golf het verwachte hoogtepunt bereikte zwakte ze af. Groeiende welvaart leidt tot lagere geboortecijfers, de introductie van de anticonceptiepil deed de rest.
De noodzaak snel en veel te bouwen werd vergroot door de gevolgen van de industrialisatie, een tweede factor van belang. De rijksoverheid vond versnelde industrialisatie noodzakelijk als alternatief voor het verlies van Indonesië, dat in 1949 onafhankelijk werd. Hiermee verviel een grote economische inkomstenbron. Het industrialisatiebeleid had onbedoelde ruimtelijke consequenties. De eerste industrialisatienota’s gingen uit van de wenselijkheid de industrie zoveel mogelijk te vestigen in landelijke gebieden. Daar was het geboorteoverschot het grootst en zorgde de eveneens door het rijk bevorderde modernisering, mechanisering en schaalvergroting in de landbouw voor de uitstroom van arbeiders uit de landbouw. Industrie vestigt zich echter het liefst daar waar al industrie is. Er
Contrei
september 2023
kwam een binnenlandse migratie op gang naar de westelijke, al deels geïndustrialiseerde provincies. Ook de regio rond Rotterdam moest behalve de bevolkingsgroei ook de gevolgen van de trek naar het ‘westen des lands’ op zien te vangen, en Capelle had daarin een rol te vervullen. Dat veronderstelde nauwe samenwerking met Rotterdam. Deze tendensen hadden grote gevolgen voor de ruimtelijke structuur.
3. Groei
Bevolkingsexplosie
Flats aan het Valeriusrondeel, 2022 <Contrei>
15
het Verhaal van Capelle 1945-1990
A Nieuwe motieven in de stedenbouw
Contrei
september 2023
ren dat het open landschap door de compacte stadsvorm niet te veel werd aangetast, en de afstanden tussen de verschillende functionele zones in het bebouwde gebied beperkt konden blijven. Het model van de tuinstad werd in de wederopbouwperiode verlaten en vervangen door het concept van de wijkgedachte. Ook dat stelde betrekkelijk autonome wijken voor, maar nu waren die niet op de centrale kern georiënteerd, zoals in het interbellum, maar op wijken buurtcentra. Anders dan in de vooroorlogse tuinwijken overheerst sociale woningbouw. Drie typen domineerden: de rijtjeswoningen, de portiek- of galerijflats van drie of vier lagen, en hoogbouw. Woningplattegronden werden toegesneden op de grootte van de gezinnen. Plattegronden en woningtypologieën vertonen een hoge mate van standaardisatie, ongeacht de bouwwijze (aanvankelijk traditioneel, later steeds meer industrieel). De wijken zijn onderverdeeld in buurten; een van de motieven was dat dit bij zou dragen aan de vorming van gemeenschapszin. De wijken werden in betrekkelijk lage dichtheden ontworpen; het gesloten bouwblok werd afgezworen. De lage dichtheden zorgen voor een overdaad aan openbaar, publiek toegankelijk groen, dat een recreatieve bestemming kreeg. Een van de voordelen was dat een wijksgewijze uitgebreide stad ongeacht de uiteindelijke omvang altijd af was.
Een bijkomend pluspunt was de grote mate van flexibiliteit: de relatieve zelfstandigheid ten opzichte van andere wijken en stedelijke centra met meer hoogwaardige, niet voor het dagelijks gebruik nuttige voorzieningen gaf de stedenbouw-
16
kundigen een grote mate van vrijheid bij het kiezen van de locatie van de nieuwbouwwijken. In de loop van de jaren vijftig kwam er kritiek op met name sociale en maatschappelijke aspecten van de wijkgedachte en transformeerde het concept tot een meer pragmatische vorm van stedenbouw. De plangeschiedenis van Capelle illustreert deze laatste ontwikkeling voorbeeldig. De keuze voor de locatie van de wijken die na de wederopbouw tot stand kwamen, berustte echter niet op toeval of willekeur. De ontwerpers achtten een zekere ruimtelijke samenhang altijd van belang, en in het geval van Capelle speelden daarbij drie factoren een rol. In de eerste plaats de vraag of een nieuwe zelfstandige stedelijke kern met meer hoogwaardige voorzieningen – een satelliet- of subcity – nodig was tussen Rotterdam en Capelle, en zo ja waar die zou moeten komen en welke vorm die moest hebben. In de tweede plaats de ruimtelijke figuur. Vormden de wijken samenhangende radialen met groene wiggen ertussen, zoals in het model van de vingerstad (een variatie op de vooroorlogse radiale stadsuitbreidingen) werd voorgesteld? Een belangrijke vervolgvraag daarbij was: knopen ze dan aan bij de hoofdkern van de regio, Rotterdam? Of is de ligging volkomen vrij, of gericht op de eventueel nieuwe voorzieningenkern c.q.
subcity? Tot 1973 zouden de ontwerpers van dit laatste uitgaan en de verschillende wijken rond de nieuw gedachte voorzieningenkern groeperen, waarmee ze een satellietstad zouden moeten vormen.
