CConstaterende datCapelle aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

06.05 - Verordening jeugdhulp toelichting met wijzigingen 13 februari 2023

Commissie Samenleving en Economie 27 maart 2023, gemeente Capelle aan den IJsselBij agendapunt: Verordening tot wijziging van de verordening jeugdhulp gemeente Capelle aan den IJssel 201813.346 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 15 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering In het eerste lid wordt artikel 8.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet herhaald, met dien verstande dat ook individuele voorzieningen in natura onder het bereik van artikel 15, eerste lid, zijn gebracht. Hiervoor kan steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarin is vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige of zijn ouders aan wie een individuele voorziening in natura of een pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat zij voldoende gegevens en inlichtingen verschaffen, zodat het college kan beoordelen of het beroep op de individuele voorziening in natura of het pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat bepaalde feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, invloed kunnen hebben op de toekenning van de individuele voorziening in natura of het pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de jeugdige of zijn ouders verlangen.

17

Het tweede lid is ontleend aan artikel 8.1.4, eerste lid, van de Jeugdwet en heeft eveneens betrekking op zowel individuele voorzieningen in natura als pgb’s. In de beschikking waarin de individuele voorziening wordt herzien of ingetrokken, bepaalt het college eveneens de ingangsdatum van dit besluit (vergelijk artikel 8.1.4, tweede lid, van de Jeugdwet). Afhankelijk van de omstandigheden kan een besluit met terugwerkende kracht ingetrokken worden. Op basis van het derde lid, dat zijn grondslag vindt in artikel 8.1.4, derde lid, van de Jeugdwet, kan het college de geldwaarde van de ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het ten onrechte genoten pgb geheel of gedeeltelijk terugvorderen van degene die onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Het gaat hier om een bevoegdheid en niet een verplichting van het college. Of het college van deze bevoegdheid gebruik maakt zal afhangen van de concrete situatie, waarbij het onder andere van belang zal zijn of opzettelijk of nalatig onjuiste of onvolledige gegevens aangeleverd zijn. Het besluit van het college om tot terugvordering over te gaan wordt verwoord in een terugvorderingsbeschikking.

Anders dan artikel 2.4.1, eerste lid, van de Wmo, opent de Jeugdwet in artikel 8.1.4, derde lid, overigens niet met zo veel woorden de mogelijkheid tot het terugvorderen van de geldwaarde van een ten onrechte genoten individuele voorziening in natura. In deze verordening wordt er niettemin vanuit gegaan dat deze mogelijkheid wel bestaat. Het gaat er immers om dat door het geven van onjuiste of onvolledige gegevens gebruik is gemaakt van een individuele voorziening. Voor de terugvordering van de geldwaarde van de voorziening zou het dan geen verschil moeten maken of deze voorziening in natura dan wel door middel van een pgb is genoten. Voor dit standpunt wordt steun gevonden in de Memorie van toelichting bij de Invoeringswet Jeugdwet (Kamerstukken II 2013/14, 33983, nr. 3, artikelsgewijze toelichting, onderdeel QQ), waarin bij het toevoegen aan de Jeugdwet van artikel 8.1.4 derde lid, onder andere wordt verwezen naar de Wmo. Artikel 16 Toezicht en handhaving Artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet (ingevoegd bij Nota van wijziging, Kamerstukken II 2013/14 33684, nr. 11, artikel D), bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

In de toelichting op de Nota van wijziging is vermeld dat het tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van individuele voorzieningen of daarmee samenhangende pgb’s. De Nota van Wijziging benoemt daarbij, dat een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen wezenlijk is voor het draagvlak daarvan. In het eerste lid van artikel 16 wordt daarom aan het college opgedragen om het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede ander misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te bestrijden. Uit artikel 8.1.1, lid 2, onder c, van de Jeugdwet kan worden afgeleid dat college aandacht moet hebben voor de kwaliteit van de zorg die wordt bekostigd uit een pgb (zie ook artikel 13, derde lid, onder f, van deze verordening). De opdracht van het tweede lid wordt aan het college gegeven, omdat de geboden kwaliteit niet alleen aan het begin, maar ook gedurende de gehele periode van het verlenen van jeugdhulp belangrijk is. Mede gezien het gestelde in artikel 2.7, derde lid, van de Jeugdwet betreft de opdracht aan het college ook de individuele voorzieningen in natura.

