07.04 - bijlage 3. Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Warmteprogramma
Tekst van het document
Bijlage 3 Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) Onderdeel van plan-mer Warmteprogramma 2026
Concept December 2025 Pieter de Bruijn Afdeling Stadsontwikkeling Gemeente Capelle aan den IJssel
1
Inhoudsopgave 1. Inleiding en context............................................................................................ 3 1.1 Aanleiding en achtergrond............................................................................... 3 1.2 Wat is een warmteprogramma?........................................................................3 1.3 Waarom gaat Capelle een plan-mer procedure inclusief NRD doorlopen?........4 1.4. Leeswijzer........................................................................................................ 6 2. Voorgenomen plan: warmteprogramma 2026....................................................6 2.1 Inhoud en opbouw van het warmteprogramma................................................6 2.2 Uitgangspunten, randvoorwaarden en afwegingskader...................................7 2.3 Activiteiten....................................................................................................... 7 2.4 Duurzame bronnen........................................................................................... 7 2.5 Warmtetechnieken........................................................................................... 8 2.6 Plangebied........................................................................................................ 8 3.
Methodiek........................................................................................................... 9 3.1 Te onderzoeken thema’s en beoordelingskader................................................9 3.2 Omgang eerdere adviezen commissie mer....................................................14 3.3 Onderzoeksmethodiek.................................................................................... 14 3.4 Beoordelingsmethodiek.................................................................................. 16 3.5 Buurttype....................................................................................................... 16 3.7 Detailniveau van onderzoek...........................................................................17 4. Beleidskader..................................................................................................... 18 4.1 Gemeentelijk beleid........................................................................................ 18 4.2 Regionale kaders............................................................................................ 19 4.3 Nationaal beleid en wetgeving.......................................................................19 5.
Plan-mer procedure en globale planning..........................................................20 5.1 Initiatiefnemer en bevoegd gezag..................................................................20 5.2 Participatie en consultatie..............................................................................20 5.3 Globale planning............................................................................................. 22
2
1. Inleiding en context 1.1 Aanleiding en achtergrond Dit is de notitie van reikwijdte en detailniveau (NRD) voor het plan-mer dat wordt opgesteld voor het warmteprogramma van de gemeente Capelle aan den IJssel. De NRD is de eerste stap in de procedure van de milieueffectrapportage (planmer). Deze NRD beschrijft welke milieueffecten in het plan-mer worden onderzocht en op welke manier dit onderzoek wordt uitgevoerd. Met de NRD wil Capelle betrokkenen en belanghebbenden informeren over de inhoud en diepgang (de reikwijdte en het detailniveau) van het nog op te stellen plan-mer.
1.2 Wat is een warmteprogramma? Met het warmteprogramma leggen we het strategisch beleid vast om in 2050 aardgasvrij te zijn. Het programma is de opvolger van de Transitievisie Warmte uit 2022 en beschrijft de aanpak voor isoleren en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Op 1 juli 2026 zal de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) in werking treden. Deze wet schrijft voor dat iedere gemeente uiterlijk 31 december 2027 een warmteprogramma moet hebben vastgesteld. Het warmteprogramma schetst een realistisch tijdspad voor de jaren 2026-2035, met een doorkijk naar 2050. Binnen deze periode geven we aan in welke wijken en buurten de gemeente aan de slag gaat met het aardgasvrij maken, op welke wijze en wanneer. Het warmteprogramma bouwt voort op de transitievisie warmte en zal per buurt een voorkeursoplossing voor duurzame warmte benoemen, inclusief een planning welke gebieden prioriteit krijgen vóór 2030. Belangrijk is dat het warmteprogramma een beleidsmatig kader schept: het is géén gedetailleerd technisch uitvoeringsplan, maar geeft richting en criteria voor vervolgbesluiten. Het programma geeft bijvoorbeeld aan in welke buurten de gemeente haar aanwijsbevoegdheid wil gebruiken om een collectieve warmtevoorziening verplicht te stellen. Later werken we wijkuitvoeringsplannen uit, waarvoor aparte besluitvorming en vergunningprocedures volgen.
Het warmteprogramma is de kapstok voor alle acties binnen de warmtetransitie in Capelle. Het biedt duidelijke kaders voor de organisatie en stakeholders, en geeft inwoners, bedrijven en instellingen handelingsperspectief over de warmtetransitie. Ook geeft het inzicht in de rol van de gemeente en het inzetten van de aanwijsbevoegdheid. We gaan het resultaat meten met CBS-cijfers en Stedin-cijfers over aardgasverbruik, het aantal woningen met een aardgasaansluiting en het aantal woningen die aangesloten zijn op een warmtenet.
3
1.3 Waarom gaat Capelle een plan-mer procedure inclusief NRD doorlopen? Bij het opstellen van een warmteprogramma moeten gemeenten nagaan of een milieueffectrapportage verplicht is. Een plan-mer laat vooraf zien wat de invloed van bepaalde keuzes op het milieu is. Zo kunnen gemeenten hun plannen zorgvuldiger onderbouwen en wordt duidelijker waarom bepaalde besluiten worden genomen. Daarnaast helpt het onderzoek om verschillende warmteoplossingen goed te vergelijken en om meer draagvlak te creëren bij inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen. Bij elke stap in het proces, bijvoorbeeld met het bijwerken van het warmteprogramma, het maken van een uitvoeringsplan of het wijzigen van het omgevingsplan, moet de gemeente beoordelen of een plan-mer of plan-mer-beoordeling nodig is. Een gemeente kan er ook bewust voor kiezen om een plan-mer uit te voeren, om verschillende mogelijkheden goed te kunnen afwegen of om meer draagvlak te krijgen bij inwoners en andere betrokken partijen. Of er een plan-mer of een plan-mer beoordeling nodig is, hangt niet af van de grootte van de gemeente, maar van de soort warmtetechniek die wordt toegepast en de mogelijke effecten daarvan op het milieu. Warmteprogramma’s stellen vaak kaders voor activiteiten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze activiteiten staan genoemd in Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob).
Het gaat bijvoorbeeld om:
Diepboringen, zoals geothermische boringen (categorie B4); Warmtecentrales of andere verbrandingsinstallaties die elektriciteit, stoom of warm water produceren (categorie C1); Buisleidingen voor het transport van stoom of warm water (categorie J9); Grondwateronttrekking of -aanvulling (categorie K1); Installaties voor verwerking van niet-gevaarlijk afval (categorie L2).
Een programma is kaderstellend wanneer het richting geeft aan toekomstige projecten of besluiten, bijvoorbeeld door aan te geven welke wijken een warmtenet krijgen of waar grondwater wordt onttrokken voor bodemenergie. Wanneer een warmteprogramma kaderstellend is aan één of meer van deze activiteiten, is er in principe sprake van een plan-mer plicht. Dit betekent dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld om de mogelijke milieugevolgen in beeld te brengen. Daarnaast kan er in sommige gevallen sprake zijn van een plan-mer beoordelingsplicht. Dat is het geval bij:
Projecten die mogelijk grote milieueffecten veroorzaken, maar niet specifiek in Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden genoemd (zoals all-electric-warmteoplossingen). Warmteprogramma’s die slechts kleine lokale aanpassingen bevatten of betrekking hebben op een klein gebied.