het Verhaal van Capelle 1945-1990
3. Groei
In het denken van stedenbouwkundigen en planologen spelen ruimtelijke ideaalmodellen een grote rol. Tijdens de bezetting vond daarin een omslag plaats. In de jaren twintig en dertig omhelsden stedenbouwkundigen het ideaal van een compacte stad met radiale verstedelijkte banden die het omringende land instaken, en ertussen groene scheggen die tot dicht op de al bebouwde kern doordrongen. Op het internationale stedenbouwcongres dat in 1924 in Amsterdam plaatsvond werd het concept van de tuinstad in dit model geïntegreerd, wat het mogelijk maakte de radiale uitbreiding deels uit losse modules op te bouwen. Het oorspronkelijke, aan Ebenezer Howard toegeschreven concept voorzag in afzonderlijke kleine satellietsteden met woningen, industrie en culturele voorzieningen; ze zouden door Stichtingen worden opgericht die de grond in eigendom hadden. Howard zag de tuinstad als een alternatief voor de versteende, dichtbebouwde metropool; hij hield het particuliere grondeigendom verantwoordelijk voor veel van de misstanden die daar heersten. Het uitgesproken anti-metropolitaanse karakter en de voorkeur voor veel eengezinswoningen in het groen verklaren de term ‘tuinstad’, waarvan ook een wervende werking uitging. Hoewel verschillende tuinsteden werden gebouwd heeft geen enkele gefunctioneerd zoals Howard het zich voorstelde.
Nu kregen ze het karakter van afzonderlijke woonwijken die in de praktijk als forensenwijken fungeerden. Veel industrie en culturele voorzieningen hadden ze niet – die waren in de centrale stad te vinden. Zo ontstond het principe van de regionale stad die met zijn bebouwde vingers het landschap insteekt. De voordelen ervan wa-
A Een onafhankelijke subcity kwam echter niet tot stand en het gedachte voorzieningencentrum (Oosterhof/Alexandrium) werd onderdeel van Rotterdam-Prins Alexander. Daarna werd het vingerstadmodel met Rotterdam als regionaal centrum uitgangspunt. De Capelse stedenbouwkundige structuur met zijn bandstadachtige opzet en excentrisch geplaatste hoofdvoorzieningenkern (De Koperwiek, eerst gedacht als wijkwinkelgebied en later uitgebouwd als centrumvoorzieningen) is hiervan het gevolg. In de derde plaats speelde de invulling van het groen zelf een rol. Bleef dit vrij van bebouwing, of vormden de groene scheggen in de stedenbouwkundige structuur een ideale setting voor hoogbouw?
3. Groei
Verstedelijking van het RoCagebied volgens het vingerstadmodel uit 1973 <Frits Palmboom, De Architect 1990, nr. 39, p. 20>
Contrei
september 2023
17
het Verhaal van Capelle 1945-1990
Het zal geen verbazing wekken dat de stedenbouwkundige vraagstukken nauw samenhingen met de volkshuisvesting. De regie lag nu bij de centrale overheid, die zogenaamde ‘contingenten’ verdeelde over de gemeenten. Samenhangend met de veranderende stedenbouwkundige inzichten was er een sterke tendens naar bouwen in lage dichtheden. De ondergrens werd in de praktijk bepaald door de mogelijkheid die nog rendabel te kunnen exploiteren – grond is in Nederland ten slotte duur en schaars. In de plangeschiedenis van Capelle zijn verschillende momenten aan te wijzen waarbij plannen met onrendabele dichtheden werden bijgesteld, maar er was nog een motief om dat te doen: de noodzaak om, gezien de steeds verontrustender bevolkingsprognoses, meer mensen onder brengen. Dat had ook consequenties voor de wijze van bouwen. Aanvankelijk hoopte men de vraag naar nieuwe woningen aan te kunnen met de beproefde, traditionele bouwmethoden. Wel voorzag men al tijdens de bezetting de noodzaak van vergaande standaardisatie van woningplattegronden en bouwelementen, maar toen was kostenreductie een belangrijker motief dan de wens de productie dramatisch op te voeren.
Vlak na de oorlog ging de overheid het werken met bouwsystemen, industriële bouwmethoden stimuleren; in 1951 hield het rijk daar tijdelijk mee op uit vrees voor werkloosheid in de bouwvakken, maar toen duidelijk werd dat de vraag naar woningen explosief toe zou nemen bleek aan industriële bouwwijzen niet te ontkomen.13 Dat leidde tot veel hoogbouw, de vorm waar de voordelen van deze innovaties het best tot hun recht zouden komen. Gevolg was – behalve voortdurende aanpassingen van de stedenbouwkundige plannen – een Contrei
september 2023
Ondertussen dreigde de open ruimte in de Randstad dicht te slibben. Dat was een direct gevolg van de grootschalige toepassing van losse woonwijken in lage dichtheden en het opkomend forensisme met het daarmee gepaard gaande autoverkeer. Dat liep onvermijdelijk uit op een proces van ongebreidelde suburbanisatie. Dat werd gevoed door de binnenlandse migratie uit agrarische regio’s, maar ook door het wegtrekken van honderdduizenden mensen uit steden als Amsterdam en Rotterdam. Om de ruimte toch min of meer geordend in te richten introduceerde de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening in 1966 het concept van de ‘gebundelde deconcentratie’, een model dat de open ruimte moest sparen. In het verlengde ervan kwam het zogenaamde groeikernenbeleid van de grond, dat woningbouw in zogenaamde groeikernen met extra geld stimuleerde. In 1976 kreeg ook de gemeente Capelle aan den IJssel dit predicaat en dat maakte de bouw van extra woningen noodzakelijk. Maar daar komen we later op terug.