Met de uitvoering van de opdracht van het eerste en tweede lid wordt eveneens de in artikel 8.1.3 van de Jeugdwet geformuleerde verplichting van het college om periodiek na te gaan of er aanleiding is om de beslissing aangaande een pgb te heroverwegen ingevuld. De resultaten van het onderzoek kunnen wat betreft zowel 18

individuele voorzieningen in natura als pgb’s aanleiding zijn voor de toepassing van artikel 15, tweede en derde lid. Het derde lid schrijft voor, dat het college een handhavingsbeleidsplan en een handhavingsuitvoeringsplan vaststelt. In het handhavingsbeleidsplan zal bijvoorbeeld kunnen worden aangegeven welke onderwerpen worden onderzocht, wat daarbij de prioriteiten zijn en met welke frequentie onderzoeken plaatsvinden. Het handhavingsuitvoeringsplan zal onder meer inzicht geven in het handhavingsinstrumentarium. Als één van de instrumenten voor de handhaving van het gestelde bij of krachtens de Jeugdwet zou bijvoorbeeld kunnen worden overwogen om een toezichthouder aan te stellen. Hoewel het in het tweede lid bedoelde onderzoek strikt genomen geen handhaving betreft, ligt het voor behoud van het overzicht van de te ondernemen acties in de rede, dat het college de kaders hiervoor ook beschrijft in het handhavingsbeleidsplan en het handhavingsuitvoeringsplan. In het eerste lid van artikel 16 wordt in het verlengde hiervan aan het college opgedragen om zorg te dragen voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of pgb, misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de wet.

De opdracht van het eerste lid richt zich ook op de doelmatige uitvoering en is daarmee breder dan de eis die wordt gesteld in artikel 2.9 van de Jeugdwet. Het staat echter niet ter discussie, dat ook een doelmatige uitvoering van de Jeugdwet de aandacht van het college dient te hebben. Het college moet ook het niet-gebruik van de wet tegengaan, omdat in die gevallen waarin (meer) jeugdhulp noodzakelijk is, het niet-gebruik ervan soms schadelijk zal kunnen zijn voor zowel de jeugdige of zijn ouders als de samenleving. Op grond van het tweede lid moet het college een handhavingsbeleidsplan opstellen waarin het handhavingsbeleid en de daarbij te stellen prioriteiten worden beschreven. Dit handhavingsbeleidsplan is een leidraad voor de in lid 5 van dit artikel genoemde toezichthouders. Het handhavingsuitvoeringsplan moet onder meer ingaan op het handhavingsinstrumentarium. Tot de instrumenten om onrechtmatig gebruik van de Jeugdwet tegen te gaan, behoren het geven van voorlichting, het verrichten van onderzoek naar het gebruik van de verleende voorzieningen en het geven van een passende reactie als onregelmatigheden geconstateerd worden. In het handhavingsuitvoeringsplan kan hier verder uitwerking aan gegeven worden.

Wat betreft het instrument onderzoek kan in het uitvoeringplan worden uiteengezet welke onderwerpen in een bepaald jaar zullen worden onderzocht, met welke frequentie en of een onderzoek al dan niet steekproefsgewijs zal plaatsvinden. Hierbij wordt opgemerkt, dat artikel 5:20, eerste lid, van de Awb jeugdigen of hun ouders verplicht om mee te werken aan een door een toezichthouder uitgevoerd onderzoek. Mochten er onregelmatigheden worden geconstateerd, dan kan dit leiden tot een van de besluiten genoemd in artikel 15, tweede en derde lid, van deze verordening. Aanbieders van jeugdhulp waarvan blijkt dat zij zich schuldig maken aan onregelmatigheden kunnen hierop onder meer via het contractenrecht aangesproken worden. Artikel 8.1.3 van de Jeugdwet verplicht het college om periodiek na te gaan of er aanleiding is om de beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het onderzoek dat hiervoor nodig is kan een plaats krijgen in het handhavingsbeleidsplan respectievelijk het handhavingsuitvoeringsplan.

19

De bewaking van de kwaliteit in algemene zin van professionele jeugdhulpaanbieders en instellingen als Veilig Thuis wordt door artikel 9.1 van de Jeugdwet opgedragen aan de Inspectie gezondheidszorg en jeugd (IGJ). De IGJ moet er dus bijvoorbeeld op letten dat jeugdhulpaanbieders zich aan de Jeugdwet houden en voldoen aan de kwaliteitseisen die worden gesteld in hoofdstuk 4 van de wet. Anders dan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (artikel 2.1.1, tweede lid), legt de Jeugdwet de gemeente wat dit betreft geen substantiële verplichtingen op. Niettemin kan het college kwaliteitsaspecten van de jeugdhulpverlening onderzoeken. Zo kan het college er onderzoek naar doen of de kwaliteitsafspraken die zijn gemaakt in contracten met jeugdhulpaanbieders door deze partijen nagekomen worden en bijvoorbeeld nakoming van het contract vorderen als dat niet het geval is. Uit artikel 8.1.1, tweede lid, onder c, van de Jeugdwet vloeit voort dat het college wel aandacht moet hebben voor de kwaliteit van de zorg die wordt bekostigd uit een pgb (zie ook artikel 13, derde lid, onder f, van deze verordening). Het gaat hier onder andere om de gevallen waarin een pgb wordt ingezet voor jeugdhulp die niet bedrijfsof beroepsmatig wordt verleend.

