06.05 - Regiovisie Nabij en Passend
Tekst van het document
N A B IJ EN PASSEND
REGIOVISIE JEUGDHULP REGIO RIJNMOND 30 november 2020
INHOUD VOORAF
3
1
INLEIDING
4
1.1
Gedeelde ambitie
4
1.2
Waarom deze visie?
4
1.3
Ruimte voor lokale keuzen
6
1.4
Overzicht: 19 bouwstenen voor de versterking van de jeugdhulp
7
2
EEN STERKE LOKALE INFRASTRUCTUUR
8
2.1
Een goed opvoedkundig klimaat en inzet op preventie
8
2.2
Investeren in vraagverheldering
9
2.3
Verstevigen casusregie
10
2.4
Ruimte voor het bieden van hulp door de lokale infrastructuur
11
2.5
Inzet ambulante ondersteuning en specialistische hulp
12
2.6
Afstemming onderwijs en jeugdhulp
12
2.7
Ondersteunen huisarts in de vraagverheldering en verwijzing
13
2.8
Een brede benadering van veiligheid
14
2.9
Betrokkenheid jongeren en gezinnen bij keuze en inzet hulp
15
2.10 Afspraken
16
3
EEN (AAN)SLUITENDE REGIONALE INFRASTRUCTUUR
17
3.1
Expertisenetwerken als doorontwikkeling van de Zorgbemiddelingstafels
17
3.2
Zorgvuldige afweging inkoop ambulante hulpverlening en specialistische hulp
18
3.3
Inzet op pleegzorg als voorkeursvorm voor verblijf
18
3.4
Residentiële zorg en langdurig verblijf altijd met beschikbaarheid van begeleiding
19
3.5
Een eenduidige benadering, vereenvoudiging en helderheid over casusregie bij veiligheid
20
3.6
Afspraken
22
4
SAMEN LEREN WAT WERKT
23
4.1
Eenduidig gebruik indicatoren, transparantie
23
4.2
Onderzoek naar effectieve hulp
24
4.3
Experimenteerruimte
24
4.4
Leren en ontwikkelen samen met kinderen en gezinnen
25
4.5
Belangenbehartiging
25
4.6
Afspraken
25
Pagina 2 van 25
VOORAF
Het Algemeen Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond heeft op 15 juli jl. 2020 de door haar ingestelde stuurgroep transformatie gevraagd om een visie op te stellen op de jeugdhulp. In de stuurgroep transformatie zijn gemeenten, aanbieders, Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, het CJG Rijnmond en het onderwijs vertegenwoordigd. De visie heeft als doel om de hulp aan kwetsbare kinderen en gezinnen verder te versterken. De stuurgroep ziet kansen en mogelijkheden om dit te bereiken door te investeren in 1) een sterke lokale infrastructuur en 2) de regionale en de lokale infrastructuur beter op elkaar te laten aansluiten. En 3) door voor een ander soort opdrachtgeverschap te kiezen: flexibeler, gericht op leren & ontwikkelen en vanuit partnerschap. De afgelopen maanden is de concept visie besproken met onder andere cliëntenraden, gemeenteraden, jongeren en de kinderombudsman. Dit heeft de visie inhoudelijk aangescherpt. Volgende stap is om de regiovisie vast te laten stellen door alle afzonderlijke gemeenteraden in Rijnmond. De wethouders jeugdhulp zullen vervolgens, namens hun colleges, een regioagenda opstellen op basis van de regiovisie. Onze ambitie is om alle kinderen kansrijk, gezond en veilig op te laten groeien en het is onze overtuiging dat deze visie daaraan gaat bijdragen.
Wouter Struijk Voorzitter van de stuurgroep transformatie van de jeugdhulpregio Rijnmond
Pagina 3 van 25
1
INLEIDING
1.1
Gedeelde ambitie
Nabij en passend De gemeenten en jeugdhulpaanbieders in de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (hierna Jeugdhulpregio Rijnmond) hebben de ambitie om de jeugdhulp nabij en passend te organiseren. Met nabij en passend bedoelen we, gemeenten en jeugdhulpaanbieders, dat jeugdhulp moet passen bij het gewone leven en eenvoudig en toegankelijk moet zijn. Dit betekent zo dicht mogelijk bij het gezin, in de school en in de omgeving van een kind of gezin en uitgaand van veerkracht van kinderen en gezinnen. Kinderen horen op te groeien in een gezinssituatie, die hun ontwikkeling stimuleert. En als dat niet mogelijk is in een situatie die het dichtst in de buurt komt van een ‘gewoon’ gezin, zoals een pleeggezin of een gezinshuis. Dit neemt niet weg dat er ook situaties zijn, waarin meer ingrijpende hulp het beste is voor het kind en het gezin. Bijvoorbeeld als de veiligheid in het geding is. Leidende principes De ambitie om de jeugdhulp nabij en passend te organiseren sluit aan bij de Leidende Principes die het Algemeen Bestuur (hierna AB), in samenspraak met de aanbieders van de Jeugdhulpregio Rijnmond heeft vastgesteld: • Kinderen hebben een (t)huis en kunnen naar school. Alle inzet heeft als uiteindelijk doel dit in stand te houden. • Ouders en opvoeders zijn blijvend, hulpverlening sluit aan bij wat zij nodig hebben. • We doen wat helpt.
Dat betekent dat we ook andere hulp en ondersteuning inzetten dan jeugdhulp. • We luisteren naar de vraag van het kind en spreken de taal van het kind. We vragen hen zelf wat ze willen. • We streven altijd naar passende hulp: gewoon is goed genoeg. 1.2
Waarom deze visie?
Veel gaat goed, maar het kan beter Gemeenten en aanbieders hebben om twee redenen behoefte aan een visie. De belangrijkste reden is dat gemeenten en aanbieders in de Jeugdhulpregio Rijnmond zien dat er een heleboel zaken goed gaan en in ontwikkeling zijn, maar ook dat er een aantal onderdelen te benoemen is waar het beter kan en beter moet.
Pagina 4 van 25
•
Toename van de kosten en discussie over de oorzaak daarvan. De kosten zijn de afgelopen jaren gestegen.1 Deze kostenstijging past in een landelijke trend. Veel meer regio’s hebben te maken met overschrijdingen van de budgetten voor jeugdhulp. Er vindt veel discussie plaats over de oorzaken van de kostenstijging en de factoren die de kostenstijging veroorzaken, zoals het volume, de verschuiving van regionaal naar lokaal en de verschuiving van zwaardere jeugdhulp, jeugdbescherming, jeugdreclassering en jeugdhulp naar lichtere vormen.
•
Behoefte aan grip op kwaliteit. De toename van kosten gaat gepaard met het gevoel van gemeenten dat zij onvoldoende grip hebben op de kwaliteit en werkwijze in de jeugdhulp. Gemeenten hebben behoefte aan meer lokale sturing op de kwaliteit en kosten.
•
Afschalen. De gedeelde ambitie is om jeugdhulp passend in te zetten en, als dat mogelijk is, zwaardere hulp af te bouwen. Doel daarvan is normaliseren van opvoeden en opgroeien en de hulp zodanig organiseren dat ze tijdelijk is. De praktijk is echter weerbarstig. Gemeenten en aanbieders ervaren dat verbetering nodig is bij het afschalen: “bij opschalen ervaren we drempels, bij afschalen bergen”.
