06.07 - Verordening jeugdhulp toelichting geconsolideerde versie 13 februari 2023
Tekst van het document
Verordening jeugdhulp gemeente Capelle aan den IJssel 2018, toelichting geconsolideerde versie Toelichting Algemeen Sinds de invoering van de Jeugdwet in januari 2015 staan gemeenten voor de taak om te realiseren dat voor wie dat nodig heeft jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar zijn. Ook moeten zij er voor zorgen dat er instellingen zijn die kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering kunnen uitvoeren. De Jeugdwet draagt gemeenten verder onder meer op om maatregelen te nemen voor de bestrijding van kindermishandeling. Dit alles moeten de gemeenten ook bekostigen. Gezien de samenhang tussen het werkterrein van de Jeugdwet en dat van andere wetten, bevat de Jeugdwet verder de verplichting voor gemeenten om samen te werken met andere sectoren die voor jeugdigen en hun ouders van belang (kunnen) zijn zoals de zorg, het onderwijs en politie en justitie. De Jeugdwet stelt de eigen kracht van jeugdigen, ouders en hun sociale netwerk voorop en gaat er vanuit dat jeugdigen en hun ouders zelf de regie voeren over hun leven. De gemeente moet daarom ook inzetten op preventie (vergelijk artikelen 2.1 en 2.2 van de wet). Als er voor jeugdigen of hun ouders niettemin problemen bestaan, wordt er op ingezet dat zij daarvoor zelf een oplossing zoeken, bij voorkeur samen met hun eigen omgeving en alleen indien noodzakelijk met professionele hulpverleners.
In het geval professionele hulp moet worden verleend gebeurt dit in de lichtste vorm die gegeven de omstandigheden kan worden geacht effectief te zijn. De hulpverlening vindt plaats vanuit de doelstelling dat jeugdigen en hun ouders zo snel als dat kan weer op eigen kracht verder gaan. Jeugdhulp wordt verleend in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders en als hulpverleners van verschillende disciplines bij de hulpverlening betrokken zijn, moeten zij met elkaar samenwerken (1 gezin, 1 plan, 1 regisseur). Met deze verordening geeft de gemeenteraad uitvoering aan de verplichting die de wetgever hem oplegt om een aantal regels te stellen voor het uitvoeren van de door de Jeugdwet opgedragen taken. De gemeenteraad maakt daarbij ook gebruik van de bevoegdheid die de Jeugdwet hem geeft om ten aanzien van bepaalde onderwerpen voorschriften te formuleren. Na enkele begripsbepalingen (artikel 1) geeft artikel 2 van de verordening een overzicht van de jeugdhulpvoorzieningen die voor inwoners van de gemeente beschikbaar zijn. Artikel 3 betreft de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Hierna volgt een aantal artikelen (4 tot en met 10) over de wijze waarop het college de noodzaak van het inzetten van jeugdhulp voor een jeugdige of zijn ouders beoordeelt.
In artikel 11 is uiteengezet welke elementen moeten worden benoemd in de beschikking tot het verstrekken van een individuele voorziening. Vervolgens zijn regels gesteld voor het verstrekken van een pgb door het college (artikelen 12 tot en met 14). De mogelijke gevolgen van nieuwe feiten en omstandigheden zijn weergegeven in artikel 15, waarna artikel 16 ingaat op toezicht en handhaving. Samenwerking en afstemming tussen het college en partijen die verantwoordelijk zijn voor andere voorzieningen die voor de jeugdige of zijn ouders relevant kunnen zijn, komen aan de orde in de artikelen 17 tot en met 20. Een bepaling omtrent het bewaken van de verhouding tussen prijs en kwaliteit bij de inkoop van diensten van jeugdhulpaanbieders en uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering is in artikel 21 verwoord. Voor de inspraak van jeugdigen, ouders of pleegouders dan wel hun vertegenwoordigers bij de uitvoering van de Jeugdwet verwijst artikel 22 naar de Verordening adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel die op 1 februari 2018 in werking is getreden. Tenslotte bevatten de artikelen 23 tot en met 25 1
achtereenvolgens een evaluatiebepaling, een hardheidsclausule en een artikel betreffende de inwerkingtreding en citeertitel van deze verordening. Deze verordening kan niet los worden gezien van het Beleidsplan Jeugdhulp, dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet periodiek moet vaststellen. In dit beleidsplan wordt vastgelegd, welk beleid de gemeente voert met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. De Jeugdwet en de op de Jeugdwet gebaseerde regelgeving leggen vele taken en bevoegdheden bij het college. Het college kan het uitoefenen daarvan door een derde laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Van deze mogelijkheid heeft het college onder meer gebruik gemaakt door de uitvoering van de Jeugdwet met de bijbehorende regelgeving op te dragen aan het Centrum voor Jeugd en Gezin Capelle aan den IJssel (hierna: CJG). Veel van de werkzaamheden die worden beschreven in deze verordening worden dan ook gedaan door (medewerkers van) het CJG. Door het college te geven beschikkingen worden in de dagelijkse praktijk afgegeven door de directeur van het CJG, die daarvoor van het college een mandaat gekregen heeft. Artikel 2.8, eerste lid, van de Jeugdwet verplicht colleges om samen te werken als dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de wet aangewezen is.
De gemeenten in de regio Rijnmond hebben deze samenwerking vorm gegeven in de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond. Een belangrijke taak van deze gemeenschappelijke regeling is het contracteren of subsidiëren van de aanbieders van de jeugdhulpvoorzieningen bedoeld in artikel 2, tweede lid, van deze verordening alsmede van de instellingen die in de regio de jeugdreclassering en de jeugdbescherming uitvoeren. Toegang tot jeugdhulp Het toewijzen van jeugdhulp is niet alleen een taak voor de gemeente (meer in het bijzonder het college). Ook andere partijen kunnen besluiten dat voor een jeugdige of zijn ouders jeugdhulp noodzakelijk is. De wegen waarlangs jeugdigen of hun ouders toegang kunnen krijgen tot jeugdhulp zijn de volgende. Vrij toegankelijk Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing van een arts of een beschikking van het college nodig hebben. De jeugdige of zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden (zie ook artikel 4, lid 4). Toegang via het college Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij het college.