Delen van de wijken Middelwatering en Schenkel-West ontstonden toen het vooruitzicht van een razendsnelle bevolkingsgroei en de trek van grote groepen migranten van de agrarische regio’s naar de westelijke provincies de wereld van planologen en stedenbouwkundigen in haar greep begon te krijgen. De uitbouw van deze wijken begon met het RoCa initiatief: het door Rotterdam en Capelle ontwikkelen van een zelfstandige stad ten oosten van de Kralingse Plas. De Dienst Stadsontwikkeling Rotterdam maakte vanaf 1957 samen met instituut Stad en Landschap een reeks structuurstudies. De Capelse wijken maakten hiervan onderdeel uit. Grootschalige bouw van grote aantallen woningen was het devies, industriële bouwmethoden en de daardoor in de hand gewerkte hoogbouw het middel om dat te bereiken. Naast woongebieden omvatten de plannen terreinen voor recreatie, wegen en een grootschalig voorzieningencentrum. In het volgende deel B van deze studie, gewijd aan de ruimtelijke ontwikkelingen van de verschillende wijken, wordt uitgebreid ingegaan op de planvorming voor Rotterdam-Oost/ Capelle aan den IJssel.
Middelhoogbouw van het project 747-woningen, 2022 <Contrei>
18
A
3. Groei
Ontwikkelingen in de volkshuisvesting
vorm van nieuwbouw die vooral leek te zijn ingegeven door productietechnische motieven.
het Verhaal van Capelle 1945-1990
A
4. Verandering In de loop van de jaren zeventig veranderden de stedenbouwkundige ideaalmodellen opnieuw. Dat gebeurde onder invloed van toenemende kritiek op de gerealiseerde wijken. Die waren vaak grootschalig van opzet en ze werden gekenmerkt door een grote mate van repetitie van steeds dezelfde eenheden. Kees Somer maakt in een door de Rijksdienst Cultureel Erfgoed gepubliceerde Verkenning Post 65 gewag van onvrede over ‘…de technocratische werkwijze van bestuur en ambtenarij, het gebrek aan inspraak, de kapitalistische uitwassen in de vastgoedwereld en de eenzijdige focus op cityvorming’.14 Daarnaast was er op dat moment in de stedenbouwkundige opvattingen die focusten op repetitieve hoogbouwflats weinig aandacht voor de eengezinswoning, en juist dát deel van de woningvoorraad was – ook in de Rotterdamse agglomeratie - zeer gewild. Een groot deel van de openbare ruimte werd met het oog op het toenemend autobezit ontworpen, wat ten koste ging van de verblijfskwaliteit van de openbare ruimte. In reactie op deze kritiek ging rechtlijnigheid en herhaling plaats maken voor avontuurlijke verkavelingspatronen en wegenstructuren met woonerven; hoogbouw werd afgezworen en vervangen door eengezinswoningen en gestapelde laagbouw.
‘Kenmerkend voor de woningbouw in de jaren zeventig’, stelt de Verkenning Post 65, ‘is het streven naar veelvormigheid in woningen buurtontwerpen, als reactie op de repetitieve gestempelde stedenbouw in de voorafgaande periode’. Speelsheid en fantasie kregen alle ruimte.15 Ook in Capelle. Daarmee werd tegemoetgekomen aan de bezwaren van de bewoners, die door de gemeenteraad werden gedeeld. Dat burgers invloed op het beleid kregen was het gevolg van een ander ideaal uit deze tijd: dat van de inspraak. In dit geval waren het niet de nieuwe wijkbewoners die hun stem lieten gelden – het ging hier om nog niet gerealiseerde plannen – maar de bewoners van de al opgeleverde wijken. Deze inzichten kwamen niet voort uit de wereld van de ruimtelijke ordening, maar uit die van de volkshuisvesting. Vanuit dat domein kwamen ze ook weer onder druk te staan: het ideaal van dorpse laagbouw stond op gespannen voet met de noodzaak snel grote aantallen woningen op te leveren binnen een bepaalde kostprijs.
Contrei
september 2023
4. Verandering
Keerking gezien vanaf het Waardenpad en een parkeerhof bij Keerkring, 2022 <Contrei>
19
het Verhaal van Capelle 1945-1990
A Veranderingen in het planningsproces
Contrei
september 2023
De Scandinavische buurt met op de achtergrond de hoogbouw aan de Beemsterhoek, 2022 <Contrei>
moeienis met de vormgeving en esthetiek grotendeels op. De derde dimensie lieten ze over aan de architectuur. Dat ging ten koste van de ontwerpende component van de stedenbouw en, volgens latere critici, van de esthetische kwaliteiten van de dorpen en steden die zij hielpen bouwen. De wet van 1965 maakte de vaststelling en goedkeuring van een vlekkenplan mogelijk. Eén van de consequenties was een grotere rol van architecten in de stedenbouw, en het vervagen van het onderscheid tussen beide disciplines. Deze trend deed zich vooral in de jaren zeventig gelden, toen architecten het terrein van de stedenbouwkundige vormgeving veroverden en hun nieuwe positie aangrepen om hun fantasie de vrije loop te laten. 20
In deze periode van groei naar verandering werd Oostgaarde ontworpen en gerealiseerd. De plannen voor deze wijk gingen een paar keer over de kop en Oostgaarde markeert daarmee het afscheid van de modernistische grootschaligheid uit de periode van groei naar een kleinschaliger en gevarieerdere invulling en experimenten kenmerkend voor de periode van verandering die erop volgde. Het resulteerde in fors van elkaar afwijkende woningbouwcomplexen. Tijdens de planvoorbereiding van de volgende wijk – Schollevaar – werd Capelle aan den IJssel aangewezen als groeikern.
