07.03 - Rekenkamerrapport Openbaar Goed
Tekst van het document
Dit heeft de rekenkamer gedaan met behulp van de resultaten van de tweejaarlijkse bewonersenquête die door de gemeente wordt uitgevoerd. 110 In paragraaf 2-4-4 is deze enquête al nader toegelicht. In de bewonersenquête wordt één vraag gesteld over de tevredenheid van bewoners ten aanzien van de openbare verlichting. Tabel 4-4 laat de resultaten zien. In
110 De rekenkamer heeft de resultaten van de bewonersenquêtes in 2015 en 2017 verkregen via https://www.capelleaandenijssel.nl/bestuurorganisatie/bewonersenquete_42554/. De resultaten van de enquête in 2019 zijn nog niet gepubliceerd, de rekenkamer heeft deze per mail ontvangen op 19 december 2019.
80
openbaar goed
tegenstelling tot bij verharding en groen heeft de gemeente hier geen streefwaarden geformuleerd. tabel 4-4: tevredenheid burgers onderhoud en uitstraling onderwerp
2015
2017
2019
onderhoud straatverlichting (cijfer)
6,9
6,9
6,8
Het onderhoud aan de straatverlichting wordt in 2019 met een 6,8 als voldoende beoordeeld. De beoordeling van de bewoners in 2019 is nagenoeg gelijk als in 2017 en 2015. Gelet op de uitkomsten van de inspectie en de schouw is deze score lager dan verwacht. Doordat een streefwaarde ontbreekt kan niet worden getoetst of hiermee wordt voldaan aan de doelstellingen van de gemeente ten aanzien van de straatverlichting.
81
openbaar goed
5
financiën
inleiding Dit hoofdstuk behandelt de toereikendheid van de financiële middelen voor groen, verharding en openbare verlichting. De volgende deelvragen komen in dit hoofdstuk aan de orde: 4 Zijn de vrijgemaakte financiële middelen toereikend om het gewenste kwaliteitsniveau te halen? 5 Zullen de middelen op de langere termijn toereikend zijn om het gewenste kwaliteitsniveau te halen? Bij de behandeling van deze vragen wordt getoetst aan de volgende normen. tabel 5-1: normen normen
Paragraaf
financiële m iddelen De benodigde middelen om de kwaliteitsambities te halen zijn bekend.
5-3
De beschikbare middelen en te maken kosten sluiten op elkaar aan.
5-4, 5-5
lange term ijn De financiële prognoses zijn realistisch en toereikend om de gewenste
5-6
kwaliteitsambities te realiseren. De gemeente heeft inzicht in langetermijnontwikkelingen en prognoses.
5-6
Paragraaf 5-2 geeft kort de financiële context weer. Hierin wordt ingegaan op de financiële uitgangspunten en de reserve Openbare Ruimte. In paragraaf 5-3 komen de beschikbare en benodigde financiële middelen met betrekking tot de disciplines groen, verharding en openbare verlichting aan bod. In paragrafen 5-4 en 5-5 worden de budgetten en bestede middelen, uitgesplitst in onderhoud en vervanging, van de onderzochte disciplines tegen elkaar afgezet. Ten slotte volgt in paragraaf 5-6 een uiteenzetting van de financiële prognoses op de lange termijn.
financiële context inleiding In deze paragraaf wordt eerst een korte toelichting gegeven op de kostencomponenten voor onderhoud en vervangingen. Vervolgens wordt nader ingegaan op de ontwikkelingen van de reserve Openbare Ruimte. financiële uitgangspunten In de afzonderlijke beheerplannen 2016-2020 zijn in 2015 inschattingen gemaakt van de beschikbare budgetten en de benodigde budgetten in een meerjarenbegroting om te 83
openbaar goed
kunnen voldoen aan de beheerambities. Hierbij geldt als uitgangspunt dat er aan het eind van de planperiode geen achterstanden zijn. Deze budgetten bestaan uit financiële middelen voor de dekking van de jaarlijkse kosten die ten laste komen van het product/taakveld. 111 Daarnaast wordt in de beheerplannen inzicht geboden in de benodigde kredieten voor de vervangingen. De volgende kostencomponenten kunnen worden onderscheiden in uitgaven voor onderhoud en voor vervanging. Deze komen ten laste van het product/taakveld of krediet: • product/taakveld Op de producten/taakvelden worden grotendeels de exploitatielasten (o.a. energie, heffingen) en onder meer de doorbelastingen van personeel, inhuur derden en uitbestedingen ten behoeve van het dagelijks onderhoud begroot en verantwoord. 112 De baten op de producten/taakvelden betreffen o.a. subsidies of bijdragen van derden en opbrengsten van derden voor geleverde diensten. • krediet De investeringen voor vervangingen in de openbare ruimte worden geactiveerd en vervolgens afgeschreven over de verwachte levensduur. In de begroting wordt jaarlijks een kredietaanvraag gedaan voor de investeringen. De kapitaallasten – zijnde afschrijvingslasten en rentelasten- komen ten laste van de exploitatie.
Eventuele tekorten of overschotten op de producten/taakvelden worden onttrokken dan wel toegevoegd aan de reserve Openbare Ruimte (meer hierover volgt in paragraaf 5-2-3). De afschrijvingstermijnen zijn gelieerd aan de ophoogfrequenties als gevolg van de zettingsgevoelige grond in bepaalde gebieden. In het ambtelijk wederhoor is aangegeven dat de vervangingsstermijnen zijn gebaseerd op de technische levensduur, de zettingsnelheid en ervaring. De feitelijke vervangingstermijn is afhankelijk van diverse (soms zeer lokale) zaken, zoals gemeten zetting, kwaliteit verharding, kwaliteit riolering, bereikbaarheid van panden etc. De rekenkamer heeft dit niet geverifieerd. Niet alle vervangingen komen ten laste van het krediet. Een uitzondering betreft het product Groen. Tot 2017 werden bomen en beplanting binnen projecten niet afgeschreven, maar direct ten laste van het product gebracht. 113 Vanaf 2017 gelden voor het onderdeel groen dezelfde afschrijvingstermijnen die worden gehanteerd voor verharding, te weten 20, 25 of 30 jaar. 114 Vervanging van gras komt nog wel ten laste van het product/ taakveld. Kredieten worden aangevraagd voor een periode van vijf jaar en zijn drie jaar geldig. Een krediet staat dan standaard open voor drie jaar en kan gemotiveerd langer geopend blijven staan in de boekhouding.