De Jeugdwet geeft in artikel 2.3, eerste lid, het college in dit kader de volgende opdracht: ‘Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; 2
b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. De beslissing van het college welke zorg een jeugdige of zijn ouders precies nodig hebben, komt tot stand in overleg met die jeugdige of zijn ouders. Zie verder de toelichting op artikel 4 en volgende. Toegang via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts Artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de Jeugdwet houdt in, dat naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook een directe verwijzingsmogelijkheid naar jeugdhulp bestaat voor de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts. Dit geldt zowel voor de vrij toegankelijke als de individuele voorzieningen. Na een dergelijke verwijzing staat veelal nog niet vast welke specifieke vorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouders precies nodig hebben. De jeugdige of zijn ouders kunnen zich daarvoor wenden tot een jeugdhulpaanbieder. Omdat de gemeente op grond van de Jeugdwet formeel geen rol speelt bij de toegang via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts, regelt deze verordening slechts een enkel aspect met betrekking tot dit proces (zie verder artikel 3 en de toelichting daarop).
Door het gebruik van het woord ’en’ wekt de wet in artikel 2.6, eerste lid, onder e, de indruk dat de verwijzing naar jeugdhulp van de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts gezamenlijk afkomstig zou moeten zijn. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3) op dit onderdeel van de Jeugdwet kan worden afgeleid dat het gaat om deze artsen afzonderlijk. Toegang via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het openbaar ministerie en de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is die via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het openbaar ministerie en de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting. Het college is gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook moet het college de jeugdhulp inzetten die specifiek is benoemd in een strafrechtelijke beslissing, zoals een vonnis (artikel 2.4 van de Jeugdwet, zie ook artikel 3.5, vierde lid). Deze toegang wordt in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder niet terug in deze verordening.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsbepalingen Het aantal definities in artikel 1 is beperkt, omdat de Jeugdwet al een groot aantal definities kent die ook gelden voor deze verordening. Dit betreft onder meer definities van centrale begrippen als 'jeugdige' en 'ouder'. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat een aantal definities die voor deze verordening van belang zijn, zoals de beschrijving van ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en 'beschikking' (artikel 1:3, tweede lid, van de Awb). Bij het gebruik van de terminologie 'de jeugdige of zijn ouders' impliceert het woord ‘of’ ook de betekenis 'en'. Met de aanduiding 'de jeugdige of zijn ouders' wordt derhalve bedoeld: de 3
jeugdige zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de Jeugdwet: de gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder), of de ouders namens de jeugdige. Jeugdigen vanaf zestien jaar beslissen in beginsel zelfstandig over het verlenen van jeugdhulp, jeugdigen vanaf twaalf tot zestien jaar besluiten daarover gezamenlijk met hun ouders. Voor jeugdigen jonger dan twaalf jaar geldt dat de ouders namens de jeugdige een besluit over de verlening van jeugdhulp nemen. Op deze uitgangspunten bestaan diverse uitzonderingen, zie artikel 7.3.4 van de Jeugdwet. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is ‘jeugdhulp’ als volgt gedefinieerd: ‘1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°.
het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.’ De beschrijving van het begrip ‘andere voorziening’ in deze verordening is gebaseerd op artikel 2.9, onder b, van de Jeugdwet. Zie over de afstemming tussen individuele voorzieningen en andere voorzieningen artikel 17 en volgende van deze verordening. Wanneer de termijn waarvoor een individuele voorziening is verstrekt afloopt en de jeugdhulp moet worden voortgezet, worden de afspraken die zijn gemaakt in het familiegroepsplan of het gezinsplan geëvalueerd en vindt een nieuwe afweging plaats ten aanzien van eventueel gewijzigde omstandigheden.
De uitkomsten van de evaluatie worden verwoord in het evaluatieverslag dat kan worden gebruikt bij het doen van een nieuwe aanvraag (artikel 9, tweede lid). De definitie van 'melding' is nodig omdat dit begrip niet is gedefinieerd in de Jeugdwet en het gebruik hier afwijkt van het normale spraakgebruik. De melding is het eerste contact van de jeugdige of zijn ouders met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De melding (artikel 4, eerste lid) is iets anders dan de aanvraag om een individuele voorziening die is geregeld in artikel 9. Er is een omschrijving van 'pgb' opgenomen, omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan het begrip 'persoonsgebonden budget' voluit. Op de regel dat begrippen die zijn gedefinieerd in de Jeugdwet niet worden omschreven in deze verordening is een uitzondering gemaakt voor het begrip ‘familiegroepsplan’. De reden daarvoor is dat het familiegroepsplan op enkele plaatsen in de verordening tegelijk wordt genoemd met het gezinsplan en het daarom minder handig is als het ene begrip wel en het andere niet in de begripsbepalingen teruggevonden kan worden. De termen ‘hulpverleningsplan’ en ‘plan van aanpak’ in de definitie van familiegroepsplan hebben de betekenis die daar in de Jeugdwet aan is gegeven. Wel wordt in deze verordening het 4
hulpverleningsplan in de zin van de Jeugdwet gezinsplan genoemd en wordt de inhoud van het begrip meer in detail beschreven. Artikel 2 Jeugdhulpvoorzieningen Dit artikel geeft een uitwerking van de delegatiebepaling van artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet, waarin onder meer wordt voorgeschreven dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verstrekken individuele voorzieningen en overige (in deze verordening: vrij toegankelijke) voorzieningen. Aldus krijgen de inwoners een duidelijk beeld van de vormen van jeugdhulp die door de gemeente worden aangeboden (zie de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet). In het tweede lid wordt aan het college opgedragen om in nadere regels te beschrijven wat de vrij toegankelijke en individuele voorzieningen inhouden. Het begrip ‘voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de Memorie van Toelichting aan dat de door het college te treffen voorziening zowel een vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal meestal betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeenteraad bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet.
Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door het college (artikelen 4 tot en met 10) of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder naar wie zij verwijzen (artikel 3) eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning inderdaad nodig hebben. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een voorziening kan daarom een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Voor zover het college dit noodzakelijk oordeelt in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid omvatten voorzieningen op het gebied van jeugdhulp het vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden (artikel 2.3, tweede lid, van de Jeugdwet). Artikel 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts Zoals hiervoor in het algemeen deel van de toelichting is vermeld, bepaalt de Jeugdwet dat jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige zich rechtstreeks wenden tot een jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld een jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog).