het Verhaal van Capelle 1945-1990
4. Verandering
Ten slotte was er de praktijk van de planning zelf. Het daarvoor opgebouwde instrumentarium was vastgelegd in de Wederopbouwwet. Kern van het stedenbouwkundig plan was het vastleggen van de infrastructuur, de functionele zonering, en de positionering en typologie van de bebouwing. De gang van zaken werd als ontoereikend ervaren, en er werd voortdurend van afgeweken. Vaak veroorzaakten onbeduidende verschillen tussen uitbreidings- en onteigeningsplannen vertraging. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten bemoeide zich met de kwestie, en meende ‘dat de stedebouw op gemeentelijk niveau – gedwongen door de huidige dynamische ontwikkeling – bewegen moet in dezelfde richting als de nationale en regionale planologie, de richting namelijk waarbij het gedetailleerde en gefixeerde plan steeds meer vervangen wordt door een algemeen en soepel plan, dat pas bij de realisering geheel wordt uitgewerkt’.16 De Wet op de Ruimtelijk Ordening van 1965 moest de stedenbouwkundige planning flexibeler maken door het zwaartepunt van de planvorming te verplaatsen naar de nieuwe figuur van het bestemmingsplan. Dat beloofde tevens een intermediair te zijn tussen de plannen op hogere schaalniveaus, en die op basis waarvan de stad werkelijk gebouwd werd. De veranderende regelgeving had consequenties voor de stedenbouwkundige vormgeving.
Vanaf de jaren twintig voorzag deze in een tamelijk strikte scheiding tussen het stedenbouwkundig plan en de architectuur. Tot in de jaren veertig zagen stedenbouwkundigen de artistieke vormgeving van de openbare ruimte als een belangrijk onderdeel van hun werk. Na een tendens die wel als een managerial revolution is aangeduid gaven de stedenbouwkundigen hun be-
De Derde Nota over de Ruimtelijke Ordening, die in verschillende etappes tot stand kwam (19731980) vormde het kader voor de aanwijzing van een reeks steden en dorpen, waaronder Capelle aan den IJssel, tot aanwijzing van groeisteden en -kernen. Het Kabinet-Den Uyl, dat er verantwoordelijk voor was, trok alles uit de kast om de ruimtelijke inrichting van Nederland op orde te krijgen voor het einde van de groei, aangekondigd door de Club van Rome en tijdelijk voelbaar gemaakt door de oliecrisis van 1973, dat onmogelijk zou maken. Stadsvernieuwing, bouwen voor de buurt en inspraak waren sleutelbegrippen – maar in Capelle draaide alles om de bouw van de
laatste nieuwbouwwijken. Voor de benoeming tot groeikern werd dan ook flink gelobbyd, want de aanwijzing betekende dat het rijk fors zou bijdragen aan de bouw van woningen. In 1976 werd in de Verstedelijkingsnota Capelle (tegelijk met een reeks andere dorpen en steden) aangewezen als groeikern. Behalve groeikernen met een nieuwe of verhoogde taakstelling, waaronder Zoetermeer, Almere en Lelystad werden groeikernen aangewezen met een aflopende taakstelling in de jaren tachtig – deze werden geacht hun bijdrage aan de woningbouw tegen die tijd te hebben geleverd. Daar viel Capelle aan den IJssel onder. De aanwijzing tot groeikern betekende dat de
Contrei
september 2023
Het grote struikelblok voor Capelle was de grens met Rotterdam. Vanaf de jaren vijftig was in loyale samenwerking gewerkt aan de plannen voor het RoCa-gebied, zonder te letten op de gemeentegrenzen. Toen Rotterdam krap in de eigen bouwgrond kwam te zitten, ontstond een strijd om de gemeentegrenzen. Bij de aanwijzing van Capelle als groeikern werden de problemen uiteindelijk opgelost nadat overeenstemming was bereikt over een grondruil. Zevenkamp en ‘s-Gravenland-West gingen naar Rotterdam en de met vervuild havenslib opgespoten polder Kralingen, ten oosten van de A16 ging naar Capelle. De bewoners van Kralingse Veer wilden bij Rotterdam blijven en de wigvormige wijk vormt sindsdien een enclave in Capelle aan den IJssel. Schollevaar en Schenkel-Noord kwamen vervolgens als groeikernwijken tot stand. Verder werd nog een deel van de benodigde woningen in Oostgaarde en in Capelle-West gerealiseerd. ’s-Gravenland, dat ook tot de groeikernwijken behoorde, werd pas later ingevuld. Voor Schollevaar werd een duidelijke hoofdstructuur opgesteld die een snelle invulling mogelijk moest maken. Bij de uitwerking werd vastgehouden aan de structuur van de wijk, waardoor de wijk veel homogener is geworden dan Oostgaarde.
De crisis noodzaakte echter in de loop van de uitvoering van de wijk tot aanpassingen, zodat in de laatste deelplannen aan de oost- en noordzijde versobering en verdichting plaats vond.
