06.06 - Verordening Jeugdhulp geconsolideerde versie 13 februari 2023
Tekst van het document
Verordening jeugdhulp gemeente Capelle aan den IJssel 2018, geconsolideerde versie de raad van de gemeente Capelle aan den IJssel; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; overwegende: -
dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over: o de door het college te verstrekken individuele, alsmede vrij toegankelijke voorzieningen; o de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening; o de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij het verstrekken van een individuele voorziening; o de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; o de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet wordt vastgesteld; o de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet; o de wijze waarop ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen, hun ouders of pleegouders, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet; o de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, voor de gevallen waarin het college het leveren van jeugdhulp of het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel of
jeugdreclassering laat verrichten door een derde; - dat het wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk; besluit: Vast te stellen de navolgende verordening: Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018. Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; b. CIZ: het Centrum indicatiestelling zorg, genoemd in artikel 7.1.1 van de Wet langdurige zorg; c. evaluatieverslag: weergave van de uitkomsten van de evaluatie van de afspraken uit het familiegroepsplan of het gezinsplan; d. familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; e. gemeente: de gemeente Capelle aan den IJssel; 1
f. gezinsplan: weergave van de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in artikel 6, eerste lid en van de afspraken die met de jeugdige of zijn ouders zijn gemaakt omtrent de concrete doelen die men wil bereiken en de manier waarop men zich inzet om deze doelen te behalen; g. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; h. individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid; i. ingezetene: persoon die is ingeschreven op een adres in de gemeente en ook feitelijk in de gemeente woont; j. melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid; k. pgb: een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; l. vrij toegankelijke voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid; m. wet: de Jeugdwet. 2.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene verordening gegevensbescherming en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel 2 Jeugdhulpvoorzieningen 1. De volgende vormen van vrij toegankelijke voorzieningen zijn beschikbaar: a. basishulp: i. ambulante opvoedhulp van het wijkteam van het Centrum voor Jeugd en Gezin; ii. kortdurende generalistische basis-GGZ bij enkelvoudige problematiek; b. informatie, trainingen en (opvoed)advies; c. jeugdgezondheidszorg; d. jongerencoaching en participatiebevordering. 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. crisisopvang; b. diagnose en behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie; c. forensische hulp; d. opname (bed en behandeling); e. langdurig verblijf; f. specialistische GGZ (diagnose en behandeling); g. langdurige begeleiding, (dag)behandeling of verzorging, dan wel een combinatie daarvan, voor jeugd met een beperking; h. medische kinderdagbehandeling; i. pleegzorg; j. residentiële hulp; k. specialistische ambulante opvoedhulp bij langdurige complexe problematiek. 3.
Het college legt in nadere regels vast wat de inhoud is van de vrij toegankelijke en individuele voorzieningen die op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn. Artikel 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. In het geval van inzet van een individuele voorziening na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts legt het college de te verstrekken individuele voorziening,
2
dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking, als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken. Artikel 4 Toegang jeugdhulp via het college, melding hulpvraag 1. Jeugdigen of hun ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, tenzij de melding direct kan worden afgehandeld; 3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 4. Jeugdigen of hun ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een vrij toegankelijke voorziening. 5. Het college kan een jeugdige of zijn ouders de toegang tot een vrij toegankelijke voorziening weigeren, indien het bieden van jeugdhulp aan deze jeugdige of diens ouders niet tot de verantwoordelijkheid van het college behoort. Het college legt het weigeren van de toegang tot een vrij toegankelijke voorziening vast in een beschikking. Artikel 5 Vooronderzoek door het college 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige of zijn ouders en hun situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hen een afspraak voor een gesprek als bedoeld in artikel 6, eerste lid. 2.
Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel 6 Onderzoek door het college 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen een of meer deskundigen en de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig ten minste: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mate waarin de in het kader van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen te bieden hulp de gebruikelijke hulp bedoeld in artikel 10, tweede lid, overstijgt; e. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; f.
de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een vrij toegankelijke voorziening; g. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; h. de wijze waarop een mogelijk te verstrekken individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; i. hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouders; en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.