In de praktijk zijn na de verwijzing verschillende routes mogelijk voor de beoordeling welke jeugdhulp precies nodig is en wat de intensiteit, de frequentie en de duur van de benodigde jeugdhulp moeten zijn. Welke daarvan wordt doorlopen hangt ervan af, of de huisarts, medisch specialist of jeugdarts verwijst naar een jeugdhulpaanbieder die is gecontracteerd door de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond, dan wel naar het CJG of een jeugdhulpaanbieder die een contractuele relatie heeft met het CJG. Met de aanbieders die een contract hebben met de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond is afgesproken dat, als zij na triage vaststellen dat op meer resultaatgebieden hulp (ofwel een meervoudig arrangement) nodig is, zij er bij de jeugdige of zijn ouders op aandringen om het CJG te betrekken bij het bepalen van de noodzakelijke jeugdhulp. Een 5
dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor, als de jeugdhulpaanbieder constateert dat de jeugdige waarschijnlijk zowel hulp nodig heeft op het gebied van zijn sociaal en persoonlijk functioneren als voor het herstel, verminderen of stabiliseren van een stoornis of een gedragsprobleem. Als de jeugdige of zijn ouders instemmen met de beoordeling door het CJG, wordt voor het zorgvuldig vaststellen op welke resultaatgebieden jeugdhulp geboden moet worden (het ‘wat’) alsnog de procedure die is beschreven in de artikelen 5 tot en met 8 doorlopen. Willen de jeugdige en zijn ouders niet dat het CJG bepaalt welke jeugdhulp noodzakelijk is, dan beslist de jeugdhulpaanbieder daar zelf over. Nadat, hetzij door het CJG, hetzij door de jeugdhulpaanbieder is beoordeeld op welke resultaatgebieden de noodzaak van jeugdhulp bestaat, wordt in de regel door de jeugdhulpaanbieder uitgewerkt wat de inhoud, de intensiteit, de frequentie en de duur van de jeugdhulpverlening (het ‘hoe’) zullen zijn. De door de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond gecontracteerde jeugdhulpaanbieders beoordelen ook zelf op welk gebied jeugdhulp moet worden verleend als de jeugdige of zijn ouders slechts op één resultaatgebied hulp nodig hebben (enkelvoudig arrangement).
Indien de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts de jeugdige of zijn ouders direct verwijst naar het CJG, beslist het CJG aan de hand van de stappen benoemd in de artikelen 5 tot en met 8 zowel over de vraag op welk gebied jeugdhulp moet worden verleend, als over de inhoud, de intensiteit, de frequentie en de duur daarvan. Hetzelfde geldt als wordt verwezen naar een jeugdhulpaanbieder die door het CJG is gecontracteerd. Het college legt na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts de te verstrekken individuele voorziening dan wel het afwijzen daarvan alleen vast in een beschikking, als de jeugdige of zijn ouders daartoe een verzoek doen. Op deze manier wordt aan de jeugdige of zijn ouders desgewenst de beschikbare rechtsbescherming (bestaande in de mogelijkheid van bezwaar en beroep) geboden, maar wordt ook voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde inhouden als het oordeel van de jeugdhulpaanbieder. De verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts moet door het college worden geaccepteerd als toegang tot jeugdhulp. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2.6, eerste lid, onder g (thans onder e), van de Jeugdwet blijkt dat de gemeente desondanks in bepaalde gevallen toch niet voor deze jeugdhulp hoeft te betalen.
Dit is, aldus de Memorie van Toelichting, bijvoorbeeld het geval als de jeugdige of zijn ouders zich na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts wenden tot een jeugdhulpaanbieder met wie de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft én de gemeente soortgelijke jeugdhulp kan laten bieden door een jeugdhulpaanbieder met wie wel een contract- of subsidierelatie bestaat. Als een arts naar jeugdhulp zou verwijzen, terwijl de jeugdige of zijn ouders een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 1.2 van de Jeugdwet, is het college behoudens de uitzonderingen genoemd in artikel 1.2, tweede lid, evenmin gehouden de jeugdhulpvoorziening te treffen. Derhalve wordt in artikel 3, tweede lid, ook de mogelijkheid van het afwijzen van een individuele voorziening genoemd. In principe is het mogelijk dat voor de individuele voorziening die de huisarts, medisch specialist of jeugdarts noodzakelijk achten een pgb wordt toegekend. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kunnen echter niet zelf beslissen over het toekennen van een pgb. Het oordeel daaromtrent is voorbehouden aan het college, dat hierbij de criteria zal toepassen die zijn geformuleerd in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 12 en volgende van deze verordening. Artikel 4 Toegang jeugdhulp via het college, melding hulpvraag
6
Jeugdigen of hun ouders hebben onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdhulp en geen individuele aanspraken op jeugdhulp. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een accurate procedure. Deze verordening bevat in de artikelen 4 tot en met 10 een aantal bepalingen die moeten waarborgen dat het beoordelen van de noodzaak en de inhoud van jeugdhulp zorgvuldig plaatsvindt en dat daarbij sprake is van een zorgvuldige dossiervorming. Dit eveneens ter uitvoering van artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. De artikelen 4 tot en met 10 kunnen de indruk wekken dat voor het verkrijgen van jeugdhulp telkens een uitvoerig en onnodig bureaucratisch proces moet worden doorlopen. Dit is echter niet de bedoeling. Zo kan een melding eventueel meteen worden afgehandeld (artikel 4, tweede lid) en kan het vooronderzoek van artikel 5, afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of minder uitgebreid zijn.
Bovendien is het mogelijk dat, als daar aanleiding voor is, in overleg met de jeugdige of zijn ouders van het vooronderzoek en van het in artikel 6 bedoelde onderzoek wordt afgezien (artikel 5, derde lid en artikel 6, derde lid). Artikel 4, eerste lid, beschrijft de eerste stap in het proces van het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening door het college, te weten de melding van de hulpvraag. In het vierde lid is verwoord dat de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een vrij toegankelijke voorziening hier naartoe kunnen gaan, zonder de procedure in de zin van artikel 4 en volgende van deze verordening te doorlopen. De vrij toegankelijke voorzieningen zijn bedoeld voor de jeugdigen en ouders voor wie het college op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk is. Mocht een jeugdige of ouder voor wie het college deze verantwoordelijkheid niet draagt zich tot een vrij toegankelijke voorziening wenden, dan heeft het college de bevoegdheid om de toegang tot de voorziening te weigeren (vijfde lid). Artikel 5 Vooronderzoek door het college Ter voorbereiding van het gesprek bedoeld in artikel 6 worden naar aanleiding van de melding de voor het college toegankelijke gegevens in kaart gebracht. Aldus worden de jeugdige of zijn ouders niet belast met vragen over zaken die al bij het college bekend zijn.