Omdat warmteprogramma’s meestal voor de hele gemeente worden opgesteld, geldt in de praktijk vaker een plan-mer-plicht dan alleen een plan-merbeoordelingsplicht. Een plan-mer beoordeling onderzoekt of een bepaalde warmtetechniek daadwerkelijk aanzienlijke milieueffecten kan veroorzaken. Als dat zo is, moet er een volledig plan-mer worden opgesteld. Zo niet, dan is de plan-mer beoordeling voldoende. 4
Plan-mer-plicht Capelle Om te bepalen of het warmteprogramma van Capelle aan den IJssel een plan-mer vereist, wordt eerst gekeken of het programma kaderstellend (de richtlijnen of uitgangspunten bepaalt) is. Omdat het warmteprogramma kaders stelt voor projecten die plan-mer beoordelingsplichtig zijn, zoals warmtenetten, is het programma kaderstellend en geldt een plan-mer plicht. Daarnaast is het belangrijk om het bestaande warmtenet van Eneco te noemen. Een deel van Capelle is al aangesloten op dit netwerk. Het warmteprogramma bouwt hier deels op voort en kijkt ook naar uitbreiding of aanpassing van dit netwerk. Met de komst van de Wet collectieve warmtevoorziening (WCW) moet de gemeente in de toekomst warmtekavels aanwijzen en hiervoor een warmtekavelplan opstellen. Een plan-mer niet alleen verplicht, maar ook waardevol om milieueffecten en toekomstige keuzes goed te onderbouwen. Op basis van de huidige uitgangspunten van het warmteprogramma is het waarschijnlijk dat er gebieden worden aangewezen voor een collectieve warmtevoorziening of voor grondwateronttrekking. Beide vallen onder de planmer-beoordelingsplicht. Daarom geldt het Warmteprogramma als kaderstellend voor plan-mer-beoordelingsplichtige projecten, wat betekent dat een plan-mer nodig is. Vervolgens kan worden beoordeeld of er mogelijk een uitzondering van toepassing is.
Twee uitzonderingen zijn hierbij relevant: een kleine wijziging van het programma en een klein gebied op lokaal niveau. Een kleine wijziging betekent dat het programma slechts beperkt wordt aangepast en geen grote milieugevolgen heeft. Omdat dit het eerste warmteprogramma is waarin nieuwe gebieden worden aangewezen voor een collectieve warmtevoorziening, is er geen sprake van een kleine wijziging. De uitzondering voor een klein gebied geldt alleen als het programma een heel klein deel van de gemeente betreft (meestal minder dan 1% van het grondgebied). Het warmteprogramma geldt echter voor alle bestaande woningen en utiliteitsgebouwen, waardoor ook deze uitzondering niet geldt. Op basis van deze stappen is geconcludeerd dat het Warmteprogramma van Capelle aan den IJssel kaderstellend is aan toekomstige projecten en dat er geen van de uitzonderingen op de plan-mer-plicht van toepassing is. Daarom zal de gemeente een volledige plan-mer-procedure doorlopen. Wat is een NRD? De NRD dient als startdocument voor de participatie van belanghebbenden en vormt de basis voor de beoordeling door het college van B&W (bevoegd gezag) en de commissie mer. De NRD is een wettelijk instrument binnen de procedure van een milieueffectrapportage (mer) en beschrijft:
Wat het voornemen is (hier: het warmteprogramma 2026) Wat de reikwijdte is van het te onderzoeken programma Welke alternatieven en varianten worden onderzocht Welke milieuthema’s relevant zijn Op welk detailniveau deze thema’s onderzocht worden
5
1.4. Leeswijzer De NRD wordt opgesteld om de scope en diepgang van het milieueffectonderzoek te bepalen voor het op te stellen plan-mer (Milieueffectrapport) voor het warmteprogramma 2026. Deze NRD beschrijft de voorgenomen activiteiten en alternatieven, de relevante milieuaspecten die onderzocht worden, het beleidskader, en de wijze van participatie. Het uiteindelijke plan-mer zal de milieurapportage bevatten die de besluitvorming over het warmteprogramma ondersteunt. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke eisen uit de milieueffectrapportage-regelgeving, zodat het college B&W een goed onderbouwd besluit kan nemen.
2. Voorgenomen plan: warmteprogramma 2026 2.1 Inhoud en opbouw van het warmteprogramma Het voornemen beschrijft wat er onderzocht wordt in het plan-mer: de afwegingen voor de keuze van een voorkeursalternatief per buurt in het Warmteprogramma van Capelle aan den IJssel. Het warmteprogramma wordt zo opgesteld dat het voor zowel de gemeenteraad als inwoners leesbaar is, met een duidelijke toelichting per wijk en thematische hoofdstukken Het programma bestaat op hoofdlijnen uit de volgende onderdelen:
Warmtekaart per buurt: actualisatie van de kaart uit de Transitievisie Warmte 2022, met per buurt de voorgenomen duurzame warmteoptie (warmtenet of individuele oplossing), gebaseerd op technische haalbaarheid en laagste maatschappelijke kosten.
Planning en prioritering: tijdspad voor 2026-2035, waarin per buurt/wijk wordt aangegeven wanneer de transitie start. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden waar al op korte termijn stappen worden voorbereid (bijvoorbeeld lopende verkenningen) en gebieden die pas na 2030 aan de beurt zijn. Lokale omstandigheden (zoals gelegenheid bij renovatie) worden meegewogen.
Uitgangspunten en leidende principes: kader voor uitvoering, zoals haalbaarheid voor bewoners, "no-regret" isolatie eerst, transparantie over onzekerheden (naar bewoners), en criteria voor de keuze tussen alternatieven (bijv. kostenvergelijkingen volgens Wgiw-methodiek en een afwegingskader voor als kosten vergelijkbaar zijn).
Financieel kader en instrumenten: een overzicht van subsidies, investeringsramingen per alternatief en instrumenten om betaalbaarheid te borgen zoals het tegengaan van energiearmoede (bijv. gerichte ondersteuning voor kwetsbare huishoudens).
Relatie met uitvoeringsprojecten: lopende en geplande pilots en verkenningen en hoe de resultaten hiervan worden benut. Ook wordt aangegeven welke vervolgtrajecten nodig zijn (zoals opstellen wijkuitvoeringsplannen) na vaststelling van het programma. 6
2.2 Uitgangspunten, randvoorwaarden en afwegingskader Bij het opstellen en uitvoeren van het Warmteprogramma gebruikt Capelle uitgangspunten, randvoorwaarden en afwegingskader die zijn opgeschreven in aparte documenten.
2.3 Activiteiten Er zijn al verschillende plannen op het gebied van warmte. Deze paragraaf toont de voorgenomen activiteiten die invloed hebben op het Warmteprogramma. Restwarmte, geothermie en acquathermie Restwarmte uit industrie en Rotterdamse haven vormt een belangrijke bron voor het huidige warmtenet. Om het net te verduurzamen wordt uitbreiding met geothermie, acquathermie en kleinschalige lokale bronnen gewenst. Elektriciteit Door tekort aan elektriciteit in de regio en verwachte groei door elektrisch rijden en groene waterstof voor de industrie, wordt in het warmteprogramma elektrisch verwarmen met warmtepompen geminimaliseerd. Duurzame gassen Duurzame gassen, zoals waterstof en biogas, zijn op korte termijn beperkt beschikbaar en relatief duur. De landelijke en gemeentelijke visie op waterstof stelt dat waterstof geen haalbaar en betaalbaar alternatief is voor aardgas bij het verwarmen van woningen. Dit sluit ook aan bij het nationaal plan energiesysteem, namelijk dat waterstof in de gebouwde omgeving en landbouw alleen wordt ingezet als sluitstuk op plekken waar geen redelijk alternatief is en pas na 2035. Groengas wordt alleen overwogen als alternatieven aanzienlijk duurder zijn. Om deze redenen nemen we duurzame gassen niet mee in het warmteprogramma.