Projecten duren ook vaak drie jaar en gaan één jaar van te voren in voorbereiding. Als er in een jaar een bepaald deel van een krediet niet wordt benut, dan schuift het door naar het jaar erna. 115
111 Vanaf 2017 is de begroting door BBV vernieuwing ingedeeld in 8 programma’ s en 53 taakvelden. Meer informatie hierover volgt in hoofdstuk 6. 112 Capelle aan den IJssel, ‘Integraal projectenboek, IBOR 2016-2020’, 28 augustus 2015, p. 15. 113 In het beheerplan Groen voor 2016-2020 werden alle kosten binnen deze discipline direct ten laste van het product gebracht en niet afgeschreven. Vanaf 2017 worden bomen en beplanting conform BBV 2017 wel geactiveerd en afgeschreven. Bron: interviews ambtenaren. 114 Deze afschrijvingstermijnen komen respectievelijk overeen met zeer zettingsgevoelig – gemiddeld zettingsgevoelig – enigszins zettingsgevoelig. Voor openbare verlichting gelden andere afschrijvingstermijnen, namelijk 20 jaar voor lichtmasten en 40 jaar voor armaturen. 115 Interviews ambtenaren.
84
openbaar goed
reserve Openbare Ruimte De reserve Openbare Ruimte is ontstaan toen in 2009 de voorziening Openbare Ruimte, van afgerond € 12 mln., in de begroting werd opgenomen als reserve. Dit was het gevolg van een stelselwijziging bij de jaarrekening 2009. 116 De reserve Openbare Ruimte is bedoeld als buffer voor de noodzakelijke investeringen (d.w.z. vervangingen) in de openbare ruimte. 117 Kredieten om de vervangingen mee te financieren worden geactiveerd. De kapitaallasten daarvan worden met ingang van 2010 gedekt uit de product-/programmakosten.
dotaties en onttrekkingen Naast de initiële dotatie van € 12 mln. bestaat de reserve uit jaarlijkse dotaties c.q. onttrekkingen ten laste van de begroting. Zo leidt een positief of negatief resultaat op het exploitatieresultaat van de beheeronderdelen IBOR tot een dotatie aan of onttrekking uit de reserve. Ook een (tijdelijk) voordeel of nadeel indien een afschrijving later of eerder start dan gepland, leidt tot een mutatie in de reserve. Verder is in 2014 middels een begrotingswijziging afgesproken dat voordelen op de kapitaallasten (rentelasten en afschrijvingslasten) van andere programma’s aan de reserve Openbare Ruimte worden toegevoegd. Dit vormt als het ware de voeding van deze reserve. Dit is destijds zo afgesproken nadat is berekend dat de reserve in de toekomst negatief zal worden. Het gaat alleen om dotaties (dus alleen voordelen), nadelen op de kapitaallasten worden niet onttrokken. 118 Hierdoor heeft de reserve zich de afgelopen jaren door extra dotaties voordeliger ontwikkeld dan verwacht.
opheffing reserve In de aanbiedingsbrief bij de Voorjaarsnota 2019 is het voorstel ingediend om een aantal bestemmingsreserves, waaronder de reserve Openbare Ruimte, eind 2019 op te heffen. 119 Dit is in lijn met het advies van de Raadswerkgroep Structurele Investeringsruimte (SIR). Dit is namelijk nodig “ in het kader van zowel het verder transformeren van de begroting, het verder verhogen van de transparantie van de begroting als het daarbij bevorderen van het (meer) sturen op kasstromen (…)’’. Voor de reserve Openbare Ruimte is besloten om het onderdeel ‘Water’ in stand te houden, “omdat er sprake is van mogelijk zeer grote fluctuaties (en lastig gebleken voorspelbaarheid) in de jaarlijkse bedragen in het kader van het dynamische baggerprogramma van het Hoogheemraadschap”. Het baggeren komt niet jaarlijks voor, maar gebeurt incidenteel, waardoor de reserve een dempende werking heeft. 120 Na het opheffen, wordt de rest van de reserve Openbare Ruimte (op het onderdeel ‘Water’ na) gedoteerd aan de reserve Algemene middelen. Dit betekent dat het exploitatieresultaat van de disciplines niet meer wordt gedoteerd aan of onttrokken uit deze reserve, maar dat het ten laste van of ten gunste komt van het resultaat. Het is (indien er sprake is van een positief resultaat) aan de raad om het resultaat te bestemmen. Dit is overigens veelal de algemene reserve.
116 Gemeente Capelle aan den IJssel, ‘Programmabegroting 2015’, 10 november 2014. 117 Behalve voor de onderdelen riolering en afval. Hiervoor wordt voorziening middelen derden benut. Bron: interview ambtenaren. 118 Interview ambtenaren. 119 Gemeente Capelle aan den IJssel, ‘Aanbiedingsbrief bij voorjaarsnota 2019’, 14 juni 2019. 120 Gemeente Capelle aan den IJssel, ‘Voorjaarsnota 2019’, 14 juni 2019, p.4.
85
openbaar goed
stand van reserve begin en eind 2019 De reserve Openbare Ruimte bedroeg op 1 januari 2019 € 25,5 mln. De reserve bestaat uit een aantal subreserves voor de afzonderlijke zeven beheerdisciplines van de gemeente. 121 In figuur 5-1 is een overzicht van alle mutaties (saldo van dotaties en onttrekkingen) en de stand van de reserve Openbare Ruimte voor de periode 2009-2019 opgenomen. De reserve bedraagt € 2.089.000 eind 2019 en omvat slechts de subreserve water na het opheffen van de reserve. 122 In bijlage 8 is een overzicht van de mutaties in de subreserve met betrekking tot de beheeronderdelen groen, verharding en openbare verlichting in de periode 2009-2019 opgenomen.
miljoenen
figuur 5-1: mutaties en saldo van de reserve Openbare Ruimte (2009-2019) 123
30 20 10 0
2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
-10 -20 -30
mutaties
saldo (einde jaar)
bron: Gemeente Capelle aan den IJssel, overzichten ‘Ontwikkeling reserve IBOR 2009-2018’, ontvangen juli 2019, bewerking rekenkamer.
beschikbare en benodigde financiële middelen In de meerjarenbegroting in de beheerplannen zijn prognoses opgenomen van de beschikbare en benodigde middelen om te kunnen voldoen aan de gestelde kwaliteitsambities per discipline. De beheerplannen zijn in 2015 opgesteld en richten zich op een planperiode van vijf jaren. Vervolgens wordt per jaarschijf de begroting, eventueel na wijzigingen in de voor- en najaarsnota, vastgesteld door de raad. In de praktijk kunnen de jaarlijks beschikbare en benodigde middelen afwijken van de prognoses in de beheerplannen. Uitgaande van de meerjarenbegroting in de beheerplannen zijn de beschikbare middelen ten aanzien van onderhoud van de disciplines verharding en openbare verlichting toereikend. Voor de discipline groen wordt op basis van de geraamde cijfers een tekort verwacht.