De regels met betrekking tot de bescherming van de privacy van betrokkenen die gelden op grond van de Jeugdwet en de Algemene verordening gegevensbescherming zijn hier vanzelfsprekend van toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college op grond van deze regelgeving of het medisch beroepsgeheim geen toegang heeft, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Aan de jeugdige of zijn ouders wordt verzocht om de stukken te overleggen waartoe het college geen toegang heeft en die wel relevant worden geacht (tweede lid). In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of zijn ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 6 Onderzoek door het college Uit de in de algemene toelichting geciteerde opdracht van artikel 2.3, eerste lid, van Jeugdwet blijkt dat het college een of meer jeugdhulpvoorzieningen moet treffen als een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.
7
In artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt beschreven wat onder opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen wordt verstaan: ‘1°. psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en 3°. een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.’ Voor een zorgvuldig te nemen besluit over het al of niet verstrekken van een jeugdhulpvoorziening is het belangrijk dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht en afgewogen. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders wordt verricht. Het ligt daarom voor de hand dat het een en ander tijdens een gesprek met de jeugdige of zijn ouders wordt besproken.
Of dit gesprek plaatsvindt op een gemeentelijke locatie, bij het CJG, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een ter zake deskundige is afhankelijk van de concrete situatie. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meer gesprekken. Het gesprek wordt aan de kant van het college gevoerd door iemand die beschikt over de deskundigheid om te beoordelen van welke problematiek met betrekking tot de jeugdige of zijn ouders sprake is. In het gesprek tussen deze deskundige en de jeugdige of zijn ouders wordt eerst bezien wat de hulpvraag is van de jeugdige of zijn ouders. Vervolgens beoordeelt de deskundige of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en, zo ja, welke problemen of stoornissen dat zijn. Als dit is vastgesteld wordt de vraag beantwoord welke hulp naar aard en omvang noodzakelijk is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat is bepaald welke hulp nodig is, moet nagegaan worden of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden.
Eveneens wordt bezien of het voor de jeugdige of zijn ouders mogelijk is om een beroep te doen op een andere of een vrij toegankelijke voorziening. Pas als deze opties niet open staan dient het college een individuele voorziening te treffen, al of niet in combinatie met een vrij toegankelijke of en andere voorziening (vergelijk artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). De jeugdhulp kan zijn gericht op de jeugdige zelf maar ook op ondersteuning van de ouders, bijvoorbeeld bij de opvoeding. Als een individuele voorziening nodig is, moet daartoe door de jeugdige of zijn ouders een aanvraag worden gedaan, naar aanleiding waarvan het college een beschikking afgeeft. Op basis van deze beschikking kunnen de jeugdige of zijn ouders zich wenden tot de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezen persoon is om de problemen aan te pakken. De jeugdige of zijn ouders kunnen ook een aanvraag doen tot het verstrekken van een pgb waarmee zij de betreffende jeugdhulp kunnen betrekken van een door hen zelf gekozen derde. De hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders kan een complexe situatie betreffen, waarbij het bijvoorbeeld kan gaan om de noodzaak van een psychiatrische behandeling, of verblijf in 248
uursopvang. In de zojuist genoemde uitspraak overweegt de Centrale Raad van Beroep dat, voor zover het onderzoek naar de noodzakelijke (jeugd-)hulp specifieke deskundigheid vereist, een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De raad voegt hier aan toe, dat de verschillende stadia van het onderzoek een op dat stadium toegespitste deskundigheid vragen. Het college dient er voor te zorgen dat deze deskundigheid is gewaarborgd (vergelijk ook artikel 2.7, tweede lid, van de Jeugdwet en de artikelen 2.1 en 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet) en dat deze naar de discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de persoon die om hulp vraagt. Degenen die de noodzaak van jeugdhulp beoordelen, zullen hun oordeel vanzelfsprekend mede baseren op de protocollen en richtlijnen die gelden voor hun discipline. In het eerste lid van artikel 6 is verwoord dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt van de situatie af hoe snel dat is. De onderdelen a. tot en met j. geven de onderwerpen van het gesprek weer. Niet alle onderwerpen zullen steeds uitvoerig hoeven te worden besproken. Indien de jeugdige al bij het college bekend is, zal alleen hoeven worden doorgenomen of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn.
Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij het college, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld te krijgen van de jeugdige of zijn ouders en de gezinssituatie. Op grond van onderdeel c wordt de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders onderzocht in overeenstemming met het in de considerans van de Jeugdwet vermelde principe dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdigen zelf ligt (zie ook artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet). Een te verstrekken voorziening kan overigens ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders en die van het sociale netwerk te versterken. Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel h valt te denken aan de afstemming met een voorziening die de jeugdige ontvangt op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Lid 2 verplicht het college de jeugdige of zijn ouders bij de aanvang van het gesprek over diverse zaken te informeren. Artikel 2.5, eerste lid, van de Jeugdwet schrijft voor dat het college jeugdigen, hun ouders of pleegouders tijdig informatie moet geven over de mogelijkheid om gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon. Ook hiervan kan bij het begin van het gesprek melding worden gemaakt.