•
Wachtlijsten. Er is op onderdelen van de jeugdhulp sprake van wachtlijsten en gebrek aan keuze. Dat betekent dat kinderen en gezinnen niet altijd de hulp krijgen, die het beste past. Het leidt er bijvoorbeeld toe dat, door een tekort aan ambulante hulpverlening, de doorstroom stokt. Daardoor worden er onnodig zwaardere vormen van hulp ingezet of duurt hulp langer dan nodig. Ook voor wachtlijsten geldt dat het nodig is om oorzaken beter te begrijpen.
•
Informatievoorziening. Gemeenten en aanbieders hebben behoefte aan completere informatie om een brede analyse te maken van het functioneren van het jeugdhulpstelsel in Rijnmond en de complexiteit in dat stelsel. Complexiteit door de enorme variëteit aan hulpvragen: van lichte opvoedvragen tot complexe multi-problematiek waar veiligheid in het geding is en de complexiteit door de verschillende toegangsregimes, waarin naast lokale teams ook huisartsen en de veiligheidsketen een belangrijke rol spelen.
1
AEF, Samenvatting: Grip op de kosten voor jeugdzorg, 27 juni 2019 - Rotterdam
Pagina 5 van 25
Voor gemeenten en aanbieders zijn bovengenoemde knelpunten aanleiding om vooruitstrevend te werken aan versterking van de jeugdhulp. Aansluiten bij landelijke ontwikkelingen Ten tweede geven gemeenten in de Jeugdhulpregio Rijnmond met deze visie en de daaraan te koppelen regionale agenda inhoud aan de Norm voor Opdrachtgeverschap2 (NVO) die de VNG heeft vastgesteld. Bovendien lopen gemeenten met deze visie voorop in de landelijke ontwikkelingen: de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor Rechtsbescherming hebben aangegeven dat regiovisies belangrijk zijn voor het oplossen van knelpunten in de jeugdhulp.3 1.3 Ruimte voor lokale keuzen De visie vormt het kader waarmee de gemeenten en de aanbieders in de komende jaren vorm en inhoud gaan geven aan de transformatie van de jeugdhulp in Rijnmond. En de visie is richtinggevend voor de regionale inkoop van jeugdhulp en de contracten die ingaan per 2023.
Gemeenten behouden de ruimte om hun eigen keuzen te maken de wijze waarop zij hun lokale infrastructuur4, en de lokale- of wijkteams als belangrijk onderdeel daarbinnen, organiseren. De keuzen die gemeenten daarbij maken zijn afhankelijk van factoren, zoals de omvang van de gemeente en de omvang en de aard van sociale problematiek van de inwoners. Ook de wijze waarop gemeenten de jeugdhulp onderdeel maken van het bredere sociale domein behoort tot de eigen beleidsruimte. De gemeenten Maasluis, Vlaardingen en Schiedam (MVS) nemen een bijzondere positie in. Het AB van de GRJR heeft besloten dat MVS de ruimte krijgt om het door hen ontwikkelde Jeugdmodel te implementeren binnen de contouren van de GRJR. Dit betekent dat per 1 januari 2023 de MVS-gemeenten alle specialistische jeugdhulp zelf inkopen. MVS heeft ervoor gekozen om de jeugdhulp taakgericht, als één integrale opdracht en met populatiebekostiging in te kopen. De consequentie hiervan is dat er binnen de GRJR twee inkoop- en daaraan gekoppelde financieringsmodellen naast elkaar worden toegepast. De modellen zijn gebaseerd op een andere wijze van sturen, organiseren, samenwerken, informeren en verantwoorden. Het landelijk transitiearrangement, de jeugdbescherming- en 2 3 4
VNG, Lbr. 20/045, maandag 29 juni 2020. TK, 2019-2020, 31 839 Nrs. 730, 745 en O. Indien we spreken van een lokale infrastructuur doelen we op de infrastructuur rondom jeugd waar de lokale teams (of wijkteams) een belangrijk onderdeel van uitmaken. Waar we spreken van lokaal kan dat, afhankelijk van de situatie, ook betekenen subregionaal.
Pagina 6 van 25
jeugdreclasseringsmaatregelen en Veilig Thuis blijven onderdeel van de gezamenlijke inkoop/subsidiering door de 15 GRJR-gemeenten. 1.4 Overzicht: 19 bouwstenen voor de versterking van de jeugdhulp Nabij en passend: 19 bouwstenen voor de versterking van de jeugdhulp in Rijnmond. Een sterke lokale infrastructuur
Nabij en Passend
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Een goed opvoedkundig klimaat en inzet op preventie Investeren in vraagverheldering Verstevigen casusregie Ruimte voor het bieden van hulp door de lokale infrastructuur Inzet ambulante ondersteuning en specialistische hulp Afstemming onderwijs en jeugdhulp Ondersteunen huisarts in de vraagverheldering en verwijzing Een brede benadering van veiligheid Betrokkenheid jongeren en gezinnen bij keuze en inzet hulp
Een (aan)sluitende regionale infrastructuur 10. Ontwikkelen expertisenetwerken 11. Zorgvuldige afweging inkoop ambulante hulpverlening en specialistische hulp 12. Inzet op pleegzorg als voorkeursvorm voor verblijf 13. Residentiële zorg en langdurig verblijf alltijd met beschikbaarheid van begeleiding 14. Een eenduidige benadering, vereenvoudiging en helderheid over casusregie bij veiligheid
Samen leren wat werkt 15. Eenduidig gebruik indicatoren, transparantie 16. Onderzoek naar effectieve hulp 17. Experimenteerruimte 18. Leren en ontwikkelen samen met kinderen en gezinnen 19. Belangenbehartiging
Pagina 7 van 25
2
EEN STERKE LOKALE INFRASTRUCTUUR
Verantwoordelijkheid door de Jeugdwet Met invoering van de Jeugdwet in 2015 is de brede verantwoordelijkheid voor de jeugdhulp naar gemeenten gegaan. Het gaat over preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan kinderen en gezinnen bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. De gedachte achter de Jeugdwet is dat de gemeente dicht bij de burger staat en de mogelijkheid heeft om binnen het sociale domein en met aanpalende domeinen verbanden te leggen. Zoals tussen de lokale jeugdhulp, het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), het onderwijs, welzijn en maatschappelijke ondersteuning (inclusief lokale teams), schuldhulpverlening en sociaal raadsliedenwerk, werk, inkomen en participatie en veiligheid. De gemeente is in staat om breed over de domeinen te kijken en integraal hulp in te zetten. Om de ambities en de gemeentelijke verantwoordelijkheid in het jeugddomein waar te maken is een sterke lokale infrastructuur noodzakelijk. Een sterke lokale infrastructuur bestaat in deze visie uit negen bouwstenen: Bouwsteen 1:
Een goed opvoedkundig klimaat en inzet op preventie
Bouwsteen 2:
Investeren in vraagverheldering
Bouwsteen 3:
Verstevigen casusregie
Bouwsteen 4:
Ruimte voor het bieden van hulp door de lokale infrastructuur
Bouwsteen 5:
Inzet ambulante ondersteuning en specialistische hulp
Bouwsteen 6:
Afstemming onderwijs en jeugdhulp
Bouwsteen 7:
Ondersteunen huisarts in de vraagverheldering en verwijzing
Bouwsteen 8:
Een brede benadering van veiligheid
Bouwsteen 9:
Betrokkenheid jongeren en gezinnen bij keuze en inzet hulp
2.1
Een goed opvoedkundig klimaat en inzet op preventie
Inzet op preventie en informatie en advies Goede jeugdhulp begint met preventie. Omdat we met preventie voorkomen dat we zwaardere hulp hoeven inzetten en kinderen en gezinnen het ‘stigma’ van jeugdhulp geven. Daarom gaan we fors inzetten op het oplossen van vragen op een andere manier dan door de inzet van professionele hulp. Dat doen we bijvoorbeeld door de gezondheid en sociale vaardigheden van gezinnen te bevorderen.