121 Naast de onderzochte disciplines groen, verharding en openbare verlichting zijn er nog civieltechnische werken, water, speelplaatsen en verkeersvoorzieningen. 122 Gemeente Capelle aan den IJssel, ‘Najaarsnota 2019’, 12 november 2019, p. 135. 123 Voor 2019 is gebruikgemaakt van de najaarsnota 2019.
86
openbaar goed
Daarnaast is voor verharding jaarlijks naar verwachting tussen de € 4 mln. en € 4,5 mln. krediet benodigd voor IBOR-projecten. Naar verwachting zullen de kapitaallasten voor verharding in de komende jaren oplopen. Voor openbare verlichting is jaarlijks tussen de € 900.000 en € 1 mln. krediet benodigd voor IBOR en singuliere projecten. Ongeveer twee derde van de kredieten is bedoeld voor uitvoering van integrale projecten. Voor vervanging van groen is er in het beheerplan geen prognose opgenomen omdat investeringen tot 2017 ten laste van het product kwamen. inleiding In deze paragraaf wordt een overzicht van de beschikbare meerjarenbegroting en begrote investeringen per discipline weergegeven zoals die zijn opgenomen in de beheerplannen 2016-2020. Deze beheerplannen zijn in 2015 opgesteld. groen In onderstaande figuur volgt de meerjarenbegroting 2016-2020 voor groen: figuur 5-2: meerjarenbegroting groen 2016-2020 (in EUR)
bron: Beheerplan groen 2016-2020, p. 25, bewerking rekenkamer. Toelichting op figuur 5-2: 124 • IBOR: budgetten voor integrale projecten zoals opgenomen in het IBOR 2016-2020. • Singulier: budgetten voor singuliere projecten zoals opgenomen in het IBOR 2016-2020. • Regulier: budgetten voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden door derden, zoals onder meer het prestatiebestek, inkoop van beplanting en bomen. • Bijdragen derden: inkomsten van bedrijven voor onderhoud groenvoorzieningen door of via de gemeente. • Kapitaallasten: afschrijvingslasten en rentelasten. • Vaste lasten: kosten voor gemeentelijke personeel en materieel zoals opgenomen in meerjarenbegroting.
Volgens het beheerplan is er jaarlijks bijna € 4 mln. beschikbaar om te kunnen voldoen aan de gestelde kwaliteitsambitie voor groen. De bedragen onder het kopje ‘Beschikbaar’ is een gemiddelde van voorgaande jaren. De verwachte benodigde middelen zijn echter hoger. De benodigde middelen zijn berekend en doorgetrokken naar de toekomst op basis van schouwgegevens en bijbehorende kostenramingen in het verleden. 125 Op basis van het beheerplan wordt aan het einde van de planperiode een tekort verwacht van ruim € 900.000 (zie laatste kolom ‘verschil’ in figuur 5-2).
124 Capelle aan den IJssel, ‘Beheerplan Groen, 2016-2020’, 28 augustus 2015, p. 25. 125 Interviews ambtenaren en ontvangen excel bestand met kostenoverzichten t.b.v. beheerplannen van 2 maart 2020.
87
openbaar goed
Ambtenaren geven echter aan dat er in de praktijk geen sprake is van een tekort. Het beschikbare bedrag is, zoals eerder aangegeven, een gemiddelde van voorgaande jaren en is op het moment van het opstellen van het beheerplan nog niet vastgesteld door de raad. De werkelijk benodigde middelen worden in de voor- of najaarsnota aangevraagd. 126 Zowel de bedragen onder ‘Beschikbaar’ als onder ‘Benodigd’ zijn dus prognoses die in 2015 zijn opgesteld. Het bedrag dat de raad uiteindelijk per jaarschijf toekent, kan dus hoger liggen dan de bedragen die onder ‘Beschikbaar’ zijn weergegeven. In de praktijk wordt immers per jaar bekeken hoeveel middelen er benodigd zijn voor de ingrepen die in dat jaar worden verwacht. vervanging In het beheerplan groen zijn de vervangingen opgenomen in de kolommen ‘IBOR’ en ‘singulier’ in de meerjarenbegroting (zie figuur 5-2). Bij de discipline groen zijn in het beheerplan 2016-2020 geen kredieten voor vervangingen opgenomen. Dit komt omdat alle investeringen in groen - zoals eerder vermeld- in de periode voor 2017 ten laste kwamen van het product. Daarom zijn er geen kapitaallasten in de meerjarenbegroting opgenomen (zie figuur 5-2).
Met ingang van 2017 is door een wijziging van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) bepaald dat het vervangen van bomen en beplanting (bijvoorbeeld heesters) wordt gedaan door middel van een krediet en dus geactiveerd moet worden. Hierdoor ontstaan dan wel kapitaallasten. Het vervangen van gras wordt niet geactiveerd en blijft ten laste van het product (dit staat in het beheerplan vermeld onder het kopje ‘IBOR’). verharding In onderstaande figuur volgt de meerjarenbegroting 2016-2020 voor verharding: figuur 5-3: meerjarenbegroting verharding 2016-2020 (in EUR)
bron: Beheerplan verharding 2016-2020, p. 35, bewerking rekenkamer. Toelichting op figuur 5-3: 127 • IBOR: budgetten voor integrale projecten zoals opgenomen in het IBOR 2016-2020. • Singulier: kosten van het groot onderhoud.
126 Interview ambtenaren. 127 Capelle aan den IJssel, ‘Beheerplan verharding, 2016-2020’, 28 augustus 2015, p. 35.
88
openbaar goed
• Regulier: onderhoudskosten benodigd voor het in stand houden van het huidige areaal. Hieronder valt het oplossen van meldingen, repareren van vorstschade, klein onderhoud en niet-planmatig onderhoud. • Bijdrage derden: inkomsten door nutsbedrijven/parkshuttle. • Kapitaallasten: afschrijvingslasten en rentelasten. • Vaste lasten: dit zijn onder meer kosten voor eigen medewerkers voor voorbereiding, administratie en toezicht ten behoeve van realisatie van projecten.
