07.03 - Advies precedenwerking 1032869
Tekst van het document
Gemeente Capelle aan den IJssel T.a.v. de heer Postbus 70 2900 AB CAPELLE AAN DEN IJSSEL
Postbus 633 5201 AP 's-Hertogenbosch Lekkerbeetjesstraat 6 5211 AL 's-Hertogenbosch T: +31 (0)88 141 08 64
Uitsluitend per email: @capelleaandenijssel.nl en @capelleaandenijssel.nl
Datum
E: @bg.legal I: www.bg.legal
8 december 2022
Dossiernummer 20226594.01 Inzake
Capelle a/d IJssel / advies Kerklaan 450 II
Uw referentie
Advies precedentwerking [Kerklaan 450]
Geachte heer Holleman, Met verwijzing naar het intakeformulier van 22 november 2022 treft u in onderstaand advies mijn antwoord aan op de vraag in hoeverre het verlenen van een omgevingsvergunning voor een gebouw van 70 meter hoog een precedent schept voor overige [toekomstige] ontwikkelingen in het centrum. Dit mede gezien het feit dat het voornemen is een visie op te stellen op grond waarvan mogelijk een maximumhoogte geldt van [bijvoorbeeld] 50 meter. Onderstaand treft u de beantwoording van deze vraag aan. Managementsamenvatting Het antwoord op de vraag of het toestaan van een 70 meter hoog gebouw in het centrum een precedent schept voor andere toekomstige ontwikkelingen, is neen, mits gemotiveerd kan worden dat sprake is van uniek geval waarbij ruimtelijke argumenten een centrale rol zullen vervullen gelet op het criterium van de goede ruimtelijke ordening. Uitwerking Het scheppen van een precedent is niet aan de orde indien sprake is van een uniek geval. Zo overwoog de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State [‘Afdeling’] eerder1: “ (…) Deze inspringing heeft echter zowel wat betreft de lengte als de diepte een andere maat dan de inspringing die aanwezig was aan de voorzijde van de woning aan de 1
ABRvS 17 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2022:AE5360.
Leeuweriklaan 11. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders er in redelijkheid van uit hebben kunnen gaan dat sprake is van een uniek geval waarvan geen precedentwerking uit gaat.(…)” Het is dan ook in belangrijke mate een motiveringskwestie, in die zin dat gemotiveerd moet worden waarom de keuze om op een bepaalde locatie een ontwikkeling planologisch toe te staan een uniek geval betreft. De Afdeling overwoog daarover2: “(…) Daarnaast heeft verweerder zich niet op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen precedentwerking tot gevolg heeft. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een unieke situatie en niet valt uit te sluiten dat zich vergelijkbare omstandigheden zullen voordoen waaronder verweerder wederom gehouden zal zijn af te wijken van het streekplan en verstening in het buitengebied toe te staan.(…)” Indien het college kan motiveren dat op de betreffende locatie een gebouw van 70 meter vergund kan worden en het college ook kan motiveren dat dit een uniek geval is, [bijvoorbeeld] vanwege de afweging van alle ruimtelijk relevante aspecten van dat geval, zal in beginsel geen sprake zijn van precedentwerking. Ik acht de kans in dit geval ook niet groot, omdat vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening vaak de locatie en de directe omgeving relevant is voor de vraag wat ruimtelijk aanvaardbaar is.
Die omgeving is vaak al in bepaalde mate uniek en de boordeling van de activiteit betreft een individuele en zelfstandige toets. Door de individuele omstandigheden van een geval toe te lichten, ontstaat ruimte voor het bieden van maatwerk waardoor minder snel een precedent wordt geschept. Daar komt bij dat een [succesvol] beroep op precedentwerking of het gelijkheidsbeginsel in de rechtspraak [uiterst] zeldzaam is. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat ongelijke gevallen ongelijk worden behandeld in de mate waarin zij verschillen. In belangrijke mate is dat [dus] hetzelfde kader als hiervoor geschetst in verband met precedentwerking. Vaak zit een beroep op precedentwerking ook ‘ingebakken’ in een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Gelet op het motiveringsvereiste, is het bijzonder van belang – in het licht van een toekomstige visie waarin een lagere maximale bouwhoogte opgenomen kan worden dan 70 meter – goed te onderbouwen waarom in dit concrete geval 70 meter ruimtelijk aanvaardbaar is, zonder daarmee de indruk te wekken dat die hoogte elders ook toegestaan zou kunnen worden. Met vriendelijke groet,
Toets in kader van ‘4 ogen principe’ gedaan door
2
ABRvS 14 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:7999.
2 van 2