Biomassa Biomassa wordt in Capelle liever gebruikt voor voedsel en veevoer, constructiemateriaal en chemie dan als brandstof. Daarom nemen we het niet mee in dit programma.
2.4 Duurzame bronnen De omgeving rondom Capelle aan den IJssel biedt een overvloed aan potentiële duurzame warmtebronnen. De bronnen worden hieronder verder toegelicht. Restwarmte Er is een hoog potentieel warmte aanbod vanuit thermische processen in de Rotterdamse haven, die deels benut kan worden als restwarmte. De exacte omvang en het tijdspad tot uitkoppeling wordt onderzocht. Deze restwarmte is steeds vaker van duurzame oorsprong en kan een belangrijk onderdeel vormen van de warmtebronnen voor de regio. Over de verdeling in de regio zijn nog geen afspraken. 7
Geothermie In en rondom Capelle aan den IJssel is er een aanzienlijke potentie voor geothermie, wat bij kan dragen aan een robuust en betrouwbaar systeem dat meerdere bronnen benut. Geothermische energie wordt gewonnen door warm water uit diepe aardlagen op te pompen. Een warmtewisselaar haalt de warmte eruit en transporteert deze naar het warmtenet, waarna het afgekoelde water via een injectieput terugkeert naar dezelfde diepe aardlaag. Omdat de putten op 1,5 tot 2 kilometer afstand van elkaar staan, koelt de warmtebron niet te snel af. Aquathermie Aquathermie biedt eveneens kansen voor de Capelse regio vanuit verschillende bronnen zoals uit rioolwaterzuiveringen. Deze techniek maakt gebruik van warmte uit drinkwater, afvalwater of oppervlaktewater. Met behulp van warmtewisselaars wordt deze warmte gewonnen en gebruikt voor het verwarmen van gebouwen.
2.5 Warmtetechnieken Op basis van technische haalbaarheid en de hierboven beschreven beleidskaders, zijn de volgende warmtetechnieken relevant om mee te nemen in de plan-mer. Collectief warmtenet Een collectief warmtenet verbindt meerdere warmtebronnen en gebruikers binnen een stedelijk of gebiedsgericht netwerk. Warmte wordt vanuit een centrale bron via leidingen getransporteerd, meestal met water of stoom. De warmtebronnen kunnen bestaan uit geothermie, restwarmte of acquathermie. In de stad zijn er warmteoverdrachtsstations en warmtewisselaars, waar de warmte van het warmtenet wordt gebruikt om water te verwarmen voor verwarming en tapwater. Individuele warmtepomp Een lucht-water warmtepomp onttrekt warmte uit de lucht met elektriciteit. Hoe hoger het vermogen van de warmtepomp, hoe meer geluid de buitenunit produceert. Individuele warmtepompen verwarmen één huishouden. Collectieve warmtepomp Bij een collectieve warmtepomp zijn meerdere woningen (pandcollectief) of meerdere panden aangesloten. Dit kan een grote centrale warmtepomp zijn die warmte produceert en via leidingen naar de woningen distribueert. Collectieve gebieds-WKO In een Warmte Koude Opslag (WKO) slaat in de zomerwarmte op in de bodem, vaak in de watervoerende laag, en pompt dit in de winter op om te verwarmen en vult dit in de winter aan met koude. Een WKO bevindt zich meestal tussen de 50 en 250 meter diep.
2.6 Plangebied Het warmteprogramma richt zich op het grondgebied van Capelle aan den IJssel en heeft als doel gebouwen een duurzame warmtevoorziening te geven als alternatief voor aardgas. We richten ons op alle woningen, ook in buurten die al 8
op een warmtenet zijn aangesloten. Daar spelen vragen over verduurzaming van bronnen en verlaging van aanvoertemperatuur door isolatiemaatregelen. Het warmteprogramma gaat niet over plaatsen waar het gebruik van aardgas nodig is voor industriële processen, daarvoor gelden andere wetten. Dit betekent dat bedrijventerreinen buiten de inhoud van het warmteprogramma vallen. Toch kan het gebeuren dat er in de gebieden die in het warmteprogramma worden opgenomen, bedrijven zitten die aardgas gebruiken voor industriële processen. Bijvoorbeeld omdat deze bedrijven in de wijk staan. Deze groep nemen we zo veel mogelijk mee in de wijkaanpak. De opgave voor aardgasvrij verwarmen in het warmteprogramma focust op bestaande bouw. Nieuwbouw is standaard aardgasvrij.
3. Methodiek 3.1 Te onderzoeken thema’s en beoordelingskader In het plan-mer worden de milieueffecten van de alternatieven en duurzame bronnen in het warmteprogramma onderzocht, zodat ze meegewogen kunnen worden bij de afweging om tot een voorkeursalternatief per buurt te komen. De thema’s en aspecten die worden onderzocht in het plan-mer worden in deze paragraaf beschreven. Per aspect wordt toegelicht op welke manier er onderzoek plaats vindt en wat er onderzocht zal gaan worden in het mer. De thema’s zijn bepaald op grond van de eerdere adviezen van de commissie-mer op de NRD bij de plan-mer van andere gemeenten zoals Utrecht en Eindhoven. De thema’s die in het plan-mer worden onderzocht zijn: Energieverbruik en CO₂uitstoot
Water
Geluid en trillingen
Ruimtelijke kwaliteit
Cultureel erfgoed
Elektromagnetische velden Luchtkwaliteit Mobiliteit Materiaalgebruik Bodem en grondwater Natuur en biodiversiteit Klimaat Milieueffecten kunnen optreden tijdens het gebruik of bij de aanleg van de onderdelen van het alternatief naar aardgasvrij. In onderstaande tabel zijn de aspecten die bij de thema’s horen uitgewerkt en wordt aangegeven of het onderzoek de aanleg- en of gebruiksfase onderzoekt. De indicatoren geven aan op welke manier een aspect beoordeeld wordt.