Uit figuur 5-3 blijkt dat op basis van het beheerplan wordt verwacht dat er jaarlijks tussen de € 4,1 mln. en € 4,3 mln. beschikbaar is voor de instandhouding van verharding aan de gestelde kwaliteitsambitie. De gemeente verwacht echter dat ze de komende jaren minder middelen nodig heeft dan beschikbaar is. De benodigde bedragen zijn gebaseerd op de inspectiegegevens, levensverwachtingen en kostenramingen in het verleden. 128 Afgaande op de cijfers lijkt het alsof er sprake is van een overschot, maar zoals in paragraaf 5-3-2 aangegeven, betreffen dit prognoses. De bedragen die werkelijk worden aangevraagd bij de raad kunnen hiervan afwijken. Want ook hier wordt in de praktijk immers per jaar bekeken hoeveel middelen er benodigd zijn voor de ingrepen die in dat jaar worden verwacht. Uit gesprekken komt naar voren dat wordt verwacht dat de kapitaallasten voor verharding in de komende jaren zullen stijgen door oplopende investeringen. 129 Dit valt ook op te maken uit figuur 5-3 (zie de kolom ‘Kapitaallasten’). De kapitaallasten zullen naar verwachting op de langere termijn hoger worden dan de onderhoudskosten (in figuur 5-3 aangegeven in kolom ‘Regulier’). Tot 2035 kunnen de jaarlijks oplopende kapitaallasten volgens betrokken functionarissen nog goed gedekt worden uit het jaarlijks beschikbaar gestelde budget, maar daarna kan het een probleem worden.
Dit is overigens een risico waar meer gemeenten mee te maken hebben. 130 vervanging In tabel 5-2 zijn de benodigde kredieten voor de periode 2016-2020 voor de noodzakelijke integrale vervangingen ten aanzien van verharding opgenomen. Uit de tabel blijkt dat er jaarlijks tussen de € 4 mln. en € 4,5 mln. krediet benodigd is voor IBOR-projecten. tabel 5-2: benodigde kredieten verharding 2016-2020 (in EUR) 2016
2017
2018
2019
IBOR
4.501.000
4.199.000
4.101.000
4.360.000
4.431.000
21.592.000
singulier
--
--
--
--
--
--
totaal
4.501.000
4.199.000
4.101.000
4.360.000
4.431.000
21.592.000
bron: Integraal beheerplan openbare ruimte 2016-2020, p. 28.
128 Interviews ambtenaren en ontvangen excel bestand met kostenoverzichten t.b.v. beheerplannen van 2 maart 2020. 129 Interview ambtenaren. 130 Interview ambtenaren.
89
openbaar goed
2020
totaal
openbare verlichting In onderstaande figuur volgt de meerjarenbegroting 2016-2020 voor openbare verlichting: figuur 5-4: meerjarenbegroting openbare verlichting 2016-2020
bron: Beheerplan openbare verlichting 2016-2020, p. 25, bewerking rekenkamer. Toelichting op figuur 5-4: 131 • IBOR: onderhoudskosten aan lichtmasten en armaturen binnen de integrale projecten. • Singulier: onderhoudskosten voor singuliere projecten. • Regulier: kosten voor onder meer remplace, levering en transport van energie en het dagelijks onderhoud. • Kapitaallasten: afschrijvingslasten en rentelasten. • Vaste lasten: dit zijn onder meer loonkosten van de beheerder en een gedeelte van de loonkosten van het management en ondersteuning.
Uit figuur 5-4 blijkt dat er wordt verwacht dat er jaarlijks ongeveer € 1,2 mln. beschikbaar zal zijn voor de instandhouding van verlichting aan de gestelde kwaliteitsambitie. De verwachte benodigde bedragen zijn gebaseerd op inspectiegegevens, levensverwachtingen en kostenramingen in het verleden. 132 Uitgaande van de meerjarenbegroting wordt aan het einde van de planperiode een overschot verwacht, maar dit hoeft niet zo daadwerkelijk te zijn. Ook hier kan het werkelijk aangevraagde budget per jaarschijf afwijken van het beheerplan. vervanging In tabel 5-3 zijn de benodigde kredieten voor de periode 2016-2020 voor de noodzakelijke integrale vervangingen ten aanzien van openbare verlichting opgenomen. Uit de tabel blijkt dat er jaarlijks tussen de € 900.000 en € 1 mln. krediet benodigd is voor IBOR en singuliere projecten. Ongeveer tweederde van de kredieten wordt gebruikt voor integrale projecten.
131 Capelle aan den IJssel, ‘Beheerplan openbare verlichting, 2016-2020’, 28 augustus 2015, p. 25. 132 Interviews ambtenaren; excel bestand met kostenoverzichten t.b.v. beheerplannen, ontvangen op 2 maart 2020.
90
openbaar goed
tabel 5-3: benodigde kredieten openbare verlichting (in EUR) 2016
2017
2018
2019
2020
totaal
IBOR
639.020
786.822
766.903
732.903
652.452
3.578.100
Singulier
290.222
290.222
290.222
290.222
290.222
1.451.110
Totaal
929.242
1.076.822
1.057.125
1.023.125
942.674
5.029.210
bron: Integraal beheerplan openbare ruimte 2016-2020, p. 28.
begroting en realisatie onderhoud Ten aanzien van de discipline groen sluiten de begrote en de werkelijke kosten in twee van de vier jaren voldoende en in twee jaren onvoldoende op elkaar aan. De begrote financiële middelen komen vrijwel overeen met de oorspronkelijke begroting in het beheerplan. De gerealiseerde onderhoudskosten zijn in 2016 en 2017 ook nagenoeg gelijk aan de begroting gebleven. Daarentegen is in 2018 circa 7,5% en in 2019 is 16% meer uitgegeven aan onderhoudskosten dan begroot, ondanks de forse begrotingswijzigingen. Gezien de forse begrotingswijzigingen die in deze jaren hebben plaatsgevonden acht de rekenkamer deze verschillen te groot. Over de hele periode 2016-2019 is per saldo 5,2% meer aan onderhoud uitgegeven dan begroot. Ten aanzien van verharding sluiten de begrote en werkelijke kosten per saldo goed op elkaar aan, maar per jaar zijn er relatief grote schommelingen. De begrote financiële middelen sluiten aan op de bedragen in het beheerplan. In 2016 is er echter minder uitgegeven aan onderhoud dan begroot; er is een overschot van circa 12%. Daarna is in 2017 en 2018, respectievelijk 10% en 4%, meer uitgegeven aan onderhoud dan begroot. Ten slotte is in 2019 ongeveer 7% minder aan onderhoud uitgegeven. Het relatieve grote verschil in 2017 wordt grotendeels veroorzaakt door hogere kosten aan niet-planmatig onderhoud aan verharding.