Artikel 7 Familiegroepsplan Zoals eerder verwoord is een van de uitgangspunten van de Jeugdwet, dat jeugdigen en hun ouders eventuele problemen zelf oplossen, al of niet geholpen door personen uit hun sociale omgeving. Vanuit dit perspectief bevat de Jeugdwet nadrukkelijk de mogelijkheid van het opstellen van een familiegroepsplan. In een familiegroepsplan geven de ouders aan hoe zij de opvoed- en opgroeisituatie van de jeugdige om wie het gaat willen verbeteren, of hoe zij willen omgaan met een bepaalde psychische problematiek. Als de ouders dat wensen, biedt het college hen ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. De ouders en de sociale omgeving maken het plan echter zelf. Hierin verschilt het familiegroepsplan van het gezinsplan genoemd in artikel 8 van deze verordening dat - in overleg met jeugdige of zijn ouders - door het college wordt opgesteld. 9
De manier waarop het familiegroepsplan tot stand komt en de inhoud ervan zijn vormvrij. De inzet van jeugdhulp kan deel uit maken van het familiegroepsplan. Een ondertekend familiegroepsplan kan daarom worden aangemerkt als aanvraag in de zin van artikel 9, eerste lid, van deze verordening. Hiertoe zal het familiegroepsplan wel moeten voldoen aan de eisen die artikel 4:2 van de Awb aan een aanvraag stelt. Als dit nog niet zo is, zal het college de opstellers van het familiegroepsplan in de gelegenheid stellen om het plan aan te passen. De mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen wordt niet geboden als sprake is van het uitvoeren van jeugdreclassering door een gecertificeerde instelling en als een gecertificeerde instelling de voogdij uitoefent in het geval het gezag van de ouders is beëindigd. Het opstellen van een familiegroepsplan is evenmin mogelijk als er concrete bedreigingen zijn voor de ontwikkeling van de jeugdige, of als de belangen van de jeugdige daardoor anderszins geschaad worden (artikel 4.1.2 van de Jeugdwet). Wanneer er ten aanzien van een jeugdige opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen zijn geconstateerd, is het van belang dat niet te lang wordt gewacht met het aanpakken daarvan. Als wordt gekozen voor een familiegroepsplan moet dit daarom binnen een redelijke termijn tot stand komen.
Welke termijn redelijk is hangt af van de situatie. Naar analogie met artikel 8, tweede lid, kan een termijn van zes weken als maximumtermijn worden beschouwd. Artikel 8 Gezinsplan Ten aanzien van het vereiste van schriftelijke verslaglegging is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo). In de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel voor de Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3) staat hierover dat het college een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Afgezien van dit vereiste is het verslag niet aan een bepaalde vorm gebonden. Het gespreksverslag maakt onderdeel uit van het gezinsplan (eerste lid). Een goede weergave van de inhoud van het gesprek en de op basis daarvan getrokken conclusies, maakt het voor het college mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de jeugdige of zijn ouders. Het spreekt vanzelf dat de weergave van de uitkomsten van het onderzoek zal variëren. Zo zal het verslag beperkt kunnen zijn als uit het onderzoek blijkt dat geen aanvraag om een individuele voorziening gedaan hoeft te worden. Bij meer complexe onderzoeken zal een uitgebreidere verslaglegging noodzakelijk zijn.
Behalve het verslag van het gesprek bedoeld in artikel 6, eerste lid, bevat het gezinsplan de afspraken die met de jeugdige of zijn ouders zijn gemaakt betreffende de concrete doelen die men wil bereiken en de manier waarop men zich inzet om deze doelen te behalen. Zie voor de reden waarom, behoudens de mogelijkheid van verdaging, het gezinsplan binnen zes weken na de melding van de hulpvraag aan de jeugdige of zijn ouders moet worden verstrekt, de toelichting op artikel 9. Artikel 9 Aanvraag en beschikking Om een beschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen is een aanvraag nodig. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier formeel het college en in de praktijk het CJG), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Een aanvraag moet zijn voorzien van de naam en het adres van aanvrager, de datum en een aanduiding van de gevraagde beschikking (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). 10
Voor het overige hoeft een aanvraag niet aan specifieke eisen te voldoen. Het is daarom mogelijk om, zoals dat in het tweede lid is bepaald, een ondertekend familiegroepsplan, gezinsplan of evaluatieverslag als aanvraag te beschouwen. Het familiegroepsplan en het gezinsplan bevatten het totaalbeeld van de hulpvraag, de problematiek, de eigen mogelijkheden van het gezin en de gewenste jeugdhulp. Het bespaart daarom administratieve lasten als het familiegroepsplan of het gezinsplan als aanvraag kunnen dienen. Als na de looptijd van een individuele voorziening in natura of een pgb de jeugdhulp moet worden gecontinueerd, wordt in beginsel dezelfde procedure doorlopen als bij de eerste aanvraag om jeugdhulp. De aanvraag kan dan worden gedaan aan de hand van het evaluatieverslag. Informatie die bij het college bekend is, hoeft uiteraard bij een volgende aanvraag niet opnieuw aangeleverd te worden. Bij het verstrekken of afwijzen van een individuele voorziening door het college wordt op grond van het derde lid altijd een beschikking afgegeven. Dit is anders dan in het geval een individuele voorziening wordt verstrekt of afgewezen na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts (zie artikel 3, tweede lid).
De reden voor dit verschil is, dat het college de verwijzing door een van de genoemde artsen en het daar op volgend oordeel van de jeugdhulpaanbieder naar wie wordt verwezen in beginsel moet accepteren als toegang tot jeugdhulp. Een beschikking zal daarom in de regel niet veel anders inhouden dan een weergave van de beoordeling door de jeugdhulpaanbieder. In het vierde lid is de termijn waarbinnen op de aanvraag om een individuele voorziening moet worden beslist gesteld op een termijn van twee weken na het indienen van de aanvraag. Hoewel het zesde lid voorziet in de mogelijkheid om deze termijn met twee weken te verdagen is dit een korte termijn voor het nemen van een besluit. Niettemin is voor de termijn van twee weken gekozen om te voorkomen dat het, na de melding van artikel 4, eerste lid en de tijd die het college nodig heeft gehad om het gezinsplan op te stellen, onredelijk lang duurt voordat een beschikking betreffende het verstrekken van een individuele voorziening afgegeven wordt. Voor het bepalen welke termijn in dit kader als redelijk beschouwd kan worden is aangesloten bij artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, waaruit valt af te leiden dat een termijn van acht weken een redelijke beslistermijn is.