3
2. Het college informeert bij de aanvang van het gesprek de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en wijst hen op de noodzaak om hun persoonsgegevens te verwerken. 3. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek. Artikel 7 Familiegroepsplan In de gevallen waarin de mogelijkheid daartoe openstaat, stelt het college de ouders van de jeugdige op de hoogte van de mogelijkheid om met inachtneming van een redelijke termijn een familiegroepsplan op te stellen. Op verzoek van de ouders draagt het college er zorg voor, dat zij bij het opstellen van het familiegroepsplan worden ondersteund. Artikel 8 Gezinsplan 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging in het gezinsplan van de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in artikel 6, eerste lid en van de naar het oordeel van het college op basis daarvan aangewezen jeugdhulp. 2. Binnen zes weken na de melding van de hulpvraag bedoeld in artikel 4, eerste lid, verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders het gezinsplan, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen. 3. Het college kan de termijn bedoeld in het vorige lid eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen. De jeugdige of zijn ouders krijgen een schriftelijke bevestiging van de verdaging en de reden daarvoor. 4.
Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders dan wel van het college worden aan het gezinsplan toegevoegd. Artikel 9 Aanvraag en beschikking 1. Een jeugdige of zijn ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. 2. Het college kan een ondertekend familiegroepsplan, gezinsplan of evaluatieverslag aanmerken als aanvraag, indien de jeugdige of zijn ouders dit op het familiegroepsplan, gezinsplan of evaluatieverslag hebben aangegeven. 3. Het college legt een te verstrekken individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. 4. Als de jeugdige of zijn ouders de procedure bedoeld in de artikelen 4, 5, en 6 hebben doorlopen, beslist het college op de aanvraag om een individuele voorziening binnen twee weken nadat de aanvraag is ingediend. 5. Als de jeugdige of zijn ouders een aanvraag indienen zonder de procedure bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 te hebben doorlopen, wordt de procedure bedoeld in de artikelen 5 en 6 alsnog gevolgd en beslist het college op de aanvraag om een individuele voorziening binnen acht weken nadat de aanvraag is ingediend. Artikel 4, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 6.
Het college kan de termijn bedoeld in het vierde lid eenmaal met eenmaal met ten hoogste twee weken en de termijn bedoeld in het vijfde lid eenmaal met ten hoogste acht weken verdagen. De jeugdige of zijn ouders krijgen een schriftelijke bevestiging van de verdaging en de reden daarvoor. Artikel 10 Voorwaarden voor het verstrekken van een individuele voorziening 1. Het college verstrekt een individuele voorziening voor zover: a. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders, ook met steun vanuit het sociale netwerk, ontoereikend zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen waarvoor de voorziening wordt gevraagd het hoofd te bieden; en b. de jeugdige of zijn ouders geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden door gebruik te maken van een andere voorziening of een vrij toegankelijke voorziening.
4
2. De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders bedoeld in het eerste lid, onder a, worden in elk geval geacht toereikend te zijn, indien de in het kader van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen te verlenen hulp, de gebruikelijke hulp aan een kind niet overstijgt en de ouders in staat zijn om deze hulp te bieden. Het college stelt nadere regels voor de beantwoording van de vraag wanneer in een concrete situatie sprake is van gebruikelijke hulp. 3. Als de jeugdige of zijn ouders kosten voor jeugdhulp in de vorm van een individuele voorziening hebben gemaakt voordat een daartoe bevoegde partij heeft besloten tot de inzet van deze voorziening, kan het college hiervoor een individuele voorziening verstrekken indien: a. de aanvraag daartoe wordt gedaan binnen zes maanden nadat het verlenen van de jeugdhulp een aanvang heeft genomen; b. op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen waarvoor de jeugdhulp is ingezet; en c. het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 4. Het derde lid is niet van toepassing op jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk, zoals omschreven in artikel 14, eerste lid. Artikel 11 Inhoud beschikking 1.
In de beschikking tot het verstrekken van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. wat de te verstrekken voorziening is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en c. door welke jeugdhulpaanbieder de jeugdhulp die behoort tot de voorziening wordt verleend. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. voor welke voorziening het pgb kan worden aangewend; b. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend; c. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en d. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Het college verstrekt bij de beschikking in algemene zin informatie over de rechten en plichten die zijn verbonden aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of pgb en over de mogelijke gevolgen van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of pgb, alsmede van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de wet. Artikel 12 Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb indien: a. is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 8.1.1 van de wet; b.
op grond van deze verordening aanspraak kan worden gemaakt op een individuele voorziening; en c. is voldaan aan de eisen gesteld in artikel 13 of artikel 14. 2. Een pgb mag alleen worden gebruikt voor de bekostiging van door een derde verleende jeugdhulp en in ieder geval niet voor de betaling van tussenpersonen, bemiddelaars en belangenbehartigers. Evenmin mogen uit een pgb aan de persoon die de jeugdhulp verleent uitkeringen worden gedaan die niet verplicht zijn op grond van wet- en regelgeving of cao. Artikel 13 Verstrekken en hoogte pgb voor bedrijfs- of beroepsmatig verleende jeugdhulp (pgb formeel) 5
1. Een pgb voor bedrijfs- of beroepsmatig verleende jeugdhulp bedraagt maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste passende individuele voorziening in natura. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid dient een pgb toereikend te zijn om jeugdhulp in te kopen die voldoet aan de norm voor verantwoorde jeugdhulp, zoals omschreven in artikel 4.1.1 van de wet. 3. Het verstrekken en het bepalen van de hoogte van een pgb vindt plaats aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld budgetplan over de inzet van het pgb. Het budgetplan bevat in ieder geval een onderbouwde begroting en een antwoord op de volgende vragen: a. welke jeugdhulp met het pgb zal worden ingekocht; b. bij wie deze jeugdhulp zal worden ingekocht; c. indien van toepassing: wie gemachtigd is om de belangen van de jeugdige te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; d. waarom de wens bestaat de jeugdhulp via een pgb te ontvangen; e. hoe beoogd wordt de jeugdhulp in praktische zin te organiseren; f. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd. 4. Als de begrote kosten voor de met een pgb in te kopen jeugdhulp hoger zijn dan het tarief van de goedkoopste passende individuele voorziening in natura, wordt het pgb verstrekt tot het bedrag van bedoeld tarief, indien de jeugdige of zijn ouders zelf het extra benodigde bedrag betalen.
Artikel 14 Verstrekken en hoogte pgb voor jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk (pgb informeel) 1.Van jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk is sprake als de jeugdhulp wordt betrokken van: a. een persoon die de jeugdhulp anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep verleent; of b. een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de jeugdige of zijn ouders. 2. De jeugdige of zijn ouders kunnen de jeugdhulp die deel uitmaakt van de individuele voorziening uitsluitend betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, indien: a. de jeugdhulp verleend door deze persoon passend en toereikend is in het kader van de hulpvraag; b. de jeugdhulp verleend door deze persoon aantoonbaar leidt tot betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger is dan beroeps- of bedrijfsmatig verleende jeugdhulp; c. het verlenen van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet leidt tot overbelasting van deze persoon; en d. deze persoon of andere personen in de omgeving van de jeugdige of zijn ouders op geen enkele wijze invloed hebben uitgeoefend op de beslissing van de jeugdige of diens ouders tot de aanvraag van een pgb. 3. Een pgb voor jeugdhulp verleend door een persoon die behoort tot het sociale netwerk bedraagt maximaal: a.
50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste passende individuele voorziening in natura; of b. het bedrag dat nodig is om de persoon die de jeugdhulp verleent te betalen conform de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, in het geval de jeugdige of zijn ouders wettelijk verplicht zijn om met de persoon die de jeugdhulp verleent een overeenkomst te sluiten waarop de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing is. 4. Op het verstrekken en het bepalen van de hoogte van een pgb voor jeugdhulp die wordt betrokken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk is artikel 13, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing. 6
Artikel 15 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 1. De jeugdige of zijn ouders doen aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of een pgb. 2. Het college kan een besluit aangaande een individuele voorziening in natura of een pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verschaft en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet of niet langer op de individuele voorziening in natura of het pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening in natura of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening in natura of het pgb; of e. de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening in natura of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3.
Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college van degene die onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het ten onrechte genoten pgb. 4. Een beslissing tot het verstrekken van een individuele voorziening in natura of pgb kan worden ingetrokken, als blijkt dat niet binnen zes maanden nadat deze is verstrekt gebruik is gemaakt van de individuele voorziening in natura, respectievelijk als het pgb binnen zes maanden nadat het is verstrekt niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. Artikel 16 Toezicht en handhaving 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of pgb, misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de wet. 2. Ter uitvoering van het eerste lid stelt het college telkens voor een periode van vier jaar een handhavingsbeleidsplan vast waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden beschreven. Het handhavingsbeleidsplan kan tussentijds worden gewijzigd. 3. Ter uitvoering van het handhavingsbeleidsplan bedoeld in het tweede lid stelt het college jaarlijks een handhavingsuitvoeringsplan vast.
Het handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, misbruik, oneigenlijk gebruik en nietgebruik van de wet, alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de manier waarop deze worden toegepast. 4. Het college informeert één maal per vier jaar de gemeenteraad over de uitvoering en de resultaten van de handhaving conform het handhavingsbeleidsplan en het handhavingsuitvoeringsplan bedoeld in het tweede en derde lid. 5. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en het bepaalde bij of krachtens deze verordening. 6. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de bevoegdheden van de personen bedoeld in het vijfde lid. Artikel 17 Afstemming met voorzieningen op het gebied van zorg 1. Het college draagt zorg voor afspraken met huisartsen en zorgverzekeraars over de aansluiting tussen de voorzieningen die worden verstrekt op grond van deze verordening en de zorg waarvoor deze partijen verantwoordelijk zijn. 2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, draagt het college er zorg voor dat zij worden ondersteund bij het verkrijgen van een besluit van het CIZ, indien er gegronde
7
redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 3. Het college maakt afspraken met zorgverzekeraars en het CIZ over de continuïteit van de zorg voor jeugdigen aan wie jeugdhulp wordt verleend en voor wie deze zorg als gevolg van het bereiken van de leeftijd van achttien jaar onder de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg komt te vallen. Artikel 18 Afstemming met voorzieningen op het gebied van onderwijs Het college maakt afspraken met de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs over de aanwezigheid van een contactpersoon op de scholen en vroegsignalering, alsmede over de gezamenlijke onderwijszorgarrangementen en de toegang hiertoe. Artikel 19 Afstemming met voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen die worden verstrekt op grond van deze verordening en voorzieningen verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg voor jeugdigen aan wie jeugdhulp wordt verleend en voor wie de zorg als gevolg van het bereiken van de leeftijd van achttien jaar onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 komt te vallen. Artikel 20 Afstemming met voorzieningen op het gebied van werk en inkomen 1.
Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen die worden verstrekt op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Participatiewet. 2. Het college draagt zorg voor het tijdig signaleren van financiële belemmeringen voor het slagen van jeugdhulp en voor de ondersteuning van jeugdigen of hun ouders, bij het doen van een beroep op gemeentelijke voorzieningen op het gebied van werk en inkomen die er mogelijk aan kunnen bijdragen dat deze belemmeringen worden opgeheven. 3. Het college draagt zorg voor de ondersteuning van jeugdigen aan wie jeugdhulp wordt verleend en die na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een beroep doen op de Participatiewet. Artikel 21 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te verlenen jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d.
een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 22 Inspraak Ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen, hun ouders of pleegouders, dan wel vertegenwoordigers van jeugdigen, hun ouders of pleegouders, worden betrokken bij de uitvoering van de wet op de wijze die is bepaald in de Verordening adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel. Artikel 23 Evaluatie Deze verordening wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. De eerstvolgende keer gebeurt dit in 2024. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
8
Artikel 24 Hardheidsclausule 1. Het college kan afwijken van een of meer artikelen van deze verordening, als daaraan vasthouden voor de jeugdige of zijn ouders gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. 2. Toepassing van de hardheidsclausule bedoeld in het eerste lid wordt gemotiveerd in de betreffende beschikking. 3. Van de toepassing van de hardheidsclausule bedoeld in het eerste lid wordt periodiek verslag gedaan aan de gemeenteraad. Artikel 25 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Gedurende de looptijd van beschikkingen die zijn afgegeven op grond van de Verordening jeugdhulp 2015 blijft op deze beschikkingen de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2015 van toepassing. 2. De Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2015 wordt ingetrokken. 3. Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van haar bekendmaking. 4. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Capelle aan den IJssel 2018. Vastgesteld in de openbare vergadering van [….] de griffier,
de voorzitter,
9