Deze grote schommelingen zijn opmerkelijk aangezien er ook relatieve grote begrotingswijzigingen hebben plaatsgevonden, waardoor verwacht mag worden dat begrote en werkelijke kosten uiteindelijk op elkaar aansluiten. Over de hele periode 2016-2019 is per saldo 0,9% minder aan onderhoudskosten uitgegeven dan begroot. De begrote en werkelijke onderhoudskosten voor openbare verlichting sluiten onvoldoende op elkaar aan. Bij openbare verlichting is er sprake van overschotten in alle jaren, omdat er jaarlijks minder is uitgegeven aan onderhoud dan begroot. De rekenkamer meent dat er in deze jaren niet adequaat is begroot. Het gaat om grote overschotten van 30% in 2016 en 23% in 2017. In 2018 is een beperkt overschot van 5%, maar in 2019 is het overschot gestegen naar 10%. Het verschil in 2016 en 2017 is met name veroorzaakt doordat er fors minder is uitgegeven aan ‘remplace’ en aan ‘de levering van energie’. Dit heeft te maken met de ‘verledding’ van de openbare verlichting: hierdoor is minder onderhoud benodigd dan voorheen. Met de financiële gevolgen van deze ‘verledding’ is echter geen rekening gehouden in de begroting. Over de hele periode 2016-2019 is per saldo fors minder aan onderhoudskosten uitgegeven dan begroot, namelijk 18%.
91
openbaar goed
inleiding In deze paragraaf wordt per discipline een overzicht gegeven van de begroting en realisatie van de onderhoudskosten in de periode 2016-2019. Hiervoor heeft de rekenkamer financiële overzichten van de gemeente ontvangen. 133 De onderhoudskosten vallen onder de kolom ‘Regulier’ in de figuren 5-2 t/m 5-4 in de vorige paragraaf. Deze zijn in de tabellen 5-4 t/m 5-6 weergegeven in de kolom ‘begroting o.b.v. beheerplan’. Om een aansluiting te kunnen maken met de meerjarenbegroting zoals opgenomen in de betreffende beheerplannen is de kolom ‘primaire begroting’ toegevoegd aan de tabellen 5-4 t/m 5-9. 134 Dit zijn de bedragen die in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar zijn opgenomen. Deze bedragen zouden in principe overeen moeten komen met de begrote bedragen in de beheerplannen. Wijzigingen die in de voor- en najaarsnota’s zijn aangevraagd, zijn weergegeven in de kolom ‘begrotingswijziging’. Vervolgens worden het uiteindelijke begrote bedrag, de gerealiseerde uitgaven en het verschil tussen beiden weergegeven. groen tabel 5-4: begroting en realisatie onderhoudskosten groen 2016-2019 (in EUR) begroting obv
primaire
begrotings-
beheerplan
begroting
wijziging
2016
1.759.550
1.759.550
2017
1.786.826
2018
1.749.785
2019
1.778.441
totaal begroot
gerealiseerd
verschil
-13.500
1.746.050
1.714.410
- 31.640 (-1,8%)
1.736.826
387.474
2.124.300
2.100.189
- 24.111 (-1,1%)
1.848.785
290.500
2.139.285
2.299.147
159.862 (7,5%)
1.877.441
65.000
1.942.441
2.258.413
315.972 (16%)
bron: Ontvangen overzichten op projectniveau op 2 maart en 5 juni 2020.
Uit tabel 5-4 blijkt dat de primaire begroting voor de jaren 2016-2019 voldoende aansluit op de meerjarenbegroting uit het beheerplan. 135 Uit de kolom ‘begrotingswijzigingen’ blijkt dat het begrote bedrag voor onderhoudskosten vanaf 2017 jaarlijks is verhoogd. Uit analyse van de ontvangen financiële overzichten blijkt dat de wijzigingen voor alle jaren voor het grootste deel in de post ‘prestatiebestek’ zitten en daarna met name in de post ‘inkoop/inhuur van materiaal’ ten behoeve van de uitvoering. De laatste kolom van tabel 5-4 laat zien dat in 2016 en 2017 nagenoeg het hele bedrag volgens de begroting is uitgegeven; er is een klein overschot van circa 1 à 2%. In 2018 is, ondanks forse begrotingswijzigingen, circa 7,5% meer uitgegeven
aan onderhoud dan begroot. Dit is voornamelijk veroorzaakt door meer onderhoud aan bomen. Ook in 2019 is meer aan onderhoud besteed dan begroot (16%), dit komt met name door meer onderhoud aan bomen en het bestrijden van ziekten en plagen aan bomen. Extra onderhoud aan bomen is uitgevoerd om vervolgschade te
133 Ontvangen overzichten op projectniveau op 2 maart 2020 en 5 juni 2020. 134 De primaire begroting wordt door de raad vastgesteld in november. Tot en met de begroting 2017 stelde de raad op dat moment ook de 1e wijziging vast. Vanaf de begroting 2018 is dit geïntegreerd. Verder vormen gedurende het lopende jaar de voorjaarsnota en najaarsnota de wijzigingsmomenten. 135 Ten opzichte van het beheerplan geeft de primaire begroting van 2018 en 2019 een iets groter verschil van ongeveer 6%. Over het algemeen komt een afwijking tot 10% veelvuldig voor en wordt toegestaan. De analyse, verklaring en duiding is belangrijk voor het kunnen en willen toestaan van de afwijking.
92
openbaar goed
voorkomen en de veiligheid voor de omgeving te borgen. Dit onderhoud was volgens de gemeente niet te voorzien. De gemeente moest na constatering direct handelen, zo bleek uit het ambtelijk wederhoor. Over de hele periode 2016-2019 is per saldo 5,2% meer aan onderhoudskosten uitgegeven dan begroot. De begrote en werkelijk benodigde financiële middelen sluiten uiteindelijk in twee van de vier jaren (2018 en 2019) onvoldoende op elkaar aan. verharding tabel 5-5: begroting en realisatie onderhoudskosten verharding 2016-2019 (in EUR) begroting obv
primaire
begrotings-
beheerplan
begroting
wijziging
2016
1.325.000
1.325.000
2017
1.340.000
1.340.000
2018
1.325.000
2019
1.340.000
totaal begroot
gerealiseerd
verschil
117.244
1.442.244
1.274.006
- 168.238 (-12%)
220.000
1.560.000
1.717.320
157.320 (10%)
1.325.000
15.000
1.340.000
1.394.194
54.194 (4%)
1.340.000
0
1.340.000
1.244.119
- 95.881 (-7%)
bron: Ontvangen overzichten op projectniveau op 2 maart 2020 en 5 juni 2020.