Woningen aan het Filomeentje Erf gezien vanaf de Reidans, 2022 <Contrei>
21
A
het Verhaal van Capelle 1945-1990
4. Verandering
Aanwijzing als groeikern
rijksoverheid voortaan zou bijdragen aan het scheppen van een woon-, leef- en werkklimaat van deze dorpen en steden. De aanwijzing betekende een strakke tijdsplanning. Volgens de afspraken met de centrale overheid moest Capelle aan den IJssel op 1 januari 1981 in het kader van het groeikernenbeleid 50.000 inwoners hebben bereikt.17
A
5. Differentiatie De laatste invullingen van Schollevaar en de realisatie van Schenkel-Noord werden gerealiseerd in de laatste tijdspanne die deel uitmaakt van de Post65-periode: die van differentiatie. Vanaf begin jaren tachtig ontstond kritiek op de ‘Nieuwe truttigheid’, zoals de architectuur uit de jaren zeventig genoemd werd. De complexe stedenbouwkundige structuur en het ‘bruin en schuine’ architectuurbeeld hadden afgedaan. Ervoor in de plaats kwam een gedifferentieerde architectuur met een veelheid in uitingsvormen die onder meer teruggreep op de vormentaal van het vooroorlogse modernisme. Dat leidde onder andere tot een soort raamwerkstedenbouw met overzichtelijke geometrische patronen, waarbinnen de verschillende vakken vaak een eigen invulling kregen. Op het gebied langs de A16, dat was opgespoten met vervuild havenslib werden Businesspark Rivium en de woonwijk Fascinatio gebouwd.18 Daarbij leverde de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening van 1984, en de Vierde Nota Extra, die de uitgangspunten van het ernaar vernoemde Vinexbeleid bevatten, het kader. De stagnerende economie noopte het rijk de collectieve sector aan te pakken en dat leidde tot een radicale omslag. In plaats van het verdelen van de welvaart richtte het beleid zich nu op het versterken van kansrijke regio’s met in potentie een sterke economische basis.
Daartoe hoorden de zogenaamde ‘main ports’ Schiphol en de Rotterdamse haven. In Capelle werd in 1991 begonnen met de bouw van de wijk ’s-Gravenland, waarbij de gemeente het geluk had een overschot uit het intussen ten grave gedragen groeikernenbeleid in deze Vinexlocatie te mogen investeren.19 De wijk sluit aan op Fascinatio, genoemd naar een boek van Tom Manders jr. (Fascinatio, de wonderwind) en het bedrijvenpark Rivium. Deze drie wijken vormen - tot stand gekomen in de periode na 1990 - geen onderwerp van deze studie. Met de bouw van deze drie wijken kwam een eind aan een halve eeuw modulaire stedenbouw – de constructie van in zichzelf tamelijk complete, duidelijk begrensde woongebieden. Ze zijn niet meer op te vatten als relatief zelfstandige gebieden, maar eerder als onderdeel van een grotere netwerkstad. Voor zover er nog sprake zal zijn van verdere groei in Capelle, wordt die opgevangen binnen de al bebouwde gebieden; verdichting is daarbij het sleutelbegrip. Contrei
september 2023
5. Differentiatie
Woningen aan de Windmolen, 2022 <Contrei>
22
het Verhaal van Capelle 1945-1990
A
Noten 1 Carola Peters-van der Gouw (red.), Capelle aan den IJssel. De geschiedenis, Capelle aan den IJssel 1991.
stedebouw tijdens de bezetting en de wederopbouw van Nederland, Rotterdam 1945, 242-267.
2
Wim van Bremen e.a., Van dijkdorp tot woonstad. Een eeuw bouwen en wonen in Capelle aan den IJssel, Capelle aan den IJssel 2009, 11.
14 Kees Somer, Groei, verandering, differentiatie. Architectuur in Nederland 1965-1990, Amersfoort 2020, 10.
3 H.J. Stuvel, Capelle a/d IJssel. De metamorfose van dijkdorp tot stad, Capelle aan den IJssel 1966, 5.
15
Verkenning Post 65, Amersfoort 2018, 10.
GAC, toegang 1340, archief van de gemeente Capelle aan den IJssel, inv.no. 2246. Ongedateerd stuk over de wetswijziging ruimtelijke ordening. Bestemmingsplan Schenkel-Oost. Ontwerp (met toelichting en voorschriften)
16
H.J. Stuvel, Capelle a/d IJssel. De metamorfose van dijkdorp tot stad, Capelle aan den IJssel 1966, 5. 4
5 H.J. Stuvel, Capelle a/d IJssel. De metamorfose van dijkdorp tot stad, Capelle aan den IJssel 1966, 5.
GAC, toegang 1393, archief van de dienst gemeentewerken/openbare werken, inv.no. 483. Brief van openbare werken Capelle aan den IJssel aan de Centrale Directie van de Volkshuisvesting, 18 september 1978.
17
6 Paul Weyling, Capelle toen en nu. Geschiedenissen en herinneringen uit Capelle aan den IJssel, Capelle aan den IJssel 1998, 13.
Wim van Bremen e.a., Van dijkdorp tot woonstad. Een eeuw bouwen en wonen in Capelle aan den IJssel, Capelle aan den IJssel 2009, 103.