9
Thema
Aspect
Indicator
Geluid en trillingen
Cumulatieve geluidshinder
Toename geluidsbelasting
Geluid en trillingen Luchtkwaliteit
Trillingen
Hinder door trillingen
Luchtkwaliteit
Bodem en grondwater
Bodemkwaliteit (netwerklaag)
Bodem en grondwater
Ondergrond en grondwater
Bodem en grondwater
Ondergronds ruimtegebruik
Uitstoot van fijnstof (PM10, PM2.5) en stikstofoxide (NOx) Impact op de biologische, chemische en fysische kwaliteit van de bodem De hydrologische, chemische, biologische en thermische impact op de ondergrond en grondwaterkwaliteit en kwantiteit Ruimtebeslag in de ondergrond
Water
Drinkwater
Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit
Zichtbaarheid en beleving Bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid openbare ruimte Mobiliteit
Mobiliteit Natuur en biodiversiteit
Beschermde gebieden
Natuur en biodiversiteit
Beschermde soorten
Natuur en biodiversiteit
Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden
Cultuurhistori e
Cultuurhistorische waarden
Elektromag netische velden
Elektromagnetische velden
Impact op de kwaliteit van het drinkwater in nabijgelegen leidingen van benoemde technieken Verrommeling van de buitenruimte Totaal benodigd bovengronds ruimtegebruik & inpasbaarheid in de openbare ruimte Mate van verkeershinder voor gemotoriseerd verkeer, fietsers en voetgangers Impact op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden Impact op beschermde soorten Stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden Behoud cultuurhistorische waarden, onder andere door toepassing (grootschalige) bodemenergie en energieinfrastructuur Toename hinder door elektromagnetische velden
Aanleg en/of gebruiksf ase Aanleg- en gebruiksfas e Aanlegfase Aanlegfase Aanleg- en gebruiksfas e Aanleg- en gebruiksfas e Aanleg- en gebruiksfas e Gebruiksfa se Gebruiksfa se Gebruiksfa se Aanlegfase Aanlegfase Aanleg- en gebruiksfas e Aanlegfase Aanleg- en gebruiksfas e Gebruiksfa se 10
Materiaalgebr uik
Materiaalgebruik
Klimaat
Hittestress
Klimaat
CO2-besparing
Levensduur van materiaal, mogelijkheden van hergebruik/recycling en totale hoeveelheid benodigd materiaal Mate van verandering in hittestress in verschillende wijken na introductie alternatieve warmtetechniek Reductie in CO2-uitstoot
Aanlegfase
Gebruiksfa se Aanlegfase
Energieverbruik en CO₂-uitstoot Een kernvraag is hoeveel energie de verschillende warmte-alternatieven verbruiken en in hoeverre dit de CO₂-uitstoot vermindert. In de plan-mer wordt daarom per alternatief het primaire energieverbruik en de CO₂-emissie (direct en indirect) berekend of geraamd. Bijvoorbeeld: het elektriciteitsverbruik van warmtepompen wordt vergeleken met het aardgasverbruik van cv-ketels in de huidige situatie. Ook warmtenetaansluitingen hebben een CO₂-profiel, afhankelijk van de bronnenmix (restwarmte, geothermie). Waar mogelijk worden kwantitatieve gegevens gebruikt, zoals jaarlijkse warmteverbruik per buurt, rendementen van warmtepompen en emissiefactoren. De plan-mer brengt in kaart welk alternatief het meeste bijdraagt aan CO₂reductie op korte en lange termijn. Ook wordt het energieverbruik in bredere zin bezien, waaronder effecten op het elektriciteitsnet en energiebesparing door isolatie. Dit thema wordt gedetailleerd geanalyseerd met beschikbare data uit de Startanalyse van PBL en de Warmtevisie. De resultaten worden in tabellen en grafieken per scenario gepresenteerd. Luchtkwaliteit en geluid Het vervangen van aardgas door duurzame warmte heeft effecten op luchtkwaliteit en geluid. Het wegvallen van gasgestookte ketels vermindert de uitstoot van stikstofoxiden (NOₓ) en koolmonoxide, wat positieve impact heeft op lokale luchtkwaliteit en gezondheid.
Nieuwe alternatieven kunnen wel nieuwe emissiebronnen meebrengen, zoals een (nood)centrale op duurzaam gas of waterstof. De plan-mer beschrijft kwalitatief en waar mogelijk kwantitatief hoe alternatieven scoren op luchtverontreinigende emissies, op globaal niveau met emissiefactoren en bekende bronnen. Ook wordt nagegaan of veranderingen invloed hebben op normen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of het Schone Lucht Akkoord. Geluid is vooral relevant bij alternatieven met mechanische installaties: 1. Warmtepompen: De plan-mer beschouwt geluidseffecten van grootschalige uitrol op indicatief niveau, met inschatting van het geluidsniveau op gevel of perceelgrens. 11
2. Collectieve oplossingen: Geluidseffecten van installaties zoals warmtestations, pompstations of WKO-installaties worden bekeken. De plan-mer geeft een bandbreedte van mogelijke hinder (bijv. "op 50 m afstand dB(A)"). 3. Aanlegfase: Tijdelijke geluidhinder tijdens bouw en aanleg wordt meegenomen. Effecten worden getoetst aan relevante richtlijnen (zoals VNG-uitgangspunten voor warmtepompgeluid). Mitigerende maatregelen worden in de aanbevelingen genoemd. Bodem en water De aanleg van nieuwe warmte-infrastructuur en bepaalde technieken kunnen gevolgen hebben voor bodem en water. Voor bodem gaat het om effecten van grondwerkzaamheden: het graven van sleuven voor warmteleidingen of elektriciteitskabels kan lokale verstoring veroorzaken en risico's meebrengen bij aanwezige bodemverontreiniging. We inventariseren bekende bodemverontreinigingsgebieden langs mogelijke warmtenettracés. Ook kijken we naar technieken als bodemwarmteopslag (WKO): collectieve WKO-systemen of individuele bodemwarmtepompen onttrekken warmte aan de ondergrond en kunnen invloed hebben op bodemtemperatuur en grondwaterstromen. De plan-mer beschrijft welke ruimte beschikbaar is in de ondergrond en of grootschalige inzet van WKO zich verdraagt met andere ondergrondse functies zoals drinkwaterbescherming. Voor water worden effecten onderzocht op grond- en oppervlaktewater.
Bij warmtenetten is lekverlies van warm water een aandachtspunt: de plan-mer beoordeelt of dit noemenswaardige milieuschade kan geven. Ook wordt acquathermie bekeken, bijvoorbeeld warmte uit afvalwater bij de AWZI Kralingseveer, waarbij het effect op waterkwaliteit en ecologie wordt beschreven. Daarnaast worden mogelijke veranderingen in watergebruik benoemd, zoals benodigde suppletiewater of lozingen van installaties. Het detailniveau is globaalkwalitatief zodat bij uitvoeringsbesluiten nader onderzoek kan worden verlangd. Ruimtegebruik en mobiliteit De transitie naar duurzame warmte heeft implicaties voor het ruimtegebruik in de gemeente. De plan-mer geeft per alternatief aan welke ruimtelijke voorzieningen nodig zijn: voor warmtenetten bijvoorbeeld warmtestations, leidingen in straten en eventueel warmtebuffers. Deze voorzieningen nemen fysieke ruimte in en kunnen invloed hebben op het straatbeeld en gebruiksmogelijkheden. We onderzoeken of er locaties beschikbaar zijn voor centrale installaties (zoals een warmtepompcentrale of geothermie-installatie) en of het huidige omgevingsplan dit toelaat. Ook wordt beoordeeld of leidingen te combineren zijn met bestaande infrastructuurtracés of dat ze schaarse ruimte innemen in volle kabel- en leidingstroken.