Naast de kwaliteitsbewaking door de IGJ en het eigen kwaliteitsonderzoek door het college draagt artikel 2.10 van de Jeugdwet, in combinatie met artikel 2.5.1 van de Wmo, het college op om jaarlijks te onderzoeken hoe jeugdigen of hun ouders de kwaliteit van de jeugdhulp ervaren. Hierbij gaat het om jeugdhulp in brede zin, dus ook om de voorzieningen in natura. De twee hiervoor genoemde verplichtingen van het college vloeien voort uit de Jeugdwet en hoeven daarom niet in de verordening te worden benoemd. Wel kunnen zij een plaats krijgen in het handhavingsbeleidsplan en het handhavingsuitvoeringsplan. Zoals in het voorafgaande is aangegeven rust de verantwoordelijkheid voor het toezien op rechtmatigheid bij de uitvoering van de Jeugdwet op de gemeente. Waar in de Wmo 2015 het aanwijzen van een of meer toezichthouders door het college een wettelijke verplichting is, kent de Jeugdwet een dergelijke verplichting niet. Dit neemt niet weg dat het aanwijzen van een toezichthouder wel mogelijk is, als deze verordening daar een grondslag voor geeft. Het vijfde lid voorziet in die wettelijke grondslag en leidt er aldus toe, dat de toezichthouders hun onderzoek naar bijvoorbeeld onrechtmatig gebruik van een individuele voorziening in natura of een pgb rechtsgeldig kunnen doen.

De mogelijkheid om nadere regels vast te stellen omtrent de bevoegdheden van de toezichthouders wordt aan het college geboden in het zesde lid. Artikel 17 Afstemming met voorzieningen op het gebied van zorg In artikel 2.9, aanhef en onder b, schrijft de Jeugdwet voor dat bij verordening regels worden gesteld over de manier waarop de toegang tot en het toekennen van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Aan deze verplichting wordt uitwerking gegeven in de artikelen 17 tot en met 20. De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente, namelijk waar het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg en zorg voor (licht-)verstandelijk gehandicapten (met uitzondering van 20

langdurige instellingszorg). De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (zoals logopedie, fysiotherapie en dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Met artikel 17 wordt voor het gebied van de zorg invulling gegeven aan de zojuist genoemde opdracht van artikel 2.9, aanhef en onder b van de Jeugdwet. Overleg met de huisartsen vindt zowel plaats via de Stichting Capelse huisartsen als met huisartsen individueel. Verder wordt in de praktijk gesproken met de zorgverzekeraar die in de gemeente het hoogste aantal verzekerden heeft (de preferente verzekeraar). Deze zorgverzekeraar overlegt mede namens de andere zorgverzekeraars met het college. Behalve over de in artikel 17 genoemde onderwerpen moeten het college en de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars ook afspraken maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder ge, van de Jeugdwet en artikel 3, eerste lid, van deze verordening, plaatsvindt (artikel 2.7, vierde lid, van de Jeugdwet). Verder bepaalt artikel 2.7, vijfde lid, van de Jeugdwet meer in het algemeen dat het college en de zorgverzekeraars de uitvoering van de Jeugdwet en de wettelijke verantwoordelijkheden van de zorgverzekeraars zo veel mogelijk op elkaar moeten afstemmen.

Wanneer iemand blijvend behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in zijn nabijheid, komt hij in aanmerking voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Als dat nodig is, worden de jeugdige en zijn ouders ondersteund bij het doen van een aanvraag daartoe bij het CIZ. In artikel 1.2, eerste lid, aanhef en eerste lid onder a, van de Jeugdwet is onder andere bepaald dat college niet gehouden is een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen indien er een recht bestaat op zorg als bedoeld in de Wet langdurige zorg. Ook als de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het CIZ heeft het college niet de plicht om een individuele voorziening te verstrekken als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een beroep op de Wet langdurige zorg gedaan kan worden (artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Jeugdwet). Artikel 18 Afstemming met voorzieningen op het gebied van onderwijs In deze verordening moeten eveneens regels worden gesteld over de manier waarop de toegang tot en het toekennen van individuele voorzieningen wordt afgestemd met voorzieningen op het gebied het onderwijs. Het doel van artikel 18 is om hier in te voorzien.