Pagina 8 van 25
En door goede lokale informatie- en adviesvoorzieningen en vroegsignalering, in samenwerking met bijvoorbeeld sportverenigingen, te bieden. De informatie- en adviesvoorziening heeft een belangrijke functie voor vroegsignalering, bijvoorbeeld over schulden of over huiselijk geweld en kindermishandeling en is ondersteunend aan zelfredzaamheid. De informatie- en adviesfunctie is laagdrempelig, toegankelijk en vraaggericht. Het doel is om in een vroegtijdig stadium in gesprek te komen om te voorkomen dat vragen zich ontwikkelen tot problemen waarbij zwaardere of specialistische hulp nodig is. Overgang 18-min naar 18-plus Een soepele overgang van 18-min naar 18-plus is belangrijk om jongeren goed te laten opgroeien en de stap naar volwassenheid te laten zetten. We merken dat een aanzienlijke groep jongeren hulp nodig blijft hebben in de overgangsfase naar het volwassen worden. Zo is er blijvende aandacht nodig voor gezond en veilig opgroeien, het organiseren van een netwerk, onderwijs, toegang tot de arbeidsmarkt, huisvesting en het voorkomen en tegengaan van crimineel gedrag in de overgangsfase naar het volwassen worden. Jongeren hebben er baat bij als hulp en ondersteuning geen breuken vertonen bij overgangen van levensfasen. Dit vraagt om een benadering die breder is dan alleen het domein van de jeugdhulp.
De vormgeving van een goed opvoedkundig klimaat en de vormgeving van preventie bij de lokale situatie vragen om een lokale uitwerking. 2.2
Investeren in vraagverheldering
Het is cruciaal dat bij de start wordt gespecificeerd welke hulp nodig is. Gemeenten gaan daarom investeren in de vraagverheldering. Hierbij hanteren zij het principe ‘in één keer goed’. Voor het kind betekent ‘in één keer goed’ dat de juiste hulp wordt ingezet en dat deze niet zwaarder is of langer duurt dan nodig en zo nabij mogelijk is. Een betere afweging voor de inzet van hulp werkt ook door op de beheersing van de kosten en de doelmatige besteding van middelen. Ervaring en expertise voorin Omdat we de vraagverheldering als een cruciale eerste stap zien is het logisch om de beste mensen voorin het proces te zetten. Door bij de start een goede afweging te maken voor het inzetten van hulp, voorkomen we dat we verkeerde hulp inzetten en we voorkomen dat we hulp stapelen (zogenaamde stepped care). Bij vraagverheldering geldt niet automatisch dat betrokkenheid vanuit meerdere organisaties de garantie biedt voor een goede afweging. Daarom zetten we bij vraagverheldering in op de inzet van mensen die integraal – met ervaring en kennis van zaken en zicht op het aanbod – in staat zijn de juiste afweging te maken.
Pagina 9 van 25
De vraagverheldering maakt – waar nodig – wel gebruik van expertise uit aanpalende domeinen zoals onderwijs, jeugdgezondheidszorg, Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Participatie. Bij vraagverheldering gaat het ook om wonen, veiligheid en zicht op trauma, medische zorg, armoede en schulden. Redeneren vanuit de vraag en niet vanuit het aanbod We streven ernaar om persoonlijke zorg te bieden, waarin de vraag van de kinderen en het gezin het vertrekpunt is. Dit is ook de wens van kinderen zelf. Zij verwachten dat een hulpverlener vragen stelt over wat zij belangrijk en nodig vinden. Dat gaat over problemen maar ook over wensen, dromen en hobby’s. Kinderen en gezinnen willen niet dat het aanbod van zorg bepalend is voor het aanbod. Het resultaat van vraagverheldering en indicering Het resultaat van de vraagverheldering en indicering bevat altijd de volgende elementen: • de kenmerken van het kind en het gezin en een inschatting van de benodigde ondersteuning, rekening houdend met eigen kracht, gebruikelijke zorg en voorliggende voorzieningen; • de inzet en het beoogde resultaat van de persoonsgebonden hulp; • de afstemming met andere voorzieningen en het opvoedkundig klimaat, zoals onderwijs, en • de beëindiging van de hulp en de terugkeer naar de situatie zonder de inzet van de hulp.
Wanneer is hulp nodig? Vraagverheldering hoeft niet altijd tot de inzet van jeugdhulp te leiden. Als dat beter is, kan ook worden verwezen naar collectieve voorzieningen, eigen kracht en de verantwoordelijkheid van ouders. We bieden hulp als het echt nodig is. 2.3
Verstevigen casusregie
In de aanpak van casusregie onderscheidt de regio nu vier stappen: • Stap 1 – Vraaganalyse “Wat is er aan de hand?” • Stap 2 – Het resultaat “Wat moet bereikt worden?” • Stap 3 – De middelen “Wat is nodig om het beoogde resultaat te bereiken?” • Stap 4 – Toetsing “Is het gewenste resultaat bereikt?” In de visie leggen we, in aanvulling op het bovenstaande accenten die moeten leiden tot een stevigere rol voor de casusregisseur. Dit vraagt om een investering in de rol van casusregisseur en de tijd die beschikbaar is voor casusregie.
Pagina 10 van 25
Ten eerste is er meer tijd nodig voor het coördineren, volgen en waar nodig bijsturen van het traject. Casusregie gaat juist om het volgen van de voortgang en, indien aan de orde, bijstellen van de hulp. Dit vraagt om bereikbaarheid en beschikbaarheid van de casusregisseur. Belangrijk is dat de casusregisseur, in trajecten waarin dat nodig is, het hele traject coördineert. Zonder dat de (hele) uitvoering bij de casusregisseur ligt. Ten tweede heeft de casusregisseur een belangrijke rol in het afschalen. Als hulp kan worden afgeschaald of afgerond, dan zorgt de casusregisseur voor de voorwaarden die in de context van het gezin nodig zijn om kinderen in hun normale omgeving te laten terugkeren. Bijvoorbeeld waar het gaat om wonen, werk of schulden. Dit vraagt om mandaat binnen meerdere wettelijke kaders en om kennis van en afbakening met andere wetten zoals de zorgverzekeringswet (ZVW), de Wet Langdurige Zorg (WLZ) en het LTA, de landelijk ingekochte zorg. Ten derde is het nodig om meer aandacht te hebben voor kinderen en gezinnen met chronische problematiek en kinderen en gezinnen die een levenslange en ‘levensbrede’ ondersteuningsvraag hebben. De casusregisseur heeft in deze gevallen een "waakvlam- functie" en kan indien nodig hulp opschalen. Tot slot moet de casusregisseur een herkenbaar aanspreekpunt zijn voor kinderen en gezinnen.