De primaire begroting voor de jaren 2016-2019 komt overeen met de meerjarenbegroting uit het beheerplan. De begrotingen voor onderhoudskosten zijn vooral in 2016 en 2017 verhoogd na diverse begrotingswijzigingen: in 2016 ging het om wijzigingen in de post ‘algemeen’ en ‘niet planmatig onderhoud’ en in 2017 zat de grootste wijziging in de post ‘parkshuttle’, volgens de financiële overzichten. In 2016 is minder uitgegeven aan onderhoud dan begroot; er is een overschot van circa 12%. Daarna is er jaarlijks meer uitgegeven aan onderhoud dan begroot, te weten 10% in 2017 en 4% in 2018. In 2019 is ongeveer 7% minder uitgegeven aan onderhoud. De rekenkamer constateert dat er ondanks bijsturing via begrotingswijzigingen de verschillen tussen begroting en realisatie tussen de jaren best groot zijn. Er mag worden verwacht dat na deze wijzigingen begrote en werkelijke kosten goed op elkaar aansluiten. Over de hele periode 2016-2019 sluiten de begrote en realisatie cijfers wel op elkaar aan, zij het na de nodige begrotingswijzigingen: per saldo is 0,9% minder aan onderhoudskosten uitgegeven dan begroot. openbare verlichting tabel 5-6: begroting en realisatie onderhoudskosten openbare verlichting 2016-2019 (in EUR) begroting obv
primaire
begrotings-
beheerplan
begroting
wijziging
2016
741.000
741.100
2017
741.000
741.100
2018
741.000
2019
741.000
totaal begroot
gerealiseerd
verschil
0
741.100
522.648
- 218.452 (-30%)
-31.289
709.811
549.426
- 160.385 (-23%)
704.100
-82.074
622.026
588.974
- 33.052 (-5%)
607.100
0
607.100
546.441
- 60.659 (-10%)
bron: Ontvangen overzichten op projectniveau op 2 maart 2020 en 5 juni 2020.
93
openbaar goed
De primaire begroting voor de jaren 2016 en 2017 komt overeen met de meerjarenbegroting uit het beheerplan. Dit geldt echter niet voor 2018 en 2019. In deze twee jaren is de primaire begroting naar beneden bijgesteld. Na begrotingswijzigingen zijn ook de begrote bedragen in 2017 en 2018 licht naar beneden bijgesteld. Deze wijzigingen hebben in 2017 voor het grootste deel betrekking op de post ‘remplace’; in 2018 hebben de grootste wijzigingen naast ‘remplace’ ook betrekking op ‘klachten en storingen’ en de post ‘levering energie’. Ondanks deze bijstellingen zijn er echter forse overschotten in alle jaren, omdat er jaarlijks minder is uitgegeven aan onderhoud dan begroot. Het gaat om grote overschotten van 30% in 2016 en 23% in 2017. In 2018 is een beperkt overschot van 5%. Daarna is het overschot in 2019 gestegen naar 10%. Over de hele periode 2016-2019 is per saldo fors minder aan onderhoudskosten uitgegeven dan begroot, namelijk 18%. Het verschil in 2016 en 2017 is met name veroorzaakt doordat er fors minder is uitgegeven aan ‘remplace’ en aan ‘de levering van energie’. Een ambtenaar licht toe dat dit te maken heeft met de ‘verledding’ van de openbare verlichting: hierdoor is minder onderhoud benodigd dan voorheen.
Omdat de gemeente Capelle aan den IJssel een van de koplopers is van ‘verledding’ in Nederland, wist de gemeente nog niet precies welke gevolgen het zou hebben op de onderhoudsbehoefte. Daarom is wel het oorspronkelijke bedrag conform het beheerplan aangevraagd, maar dit bleek in de praktijk uiteindelijk dus te veel. 136 In 2018 is het verschil tussen begroot en gerealiseerd fors kleiner door vermoedelijk verkregen inzichten in de voorgaande jaren. Daarom is er in dit jaar fors minder begroot voor uitgaven aan ‘remplace’ dan in 2016 en 2017. Dit geldt ook voor 2019, maar in 2019 is er fors minder uitgegeven aan het ‘plaatsen en verplaatsen van lichtmasten’. Desalniettemin meent de rekenkamer dat er in deze jaren niet adequaat is begroot.
interne afstemming over financiële bijsturing In de praktijk vindt regelmatig overleg (circa twee keer per maand) plaats tussen de beheerder van een bepaalde discipline en de financieel adviseur over de budgetuitputting en zo nodig tussentijds, als er wijzigingen optreden in de uitvoeringsplanning. De financiële en planmatige consequenties worden vervolgens in kaart gebracht en middels de voorjaars- of najaarsnota gemeld aan het bestuur en de raad. 137 Tijdens dit overleg wordt ook de laatste stand van de projecten zowel financieel als inhoudelijk besproken, waarbij aspecten als planning, budget, risico’s en organisatie aan de orde komen. 138 Als er bijvoorbeeld extra budget nodig is, dan neemt de financieel adviseur dit mee in het projectenoverleg. Het projectenoverleg is het overleg met P&I over de uitvoering van projecten. Dit vindt iedere zes weken plaats met de teamleider van de beheerders, teamleider van het P&I bureau en teamleider van het team Directie & Toezicht. Stadsontwikkeling is de interne opdrachtgever van het P&I bureau. Extra budgetten worden aangevraagd via de voor- of najaarsnota.
begroting en realisatie vervangingen De gemeente begroot jaarlijks kredieten ter uitvoering van de projecten in de huidige planperiode (2016-2020) en ter uitvoering van projecten die eigenlijk in de vorige planperiode gepland stonden, maar nog niet zijn uitgevoerd. De aangevraagde kredieten voor het plegen
136 Interview ambtenaar. 137 Interviews ambtenaren. 138 Interviews ambtenaren.
94
openbaar goed
van vervangingen zijn echter fors lager dan wat is begroot. Dit betekent dat er aanzienlijk minder is uitgegeven aan vervangingsprojecten dan verwacht. De begrote en werkelijke uitgaven aan vervangingen sluiten dan ook onvoldoende op elkaar aan, terwijl er tussentijds omvangrijke begrotingswijzigingen hebben plaatsgevonden. De kwaliteit van de ramingen is in deze periode tekortgeschoten. Ten aanzien van groen is in 2017 63%, in 2018 35% en in 2019 21% van de begrote kredieten niet benut. Dit betekent dat een aanzienlijk deel van de voorgenomen vervangingen niet heeft plaatsgevonden. Over de hele periode 2017-2019 is per saldo fors minder (34%) aan vervanging besteed dan wat gepland was. Bij verharding is in 2016 ruim de helft van de begrote kredieten (55%) niet benut. Uit analyse blijkt dat van de geplande projecten, 60% van de integrale projecten in de huidige planperiode en 52% van de integrale projecten uit de vorige planperiode niet is uitgevoerd. Voor 2017 geldt daarentegen dat er meer krediet (24%) is benut dan begroot. Dit betekent dat er meer is uitgevoerd dan is voorgenomen qua vervangingen om de achterstand in 2016 in te halen. Uit analyse blijkt dat dit geldt voor 34% van de integrale projecten in de huidige planperiode en 20% uit de vorige planperiode. In 2018 is echter weer minder besteed dan begroot: 11% van het voorgenomen krediet is niet benut.
Uit analyse blijkt dat 1% van de integrale projecten in de huidige planperiode en 17% uit de vorige planperiode niet is uitgevoerd. In 2019 is weer fors minder besteed dan begroot: 30% van het voorgenomen krediet is niet benut. De analyse laat zien dat 29% van de integrale projecten in de huidige planperiode en 44% uit de vorige planperiode niet is uitgevoerd. Over de hele periode 2016-2019 is per saldo 28% minder aan vervanging uitgegeven dan begroot. In 2016 is voor openbare verlichting 57% van de begrote kredieten niet benut: 95% van de integrale projecten in de huidige planperiode, 59% uit de vorige planperiode en 43% van de singuliere projecten. In 2017 is 31% van de begrote kredieten niet benut. Dit komt doordat een aanzienlijk deel van de vervangingen die nog vanuit de vorige planperiode stonden gepland, niet zijn uitgevoerd: 66% van de integrale projecten en 33% van de singuliere projecten. De gemeente heeft daarentegen 60% meer besteed aan integrale projecten in de huidige planperiode dan begroot. In 2018 is 22% van de begrote kredieten niet benut: 48% van de integrale projecten in de huidige planperiode en 19% van de voorgenomen vervangingen van de singuliere projecten zijn niet uitgevoerd. Bij de integrale projecten uit de vorige planperiode is juist 24% meer uitgegeven dan begroot.
In 2019 is 31% van de begrote kredieten niet benut: 56% van de integrale projecten in de huidige planperiode en 49% van de projecten uit de vorige planperiode zijn niet uitgevoerd. Aan singuliere projecten heeft de gemeente 33% meer uitgegeven dan begroot. Over de hele periode 2016-2018 is per saldo 35% minder aan vervanging uitgegeven dan begroot. Uit het voorgaande blijkt dat er grotendeels jaarlijks minder wordt besteed aan vervangingen dan begroot. Dit duidt op dat er in de laatste jaren veel IBOR-projecten ten opzichte van de planning zijn doorgeschoven. inleiding In deze paragraaf wordt per discipline de ontwikkeling gegeven van de begroting en realisatie van de kredieten en daarmee de vervangingen in de periode 2016-2019. Zoals eerder aangegeven waren er destijds geen benodigde kredieten opgenomen voor groen in het betreffende beheerplan, maar wel de benodigde vervangingen (zie paragraaf 53-2). Op basis van de ontvangen financiële overzichten van de gemeente zijn de benodigde kredieten voor groen vanaf 2017 wel bekend, zodat onderstaande tabel 5-7
95
openbaar goed
opgesteld kan worden. De benodigde kredieten voor verharding en openbare verlichting waren wel opgenomen in de beheerplannen en zijn in de tabellen 5-8 en 5-9 weergegeven. groen tabel 5-7: begroting en realisatie kredieten groen 2016-2019 (in EUR) begroting obv beheerplan
primaire
begrotings-
begroting
wijziging
totaal begroot
gerealiseerd
2016
Nvt
nvt
nvt
nvt
nvt
nvt
2017
Nvt
622.700
-139.711
482.989
176.877
- 306.111 (-63%)
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
IBOR: 103.550
IBOR:-103.550
IBOR: 0
IBOR: 16.029
singulier: 50.000
singulier: 0
singulier: 50.000
singulier: 116.201 (230%)
vorige planperiode:
vorige planperiode:-
vorige planperiode:
vorige planperiode: 44.646
469.150
36.161
432.989
(10%)
3.196.573
-1.932.971
1.263.602
822.012
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
IBOR: 255.890
IBOR: -148.970
IBOR: 106.920
IBOR: 66.560 (62%)
singulier: 2.784.533 139
singulier: -2.046.584
singulier: 737.949
singulier: 345.322 (47%)
vorige planperiode:
vorige planperiode:
vorige planperiode:
vorige planperiode:
156.150
262.583
418.733
410.129 (98%)
704.137
388.365
1.092.502
861.164
2018
2019
nvt
nvt
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
IBOR: 163.100
IBOR: 241.537
IBOR: 404.637
IBOR: 100.515 (25%)
singulier: 461.217
singulier: -12.131
singulier: 449.086
singulier: 488.255 (109%)
vorige planperiode:
vorige
vorige planperiode:
vorige planperiode:
79.820
planperiode:158.959
238.779
272.394 (114%)
bron: Ontvangen overzichten op projectniveau op 2 maart 2020 en 5 juni 2020.
Een vergelijking tussen de primaire begroting voor benodigde kredieten en de voorgenomen vervangingen in het beheerplan groen is, zoals eerder vermeld, niet mogelijk door de in 2017 ingevoerde BBV-wijziging. In tabel 5-7 valt te lezen dat de begroting ten opzichte van de primaire begroting in 2017 en 2018 naar beneden is bijgesteld. De begrotingswijzigingen hebben voor het merendeel betrekking op uitgestelde kredieten voor integrale projecten in de huidige planperiode en overige projecten die erbij zijn gekomen zoals kwaliteitsimpuls entrees met een grote financiële impact van ongeveer € 1,5 mln. In 2019 is de begroting ten opzichte van de primaire begroting verhoogd. De begrotingswijzigingen worden veroorzaakt door verhoging van de kredieten voor integrale projecten in de huidige planperiode en van de vorige planperiode. 2017
139 Bijgekomen projecten betreffen: upgraden Schollebos (€ 250.000), kwaliteitsimpuls entrees (€ 1.567.500), klachten boomstructuren (€ 160.000), omvormen groenvakken woonwijken (€ 475.000) en vergroening Fascinatio (€ 200.000).
96
verschil
openbaar goed
- 441.590 (-35%)
- 231.338 (-21%)
Uit tabel 5-7 blijkt ook dat er jaarlijks in de periode 2017-2019 minder aan kredieten is aangegaan dan begroot. In 2017 is 63%; in 2018 35% en in 2019 21% van de begrote kredieten niet benut. Dit betekent dat voorgenomen vervangingen in een bepaald jaar niet hebben plaatsgevonden. Uit analyse van de financiële overzichten blijkt dat in 2017 slechts één integraal project van de huidige planperiode is uitgevoerd. 140 Ten aanzien van integrale projecten uit de vorige planperiode (2011-2015) is 10% van de begrote kredieten gerealiseerd. Van de singuliere projecten is echter 2,3 keer meer krediet aangevraagd dan begroot. 2018 en 2019 Voor 2018 is 62% van de begrote kredieten voor integrale projecten in de huidige planperiode gerealiseerd; 98% van de integrale projecten uit de vorige planperiode en 47% van de singuliere projecten. In 2019 is 25% van de begrote kredieten voor integrale projecten in de huidige planperiode gerealiseerd; zowel voor integrale projecten uit de vorige planperiode als singuliere projecten is iets meer krediet geboekt dan begroot. Uit navraag blijkt dat de uitvoering van groenprojecten zeer afhankelijk is van de weersomstandigheden. Als bijvoorbeeld er (te) veel regen is gevallen, (te) droog is geweest of (te) koud weer is geweest, dan kunnen bepaalde groenprojecten op basis hiervan niet plaatsvinden in een bepaald jaar.
Als dit gebeurt aan het einde van een kalenderjaar, moeten deze groenprojecten worden doorgeschoven naar het jaar erop, waardoor het lijkt alsof een project een kalenderjaar is uitgesteld, terwijl dit in de praktijk een paar maanden is. Daarnaast kunnen de groenprojecten alleen plaatsvinden in de periode november-maart en vormen de groenprojecten het sluitstuk van integrale projecten als bijvoorbeeld de verhardingswerkzaamheden af zijn. 141 Daarom zijn er vaak budgetverschuivingen. De rekenkamer acht dit plausibel, maar vindt het niet aannemelijk dat hiermee het hele verschil kan worden verklaard. Over de hele periode 2017-2019 is per saldo fors minder (34%) aan vervanging gedaan dan wat gepland was. verharding tabel 5-8: begroting en realisatie kredieten verharding 2016-2019 (in EUR) begroting obv beheerplan 2016
2017
4.501.000
4.199.000
primaire
begrotings-
begroting
wijziging
5.233.317 (16%)
totaal begroot
gerealiseerd
verschil
734.964
5.968.281
2.687.484
- 3.280.797 (-55%)
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
IBOR: 3.845.600 (-15%)
IBOR: -1.535.700
IBOR: 2.309.900
IBOR: 930.367 (40%)
vorige
vorige planperiode:
vorige planperiode:
vorige planperiode:
planperiode:1.387.717
2.270.664
3.658.381
1.757.117 (48%)
6.875.230 (64%)
-5.069.373
1.805.857
2.244.719
140 Dit gaat om IP3.2 Slotlaan. In de primaire begroting was aanvankelijk € 30.900 opgenomen en met de begrotingswijziging volledig geannuleerd. Het geboekte krediet bedraagt € 16.029 in 2017. 141 Interviews ambtenaren.
97
openbaar goed
438.862 (24%)
2018
2019
4.101.000
4.360.000
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
IBOR: 5.156.825 (23%)
IBOR: -4.568.706
IBOR: 588.119
IBOR: 788.440 (134%)
vorige planperiode:
vorige planperiode:
vorige planperiode:
vorige planperiode:
1.718.405
-500.667
1.217.738
1.456.280 (120%)
7.644.128 (86%)
-3.342.800
4.301.328
3.845.513
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
IBOR: 5.504.788 (34%)
IBOR: -3.765.322
IBOR: 1.739.466
IBOR: 1.715.615 (99%)
vorige planperiode:
vorige planperiode:
vorige planperiode:
vorige planperiode:
2.139.340
422.522
2.561.862
2.129.898 (83%)
7.291.625
-3.799.713
3.491.912
2.443.008
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
bestaande uit:
IBOR: 6.083.087 (40%)
IBOR: -3.010.958
IBOR: 3.072.129
IBOR: 2.167.723 (71%)
vorige planperiode:
vorige planperiode:
vorige planperiode:
vorige planperiode:
1.120.538
-788.755
331.783
187.285 (56%)
- 455.815 (- 11%)
- 1.048.904 (-30%)
(67%) 142
bron: Ontvangen overzichten op projectniveau op 2 maart 2020 en 5 juni 2020.
Uit tabel 5-8 blijkt dat de primaire begroting voor kredieten ten behoeve van verhardingen in de periode 2016-2019 afwijkt van de begroting volgens het beheerplan. De primaire begroting valt hoger uit ten opzichte van wat er in het beheerplan is opgenomen, te weten voor 2016 circa 16% meer; voor 2017 64%; voor 2018 86% en voor 2019 67% meer. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat in deze jaren ook kredieten worden aangevraagd voor uitvoering van projecten uit de vorige planperiode. De kredieten in het beheerplan hebben echter alleen betrekking op de huidige planperiode (2016-2020). Ter illustratie: in 2016 werd € 3,8 mln. aan krediet aangevraagd voor projecten in de periode 2016-2020 en € 1,4 mln. aan krediet voor projecten uit de planperiode 2011-2015. Als de kredieten voor uitvoering van projecten uit de vorige planperiode eruit worden gefilterd, dan is de afwijking van de primaire begroting ten opzichte van het beheerplan kleiner, te weten -15% in 2016; 23% in 2017; 34% in 2018 en 40% in 2019. 2016 De begrotingswijzigingen in 2016 zijn voor het grootste deel veroorzaakt doordat er meer kredieten zijn begroot voor integrale projecten uit de vorige planperiode. 143 Van de integrale projecten in de huidige planperiode is bijna de helft van de begrote kredieten geannuleerd.
144 Door deze begrotingswijzigingen is het begrote bedrag voor kredieten uiteindelijk nog hoger uitgevallen, namelijk € 5,97 mln. (zie tabel 5-8). Hiervan is € 2,68 mln. gerealiseerd, wat betekent dat ruim de helft van de begrote kredieten niet is benut (55%). Dit betekent dat voorgenomen vervangingen niet zijn uitgevoerd. Uit analyse blijkt dat 60% van de integrale projecten in de huidige
142 Hier zit een bedrag van € 88.000 aan directe salariskosten bij dat niet in de voorgaande jaren is opgenomen. Dit bedrag is begroot en geboekt in 2019. In de berekeningen is dit bedrag buiten beschouwing gelaten. 143 In de primaire begroting is € 1,38 mln. begroot en door begroting wijzigingen is € 2,27 mln. erbij gekomen. De begrotingswijziging is voor het grootste deel (€ 1,66 mln.) veroorzaakt door het project Kanaal-Capelseweg fase 2, dat niet opgenomen was in de primaire begroting. 144 In de primaire begroting is € 3,84 mln. begroot en door begrotingswijzigingen is € 1,53 mln. eraf gehaald.
98
openbaar goed