Aan jeugdigen moet een veilige en gezonde omgeving worden geboden om onderwijs te volgen en op te groeien, zodat zij optimale kansen krijgen om zich naar hun mogelijkheden en talenten te ontwikkelen. Indien jeugdigen of ouders extra ondersteuning nodig hebben, moeten zij die snel, dichtbij en op maat krijgen. Voor de hier op gerichte samenwerking tussen het college en de scholen worden afspraken gemaakt over onder andere een vaste contactpersoon van het college (in de praktijk vanuit het CJG-team) bij elke school, over vroegsignalering en over gezamenlijke onderwijszorgarrangementen en de toegang hiertoe. Uit artikel 2.7, eerste lid, van de Jeugdwet volgt verder dat het college als dat nodig is met het bevoegd gezag van een school moet overleggen bij het treffen van een individuele voorziening. 21

Veel kinderen bezoeken voordat zij naar school gaan een vorm van kinderopvang. Indien nodig, vindt op casusniveau afstemming plaats tussen het college (in de praktijk het CJGteam) en het kindercentrum. Artikel 19 Afstemming met voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning Sommige voorzieningen voor jeugdigen (zoals hulpmiddelen, bepaalde vervoersvoorzieningen en woningaanpassingen) vallen niet onder het bereik van de Jeugdwet, maar worden verstrekt op grond van de Wmo. In artikel 19 wordt daarom van het college gevraagd om te zorgen voor de afstemming van de voorzieningen gebaseerd op de Jeugdwet en de Wmo. Dit is vooral belangrijk als aan een jeugdige voorzieningen worden verleend die zijn gebaseerd op beide wetten. Als een jeugdige bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar nog steeds ondersteuning nodig heeft, moet een besluit op grond van de Wmo worden genomen om zorg in het volwassenenkader in te zetten. Het is van belang te voorkomen dat een gat ontstaat tussen het eindigen van hulp in het kader van de Jeugdwet en het opstarten van hulp via de Wmo. Het college dient er daarom voor te zorgen dat hulp aan een ondersteuningsbehoeftige inwoner ononderbroken doorloopt. Het tweede lid betreft nadrukkelijk alleen de continuïteit, ofwel het voorkomen dat iemand tijdelijk geen hulp ontvangt.

Het kan zo zijn dat de hulp in het kader van volwassenenzorg bijvoorbeeld inhoudelijk of qua intensiteit anders wordt ingevuld dan onder de Jeugdwet, of dat een andere aanbieder wordt ingezet. Overigens is het streven er op gericht om dit laatste te voorkomen. Artikel 20 Afstemming met voorzieningen op het gebied van werk en inkomen De Participatiewet geldt voor personen van 18 jaar en ouder. Dit neemt niet weg, dat jeugdhulp en de taken van de gemeente op het gebied van de Participatiewet elkaar raken. Dit geldt in het bijzonder op het preventieve vlak, in die situaties waarin jeugdhulp ertoe kan bijdragen dat jeugdigen later geen beroep op de Participatiewet hoeven te doen. Verder zijn sommige voorzieningen op grond van de Participatiewet, zoals leerwerktrajecten, ook bedoeld voor jeugdigen van 16 en 17 jaar (artikel 10f, aanhef en onder a, van de Participatiewet). Voor die gevallen moet de gemeente het aanbod van de diverse voorzieningen afstemmen. Armoede- en schuldenproblematiek kunnen ertoe leiden dat verleende jeugdhulp niet of minder effectief is, bijvoorbeeld omdat ouders door deze problemen zo worden afgeleid dat zij hun rol als opvoeder niet meer goed kunnen vervullen.