De ambitie is dat kinderen en gezinnen zoveel mogelijk één vaste contactpersoon krijgen, waarvan duidelijk is dat diegene de regie heeft. Voor kinderen en gezinnen betekent dit dat zij niet steeds hun verhaal hoeven doen en weten bij zij terecht kunnen. 2.4
Ruimte voor het bieden van hulp door de lokale infrastructuur
Als alleen het geven van antwoorden op opvoedvragen niet volstaat, biedt de lokale infrastructuur hulp. Ook hier geldt weer: het heeft de voorkeur hulp in de eigen omgeving te bieden. Het is de inschatting van de lokale infrastructuur om te bepalen in welke situaties zij hulp kan inzetten. Daarvoor kijkt zij naar de ernst, aard en context van een hulpvraag. Indien de inschatting is dat dit gezien de ernst, aard en context nodig is, kan de professional in de lokale infrastructuur consultatie en advies van specialistische aanbieders erbij halen. De gemeente blijft daarbij wel ‘in the lead’ en blijft de hulp zelf verlenen. Ook kunnen specialisten tijdelijk meelopen in een casus om inzicht te krijgen en de medewerker zo snel mogelijk verder te helpen. De relatie tussen de medewerkers vanuit de lokale infrastructuur en het kind of het gezin blijft daarmee in stand.
Pagina 11 van 25
Consultatie en advies kan eveneens ingezet worden om bij specifieke, vaker voorkomende problemen, de expertise in de lokale infrastructuur te vergroten. Hierdoor kunnen we meer kinderen en gezinnen in de lokale infrastructuur ondersteunen. We geven professionals de ruimte om hierover afspraken te maken. Dat heeft twee voordelen. We voorkomen dat we de consultatie en advies in een productiekeurslijf dwingen dat niet past bij de vraagstukken, die professionals tegenkomen. En we voorkomen dat we steeds afspraken moeten gaan maken over de resultaat en duur. Daarmee neemt de tijd die nu wordt besteed aan arrangeren af. Tijd die beter besteed kan worden aan het bieden van hulp. Belangrijk in deze aanpak is dat we voorkomen dat we kinderen en gezinnen moeten ‘overdragen’ of dat zij met verschillende hulpverleners en begeleiders te maken krijgen. Continuïteit is het uitgangspunt. Overdragen doen we alleen als dat echt nodig is. Kinderen en gezinnen moeten zoveel mogelijk te maken hebben met vaste hulpverleners en een vaste casusregisseur. 2.5
Inzet ambulante ondersteuning en specialistische hulp
In die gevallen waarin door aard, ernst en context van de hulpvraag inzet van specialistische hulp nodig is, zetten we die in, in de eigen context van het kind en het gezin. De hulpverlener gaat naar het kind en het gezin toe. Daarmee blijft het kind in de gezinscontext en blijft het contact met gewone leven, de sociale context, school, buurt, vrienden enzovoort behouden. Bij de inzet van specialistische ambulante ondersteuning blijft de lokale infrastructuur, via de casusregisseur, betrokken. Dat maakt afschalen makkelijker en zorgt dat het verband met het bredere sociaal domein behouden blijft. Zo kunnen we ook in meer complexe gevallen zorgen voor verbinding met het lokale. Concreet betekent dit dat we bij alle inzet van specialistische hulp nagaan of en op welke wijze deze in de woonomgeving van het kind en het gezin geboden kan worden. Alleen waar dat niet mogelijk is, omdat het gelet op de context, de aard en de ernst van de hulpvraag niet wenselijk of niet mogelijk is, komen alternatieven buiten de woonomgeving in beeld. 2.6 Afstemming onderwijs en jeugdhulp Ieder kind heeft recht op onderwijs en ontwikkeling van persoonlijke vaardigheden om zo zelfstandig mogelijk mee te kunnen doen in de samenleving. Naast een goed opvoedkundig klimaat, ondersteunt een goed leerklimaat de ontwikkeling van een kind.
Pagina 12 van 25
De zorgstructuur en de basiskwaliteit van het onderwijs zijn de verantwoordelijkheid van scholen. De opgave is om vanuit lokale infrastructuur deze zorgstructuur op de scholen te versterken en waar nodig hulp en consulatie en advies naar de scholen te brengen. Dit doen gemeenten in partnerschap met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs, die de wettelijke taak hebben om extra ondersteuning voor het onderwijs te organiseren. Ook hierbij geldt als belangrijk uitgangspunt de aansluiting met het leefomgeving en de kinderen op de school. Wanneer nodig kan daghulp ingezet worden, zoveel mogelijk gericht op (terugkeer naar) de eigen school. Door daghulp lokaal in te kopen kunnen we het beter laten aansluiten op de zorgstructuur van de scholen. Ook vroegsignalering en samenwerking met voorschoolse voorzieningen in de lokale infrastructuur kunnen bijdragen aan het optimaal inzetten op het ontwikkelpotentieel van het kind en doorstroom naar het juiste niveau van onderwijs met eventuele benodigde hulp. Als samenwerkingsverbanden passend onderwijs, lokale infrastructuur, specialistische partijen en de Gecertificeerde Instellingen (GI’s) goede afspraken maken over de verbinding en elkaars expertise versterken kan overal een passende match in hulpverlening ontstaan.
2.7 Ondersteunen huisarts in de vraagverheldering en verwijzing Huisartsen en jeugdartsen hebben de wettelijke taak om te verwijzen en bepalen op onderdelen een belangrijk deel van het volume aan doorverwijzingen. We streven naar meer preventie en eerstelijnszorg en passende doorverwijzingen. We delen met de huisartsen en jeugdartsen de wens om laagdrempelige hulp dicht bij de leefomgeving van gezinnen te organiseren. Daarom zetten we in op het ondersteunen van huisartsen en jeugdartsen bij de vraagverheldering.
Dit doen we bijvoorbeeld via de Praktijkondersteuner GGZ Jeugd (POH GGZ Jeugd) of een vast aanspreekpunt voor de huisartsen in de lokale infrastructuur. Dit vraagt in veel gevallen om afstemming tussen de huisarts, de jeugdarts van het CJG en het lokale team. Belangrijk daarbij is dat het lokale team een vanzelfsprekende plek is waar de huisarts terecht kan als er zaken spelen die samenhangen met het sociaal domein, zoals opvoedondersteuning, schuldhulp en GGZ. Hiervoor is het noodzakelijk dat het lokale- of sociale team gezien wordt en functioneert als een gelijkwaardige partner van de huisarts. Iedere gemeente maakt, passend bij de lokale context en de manier waarop huisartsen zijn georganiseerd, afspraken over de samenwerking met de huisarts en de jeugdarts. Daarbij geldt als uitgangspunt dat iedere gemeente investeert in een duurzame werkrelatie met de huisartsen, met aandacht voor expertise, uitwisseling van ervaringen en onderling vertrouwen.
Pagina 13 van 25
2.8 Een brede benadering van veiligheid Veiligheid vormt een belangrijk en onlosmakelijk onderdeel van het werk van de lokale teams. De lokale infrastructuur heeft als taak om huiselijk geweld en kindermishandeling te signaleren en bespreekbaar te maken, zorg- en/of hulpverlening in te zetten om de risicofactoren van huiselijk geweld en kindermishandeling weg te nemen en zorg- en/of hulpverlening gericht op herstel van de gevolgen van het geweld in gang te zetten.5 Daarnaast is de veiligheidstaak van de lokale infrastructuur gericht op voorkomen van jeugdcriminaliteit.
Om invulling aan die taken te geven is het noodzakelijk dat in de lokale infrastructuur – vaak het lokale team of het wijkteam – voldoende expertise aanwezig is en dat in de werkzaamheden de risico’s van huiselijk geweld en kindermishandeling steeds worden meegewogen. Dat geldt ook voor de signalerende en verwijzende rol van bijvoorbeeld leerkrachten en intern begeleiders in het onderwijs conform het landelijke protocol kindermishandeling. Lokale hulpverleners moeten goed toegerust zijn om geweld en veiligheidsvraagstukken aan te kaarten en een veiligheid- en hulpverleningsplan te maken en de meldcode toe te passen. En het betekent dat lokale hulpverleners moeten blijven monitoren. De vraag die daarbij altijd gesteld moet worden: stopt het geweld echt? Veiligheid is daarom een integraal onderdeel van het werken in de lokale infrastructuur. De blik van het lokale team is breed. Naast het herkennen van signalen van acute of structurele onveiligheid gaat het om het leggen van verbanden met onderdelen van het sociale domein, bijvoorbeeld door de relatie te leggen met werk en inkomen en schulden en veiligheid of de woonsituatie te betrekken in de analyse. Dat vraagt om een benadering gericht op het hele gezin: soms ligt de oplossing van het veiligheidsprobleem in een aanpak gericht op volwassenen.
Waar problemen met veiligheid dat vragen, kunnen medewerkers in de lokale infrastructuur consultatie en advies op het vlak van veiligheid inzetten. Concreet gaat dit om kennis uit het veiligheidsdomein, het strafrecht of de (wijk)politie, de specialistische hulpverlening of de GGZ. De inzet van consultatie en advies komt niet in de plaats van de verantwoordelijkheid van de lokale infrastructuur. Dit past in het streven om de samenwerking tussen het veiligheidsdomein en Sociaal Domein te versterken.
5
VNG: Werken aan Veiligheid voor lokale (wijk)teams en gemeenten, december 2019
Pagina 14 van 25
Bij situaties die – gezien aard, ernst en context, om aanvullende oplossingen – en aanvullende instrumenten vragen, is het van belang om vanuit verschillende invalshoeken af te wegen wat een passende oplossing is. Hierbij maken we altijd bewust de afweging tussen welzijn & gezondheid enerzijds en veiligheid anderzijds: de impact van bijvoorbeeld een onderzoek door Veilig Thuis of de Raad van de Kinderbescherming of het opleggen van een maatregel door een rechter is immers groot. Duidelijk is ook dat een onderzoek van de Raad van de Kinderbescherming of het opleggen van een maatregel in sommige gevallen nodig is. Daarnaast is het van belang om vanuit verschillende perspectieven een afweging te maken voor de beste oplossing en daarbij verschillende domeinen te betrekken. Dat vraagt om een bundeling van kennis vanuit het gezin, jeugdbescherming, onderwijs, strafrecht, veiligheid, bestuursrecht en de lokale situatie.
2.9
Betrokkenheid jongeren en gezinnen bij keuze en inzet hulp
“Toen ik voor de eerste keer bij een hulpverlener kwam, vulde zij voor mij in wat ik nodig had. Ze vroeg me niks. En dat gebeurde alle daaropvolgende keren ook. Ik wilde dat ik mijn ei kwijt kon. Dat vond ik het allerbelangrijkste. En dat mij gevraagd werd, wat ik nodig had. Dat er interesse werd getoond in mij.” Jongeren en gezinnen weten in veel gevallen goed wat zij nodig hebben en welke hulp voor hen wel werkt en niet werkt. Om de ervaringen van jongeren te kunnen betrekken in de keuze voor de hulp zetten we met deze visie in op een versteviging van de vraagverheldering. Het uitgangspunt is dat we naar jongeren luisteren en interesse tonen. We zorgen voor een goede casusregie, zodat jongeren en gezinnen weten waar ze aan toe zijn en weten waar zij terecht kunnen met vragen. Betrokkenheid van jongeren en gezinnen borgen we daarnaast door afspraken te maken over de wijze waarop we jongeren en gezinnen betrekken bij de inzet van hulp. We spreken af dat elke gemeente een plan maakt voor de manier waarop zij jongeren en gezinnen betrekt in de keuze voorde hulpverlening.
Pagina 15 van 25
2.10 Afspraken
Gemeenten en aanbieders spreken met elkaar af: • Hun lokale infrastructuren langs de hierboven beschreven bouwblokken verder te ontwikkelen, daar ook onderling over in gesprek te gaan en daar gezamenlijke ontwikkeling op richten. Zie ook hoofdstuk 4: Samen leren wat werkt. • Jongeren vanaf 12 jaar en gezinnen een stevige rol te geven in de keuze voor de in te zetten hulp. • Dat zij de ambitie uitspreken om in 2025 daardoor meer vraagstukken in de lokale infrastructuur, met lokale voorzieningen en inzet van consultatie en advies kunnen oplossen. Het resultaat daarvan is: meer kinderen groeien kansrijk, gezond en veilig op door minder hulp, lichtere hulp en beheersing van kosten. • Dat zij zich inspannen om de verbinding met de (aan)sluitende regionale infrastructuur te versterken. Met als indicatoren: betere verwijzingen, meer grip op kosten en kwaliteit en een afname van de hindernissen bij afschalen.
Pagina 16 van 25
3
EEN (AAN)SLUITENDE REGIONALE INFRASTRUCTUUR
Met een (aan)sluitende regionale infrastructuur bedoelen we twee dingen. Ten eerste gaat het om de verbinding tussen de lokale en regionale infrastructuur. De regionale infrastructuur moet naadloos aansluiten op de lokale infrastructuur. (Aan)sluitend betekent, ten tweede, dat de deelnemende gemeenten de beschikbaarheid van deskundige jeugdhulp voor hoog-complexe zorg kunnen garanderen. De kracht van de regio Rijnmond ligt in de omvang die het mogelijk maakt complexe hulp in te kopen. Een (aan)sluitende regionale infrastructuur bestaat uit 5 bouwstenen Bouwsteen 10: Bouwsteen 11: Bouwsteen 12: Bouwsteen 13: Bouwsteen 14:
Ontwikkelen expertisenetwerken Zorgvuldige afweging lokale en regionale inkoop ambulante hulpverlening en specialistische hulp Inzet op pleegzorg als voorkeursvorm voor verblijf Residentiële zorg en langdurig verblijf altijd met beschikbaarheid van begeleiding Een eenduidige benadering, vereenvoudiging en helderheid over casusregie bij veiligheid
3.1
Expertisenetwerken als doorontwikkeling van de Zorgbemiddelingstafels De zorgbemiddelingstafels willen we samen met de zorgaanbieders, de gemeenten en de partners vanuit Veiligheid doorontwikkelen naar een onafhankelijk expertiseteam. Het expertiseteam kijkt met een integrale blik en bundelt kennis vanuit in ieder geval: jeugdhulp, GGZ, LvB, sociaal domein en veiligheid.
Het expertiseteam heeft de volgende functies: • Achtervang en klankbord. Zij fungeren als achtervang en klankbord in (zeer) complexe gevallen waarin de gemeenten behoefte heeft aan een ‘second opinion’ dan wel een toets vanuit een bepaalde expertise, in die gevallen waar een vorm van verblijf wordt voorgesteld om – met aanbieders - een toets te doen of er nog alternatieven mogelijk zijn die minder ingrijpend zijn. Daarbij kunnen regionale expertisenetwerken, indien dit nodig is, bovenregionale expertisenetwerk inzetten. Dit bovenregionale netwerk is bedoeld voor zeer complexe jongeren en gezinnen. • Capaciteit. Zij hebben zicht op de beschikbare capaciteit en de mogelijkheden om die het beste in te zetten. • Leren en ontwikkelen. Zij vormen een platform gericht op leren en ontwikkelen (zie ook hoofdstuk 4).
Pagina 17 van 25
3.2
Zorgvuldige afweging inkoop ambulante hulpverlening en specialistische hulp
Het is nodig om een goede afweging te maken tussen de lokaal- en regionaal ingekochte ambulante- specialistische hulpverlening. Voordeel van lokaal inkopen is dat dit aansluit bij de overige lokaal ingekochte hulp en daarmee de ambitie versterkt om inzet van hulp te normaliseren en in de context van het sociaal domein in te zetten. Aan de andere kant gaat het bij de regionale inkoop van ambulante specialistische hulpverlening vaak om schaarse expertise en -problematiek. Het is vanuit die optiek wenselijk om deze hulp regionaal in te kopen om voldoende kwaliteit en volume te realiseren, en (ook op termijn) de beschikbaarheid van deze schaarse kennis voor de regio te garanderen. In de keuzen voor de inkoop van ambulante hulpverlening hanteren we een driedeling: • Ambulante hulp die past in de lokale infrastructuur, die dicht ligt tegen de overige onderdelen van de lokale inkoop en het sociale domein, kopen we lokaal in. • Ambulante hulp die specialistisch is en waarbij de koppeling met specialistische kennis en het (op termijn) borgen van die kennis van belang is, kopen we regionaal in. • Ambulante hulp die, als dat nodig is, ingezet wordt bij verblijf (zie ook § 3.3 en § 3.4) kopen we eveneens regionaal in. Omdat daarmee de koppeling tussen verblijf en de inzet van ambulante hulp makkelijk te maken is.
3.3 Inzet op pleegzorg als voorkeursvorm voor verblijf Van alle vormen van verblijf (pleegzorg, residentieel en langdurig verblijf) is pleegzorg de beste optie. Nog steeds geldt daar dat alleen pleegzorg aan de orde is, als ambulante inspanningen in het oorspronkelijke gezin niet het gewenste resultaat hebben. Pleegzorg is de ‘second best’ optie. Het is ons streven om bij de inzet van pleegzorg rekening te houden met de identiteit van een kind.
Bij de keuze voor pleegzorg heeft in principe de inzet van de netwerk-pleegzorg en deeltijd- pleegzorg de voorkeur boven voltijds pleegzorg. In principe, want uiteindelijk is het van belang om een keuze te maken, die het beste past bij de situatie van een kind. Voor een geslaagde plaatsing en voor de continuïteit van een pleegzorgplek is de beschikbaarheid van ambulante hulpverlening cruciaal. Daarom is het noodzakelijk dat we bij elke pleegzorgplaatsing direct ambulante hulpverlening en pleegzorgbegeleiding beschikbaar hebben. Dat hoeft niet te betekenen dat we die hulp altijd inzetten. Maar de ambitie is dat geen pleegzorgplek in gevaar komt door een gebrek aan begeleiding. Dat kan vragen om inzet van ambulante hulpverlening,
Pagina 18 van 25
of pleegzorgbegeleiding, maar ook om hulp uit de Wmo, zoals bijvoorbeeld hulp in het huishouden. Dit is eveneens aan de orde bij voogdij. Als gekozen wordt voor een uithuisplaatsing is het pleeggezin de nieuwe woonomgeving voor het kind. Het streven is in principe om die nieuwe woonomgeving dichtbij de oude te realiseren. Daarmee kan de band met ouder(s), broers/zussen, school, sport en buurt worden gecontinueerd. Ook dit vraagt altijd om een persoonlijke afweging: er zijn ook situaties waarin juist afstand van de oorspronkelijke omgeving en het oorspronkelijke gezin gewenst is. Als er geen pleegzorggezinnen in de nabijheid zijn, kunnen gezinshuizen een goed alternatief vormen voor pleegzorg. Zeker gezien het gebrek aan pleegouders in de stedelijke gebieden is dit relevant. Speciale aandacht is nodig voor pleegzorg in de leeftijdscategorie 14 jaar tot 23 jaar. Nu wordt dit weinig ingezet voor deze leeftijdsgroep, terwijl pleegzorg voor een deel van deze jongeren een goed alternatief vormt voor langdurig verblijf. 3.4
Residentiële zorg en langdurig verblijf altijd met beschikbaarheid van begeleiding Belangrijke ambitie in deze visie is om problemen zoveel mogelijk in de gewone leefomgeving en samen met jongeren en gezinnen op te lossen. Maar soms komt het voor dat jongeren nog niet of niet meer kunnen functioneren in de warme relaties van een gezin of pleeggezin/gezinshuis. Bijvoorbeeld door onderliggende trauma’s en hechtingsstoornissen.
Voor deze jongeren is kwalitatief goede residentiele zorg de beste zorg die er is. Daarbij is het van belang dat residentiele zorg op meerdere plekken en nabij beschikbaar is. Het streven is om de residentiële zorg geografisch zoveel mogelijk in de oorspronkelijke woonomgeving van een jongere te realiseren. De haalbaarheid daarvan is afhankelijk van de afweging tussen volume en kwaliteit & kosten. Residentiële zorg is altijd gekoppeld aan ambulante hulpverlening en begeleiding. Het gaat niet om een bed, maar het is een bed met de beschikbaarheid van behandeling. Die behandeling moet altijd beschikbaar zijn, ook buiten kantooruren. Gezien de tijdelijkheid en het gegeven dat jongeren maar kort worden opgenomen, is de casusregisseur van het lokale team intensief betrokken en streven we ernaar om de band met de school te behouden. Soms hebben overplaatsingen en onduidelijkheid over het te volgen traject als effect dat deze kinderen langere periodes minder of geen onderwijs krijgen of onnodig en vaak van school moeten wisselen. Dit terwijl het onderwijs juist voor deze kinderen belangrijk is voor hun verdere ontwikkeling.
Pagina 19 van 25
Om residentiele zorg niet langer te laten duren dan nodig, is het van belang dat er in de capaciteit voldoende mogelijkheden zijn om door te stromen (af te schalen) en dat de financiering gericht is op een kortdurende opname. In de aanpak spreken we daarvoor af dat we voor elke jongere zo snel mogelijk na start van de residentiële zorg een perspectiefbepaling maken: is het perspectief terugkeer in de gewone thuissituatie of moet een nieuwe thuissituatie worden gevonden? Daarbij is speciale aandacht voor jongeren vanaf 16 jaar nodig. Zij lopen een relatief groot risico dat zij na plaatsing in een residentiele setting niet meer teruggeplaatst worden in het gezin of een gezinsvervangende voorziening. Voor hen is het belangrijk dat er ook voldoende voorzieningen voor begeleid- of beschermd wonen beschikbaar zijn. Jongeren in langdurig verblijf zoals residentiele zorg zijn gebaat bij een vaste begeleider, die ze goed kennen en vertrouwen. De JIM aanpak – waarin een jongeren een vaste mentor zelf mag kiezen - is hier een goed voorbeeld van. Het is voor een succesvolle stap naar volwassenheid nodig dat deze vaste begeleiding – juist als er veel verandert – de stabiele factor is.
3.5
Een eenduidige benadering, vereenvoudiging en helderheid over casusregie bij veiligheid
Een eenduidige inhoudelijke benadering De inzet van de jeugdbeschermingsketen (Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming en GI) moet nauw aansluiten bij de lokale werkwijze en de behoefte van het gezin. Die aansluiting gaat in de eerste plaats om de inhoud: de integrale werkwijze die uitgaat van een brede blik en een gezinsgerichte benadering van veiligheid. Deze werkwijze zet in op duurzaam herstel van veiligheid en moet naadloos op elkaar aansluiten. Dit doen we door de gefaseerde ketenzorg benadering toe te passen. Belangrijke ingrediënten daarin zijn dat: • Het hele huishouden van belang is voor het herstel van veiligheid • Dat het van belang is om altijd eerst te werken aan de directe veiligheid en… • …dat veiligheid en herstel een kwestie is van lange adem en dat gezorgd moet worden voor structurele verbetering door in te zetten op bescherming, praktische hulp, ondersteuning van de opvoedingssituatie, aanpakken van in standhoudende risicofactoren en behandeling van de problematiek van alle leden van het gezin.
Pagina 20 van 25
Een vereenvoudigde jeugdbeschermingsketen Een tweede belangrijke voorwaarde voor een goede aansluiting van de veiligheidsketen op de lokale infrastructuur is een vereenvoudigde inrichting van de kind- en gezinsbeschermingsketen. Dit is hard nodig, want de huidige jeugdbeschermingsketen is complex, werkwijzen van de betrokken organisaties sluiten niet goed op elkaar aan en leiden tot onduidelijkheid bij ouders. Ook is er overlap van taken en een lange keten tussen wijkteam, Veilig Thuis en Raad voor de Kinderbescherming, gecertificeerde instelling en rechtsspraak. Landelijk wordt er gewerkt om met uitvoeringspartijen, departementen, gemeenten, cliënten, burgers, toezichthouders, wetenschap en andere kennisdragers te komen tot een toekomstscenario van een nieuwe, vereenvoudigde, inrichting voor de Nederlandse jeugd- en gezinsbescherming waarbij de GGZ ook een nadrukkelijke rol krijgt. De vereenvoudiging heeft tot doel dat kinderen en gezinnen, waar een veelvoud van factoren heeft geleid tot onveiligheid die het ontwikkelperspectief van de kinderen bedreigt, tijdig de juiste hulp en ondersteuning of zorg ontvangen. De Jeugdhulpregio Rijnmond behoudt daarbij de ruimte om te sturen op de vertaling van het landelijke toekomstscenario naar de specifieke kenmerken van onze diverse inwonerspopulatie.
Goede afspraken over casusregie en betrokkenheid lokale team Een derde aspect van veiligheid betreft de wens om goede afspraken te maken over de casusregie en betrokkenheid van het lokale team. Daar spreken we het volgende over af: • indien er sprake is van vrijwillige hulpverlening (waaronder intensieve hulpverlening) is de lokale infrastructuur in principe verantwoordelijk voor de casusregie. De medewerker van het lokale- of het wijkteam is de casusregisseur. Dit sluit aan bij de constatering dat veiligheid een integraal onderdeel uitmaakt van de lokale infrastructuur. Veilig thuis of de GI kunnen hier ook op verzoek consultatie en advies geven; • in die gevallen waarin er sprake is van acute vermoedens van ernstig specifiek geweld, zoals vermoedens van eerdreiging, schadelijke traditionele praktijken, toegebracht letsel, seksueel misbruik of dat de politie een melding doet, komt de melding bij Veilig Thuis. In dat geval staat het zo snel mogelijk herstellen van de veiligheid van een kind en gezin voorop. Veilig thuis gaat daarna zo spoedig mogelijk in gesprek met de lokale infrastructuur over de casus. Daarbij worden afspraken gemaakt over: o wie aanspreekpunt voor het gezin is; o wie, samen met gezin en te betrekken/betrokken hulpverleners een plan voor het hele gezin opstelt (en zorgt dat het plan op de ‘koelkast’ komt te hangen);
Pagina 21 van 25
o
•
wie bewaakt dat dit het plan wordt gerealiseerd (hulp activeren, opvolgen, evalueren, bijstellen);
indien er sprake is van ondertoezichtstelling bij jeugdbescherming of jeugdreclassering, komt de casusregie, op basis van de Jeugdwet, bij de GI te liggen. De verantwoordelijkheid voor de casusregie tijdens de maatregel komt dan ook bij de GI te liggen.
De betrokkenheid van de GI of Veilig Thuis, betekent niet dat de betrokkenheid van de lokale infrastructuur ophoudt. Integendeel. Die betrokkenheid is nodig om te blijven werken aan duurzame veiligheid en risicofactoren in het hele gezin en die is nodig om terugkeer in het normale bestaan te begeleiden en te bewaken dat veiligheid duurzaam wordt hersteld. 3.6 Afspraken Gemeenten en aanbieders spreken met elkaar af: • De Zorgbemiddelingstafels verder te ontwikkelen in de vorm van (sub-) regionale en bovenregionale expertisenetwerken. • Ambulante hulpverlening lokaal in te kopen als dat beter past bij de lokale infrastructuur, inkoop en het sociale domein. Ambulante hulpverlening regionaal in te kopen als dat past bij het specialisme en het behoud ervan. En ambulante hulpverlening regionaal in te kopen om de inzet in combinatie met verblijf, indien nodig, soepel te kunnen regelen. • In te zetten op toename van pleegzorg en gezinshuizen ten opzichte van residentiele zorg. Met als resultaat een andere verhouding en een toename van 30 procent van pleegzorg en gezinshuizen ten opzichte van residentiële zorg. • Voor alle vormen van verblijf als voorwaarde te stellen dat er in het aanbod altijd een koppeling met (ambulante) ondersteuning mogelijk is.
o voor pleegzorg omdat dit bijdraagt aan een succesvolle plaatsing en continuïteit; o voor residentieel geldt dat we nooit alleen een bed inzetten. Het is (tijdelijk) een bed met de beschikbaarheid van ambulante ondersteuning; o bij langdurig verblijf moet ondersteuning beschikbaar zijn om terugval te voorkomen. • De regionale veiligheidsketen te vereenvoudigen en aan te laten sluiten op de lokale infrastructuur. Duidelijke afspraken te maken over casusregie en betrokkenheid van het lokale team.
Pagina 22 van 25
4
SAMEN LEREN WAT WERKT
Jeugdhulp is complex en de ontwikkelingen wat betreft methoden en de manier waarop de hulp is georganiseerd staan niet stil. We willen werken aan een stelsel dat in staat is om verder vorm en inhoud te geven aan de innovatie van de jeugdhulp en dat nieuwe ontwikkelingen vertaalt naar de uitvoering. Dit kan alleen als gemeenten en aanbieders samenwerken. Daarom gaan we als opdrachtgevers en aanbieders het partnerschap verder ontwikkelen. We leggen dit vast in contracten, die wat betreft werkwijze en aanbod en volume tussentijdse wijziging en aanpassing mogelijk maken. We nemen in de contracten met aanbieders leren en ontwikkelen als belangrijke pijler op. Gemeenten en aanbieders gaan zo werken aan een jeugdhulpstelsel, waarin ontwikkeling en verbetering een belangrijke plaats heeft. We zetten in op: Bouwsteen 15: Bouwsteen 16: Bouwsteen 17: Bouwsteen 18: Bouwsteen 19:
4.1
Eenduidig gebruik indicatoren, transparantie Onderzoek naar effectieve hulp Creëren van experimenteerruimte Leren en ontwikkelen samen met kinderen en gezinnen Belangenbehartiging
Eenduidig gebruik indicatoren, transparantie
Om samen te leren is het noodzakelijk dat gemeenten en aanbieders indicatoren eenduidig gebruiken en transparant zijn. Zicht op vraag, aanbod, cliëntstromen en eventuele opstoppingen in de keten zijn noodzakelijk om te sturen. Daarin bestaat een stevige samenhang tussen de vraag en de lokale capaciteit (een sterke lokale infrastructuur) en de regionale capaciteit (specialistische hulp en ondersteuning). Een belangrijke doelstelling is om meer zicht te krijgen op de volumes en de samenhang tussen de verschillende vormen van jeugdhulp en het lokale aanbod versus de regionaal ingekochte hulp. Daarmee kunnen we een beter gefundeerd gesprek voeren. Bijvoorbeeld over de kostenstijging en de wijze waarop we deze – in een gedeelde en onderbouwde analyse – kunnen verklaren. Of over de oorzaken en de omvang van de wachtlijsten.
4.2
Onderzoek naar effectieve hulp
Samen ontwikkelen gemeenten en aanbieders het zorglandschap. We stellen ons daarbij – met het factorenmodel6 van het Nederlands Jeugdinstituut (hierna NJI) als ondersteuning - steeds de vraag of het beter kan. We kijken met het factorenmodel naar de hulp die we inzetten en stellen ons steeds vragen: wat werkt? Wat werkt niet en wat betekent dit voor ons aanbod? We onderschrijven het motto “Samen leren, lerend doen wat werkt”. Het gesprek over ontwikkeling van de jeugdhulp vindt plaats op basis van een set van indicatoren, die informatie geeft over de effectiviteit van interventies. In dit onderzoek betrekken we het NJI, de wetenschap en de academische werkplaats Rotterdam. Dit vraagt ook om inzicht in trends, bijvoorbeeld in de effectieve aanpakken, demografie, ontwikkeling van problematieken en ervaringen die elders worden opgedaan. Belangrijk thema in de verdere ontwikkeling van effectieve hulp is het oplossen van wachtlijsten. Alle gemeenten en aanbieders hebben de wens en ambitie om een einde aan de wachtlijsten te maken. Echter om effectieve maatregelen te nemen is het van belang om een goed en gedeeld beeld te hebben van de oorzaken en oplossingen van de wachtlijsten op verschillende plekken in het systeem. In dit kader wordt ook de Monitor Kind in de Keten verder ontwikkeld. 4.3 Experimenteerruimte Samen lerend doen wat werkt vraagt ook ruimte om te experimenteren.
Bijvoorbeeld waar het gaat om het op een beperkte schaal toepassen van vernieuwende methodes of het experimenteren met alternatieve, lokale of subregionale, inkoopmodellen.
Belangrijk bij het experimenteren is dat het gaat om het toetsen van nieuwe inzichten die relevant kunnen zijn voor de hele regio. Daarom geldt dat we bij experimenten altijd afspreken: • welke (onderzoeks)vraag of vragen eraan ten grondslag ligt, waarom het experiment anders is en wat ervan geleerd kan worden; • op welke wijze en binnen welke termijn het experiment wordt geëvalueerd of wordt gekeken naar de effectiviteit; • welke vervolgstappen daaruit volgen voor aanpak in de hele regio.
6
Zie ook: Nederlands Jeugdinstituut, 2017, Samen lerend doen wat werkt, Een nieuwe kijk op evidence-based practice in zorg en welzijn voor jeugdigen en gezinnen.
Pagina 24 van 25
4.4
Leren en ontwikkelen samen met kinderen en gezinnen
We betrekken kinderen en ouders bij het leren en ontwikkelen. Hun perspectieven, wensen en ideeën zijn cruciaal om resultaten te kunnen boeken. Wij stellen ons daarom ten doel om de inspraak van kinderen en hun gezinnen laagdrempelig, intensief en frequent te organiseren. Dit gebeurt onder andere in cliëntenraden van de aanbieders en adviescommissies van gemeenten. De komende jaren gaan we vanuit de Stuurgroep Transformatie brede participatiebijeenkomsten in de regio en subregio’s organiseren gericht op innovatie van de jeugdhulp. Zo creëren wij met de kinderen en hun gezin een doorlopend gesprek op gelijke ooghoogte en een stevige verbinding met de stuurgroep en het transformatieproces in de regio. Kinderen en gezinnen vormen zo, als het ware, de ring om de stuurgroep transformatie. Dit betekent concreet dat we in de regio jongeren en gezinnen betrekken in het kader van leren en verbeteren bij: • analyses van de huidige stand van zaken; • het kiezen en uitvoeren van verbetermaatregelen; • het meten van voortgang en resultaten; • het verspreiden en vasthouden van resultaten. 4.5 Belangenbehartiging Het is voor de 15 gemeenten nodig om hun belangenbehartiging, als grootste jeugdregio van Nederland, te verstevigen. Het gaat om de belangenbehartiging bij de VNG, de ministeries, maar ook zorgverzekeraars en andere strategische samenwerkingspartners.
De kracht van de samenwerking van 15 gemeenten en de omvang van de regio kan en moet verschil maken. 4.6 Afspraken Gemeenten en aanbieders spreken met elkaar af: • Als partners de komende jaren te werken aan een jeugdhulpstelsel waarin ontwikkeling en verbetering een belangrijke plaats heeft. • Te gaan werken met een eenduidige set van indicatoren en daarbij transparant te zijn over resultaten. • Daarbij in te zetten op onderzoeken naar effectieve hulp en gebruik te maken van het factorenmodel en de nieuwste (wetenschappelijke) inzichten. • Experimenteerruimte te bieden om vernieuwing te toetsen en te meten wat effectief is. • Kinderen en gezinnen intensief te betrekken bij de ontwikkeling van het stelsel: altijd de vraag te stellen hoe kinderen en gezinnen de hulp ervaren. • Belangenbehartiging vanuit de regio beter te organiseren.
Pagina 25 van 25