Met de termijn van twee weken voor het afgeven van een beschikking in combinatie met het feit dat het gezinsplan na de melding van de hulpvraag binnen zes weken moet worden opgesteld (artikel 8, tweede lid), wordt de aanvraagprocedure voor een individuele voorziening in principe binnen de termijn van acht weken afgerond. Er geldt voor de jeugdige of zijn ouders geen verplichting om een hulpvraag te melden bij het college. Zij kunnen ook direct een aanvraag om een individuele voorziening doen. Omdat het college maatwerk moet leveren bij het beoordelen van de noodzaak van en het eventueel bieden van jeugdhulp, is het dan echter onvermijdelijk dat na het indienen van de aanvraag alsnog de stappen beschreven in de artikelen 5 en 6 worden doorlopen. Lid 5 schrijft dit derhalve voor (zie ook artikel 3:2 van de Awb). Uitgaande van artikel 4:13, tweede lid, van de Awb is de termijn waarbinnen dan een beslissing over de aanvraag moet worden genomen in het vijfde lid gesteld op acht weken nadat de aanvraag is ingediend. De termijnen genoemd in het vierde en vijfde lid zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een melding binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt. Bij complexe situaties waarin meer tijd nodig is voor de vraagverheldering, zal voor het afhandelen van de aanvraag echter een langere termijn nodig kunnen zijn. Voor deze
11
situaties biedt het zesde lid de mogelijkheid om de gestelde termijnen onder opgaaf van redenen eenmaal te verdagen. Artikel 10 Voorwaarden voor het verstrekken van een individuele voorziening Artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet houdt in, dat het college geen jeugdhulpvoorziening treft als de jeugdige of zijn ouders zelf in staat zijn om de problematiek waarvoor een jeugdhulpvoorziening wordt gevraagd te hanteren. De jeugdige of zijn ouders beschikken dan over ‘voldoende eigen kracht’. Dit geldt ook wanneer de jeugdige of zijn ouders het gewenste resultaat kunnen bereiken met hulp die in hun sociale netwerk voor handen is. Een eerste voorwaarde voor het toekennen van een individuele voorziening is daarom, dat de jeugdige of zijn ouders de problemen waarvoor zij jeugdhulp vragen niet zelf kunnen oplossen (lid 1, onder a). In het tweede lid is bepaald dat gevallen waarin de zorg van ouders voor hun kind kan worden beschouwd als gebruikelijke hulp, worden opgevat als situaties waarin van voldoende eigen kracht sprake is. Een voorwaarde daarvoor is wel dat de ouders ook in staat zijn om deze hulp te bieden. Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) van de jeugdige.
Soms zal ook het bieden van gebruikelijke hulp de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders overstijgen, bijvoorbeeld als zij overbelast zijn. Een dergelijke omstandigheid zal daarom aanleiding kunnen zijn om een jeugdhulpvoorziening te treffen, ook als de hulp van de ouders als gebruikelijk kan worden aangeduid. Het tweede lid verplicht het college om in nadere regels criteria te formuleren aan de hand waarvan wordt beoordeeld of in een bepaalde situatie sprake is van gebruikelijke hulp. In het geval de jeugdige of zijn ouders een passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden door een beroep te doen op een andere of vrij toegankelijke voorziening wordt op basis van het eerste lid, onder b, eveneens geen individuele voorziening verstrekt. Als een jeugdige problemen heeft met leren, kan het bijvoorbeeld zijn dat op school extra begeleiding moet worden geboden in de context van het passend onderwijs. In dit kader is ook relevant of de jeugdige of zijn ouders voor een bepaalde behandeling een beroep kunnen doen op een door hen gesloten aanvullende ziektekostenverzekering (niet zijnde de verplichte zorgverzekering (basisverzekering) die een voorliggende voorziening is).
Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van voldoende eigen kracht of een beroep kan worden gedaan op een vrij toegankelijke of andere voorziening moet steeds maatwerk worden geleverd. De oplossing moet, bezien vanuit alle criteria waaraan moet worden getoetst, passend zijn voor de jeugdige of zijn ouders. Crisissituaties uitgezonderd, kunnen jeugdigen of hun ouders in beginsel pas gebruik maken van jeugdhulp in de vorm van een individuele voorziening, als hen via een van de wegen die daarvoor open staan toegang tot een vorm van jeugdhulp is verleend. Het derde lid voorziet niettemin in de mogelijkheid van het college om met terugwerkende kracht een individuele voorziening te verstrekken, als aan de in dit lid gestelde voorwaarden is voldaan. De bepaling verplicht het college niet om een individuele voorziening te treffen. Jeugdigen of hun ouders die jeugdhulp inroepen zonder voorafgaand verleende toegang, lopen dan ook het risico dat deze hulp niet wordt vergoed.
12
Jeugdhulp die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk en waarvoor de jeugdige of zijn ouders eventueel een pgb zouden kunnen aanvragen, komt op grond van het vierde lid niet met terugwerkende kracht voor vergoeding in aanmerking. Naast de voorwaarden voor het toekennen van een individuele voorziening die worden geformuleerd in artikel 10, bevat ook de Jeugdwet diverse bepalingen die ertoe leiden dat in een bepaald geval geen aanspraak op jeugdhulp kan worden gemaakt. Het college hoeft bijvoorbeeld geen jeugdhulpvoorziening te treffen indien een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening op grond van de wetten die worden genoemd in artikel 1.2, eerste lid, van de Jeugdwet. Artikel 11 Inhoud beschikking Het verstrekken of afwijzen van een individuele voorziening of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een individuele voorziening worden door het college verwoord in een schriftelijke beschikking. Als zij het hier niet mee eens zijn, kunnen de jeugdige of zijn ouders bij het college bezwaar maken tegen de inhoud van deze beschikking en bij afwijzing van het bezwaar eventueel beroep instellen bij de rechter. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de jeugdige of zijn ouders op grond van de Awb de mogelijkheid van bezwaar en beroep.
De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep zijn geregeld in de Awb en gelden in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen op deze regel zijn onder meer de beschikking die inhoudt dat gesloten jeugdhulp nodig is en het door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5, eerste lid, van de Jeugdwet. Op basis van de beschikking die zij ontvangen moeten de jeugdige of zijn ouders de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is het nodig dat de beschikking de jeugdige en of zijn ouders goed en volledig informeert. Toegespitst op het onderwerp van deze verordening wordt in de leden 2 en 3 een aantal elementen benoemd die daartoe in de beschikking moeten worden vermeld. De Awb schrijft voor dat in de beschikking zo mogelijk ook moet worden aangegeven wat de wettelijke grondslag van de beschikking is (artikel 3:47, tweede lid) en dat en hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt (artikel 3:45). Ook bepaalt de Awb in artikel 3:46, dat een beschikking moet zijn gebaseerd op een deugdelijke motivering. Deze motivering wordt gevonden in het familiegroepsplan, het gezinsplan of het evaluatieverslag.