18
Paul Weyling, Capelse historie. ‘Vroeger hoort erbij’, Capelle aan den IJssel 2005, 8. 7
Wim van Bremen e.a., Van dijkdorp tot woonstad. Een eeuw bouwen en wonen in Capelle aan den IJssel, Capelle aan den IJssel 2009, 113.
19
Wim van Bremen e.a., Van dijkdorp tot woonstad. Een eeuw bouwen en wonen in Capelle aan den IJssel, Capelle aan den IJssel 2009, 13. 8
9 E.A. Obbes, Capelle aan den IJssel op de grens van twee eeuwen, Capelle aan den IJssel 1999, 9.
Wim van Bremen e.a., Van dijkdorp tot woonstad. Een eeuw bouwen en wonen in Capelle aan den IJssel, Capelle aan den IJssel 2009, 14.
10
Paul Weyling, Capelse historie. ‘Vroeger hoort erbij’, Capelle aan den IJssel 2005, 43.
11
Noor Mens, W.G. Witteveen en Rotterdam, Rotterdam 2007, 145.
Noten
12
Helma Hellinga, ‘De Woning als massaprodukt’, in K. Bosma, C. Wagenaar, Een geruisloze doorbraak. De geschiedenis van architectuur en
13
Contrei
september 2023
23
het Verhaal van Capelle 1945-1990
B
Ruimtelijke ontwikkelingen in de naoorlogse wijken (1945-1985)
1. RoCa: Rotterdam en Capelle aan den IJssel bouwen een nieuwe stad Bijschrift
Luchtfoto Ommoord, Foto Service Nederland, 1981 <Beeldbank HVC 3700>
Contrei
september 2023
25
het Verhaal van Capelle 1945-1990
B Wat Capelle interessant maakt is dat het door de snelle opeenvolging van tendensen in de vier genoemde domeinen (de bevolkingsgroei, de industrialisatie en de daardoor aangezwengelde binnenlandse migratie, nieuwe inzichten in architectuur en stedenbouw en de ontwikkelingen in de volkshuisvesting) een merkwaardig borduursel van steeds maar deels gerealiseerde architectonisch-stedenbouwkundige modellen en volkshuisvestelijke ideaalbeelden is. Achtergrond is een unieke constellatie: omdat Rotterdam zich gedwongen zag woningbouw buiten de gemeentegrenzen te realiseren en annexatie van die gemeenten niet aan de orde was, moesten nieuwe strategieën worden beproefd. Voor het gebied aan de oostzijde van de stad leidde dat tot het besluit om beide gemeenten gezamenlijk verantwoordelijk te maken voor de bouw van één grote stadsuitbreiding die voor ongeveer de helft op Rotterdams grondgebied zou liggen, en voor de andere helft op dat van Capelle. Rotterdam-oost/Capelle aan den IJssel – verkort als ‘RoCa’ werd de samenvattende term voor het te bebouwen gebied. Omdat Capelle veel te klein was voor een eigen stedenbouwkundige dienst, deed de gemeente een beroep op het Instituut Stad en Landschap van Zuid-Holland, dat veel gemeenten adviseerde. Voor RoCa werkte het Instituut nauw samen met de
1. RoCa
dienst Stadsontwikkeling van Rotterdam.
Gemeentewerken Rotterdam, topografische kaart Rotterdam en omgeving, uitsnede, 1984 <SAR> Contrei
september 2023
26
het Verhaal van Capelle 1945-1990
B Toelichting op het Schetsplan Rotterdam-Oost 1957 De plangeschiedenis van het RoCa initiatief begint met de Toelichting op het Schetsplan Rotterdam-Oost van de Dienst Stadsontwikkeling en Wederopbouw van Rotterdam dat dateert van 29 november 1957.1 Het voorzag in een satellietstad met een regionale functie en overloopgebieden voor bedrijven waarvoor in Rotterdam geen plaats was. Deze nieuwe stad lag centraal in het plangebied, dat werd begrensd door Rotterdam in het westen, de Rotte in het noorden, de grens met Nieuwerkerk aan den IJssel in het oosten, de Hollandsche IJssel in het zuidoosten en de Nieuwe Maas in het zuiden. Capelle en de gehuchten in de buurt maakten deel uit van het plangebied. Het plan was opgebouwd uit afzonderlijke terreinen bestemd voor een stadsdeelcentrum (subcity), woongebieden, bedrijven, recreatie, een begraafplaats, wegen en spoorwegen. Het gebied moest zelfverzorgend zijn. De subcity zou volgens het plan centraal in het gebied komen te liggen, ten westen van de buurt Schenkel.
Structuurschema 1959
Contrei
september 2023
1. RoCa
Het schetsplan uit 1957 was de opmaat voor een uitgewerkt Structuurschema voor de ontwikkeling van Rotterdam-Oost en Capelle aan den IJssel dat in 1959 aan beide gemeenten werd gepresenteerd. Achtergrond was de nota Het Westen des Lands, dat de termen ‘Randstad’ en het ‘Groene Hart’ introduceerde. Het schema ging terug op een schets van Lotte Stam-Beese, hoofdstedenbouwkundige van Rotterdam; hierin werd voor het eerst hoogbouw in een groene omgeving geïntroduceerd met een verkaveling in de vorm van molenwieken. De verstedelijkte as waarvan deze hoogbouw deel uitmaakte liep in noord-zuid richting van de Rotte naar de Hollandsche IJssel; een groene gordel verbond deze subcity met de Kralingse Plas; de satellietstad zou niet minder dan 175.000 mensen moeten huisvesten. (In 1955 telde de gemeente Capelle 8713 inwoners!2). Er zouden 49.500 woningen worden gebouwd in afwisselend hoog- en laagbouw. 41 procent van de woningen zou uit laagbouw bestaan. In overeenstemming met de Nota Westen des Lands werd de ruimte tussen Capelle en Gouda als onderdeel van het groene hart opgevat en opengelaten.3 De snelweg A 16, deel van de ruit rond Rotterdam, vormde de westelijke grens, een acht kilometer brede groene zone de oostelijke. 27
het Verhaal van Capelle 1945-1990
B Het Structuurschema Rotterdam-Capelle 1959 toont wijken in laagbouw (lichtgrijs) en middenhoogbouw (antraciet), gescheiden door een stelsel van stedelijke hoofdwegen en wijkontsluitingswegen en ruime groenstroken. Aan de westzijde loopt de rijksweg A16 en in het noorden de geplande A3. De spoorbaan in de richting van Gouda heeft in Capelle een afsplitsing naar Krimpen aan den IJssel. Een centrale noord-zuidzone verbindt de Rotte in het noorden met de Hollandsche IJssel in het zuiden. In deze groene zone is (in geel) de sub-city opgenomen, het centrumgebied van Rotterdam-Capelle. Deze zou op de grens van de twee gemeenten komen. Tevens zijn in de zone, in het noorden en in het midden, (in zwart) hoge gebouwen, in de vorm van molenwieken opgenomen. Een snelvervoerstracé (rode stippellijn) zou het centrumgebied via het huidige Ommoord met het centrum van Rotterdam verbinden. Er zijn op de tekening vier bruggen over de Hollandsche IJssel weergegeven: ten behoeve van de snelweg naar Dordrecht (de latere Brienenoordbrug), ten behoeve van de provinciale weg naar Krimpen (de latere Algerabrug), een wegbrug meer oostelijk en een spoorbrug aan de rand van het plangebied.
1. RoCa
Dienst voor Stadsontwikkeling en Wederopbouw Rotterdam en Instituut Stad en Landschap, aa Structuurschema Rotterdam-Capelle aan den IJssel, februari 1959 <GAC 1340/2131>aa
Contrei
september 2023
28
het Verhaal van Capelle 1945-1990
Lotte Stam-Beese, Structuurschetsontwerp Rotterdam-Oost/ Capelle aan den IJssel, 1959 <HNI, STAB>
De richting waarin de plannen zich ontwikkelden stuitte op kritiek. Commentatoren in de vakpers die kennelijk op de hoogte waren van eerdere suggesties waren teleurgesteld – waarom is de gedachte om in het RoCa-gebied uitsluitend hoogbouw te krijgen verlaten? En hoe denkt men met 41% eengezinswoningen een grootstedelijk milieu te maken?4 Deze bedenkingen schaadden het rotsvaste vertrouwen in een gouden toekomst echter niet in het minst. In 1966 gold nog steeds optimisme en geloof in de vooruitgang, zoals te lezen is in het boekje Capelle aan den IJssel, de metamorfose van dijkdorp tot stad, dat uitging van 200.000 inwoners…5 De bevlogen auteur prees de nieuwe manier van werken: ‘Deze moderne aanpak heeft het onmiskenbare voordeel dat de ontwerpers op alle manieren kunnen streven naar een “foutloze” stad, waarbij vooral het voorkomen van de onontwarbare verkeerspuzzles in de oude steden tot ieders verbeelding zal spreken.’6
Contrei
september 2023
29
1. RoCa
Dit schetsontwerp van Lotte StamBeese vormde de basis voor het Structuurschema. In dit plan introduceerde zij de hoogbouw in een groene omgeving met een verkaveling in de vorm van molenwieken. Stam-Beese was een stedenbouwkundige, die – overeenkomstig de opvattingen van die tijd – niet uitging van bestaande landschappelijke gegevens. Zij nam bijvoorbeeld de ringvaart ter plaatse van het nieuwe RoCa-centrumgebied niet integraal op in het plan en ook de historische ’s-Gravenweg gaf zij niet aan.
B
het Verhaal van Capelle 1945-1990
B Werkschema Rotterdam-Oost 1962 de Dienst voor Stadsontwikkeling en Wederopbouw maakte en waarin zij de ligging van de subcity in relatie tot de Rotte en de Hollandsche IJssel bestudeerd. Dit resulteerde in het Werkschema Rotterdam-Oost Capelle aan den IJssel dat in februari 1962 verscheen. Daarin verschoof de subcity volgens de schetsen van Stam-Beese in de richting van de A3 en was deze verkleind ten gun-
ste van beter uitgebouwde wijkcentra; de ligging aan het station was nu prominenter en er was afgezien van het koppelen van dure hoogbouw aan goedkopere laagbouw. Dat maakte een vrijere toepassing van hoogbouw mogelijk. Een zone langs de Rotte werd nu als recreatiegebied aangewezen; de opgeschoven ligging van de subcity maakte het mogelijk het groen van deze zone tot in deze kern te laten doordringen. De navolgende afbeeldingen tonen de ontwikkeling van de planvorming.
In dit schetsontwerp ligt de sub-city nog centraal in het plangebied, maar is compacter geworden. De wijken kregen nu elk een eigen centrum rond de sub-city. De ringvaart is nu als begrenzing van het centrum op de plankaart herkenbaar. Rondom het centraal gelegen centrum projecteerde Stam-Beese meerdere schijfflats in ruime groengebieden. Lotte Stam-Beese, schetsontwerp voor het RoCa-gebied, 10 februari 1960 <HNI, STAB> Contrei
september 2023
30
het Verhaal van Capelle 1945-1990
1. RoCa
Kritiek van het Rijk en de gemeentelijke stedenbouwkundige diensten leidde in 1960 tot een alternatief dat de satellietstad opschoof naar het noorden, in de richting van de geplande A3, de snelweg die direct van Amsterdam dwars door het groene hart naar Rotterdam zou leiden, zonder de omweg via Den Haag, maar die uiteindelijk niet werd uitgevoerd. Het alternatieve plan was gebaseerd op een reeks schetsen die Lotte Stam-Beese vanaf 1959 voor
B Met deze schets onderzoekt StamBeese of de rijksweg A3 in het recreatiegebied langs de Rotte getrokken moet worden. Er is sprake van een vergroting van het verstedelijkingsgebied, met name ten noorden van de Rotte. De sub-city verschuift in noordelijke richting en is nu meer als lineaire strook opgevat, maar nog steeds gekoppeld aan het stedelijke snelvervoerstracé (rode lijn). De groene verbinding noord-zuid van Rotte naar Hollandsche IJssel in relatie tot het centrumgebied is nu verdwenen. De locatie van het te vervallen spoorwegtracé, de latere Abram van Rijckevorselweg is nu als hoofdelement in het plan opgenomen. De positie van de ringvaart en de Bermweg lijken nu deel uit te maken van het plan.
1. RoCa
Lotte Stam-Beese, schetsontwerp voor het RoCa-gebied, 10 juni 1960 <HNI, STAB>
Contrei
september 2023
31
het Verhaal van Capelle 1945-1990
B
1. RoCa
De groene zone tussen de Rotte in het noorden en de Hollandsche IJssel in het zuiden is definitief uit het plan gehaald. Daarvoor in de plaats zijn twee aparte zones gekomen die oost-west zijn gericht. Het RoCa-centrumgebied grenst zowel aan de noord- als aan de zuidzijde aan deze groene zones.
Lotte Stam-Beese, schetsontwerp voor het RoCa-gebied, medio 1960 <HNI, STAB> AA
Contrei
september 2023
32
het Verhaal van Capelle 1945-1990
B
1. RoCa
Het Werkschema sluit aan op de schets uit medio 1960, maar nu is de locatie van de latere Abram van Rijckevorselweg min of meer vastgelegd. De zone tussen de Bermweg met de ringvaart en de latere Abram van Rijckevorselweg is nog als woongebied geïnterpreteerd, waarbij zowel aan de westzijde als aan de oostzijde de molenwiekflats in een ruime groene zone werden gesitueerd. Ook de toekomstige recreatiegebieden langs de Rotte werden door een groene zone, met daarin molenwiekflats, met het centrum verbonden. De sub-city is verkleind en verder naar het noorden opgeschoven in de richting van het station aan de spoorlijn RotterdamUtrecht. De afzonderlijke wijkcentra werden vergroot.
Dienst voor Stadsontwikkeling en Wederopbouw Rotterdam AA en Instituut Stad en Landschap, Werkschema februari 1962 <HNI, STAB>AA
Contrei
september 2023
33
het Verhaal van Capelle 1945-1990
B
Situatie van de wijken binnen het RoCa-gebied in het boekje Capelle a/d IJssel de metamorfose van dijkdorp tot stad uit 1966 <GAC 1340/333>
Contrei
september 2023
34
het Verhaal van Capelle 1945-1990
1. RoCa
Cover boekje Capelle a/d IJssel de metamorfose van dijkdorp tot stad uit 1966 <GAC 1340/333>AA
B Aangepast schema 1967
Contrei
september 2023
Het vingerstadmodel gaat terug op het al in 1910 bij de prijsvraag voor Groß Berlin geopperde idee om de traditionele, concentrische stadsuitleg te vervangen door een radiale variant, waarbij bebouwde zones zich vanaf het centrum uitstrekten in het omliggende platteland, met onbebouwde, groene zones ertussen. Het werd in de jaren vijftig en zestig nieuw leven ingeblazen in Scandinavië, met name in Kopenhagen. Voor Capelle was het model verstrekkend. Waar de kern lag van waaruit de vingers zich naar buiten bewogen was wel duidelijk: dat was Rotterdam. De in Capelle geprojecteerde stadsdelen werden tot vingers zonder kernfuncties gereduceerd. De plaats waar de nieuwe wijken moesten komen werd herzien; zo schoof Schollevaar op naar het noorden. In plaats van een kern met hoogwaardige voorzieningen moest Capelle het doen met een aantal kleinere wijkwinkelcentra. In 1974 werd duidelijk dat het idee van de satellietstad definitief was verlaten en vervangen door dat van de vingerstad. Volgens de stedenbouwkundige Frits Palmboom impliceerde dat ‘extreme city-vorming’ waar de vingers bij elkaar komen – dus in Rotterdam, en bijgevolg het uitkleden van de stedelijke functies in het RoCa-gebied.9 Oosterhof c.q.