Dergelijke problemen moeten daarom zo snel mogelijk worden gesignaleerd, zodat jeugdigen of hun ouders als zij hiervoor in aanmerking komen een beroep kunnen doen op een inkomens- of armoedevoorziening dan wel schuldhulpverlening. De opdracht aan het college in het tweede lid is hier op gericht. Bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd kunnen voor jeugdigen de ondersteuning en het recht op een uitkering op grond van de Participatiewet relevant worden. Het derde lid houdt in dat het college er dan voor moet zorgen dat ook in dit opzicht de overgang na de achttiende verjaardag van de jeugdige soepel verloopt. Artikel 21 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerderskinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laten verrichten. Desgewenst kan het college derhalve aanbieders contracteren om zijn taken op het gebied van de Jeugdwet uit te voeren. Met het oog op de gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, 22

kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Het doel hiervan is te voorkomen dat gemeenten bij de inkoop van de genoemde dienstverlening alleen de laagste prijs voor het uitvoeren van de opdracht in aanmerking nemen en aanbieders hun dienstverlening offreren voor een prijs die feitelijk te laag is om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. Ter uitvoering van deze verordeningsplicht wordt in artikel 21 een aantal aspecten genoemd, waarmee het college rekening moet houden bij het schatten van de reële kostprijs voor de activiteiten die het door aanbieders wil laten uitvoeren. Om te beginnen moet het college zich een beeld vormen van de taken die in het kader van de te verlenen diensten moeten worden verricht. Vervolgens moet worden vastgesteld welke (deskundigheids)eisen worden gesteld aan het daarvoor in te schakelen personeel en welke arbeidsvoorwaarden gelden voor werknemers met deze kwalificaties.

Ook moet het college in aanmerking nemen dat de aanbieder overheadkosten heeft, dat het personeel niet altijd productief is en dat er kosten voor bijscholing moeten worden gemaakt. Bij de inkoop van jeugdhulp kan het college bijvoorbeeld zelf een reële kostprijs bepalen en aanbiedingen die te laag zijn op basis daarvan terzijde leggen. Ook kan van aanbieders worden gevraagd dat zij de door hen geboden prijs verantwoorden aan de hand van de in artikel 21 benoemde criteria. Artikel 22 Vertrouwenspersoon Artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Jeugdwet bepaalt dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Deze ondersteunt jeugdigen of hun (pleeg)ouders als zij problemen ondervinden bij de toegang tot of de verlening van jeugdhulp. De vertrouwenspersoon moet werkzaam zijn bij een onafhankelijke rechtspersoon. Voor het vervullen van de functie van vertrouwenspersoon doet het college een beroep op een landelijke organisatie, de Stichting Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg: vertrouwenspersonen in de jeugdhulp. De Jeugdwet adresseert het college rechtstreeks en vraagt de gemeenteraad niet om hierover bij verordening regels te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening herhaald ter completering van het overzicht van de rechten en plichten van jeugdigen en ouders.

Artikel 22 Inspraak In artikel 2.10 van de Jeugdwet wordt onder andere artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo op de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen, waaronder in elk geval cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. De Participatiewet en diverse andere wetten schrijven in min of meer dezelfde woorden eveneens voor, dat de inspraak en medezeggenschap bij verordening geregeld moeten worden. In de gemeente gebeurt dit voor alle genoemde wetten door middel van de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018. De medezeggenschap ten opzichte van aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen is geregeld in artikel 4.2.4 en volgende van de Jeugdwet. 23

Artikel 23 Evaluatie Elke drievier jaar vindt een evaluatie plaats van deze verordening, de eerstvolgende keer is in 20212024. Artikel 24 Hardheidsclausule Omdat in uitzonderlijke gevallen de gevolgen van vasthouden aan de regels die zijn gesteld in deze verordening onevenredig kunnen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, is in het eerste lid een hardheidsclausule opgenomen. De tekst van artikel 245, eerste lid, maakt duidelijk, dat het toepassen van de hardheidsclausule alleen zal plaatsvinden als in een concreet geval de omstandigheden van dien aard zijn dat het onverkort toepassen van de verordening de jeugdige of zijn ouders in onevenredige mate schaadt. In de beschikking waarin de hardheidsclausule wordt toegepast wordt gemotiveerd waarom het college meent dat deze omstandigheden zich voordoen (tweede lid). Artikel 25 Inwerkingtreding en citeertitel De verordening treedt in werking op de dag na de dag van haar bekendmaking. Vanaf dat moment is de nieuw vastgestelde verordening van toepassing op alle onderwerpen die binnen haar bereik vallen. In het eerste lid wordt een uitzondering op deze regel gemaakt voor beschikkingen die zijn gebaseerd op de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2015.

Gedurende de looptijd daarvan blijft met betrekking tot de rechtspositie van de betreffende jeugdige of ouder die daardoor is ontstaan de Verordening jeugdhulp 2015 van toepassing. Na het einde van de geldigheidsduur van een dergelijk besluit is op een ten behoeve van de betreffende jeugdige of diens ouders eventueel nieuw af te geven beschikking de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 van toepassing. Dit geldt eveneens als vanwege een wijziging van de omstandigheden een nieuwe beschikking afgegeven wordt.

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12524580/1