Hierin staat onder andere wat het beoogde resultaat als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet van de verstrekte individuele voorziening is. In de toelichting op artikel 3 is uiteengezet hoe het bepalen van de inhoud, de intensiteit, de frequentie en de duur van de jeugdhulpverlening verloopt voor jeugdhulp die wordt verleend door een aanbieder die is gecontracteerd door de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond. De inhoud, de intensiteit, de frequentie en de duur van de jeugdhulp worden dan niet vastgesteld door het college, maar door degene die de jeugdhulp aanbiedt. Het college kan deze onderdelen daarom niet weergeven in de beschikking waarmee de toegang tot de jeugdhulp wordt verleend. De mogelijkheid bestaat dat de jeugdige of zijn ouders toch willen dat de invulling van de jeugdhulp wel wordt verwoord in een beschikking. Een reden hiervoor kan zijn, dat zij hier bezwaar tegen willen maken. In een dergelijk geval zal het college een aanvullende beschikking afgeven, nadat de jeugdhulpaanbieder de te volgen werkwijze heeft geconcretiseerd en deze heeft beschreven in een behandelplan.
In deze beschikking zal het college uiteenzetten waarom de aanpak van de jeugdhulpaanbieder gezien de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders passend is en derhalve leidt tot het bereiken van een of meer van de resultaten genoemd in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet. Over de eventuele extra informatie die het college nodig heeft om zich hierover uit te spreken overlegt het college 13
indien nodig met de aanbieder van de jeugdhulp. Voor de motivering door het college van de aanvullende beschikking is het wel noodzakelijk, dat de jeugdige of zijn ouders de jeugdhulpaanbieder toestemming geven om de hiervoor noodzakelijke gegevens met het college te delen. Tegen de inhoud van het behandelplan als zodanig - dat vaak onderdeel is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek - kan geen bezwaar bij het college worden gemaakt. Het geven van voorlichting draagt bij aan het voorkomen van onrechtmatig gebruik van voorzieningen. Daarom verplicht artikel 11, vierde lid, van de verordening het college om de jeugdige of zijn ouders voor te lichten over onder meer de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Artikel 12 Regels voor pgb Een pgb stelt de jeugdige of zijn ouders in staat om de jeugdhulp die het college als individuele voorziening heeft verstrekt, te betrekken van een andere partij dan de jeugdhulpaanbieders die door het college of de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond zijn gecontracteerd. De inhoud van de door het college verstrekte individuele voorziening verandert niet als gevolg van het feit dat een pgb wordt toegekend.
Het enige gevolg van een pgb is, dat de jeugdhulp niet wordt geboden door een van overheidswege gecontracteerde jeugdhulpaanbieder (individuele voorziening in natura), maar door een verlener van jeugdhulp met wie de jeugdige of zijn ouders zelf een contract sluiten en die vervolgens uit het pgb wordt betaald. Het college maakt het pgb niet over aan de jeugdige of zijn ouders, maar stort dit op de rekening van de Sociale Verzekeringsbank. Uit het budget betaalt de Sociale Verzekeringsbank op basis van door de jeugdige of zijn ouders ingediende declaraties degene die de jeugdhulp verleent (zie artikel 8.1.8 van de Jeugdwet). De Jeugdwet bevat geen beschrijving van het begrip ‘individuele voorziening in natura’. Dat individuele voorzieningen in natura staan tegenover individuele voorzieningen die worden bekostigd uit een pgb blijkt wel uit artikel 8.1.6 van de wet. Het eerste lid, onder a, verwijst naar het centrale pgb-artikel (8.1.1) van de wet. Deze verwijzing is opgenomen ten einde in de verordening een compleet beeld van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders te geven. In artikel 8.1.1 van de wet is verankerd dat het college een pgb kan verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken.
Op grond van artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet wordt een pgb alleen verstrekt als de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de hieraan verbonden belangen, dan wel met behulp van een derde in staat zijn om de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Verder moeten de jeugdige of diens ouders motiveren waarom zij een individuele voorziening in natura niet passend achten en moet de jeugdhulp die met behulp van een pgb wordt betrokken van goede kwaliteit zijn. Dit betekent onder meer dat de te verlenen jeugdhulp moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel 4.1.1 van de Jeugdwet. Een pgb is bedoeld om jeugdhulp in te kopen en niet voor het betalen van andere diensten of voor het doen van niet-verplichte uitkeringen, zoals gratificaties en uitkeringen vanwege feestdagen, aan degene die de jeugdhulp biedt. Dit principe wordt in het tweede lid tot uitdrukking gebracht.
14
In artikel 8.1.4, aanhef en eerste lid, onder e, van de Jeugdwet is bepaald dat het college een beslissing aangaande een pgb kan herzien dan wel intrekken als de jeugdige of zijn ouders het pgb niet gebruiken of gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is bestemd. In het verlengde hiervan bevat artikel 15, vierde lid, van deze verordening de regel dat het college de beslissing tot het verstrekken van een pgb kan intrekken, als het pgb niet binnen zes maanden na toekenning ervan is aangewend voor de bekostiging van de individuele voorziening waarvoor het verstrekt is. Deze mogelijkheid geldt op grond van artikel 15, vierde lid, overigens ook voor individuele voorzieningen in natura waarvan niet binnen zes maanden na de verstrekking gebruik is gemaakt. Artikel 13 Verstrekken en hoogte pgb voor bedrijfs- of beroepsmatig verleende jeugdhulp (pgb formeel) Het eerste en tweede lid berusten op artikel 2.9, aanhef en onder c, van de Jeugdwet. In deze wetsbepaling staat dat de gemeenteraad bij verordening moet bepalen op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Het tweede lid bevat een richtlijn waarmee het college rekening moet houden bij het vaststellen van de hoogte van het pgb op basis van het ingediende budgetplan. De bepaling kan er niet toe leiden dat het in het eerste lid genoemde maximum wordt overschreden.
Of wordt voldaan aan de voorwaarden die artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet stelt voor het verkrijgen van een pgb, wordt nagegaan aan de hand van een budgetplan dat de aanvrager op moet stellen. Verwacht mag worden dat het budgetplan een doelmatige inkoop van zorg bevordert. Het budgetplan maakt ook inzichtelijk of de jeugdige of zijn ouders in staat zijn om de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. In het derde lid wordt beschreven welke onderdelen het budgetplan ten minste dient te bevatten. Dit betreft onder meer een begroting. Deze begroting dient de opbouw weer te geven van het pgb waarvoor het verzoek is ingediend. De aanvrager dient zich er rekenschap van te geven dat uit een pgb diverse kostencomponenten moeten worden betaald, zoals salaris, vervanging tijdens ziekte, verzekeringen en reiskosten. Als het plan naar de mening van het college niet voldoende informatie geeft, zal het college de jeugdige of zijn ouders vragen om dit aan te vullen. Bij twijfel over de kwaliteit van de hulp die uit het pgb zal worden bekostigd, zal het college eventueel in gesprek gaan met de beoogde verlener van de jeugdhulp.