Voor individuele oplossingen zit de ruimte-impact vooral in decentrale opstelling: bijvoorbeeld buitenunits op het dak of aan de gevel en mogelijk extra binnenruimte voor installaties. Deze aspecten worden kwalitatief beschouwd. Het plan-mer signaleert mogelijke knelpunten in ruimtelijke inpassing en doet
12
suggesties zoals clustering van installaties, ondergrondse plaatsing of benutting van bestaande technische ruimtes. Voor mobiliteit wordt verwacht dat de invloed tijdens de gebruiksfase beperkt is. Warmtenetten en warmtepompen veranderen het verkeers- en vervoerspatroon niet. Tijdens de aanleg kunnen wel tijdelijke effecten optreden op mobiliteit en bereikbaarheid. De plan-mer beschrijft in hoofdlijnen welke hinder te verwachten is bij grootschalige werkzaamheden: opengebroken straten, omleidingen, bouwverkeer en transport van zware materialen. We bekijken of kritieke verkeersaders geraakt worden door aanleg van hoofdleidingen en hoelang verstoringen mogelijk duren. Ook de sloop van oude infrastructuur kan een rol spelen. Deze mobiliteitseffecten worden benoemd als tijdelijke negatieve effecten, met de aantekening dat gerichte verkeersplannen per project nodig zijn om hinder te beperken. Ecologie Bij ecologie kijkt de plan-mer naar gevolgen van de warmtetransitie voor flora en fauna, met nadruk op beschermde soorten en gebieden. Capelle aan den IJssel heeft geen Natura 2000-gebied binnen de gemeentegrenzen, maar wel groengebieden, parken en watergangen die ecologisch van belang zijn. Ingrepen zoals graafwerkzaamheden voor leidingen, bouw van warmtestations of plaatsing van WKO-bronnen kunnen effecten hebben op lokale biodiversiteit.
Dit betreft tijdelijke verstoring van fauna tijdens de aanlegfase, verwijdering van groen of bomen voor leidingtracés, permanente veranderingen zoals een warmtestation op een groene plek, of subtielere effecten zoals invloed van acquathermie op watertemperatuur en waterorganismen. De plan-mer voert een quickscan natuur uit op planniveau: nagaan of beschermde soorten aanwezig zijn in gebieden waar ingrepen verwacht worden (bijvoorbeeld vleermuizen bij gebouwisolaties of nesten in bomen bij graaftracés). We raadplegen ecologische kaarten en de Omgevingsvisie voor belangrijke hoofdgroenstructuren. Het detailniveau is globaal en gericht op risico-indicatie. De plan-mer kan bijvoorbeeld concluderen dat nader flora-fauna onderzoek nodig is of dat compensatie of mitigerende maatregelen opgenomen moeten worden. Ook wordt gekeken of plannen passen binnen ecologische beleidskaders zoals de lokale groenstructuur of het Bomenbeleidsplan. Omdat exacte locaties nog niet vastliggen, blijft de analyse indicatief. Vervolgonderzoek op projectniveau wordt waar nodig aanbevolen. Cultureel erfgoed Capelle aan den IJssel kent beschermde monumenten, beschermde dorpsgezichten, beeldbepalende panden, cultuurhistorisch waardevolle objecten, karakteristieke dijken en historische structuren.
De warmtetransitie kan erfgoed raken via fysieke ingrepen in de bodem die archeologische waarden kunnen verstoren, en via aanpassingen aan gebouwen met monumentale waarde. Voor archeologie wordt de gemeentelijke archeologische waardenkaart geraadpleegd: op welke locaties zou archeologisch relevante grond kunnen liggen bij graafwerk? Als een hoofdtransportleiding bijvoorbeeld langs een oude dijk 13
loopt, is dat een zone met mogelijk archeologische vondsten. De plan-mer vermeldt dit en adviseert hoe hiermee om te gaan, zoals archeologische begeleiding bij graafwerk, volgens gemeentelijk beleid. Voor gebouwde monumenten gaat het om aspecten als isoleren van monumentale panden of plaatsen van warmtepompinstallaties aan monumentale gevels. Individuele buitenunits kunnen in historisch waardevolle straten het aanzicht beïnvloeden. De plan-mer signaleert deze mogelijke effecten en verwijst naar richtlijnen van monumentenzorg. Een warmtenet kan hier voordeel bieden omdat geen individuele buitenunits nodig zijn. Het thema erfgoed wordt vooral kwalitatief behandeld, met vermelding van aandachtspunten per alternatief. Het detailniveau beperkt zich tot het identificeren van risico's en kansen.
3.2 Omgang eerdere adviezen commissie mer De commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) geeft onafhankelijk advies over de inhoud en kwaliteit van milieueffectrapportages. Dit helpt bij het verbeteren van rapporten en zorgt ervoor dat alle relevante milieueffecten goed in kaart worden gebracht. De Commissie heeft eerder advies gegeven op de NRD bij plan-mer’ s voor de warmteprogramma's van Utrecht en Eindhoven. De aanpak voor het plan-mer van Capelle aan den IJssel is met deze adviezen aangescherpt en aangevuld. De Commissie mer adviseert om ook de impact van F-gassen mee te nemen. Fgassen zijn synthetische koudemiddelen die vaak in warmtepompsystemen worden gebruikt en bijdragen aan het broeikaseffect vanwege hun hoge global warming potential (GWP). Op basis van eerdere onderzoeken zijn de specifieke klimaateffecten van F-gassen uit warmtepompen echter onduidelijk. Het detailniveau van deze opmerking sluit niet aan op het abstractieniveau van het plan-mer. Aanbevolen wordt om dit mee te nemen bij vervolgstappen op het warmteprogramma.
3.3 Onderzoeksmethodiek Het onderzoek vindt plaats op twee niveaus: stads- en buurtniveau. Onderstaande paragraaf beschrijft de verschillende stappen van het plan-mer onderzoek. 0 – Inventarisatie De referentiesituatie (huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen) wordt onderzocht en vastgesteld. De te onderzoeken alternatieven en bijbehorende duurzame bronnen worden uitgewerkt. De verschillende buurttypen binnen Capelle aan den IJssel worden in kaart gebracht en hun onderlinge verschillen beschreven aan de hand van onderscheidende kenmerken. 1 – Generieke beoordeling per alternatief Voor verschillende thema's en aspecten worden potentiële milieueffecten in beeld gebracht bij aanleg en gebruik van de alternatieven en bijbehorende 14
duurzame bronnen. Dit leidt tot een beoordeling per aspect per alternatief, weergegeven in een tabel voor de aanleg- en gebruiksfase. 2 – Verdieping naar buurttype De impact van alternatieven verschilt per buurt. Milieueffecten worden (waar mogelijk) gerelateerd aan buurttypen om ruimtelijke verschillen inzichtelijk te maken. Aan de hand van onderscheidende kenmerken, zoals woonequivalenten per hectare, wordt de algemene beoordeling bijgesteld. Dit resulteert in een beoordeling per aspect uitgesplitst naar buurttype.: 3 – Capelle specifieke, geografische informatie: locatie-specifiek Aspecten die een specifieke geografische component met zich meebrengen, oftewel die buurttype overstijgend zijn, worden op gemeenteniveau onderzocht (het plangebied). Zo wordt gekeken naar:
Archeologische en cultuurhistorische waarden; Emissievrije zones; Ligging van het huidige warmtenet; Drinkwaterwingebieden- en beschermingszones; Beschermde soorten in de gemeente; Oppervlaktewateren voor thermische energieopwekking; Nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
4 – Slotbeschouwing De laatste stap beschrijft de belangrijkste aandachtspunten per alternatief en buurt. Dit geeft inzicht in de uiteindelijke keuze tot een voorkeursalternatief en of er mitigerende maatregelen nodig zijn om negatieve milieueffecten te mitigeren.
15
3.4 Beoordelingsmethodiek De effecten worden bepaald door de toekomstige situatie die ontstaat door het uitvoeren van het voornemen (de plansituatie) te vergelijken met de toekomstige situatie die ontstaat zonder dat de voorgenomen ontwikkeling wordt uitgevoerd (de referentiesituatie, zie paragraaf 3.6). De effectbeoordelingen op milieu worden gedaan op drie niveaus: allereerst een generieke beoordeling van de milieueffecten per aspect voor elk alternatief in de aanleg- en gebruiksfase. Ten tweede wordt deze generieke beoordeling aan de hand van onderscheidende kenmerken bijgesteld per buurttype waar mogelijk. Als laatste wordt, waar van toepassing, een verdiepende analyse toegevoegd waarbij het effect van buurttype overstijgende (locatie-specifieke) aspecten in de leefomgeving wordt onderzocht. We maken gebruik van een zevenpunt-schaal om de effecten voor alle relevante milieuthema’s te beoordelen.
Effecten tijdens de aanleg en na ingebruikname Dit plan-mer gaat in op de effecten die optreden als gevolg van de aanleg van de verschillende warmtetechnieken en de effecten die optreden tijdens het gebruik van de verschillende technieken. Per aspect kan het verschillen in welke fase de effecten optreden. Dit is aangegeven in het beoordelingskader en in de effectbeschrijving.
3.5 Buurttype De gemeente Capelle aan den IJssel heeft 79 buurten, verdeeld over 9 wijken. Deze buurten kunnen worden ingedeeld naar buurttype. De verschillende buurttypen worden onderscheiden aan de hand van ruimtelijke kenmerken, zoals breedte van de straat of het bouwjaar van een buurt. Deze kenmerken vormen de basis van de buurttypologie en zijn gedefinieerd door de onderzoekers van de Hogeschool van Amsterdam in een consortium met gemeenten en kennisinstellingen in het kader van onderzoeksprogramma Urban Technology, en daarna verfijnd door Antea Group in kader van de warmtetransitie. Binnen de gemeente Capelle aan den IJssel kunnen alle buurten aan de hand van deze kenmerken in worden gedeeld in een bepaald buurttype. Dit resulteert voor de gemeente Capelle aan den IJssel in 10 verschillende buurttypen (Wijktypekaart). In het plan-mer worden onderscheidende kenmerken gebruikt om de algemene beoordelingen voor de potentiële milieueffecten per alternatief te verdiepen naar buurttype.
3.6 Referentiesituatie De referentiesituatie is de toekomstige situatie zonder het voornemen, oftewel het warmteprogramma. Deze wordt in het milieueffectrapport bepaald aan de 16
hand van de huidige situatie in de omgeving van het voornemen met daarbij (de milieugevolgen van) toekomstige autonome ontwikkelingen. Autonome ontwikkelingen betreffen ontwikkelingen die onafhankelijk van het voornemen plaats zullen vinden en waarover een definitief besluit is genomen. Voor de referentiesituatie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: o o
o o
o
o
Het referentiejaar voor de warmtevraag is 2024, het laatste jaar voor de start van het schrijven van het warmteprogramma. De levering van warmte door de nu al operationeel zijn verschillende warmtenetten is per warmtenet verschillend. Per warmtenet wordt de huidige temperatuur als referentie genomen. Verduurzaming van de bronnenmix van het huidige warmtenet richting 2040 valt onder de referentiesituatie. Alle huidige warmte-infrastructuur blijft behouden (bijvoorbeeld het bestaande warmtenet en bestaande warmtepompen); Ten gevolge van een warmer wordend klimaat neemt de warmtevraag af en de vraag naar actieve koeling neemt toe. In de referentiesituatie betekent dit een toename van airco’s of naar een bredere inzet van energiesystemen die verwarmen én koelen; Onder invloed van autonome ontwikkelingen - meer zon PV en meer elektrisch rijden – wordt het elektriciteitsnet verzwaard en dat dit leidt tot meer kabels, HS/MS-stations en MS/LS-trafohuisjes. De bestaande gebouwen worden richting 2050 verduurzaamd onder invloed van het Capels isolatieoffensief, waardoor de warmtevraag zal dalen. In de planMER zullen we de in gang gezette isolatie-initiatieven inspanningen benoemen de uitgaan van de actuele stand van zaken.
3.7 Detailniveau van onderzoek Gezien het planmatige karakter van het warmteprogramma is het plan-mer van strategische aard. Dit betekent dat de milieueffecten op een globaal en vergelijkend niveau worden onderzocht, passend bij de mate van detail van het programma. Het onderzoek maakt gebruik van bestaande gegevens, kengetallen, modellen en expertbeoordelingen om de orde van grootte van effecten te bepalen. Waar mogelijk worden effecten kwantitatief onderbouwd, bijvoorbeeld bij energieverbruik en CO₂-uitstoot. Voor thema’s waarbij dit minder goed kan, zoals ecologie en cultureel erfgoed, wordt gewerkt met een kwalitatieve beoordeling van risico’s en kansen. Op deze manier worden de verschillen tussen alternatieven inzichtelijk gemaakt, zonder te vervallen in projectniveauberekeningen. Het plan-mer geeft transparant aan waar onzekerheden zitten en welke aannames zijn gedaan. Indien relevant worden bandbreedtes of scenario’s gebruikt om de spreiding van mogelijke effecten te tonen. Voor locatie gebonden aspecten worden principes en voorwaarden geformuleerd die richting geven aan de verdere uitwerking van projecten. Dit detailniveau is passend om de besluitvorming over het warmteprogramma te ondersteunen en om te beoordelen welke oplossingen het meest duurzaam en uitvoerbaar zijn. 17
4. Beleidskader Het warmteprogramma staat niet op zichzelf, maar is ingebed in een breed beleidsspectrum op gemeentelijk, regionaal en nationaal niveau. In de plan-mer zullen de relevante beleidskaders worden samengevat, zodat inzichtelijk is binnen welke context en randvoorwaarden het programma wordt uitgevoerd. Hieronder lichten we de belangrijkste kaders toe.
4.1 Gemeentelijk beleid Capelse Transitievisie Warmte (2022): Dit beleidsstuk beschrijft Capelle ‘s route naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. De transitievisie warmte is in maart 2022 vastgesteld en vormt de basis voor het warmteprogramma. Hierin is het strategische doel van 45% aardgasvrije gebouwen in 2030 neergelegd, evenals indicatieve voorkeursopties per buurt (warmtenet of all-electric). Het Warmteprogramma bouwt hierop voort door deze keuzes te verdiepen en om te zetten in uitvoeringsplannen. Wijzigingen of aanscherpingen worden expliciet gemotiveerd. Programma Duurzaamheid 2023-2026: Hierin zijn de lokale klimaat- en energiedoelstellingen uitgewerkt voor de huidige collegeperiode. Het programma bevestigt de inzet op versnelling van de warmtetransitie en het streven naar 45% aardgasvrije gebouwen in 2030. Het bevat actiepunten zoals wijkverkenningen (Florabuurt, 's-Gravenweg West, Capelle XL, Rivium), stimulering van hybride warmtepompen vanaf 2025 en bewustwordingscampagnes. Ook is er aandacht voor energiearmoede en klimaatadaptatie, die worden meegenomen in het warmteprogramma. Monitor Duurzaamheid 2023/2024: De gemeente brengt jaarlijks een monitor uit over de voortgang op duurzaamheidsdoelen. Hierin wordt ook gerapporteerd over de stand van zaken m.b.t. aardgasvrije wijken.
Uit de laatste monitor blijkt dat ~⅔ van de Capelse woningen nog met aardgas wordt verwarmd en ~⅓ al alternatieven gebruikt. Ook is gemeld dat de ambitie voor 45% aardgasvrij in 2030 met huidig nationaal beleid niet haalbaar lijkt. De Monitor is op zichzelf geen beleidskader, maar een belangrijke informatiebron waarmee successen en aandachtspunten (zoals betaalbaarheid en tempo) zichtbaar worden. Overige gemeentelijke kaders: Daarnaast zijn er andere gemeentelijke beleidsdocumenten die raken aan de warmtetransitie. De Omgevingsvisie en Omgevingsagenda van Capelle schetsen de ruimtelijke ontwikkelingsrichting. Ook het gemeentelijk klimaatadaptatieplan Weerkrachtig Capelle en Actieplan Schone Lucht zijn relevant – het warmteprogramma zal daarmee in overeenstemming moeten zijn (bijv. bijdragen aan emissiereductie voor schone lucht en geen afbreuk doen aan hittebestendigheid in wijken). Ten slotte is er de lokale verordening(en), zoals mogelijk een warmteverordening die de aansluiting op warmtenetten regelt zodra de Wet Collectieve Warmtevoorziening in werking treedt. Deze lokale regelgeving zal worden opgesteld c.q. aangepast in het verlengde van het Warmteprogramma. In de plan-mer worden dergelijke kaders kort benoemd om te laten zien dat het warmteprogramma niet op zichzelf staat maar in lijn is met het bredere gemeentelijke duurzaamheidsbeleid.
18
4.2 Regionale kaders Capelle aan den IJssel maakt deel uit van de energieregio Rotterdam-Den Haag. Regionale samenwerking is cruciaal, zeker omdat Capelle gebruikmaakt van restwarmte uit Rotterdam voor haar stadsverwarming. Enkele relevante regionale kaders zijn:
Regionale Energiestrategie (RES) Rotterdam Den Haag: In de RES 1.0 zijn regionale afspraken gemaakt over duurzame energieopwekking en warmtevoorziening, waaronder maximale benutting van industriële restwarmte uit het Rotterdamse havengebied. Capelle is als afnemer onderdeel van die strategie. Het warmteprogramma moet aansluiten bij de RES om een gecoördineerde infrastructuur te realiseren. In de plan-mer wordt benoemd dat alternatieven met collectieve warmte afhankelijk van regionale levering realistisch en gewenst zijn binnen de regio.
Metropoolregio/Provincie beleid: De Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) heeft samenwerkingsverbanden voor de warmtetransitie, zoals de warmterotonde. Provincie Zuid-Holland heeft een energieagenda en beleidsregels voor geothermie en bodemenergie. Het Warmteprogramma houdt rekening met deze bovenlokale aspecten, zoals provinciale stimulering van acquathermie en milieu- en omgevingsnormen.
Netbeheer en warmteleveranciers: Hoewel geen klassiek beleidskader, zijn de investeringsplannen van netbeheerder Stedin en warmteleverancier Vattenfall (die stadswarmte levert) belangrijk om synchronisatie te waarborgen. De elektriciteitsinfrastructuur moet versterkt worden om elektrificatie aan te kunnen. In de plan-mer wordt aangestipt dat alternatieven samenhangen met deze netwerkontwikkelingen: een allelectric scenario vraagt netverzwaring, een warmtenet-scenario vraagt regionale afspraken over warmteafname.
4.3 Nationaal beleid en wetgeving Op nationaal niveau is een aantal kaders direct van invloed op het Warmteprogramma 2026:
Klimaatwet en Klimaatakkoord: De Klimaatwet legt vast dat Nederland in 2030 minimaal 55% CO₂-reductie bereikt en in 2050 klimaatneutraal is. De gebouwde omgeving levert hieraan bij door van het aardgas af te gaan. In het Klimaatakkoord (2019) is afgesproken dat alle gemeenten een Transitievisie Warmte opstellen en dat in 2021-2030 ongeveer 1,5 miljoen woningen duurzaam verwarmd worden. Het Warmteprogramma van Capelle operationaliseert de TVW voor de komende 5-10 jaar. De MER laat zien hoe de aanpak bijdraagt aan de nationale CO₂-doelen.
Wet- en regelgeving aardgasvrij: Sinds 2018 krijgt nieuwbouw geen aardgasaansluiting meer via de Wet Voortgang Energietransitie. Voor bestaande bouw is de Wet Collectieve Warmtevoorziening (WCW) relevant, die naar verwachting in 2026-2027 in werking treedt. Deze wet geeft gemeenten de bevoegdheid om in wijken een einddatum voor aardgas aan te wijzen en een warmte-alternatief vast te leggen, inclusief aansluitplicht op een warmtenet. Capelle's warmteprogramma anticipeert hierop door al 19
per buurt een voorkeursoplossing aan te wijzen. De WCW stelt ook eisen aan warmteleveranciers, tarieven, duurzaamheid en betaalbaarheid. De Wijziging Gaswet (Wgiw) schrijft de procedure voor wijkuitvoeringsplannen en de kostenmethodiek voor, die aansluit bij hoe Capelle opties kiest (laagste kosten als uitgangspunt).
Overige nationale kaders: Het Energiebesparingsbeleid bevat een isolatieplicht in de huursector en vanaf 2026 de verplichting tot hybride warmtepomp bij vervanging van cv-ketels. Het Warmteprogramma ondersteunt deze verplichtingen door isolatie en hybride pompen te stimuleren. Nationale milieunormen (zoals voor geluid, lucht en bodem) vormen toetsingskaders in het plan-mer, waaronder het activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit activiteiten leefomgeving met grenswaarden voor warmtesystemen. De plan-mer beschrijft of alternatieven binnen deze kaders passen. Ook wordt de samenhang met nationaal klimaatbeleid benoemd, waaronder mogelijke versnelling door het Rijk via extra subsidies of fondsen voor warmtenetten.
In de plan-mer zal het beleidskaderhoofdstuk kort en bondig de essentie van bovengenoemde punten weergeven, met verwijzing naar bronnen of bijlagen voor wie meer detail wil. Het doel is om de besluitvormers te laten zien: dit warmteprogramma voldoet aan en draagt bij aan hogere beleidsdoelen, en er zijn geen strijdigheden. Waar wetten harde randvoorwaarden stellen (bijv. Omgevingswet-procedures, of de eis van 55% CO₂-reductie), wordt dat expliciet genoemd zodat in de besluitvorming daar rekening mee gehouden wordt.
5. Plan-mer procedure en globale planning 5.1 Initiatiefnemer en bevoegd gezag Bij deze plan-mer is de gemeente Capelle aan den IJssel de initiatiefnemer én het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat het besluit waarvoor de plan-mer wordt uitgevoerd vaststelt. Voor het warmteprogramma van Capelle is dat het College van de gemeente Capelle. Daarnaast zijn er diverse adviseurs bij het proces betrokken die adviseren over de inhoud van het plan-mer.
5.2 Participatie en consultatie Participatie is cruciaal voor de warmtetransitie, omdat de overstap naar nieuwe warmtebronnen direct invloed heeft op bewoners, bedrijven en stakeholders. De participatie voor het warmteprogramma is inmiddels gestart. In de NRD wordt beschreven hoe participatie en consultatie zullen plaatsvinden, zodat alle betrokken partijen tijdig worden gehoord en geïnformeerd bij het opstellen van het warmteprogramma en het plan-mer. Allereerst is er de formele consultatie die wettelijk is voorzien in het MER-proces. Deze NRD zal na vaststelling door het bevoegd gezag (het college van B&W) ter inzage worden gelegd en toegezonden aan de wettelijk adviseurs (zoals de 20
provincie, Omgevingsdienst, Rijkswaterstaat/ILT indien relevant, netbeheerder, etc.). Ook wordt de onafhankelijke Commissie MER gevraagd om advies uit te brengen over deze NRD en de voorgestelde reikwijdte van het onderzoek. Op die manier krijgen deskundige partijen de gelegenheid om aan te geven of er aspecten ontbreken of extra aandacht behoeven. De ontvangen adviezen en zienswijzen op de NRD worden door de gemeente betrokken bij het opstellen van de definitieve onderzoeksopzet voor het plan-mer. Naast de formele route zet de gemeente in op proactieve participatie van inwoners en belanghebbenden tijdens de planvorming. Omdat alle Capellenaren met het warmteprogramma te maken krijgen, is draagvlak essentieel. De gemeente stelt een participatieplan op waarin per doelgroep staat hoe en wanneer zij worden betrokken:
Informatievoorziening: Via de website Duurzaam Capelle, bewonersbrieven, lokale media en informatieavonden wordt uitgelegd wat het Warmteprogramma inhoudt, waarom het nodig is en welke keuzes op tafel liggen. Uit peilingen blijkt dat niet iedereen op de hoogte is van de alternatieven voor hun buurt; de gemeente verhoogt dit door gerichte communicatie en wijkbijeenkomsten.
Stakeholdersessies: Voor lokale belanghebbenden als woningcorporaties, bedrijven(verenigingen) heeft Capelle een stakeholderbijeenkomst georganiseerd in de Klimaatweek van november 2025. Daarin zijn we dieper ingegaan op technische en sociale haalbaarheid. Daarnaast gaan we in 1-op-1 in gesprek met specifieke keystakeholders, zoals Stedin, Eneco, HSK en buurgemeenten. Nauwe afstemming is nodig om de haalbaarheid te toetsen en uitvoering te bespreken.
Participatieverslag: Alle input zal worden verzameld in een participatieverslag. Hierin wordt ook aangegeven wat de gemeente met de inbreng doet. Dit verslag gaat als bijlage of onderdeel mee met de stukken naar de gemeenteraad, zodat de raad inzicht heeft in de mate van steun en de punten van zorg in de samenleving.
Tijdens de formele terinzagelegging van het ontwerp warmteprogramma en planmer (naar verwachting in 2026) kunnen inwoners en belanghebbenden zienswijzen indienen. De gemeente brengt deze periode actief onder de aandacht via publicaties en persberichten voor maximaal bereik. Na de inzagetermijn worden zienswijzen beantwoord in een Nota van Antwoord en wordt het plan waar nodig aangepast. Participatie is tot nu toe beperkt gebleven tot informeren via de duurzaamheidspeiling, een burgerpanel enquête en stakeholderbijeenkomst klimaatweek. De komende fase verschuift naar raadplegen en adviseren. Een aandachtspunt is duidelijk communiceren over onzekerheden en afhankelijkheden om realistische verwachtingen te wekken. De plan-mer draagt hieraan bij door objectief de gevolgen te schetsen, zodat gesprekken met bewoners over bijvoorbeeld overlast eerlijk worden gevoerd.
21
Samenvattend zet de gemeente in op een transparant en interactief proces op meerdere niveaus, van brede publieksvoorlichting tot gerichte gesprekken met direct betrokkenen, zowel voorafgaand aan als tijdens de formele planprocedure. Dit moet leiden tot breed draagvlak of in ieder geval tot het kennen en adresseren van zorgen. In de plan-mer wordt een hoofdstuk gewijd aan het participatieproces, inclusief resultaten tot dan toe.
5.3 Globale planning De gemeente Capelle doorloopt voor het warmteprogramma een plan-mer procedure volgens de geldende milieuregelgeving (onder de Wet milieubeheer dan wel Omgevingswet, afhankelijk van het moment van vaststelling). Hieronder schetsen we de belangrijkste stappen en de beoogde planning:
Startbesluit en NRD (Huidige fase): De gemeente heeft besloten dat het een plan-mer laat opstellen voor het warmteprogramma. Dit besluit is ingegeven doordat het programma kaderstellend is voor de bestaande warmtekavel met Rotterdam, toekomstige projecten en mogelijk significante milieueffecten heeft. In deze fase is de NRD opgesteld. Na vaststelling van de NRD door het college verzendt de gemeente deze naar de Commissie MER en relevante adviesinstanties (duur 6 weken). Parallel wordt de NRD gepubliceerd op de gemeentelijke website. We rekenen erop deze stap Q2 2026 af te ronden, inclusief ontvangst van het Commissiebesluit/advies over de gewenste inhoud van het MER.
Opstellen PlanMER: Met de adviezen op de NRD voert het projectteam de milieuonderzoeken uit en schrijft het MER. Dit omvat het verzamelen van data, vergelijken van alternatieven en formuleren van bevindingen. Waar nodig worden specialistische bureaus ingeschakeld. Ook wordt het warmteprogramma zelf geschreven in nauwe samenhang met de MERresultaten. Streefdatum voor een afgerond ontwerp plan-mer en ontwerp warmteprogramma is Q3 2026.
Terinzagelegging ontwerp plan-mer en programma: Het ontwerpwarmteprogramma 2026 en het plan-mer worden gezamenlijk ter inzage gebracht (6 weken) voor inwoners, betrokken partijen en bevoegd gezagen, die formeel zienswijzen kunnen indienen. De Commissie MER beoordeelt of het MER voldoet aan de eisen en of de informatie voldoende is om het besluit te ondersteunen. Deze fase is gepland voor Q3 van 2026.
Verwerking zienswijzen en vaststelling: Na de inzageperiode verwerkt de gemeente alle zienswijzen in een Nota van Antwoord. Waar nodig worden wijzigingen doorgevoerd in het Warmteprogramma. Het aangepaste warmteprogramma en het definitieve MER worden ter besluitvorming voorgelegd aan het college en vervolgens aan de gemeenteraad. De raad beslist over vaststelling, naar verwachting eind 2026, waarbij het MER en het advies van de Commissie MER expliciet worden betrokken.
Nazorg en uitvoering: Na vaststelling wordt het warmteprogramma gepubliceerd en geldt als formeel beleidskader. De uitvoering start met het opstellen van wijkuitvoeringsplannen en aanwijzingsbesluiten per wijk, 22
volgens de geformuleerde randvoorwaarden. Monitoringafspraken (via de Monitor Duurzaamheid) volgen de voortgang, en significante afwijkingen kunnen leiden tot actualisatie. Om het warmteprogramma eind 2026 vastgesteld te hebben moeten NRD en plan-mer in de zomer van 2026 zijn afgerond. Als het wetgevingstraject langer duurt of er komen wezenlijke ontwikkelingen (bijv. extra rijksmiddelen) kan de planning enigszins verschuiven; de gemeente zal hier flexibel mee omgaan maar blijft streven naar minimale vertraging. De Raad en college worden geïnformeerd als we afwijken van de planning. De MER-procedure wordt uitgevoerd volgens alle wettelijke regels en onder transparantie, waarbij alle relevante stukken openbaar beschikbaar zijn. Dit verzekert dat de besluitvorming over het warmteprogramma duurzaam qua inhoud en zorgvuldig en open qua proces is.
23