Artikel 8.1.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Jeugdwet bepaalt dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening in natura. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel jeugdigen of hun ouders zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. Jeugdigen of hun ouders kunnen zelf bijbetalen als het tarief van de door hen gewenste aanbieder hoger is dan het door het college vastgestelde bedrag. Het college kan een pgb slechts weigeren voor het gedeelte dat hoger is dan het bedrag dat met inachtneming van het eerste lid kan worden toegekend.
15
Artikel 14 Verstrekken en hoogte pgb voor jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk (pgb informeel) In het jeugddomein komt het voor dat een pgb gebruikt wordt om zorg te bekostigen die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk, bijvoorbeeld een van de ouders van de jeugdige. In artikel 14 wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Volgens de Nota van wijziging bij het voorstel voor de Jeugdwet (Kamerstukken II 2013/14, 33684, nr. 11 , onder MM) worden tot het sociale netwerk gerekend: ‘de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt’. Laatstgenoemde personen zijn, aldus de Nota van wijziging, personen met wie regelmatig contacten worden onderhouden, zoals mantelzorgers, buren, (mede)leden van een vereniging, et cetera. Deze beschrijving maakt duidelijk dat het niet eenvoudig is om te definiëren wanneer personen tot elkaars sociale netwerk behoren. In het eerste lid is er daarom voor gekozen op een andere manier aan te geven wanneer sprake is van jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk.
Dit is in de eerste plaats het geval als de jeugdhulp wordt geboden door iemand die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp levert (een kwalificatie die eveneens is ontleend aan de Nota van wijziging onder MM), ofwel bij niet-professionele jeugdhulp. Ten tweede valt in deze categorie de jeugdhulp door personen van wie normaliter verondersteld kan worden dat deze behoren tot het sociale netwerk, te weten bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de jeugdige of zijn ouders. Mocht een bloed- of aanverwant tevens professioneel jeugdhulpverlener zijn, dan wordt de door deze persoon geboden jeugdhulp derhalve niettemin beschouwd als jeugdhulp geboden door een persoon uit het sociale netwerk. De hoogte van het pgb wordt daarmee begrensd door de maxima genoemd in het derde lid. Overigens zal een persoon die vanuit het sociale netwerk jeugdhulp biedt vaak behoren tot beide in het eerste lid genoemde categorieën. Dit is echter niet altijd het geval. Het tweede lid, onder a, stelt de eis dat de jeugdhulp geboden door een persoon uit het sociale netwerk in het kader van de hulpvraag passend en toereikend moet zijn. Als de te bieden jeugdhulp bijzondere specialistische kennis en vaardigheden vereist, zal dit criterium ertoe kunnen leiden dat het bieden van jeugdhulp door een persoon uit het sociale netwerk niet mogelijk wordt geacht.
Bij bloed- en aanverwanten in de eerste of tweede graad van de jeugdige of zijn ouders mag er vanuit worden gegaan dat er een affectieve relatie bestaat tussen de jeugdige en de persoon die de jeugdhulp verleent. Deze affectieve relatie zal er soms een beletsel voor kunnen zijn, dat voldaan wordt aan het vereiste dat de jeugdhulp gezien de hulpvraag passend en toereikend is. Dit geldt bijvoorbeeld in het geval een ouder een ggz-behandeling zou willen geven aan zijn of haar kind. Om geestelijke gezondheidszorg kwalitatief goed te kunnen verlenen is immers een onafhankelijke en objectieve blik nodig en in de relatie ouder-kind is het de vraag of deze objectiviteit gewaarborgd zal kunnen worden. Het verzoek om een pgb voor jeugdhulp door een persoon uit het sociale netwerk zal om een dergelijke reden dan ook kunnen worden afgewezen.
16
Aan de voorwaarde genoemd in het tweede lid, onder b, kan bijvoorbeeld zijn voldaan als het voor het verlenen van de jeugdhulp noodzakelijk is dat de hulpverlener een groot deel van de dag in de buurt van de jeugdige verblijft. Artikel 14, derde lid, strekt ertoe om, als de jeugdhulp wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk, een lager kostentarief - in casu 50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste passende individuele voorziening in natura - van toepassing te verklaren dan wanneer een professionele zorgverlener wordt ingeschakeld. Het percentage van 50% kan als redelijk worden beschouwd, omdat de kostprijs voor professionele zorg meer kostencomponenten bevat, dan de vergoeding voor zorg door een persoon uit het sociale netwerk. Voorbeelden hiervan zijn diverse werkgeverslasten, overheadkosten, gebouwkosten, risico-opslag etc. De persoon uit het sociale netwerk die jeugdhulp aanbiedt, heeft niet met deze kostencomponenten te maken. De persoon die de jeugdhulp verleent zal in een aantal gevallen moeten worden betaald conform de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (uiteraard naar rato van het aantal uren dat de hulpverlener werkt). De norm van het derde lid, onder b, is gesteld voor het geval het genoemde percentage van 50% zou leiden tot een pgb dat met het oog hierop te laag is.
Op grond van het vierde lid geldt voor het verstrekken en het bepalen van de hoogte van een pgb voor jeugdhulp geboden door een persoon uit het sociale netwerk mutatis mutandis hetzelfde als voor een pgb dat wordt ingezet voor bedrijfs- of beroepsmatig verleende jeugdhulp. Artikel 15 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering In het eerste lid wordt artikel 8.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet herhaald, met dien verstande dat ook individuele voorzieningen in natura onder het bereik van artikel 15, eerste lid, zijn gebracht. Hiervoor kan steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarin is vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige of zijn ouders aan wie een individuele voorziening in natura of een pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat zij voldoende gegevens en inlichtingen verschaffen, zodat het college kan beoordelen of het beroep op de individuele voorziening in natura of het pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat bepaalde feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, invloed kunnen hebben op de toekenning van de individuele voorziening in natura of het pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden.