CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

06.03 - Bijlage - Financiële verordening Capelle aan den IJssel 2022

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen 14 februari 2022, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Financiële verordening gemeente Capelle aan den IJssel 202211.785 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Financiële Verordening Capelle aan den IJssel 2022 Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling

Organisatie Organisatietype

Capelle aan den IJssel Gemeente

Officiële naam regeling

Financiële verordening Capelle aan den IJssel 2022

Citeertitel

Financiële verordening Capelle aan den IJssel 2022

Vastgesteld door

gemeenteraad

Onderwerp

financiën en economie

Eigen onderwerp

Financiën en economie

Opmerkingen met betrekking tot de regeling Deze verordening vervangt de Financiële verordening Capelle aan den IJssel 2020

De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 212 van de Gemeentewet; gezien het advies van de Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen; besluit vast te stellen de volgende verordening: Financiële verordening Capelle aan den IJssel 2022

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling • • •

• • •

In deze verordening wordt verstaan onder: 1. Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. 2. Afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college, waarbij de griffie ook wordt aangemerkt als afdeling zonder verantwoordelijkheid aan het college. 3. Overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt. 4. Onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting: verschil tussen de opbrengst onroerende zaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerende zaakbelasting. 5.

Debt Service Coverage Ratio: een financiële ratio die een indicatie geeft van de mate waarin schuldverplichtingen (rente en aflossing) gedekt kunnen worden uit de beschikbare cashflow (ook wel EBITDA genoemd). 6. Afschrijvingsratio: een financiële ratio die het relatieve aandeel van afschrijvingslasten ten opzichte van de totale lasten in kaart brengt. De ratio wordt als volgt berekend: afschrijvingslasten / totale lasten voor mutaties reserves.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording Artikel 2. Programma-indeling • • •

1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast. 2. De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 3. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. In uitzonderlijke situaties kan er tussentijds tot een extra paragraaf worden besloten.

Artikel 3. Inrichting begroting, tussentijdse rapportages en jaarstukken • •

•

•

1. Bij de Begroting en de Jaarstukken worden onder elk van de programma’s, de baten en lasten per programma weergegeven. 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de Begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven. 3. In de Jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en het verschil tussen raming en realisatie weergegeven. Aanvullend wordt in de tussenrapportages naast deze informatie ook een prognose van de verwachte uitgaven opgenomen op einde looptijd van de investering. 4. In de jaarstukken wordt een overzicht opgenomen met betrekking tot de eventuele begrotingsonrechtmatigheden. Uitgangspunt hierbij is dat iedere kostenoverschrijding onrechtmatig is, maar niet in alle gevallen hoeven te worden toegelicht in de rechtmatigheidsverantwoording: a) De kostenoverschrijding geheel of grotendeels worden gecompenseerd door direct gerelateerde opbrengsten, bijvoorbeeld via subsidies of kostendekkende omzet; b) De kostenoverschrijding een open einde (subsidie)regelingen betreft.

Vaak blijkt vanwege dit open karakter in het kader van het opmaken van de jaarrekening een (niet eerder geconstateerde) overschrijding; c) De kostenoverschrijding geconstateerd wordt na het verantwoordingsjaar betreffende activiteiten welke achteraf als onrechtmatig moeten worden beschouwd omdat dit bijvoorbeeld bij nader onderzoek van de subsidieverstrekker, belastingdienst of een toezichthouder blijkt (bijvoorbeeld een belastingnaheffing).

1

• •

• •

Het zal hier in de praktijk vaak gaan om interpretatieverschillen bij de uitleg van wet- en regelgeving die na het verantwoordingsjaar aan het licht komen; d) De kostenoverschrijding op het (deel)programma kleiner is dan de in artikel 5 lid 7 opgenomen rapportagegrens; e) De kostenoverschrijding past binnen het door de gemeenteraad geaccordeerde beleid. Het gaat dan om: 1. Faillissement debiteur/vorderingen die niet meer geïnd kunnen worden; 2. Wijzigingen landelijke wet- en regelgeving met financiële consequenties; 3. Aanpassingen algemene uitkering gemeentefonds; 4. Uitgaven van gemeenschappelijke regelingen/verbonden partijen; 5. Renteontwikkelingen; 6. Noodzakelijke afwaardering onroerend goed door marktomstandigheden; 7. Uitgaven die naar hun aard onvoorzien, onvermijdbaar en onuitstelbaar zijn. 5. Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste drie maanden en de eerste acht maanden van het lopende boekjaar. Dit gebeurt als onderdeel van de Voorjaarsnota en de Najaarsnota. 6. De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van: a. de baten en de lasten per programma; b. het totale saldo van de baten en lasten volgend uit onderdeel a; c.

de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma; d. het resultaat, volgend uit de onderdelen b en c; en e. de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten, het verschil tussen raming en realisatie en de prognose op einde looptijd. 7. In de Begroting en de tussentijdse rapportages Voor- en Najaarsnota geeft het college inzicht in de ontwikkeling van de meerjarenraming per programma. De meerjarenbegroting bestaat uit het huidige begrotingsjaar, alsook de zeven jaren erna. 8. In aanvulling op het bepaalde in artikel 19c,23b en 28c van het Besluit begroting en verantwoording over incidentele baten en lasten wordt een rapportagegrens van € 100.000 gehanteerd. Deze grens geldt niet voor mutaties aan reserves en de lasten en baten gerelateerd aan deze mutaties.

Artikel 4. Kaders begroting •

•

•

1. Het college biedt in de eerste helft van het begrotingsjaar aan de raad een Voorjaarsnota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. Ook mutaties in het beleid en de financiën van het lopende begrotingsjaar worden hierin opgenomen. De raad stelt uiterlijk in zijn laatste vergadering voor het zomerreces deze Voorjaarsnota vast. 2. Het college biedt in de tweede helft van het begrotingsjaar aan de raad een Najaarsnota aan met een voorstel voor wijzigingen van het beleid en de financiële kaders van de Begroting en de meerjarenraming. De raad stelt uiterlijk in zijn laatste vergadering van het begrotingsjaar deze Najaarsnota vast. 3. In de begroting wordt een post onvoorzien van circa € 0,50 per inwoner opgenomen.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten •

• •

•

1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma. Wettelijk gezien stelt de raad alleen het eerste jaar van de begroting vast, conform artikel 190 lid 1 Gemeentewet, en niet de zeven jaren van de meerjarenraming daarna. Echter, de meerjarenraming vormt wel telkens het startpunt van de nieuw te maken begroting en valt als zodanig onder de begrotingsautorisatie van de raad. 2. In afwijking van het eerste lid kan de raad bij de programma-indeling deelprogramma’s vaststellen waarbij de autorisatie van de baten en lasten plaatsvindt op het niveau van het deelprogramma. 3. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. 4. Het college informeert de raad als ze verwacht, dat de lasten van een programma of deelprogramma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden met meer dan € 250.000, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden met meer dan € 250.000, of de baten van een programma of deelprogramma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden met meer dan € 250.000.

De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma of deelprogramma, voor het wijzigen van het

2

• • • •

•

• • •

geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid. Daarnaast zal bij voorzienbare prijsstijgingen van toekomstige nationale en Europese aanbestedingen groter is dan 100.000 of 25% van het beschikbare budget of krediet de raad geïnformeerd worden. 5. De bevoegdheid tot doen van uitgaven ten laste van de post Onvoorzien is aan het college gemandateerd. 6. Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten. 7. In de tussenrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van (deel)programma’s groter dan € 100.000 toegelicht. Voor nieuw beleid wordt een grens van € 25.000 gehanteerd. Tevens worden afwijkingen op de oorspronkelijke raming van investeringskredieten groter dan € 25.000 toegelicht. 8.

Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 2.500.000 informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente. 9. Bij meerjarige investeringskredieten levert overschrijding van een jaarschijf geen onrechtmatigheid op, zolang aannemelijk is dat het totaal van de uitgaven binnen het totaal gevoteerde investeringskrediet blijft. 10. Bij strategische verwerving van grondposities wordt afgeweken van de normale budgetautorisatie als bepaald in het eerste lid. In deze gevallen wordt de Nota Strategisch Verwerven nageleefd. 11. Elk jaar bij de Voorjaarsnota wordt er een nieuw jaar toegevoegd aan de meerjarenraming. Dit nieuwe laatste jaar is gelijk aan het oude laatste jaar bij de Najaarsnota.

Artikel 6. Informatieplicht •

1. Het college besluit niet over: a. het verstrekken van leningen of borgstellingen groter dan € 2.500.000; en b. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Artikel 7. EMU-saldo Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3. Financieel beleid Artikel 8. Waardering en afschrijving vaste activa • • •

1. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening. 2. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 3. Nadere afspraken over de wijze van activeren zijn gemaakt in de nota Vaste Activa.

Artikel 9. Voorziening voor oninbare vorderingen • •

1. Voor de vorderingen op verbonden partijen, derden en bijstandsverstrekking wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. 2. Voor openstaande vorderingen betreffende gemeentelijke belastingen en heffingen wordt, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan € 100.000, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid.

3

▪ ▪

▪

▪ ▪

▪ ▪

Artikel 10. Reserves en voorzieningen 1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats. 2. Het college biedt de raad een Nota Reserves, Voorzieningen, Risicomanagement en Weerstandsvermogen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandeld: a. de vorming en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen. 3. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven: a. het specifieke doel van de reserve; b. de voeding van de reserve; c. de maximale hoogte van de reserve; en d. de maximale looptijd. 4. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de Algemene reserve toegevoegd. 5. Het college verstrekt jaarlijks gelijktijdig met de in artikel 3 genoemde Voorjaarsnota informatie over de stand van zaken met betrekking tot reserves en voorzieningen. De Algemene reserve en de Bestemmingreserve eenmalige uitgaven vormen daarin een standaard onderdeel. Nadere informatie wordt bovendien bekend gemaakt in de Begroting, Najaarsnota en de Jaarstukken. 6.

Voor mutaties in de reserve éénmalig wordt een ondergrens van € 25.000 gehanteerd. 7. Budgetten die door de raad eenmalig beschikbaar zijn gesteld en die in enig jaar niet zijn besteed, maar voor het volgend beschikbaar moeten blijven, lopen via de Reserve eenmalige uitgaven.

Artikel 11. •

•

• •

•

• •

Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten in ieder geval ook betrokken: de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa. 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting extracomptabel bepaald en vervolgens toegerekend aan de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten. 4.

Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van de rioolheffing en afvalstoffenheffing is uitgegaan van het aandeel in de totale geraamde overheadkosten ter grootte van de geraamde personeelslasten die aan de rioolheffing en afvalstoffenheffing worden toegerekend, gedeeld door de totale geraamde personeelslasten van de taakvelden. 5. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt berekend door de aan de taakvelden toe te rekenen rente (in euro’s) te delen door de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die integraal is gefinancierd. De regels met betrekking tot rente worden in een Notitie rentebeleid vastgelegd. Deze notitie wordt minimaal eens per vier jaar geactualiseerd. 6. In afwijking van het vijfde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van een marktconforme rente. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico. 7. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de bestaande leningenportefeuille.

Artikel 12. Prijzen economische activiteiten •

•

1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd. 2. Bij het verstrekken van leningen of borgstellingen door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden de bepalingen uit de Verordening Leningverstrekking respectievelijk de Verordening Borgstellingen nageleefd.

4

•

•

3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd. 4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van: a. leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, borgstellingen en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid; b. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak; c. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden; d. een bevoordeling van sociale werkplaatsen; e. een bevoordeling van onderwijsinstellingen; f. een bevoordeling van publieke media-instellingen; en g. een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 13. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen • •

1. Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, heffingen, rechten en leges. 2. Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de kaders uit de nota vooraf een besluit voor aan de raad.

Artikel 14. Financieringsfunctie •

•

1. Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht: a. voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en b. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden. 2. Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van borgstellingen en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden.

Artikel 15. Rentebeleid • • • •

1. Het intern aan grondexploitaties toe te rekenen rentepercentage wordt berekend conform de geldende BBV Notitie Grondbeleid in de begroting en jaarstukken. 2. Bij een negatief saldo door te rekenen rente blijft het renteresultaat conform de geldende BBV op het taakveld treasury. Er wordt geen negatieve renteomslag (rentebate) toegerekend aan de taakvelden. 3. De kosten die de gemeente realiseert voor de activiteiten van de onderneming, moeten aan de onderneming worden toegerekend in het kader van de vennootschapsbelasting. 4. a. Conform het geldende BBV dient er met een renteomslag gewerkt te worden. Dit in verband met het toerekenen van rente aan de taakvelden. De basis hiervoor is de boekwaarde van de activa die bij de taakvelden hoort (door te berekenen rente gedeeld door totale activa maal 100%). b. De omslagrente mag maximaal 0,5% afwijken van het werkelijk rentepercentage wat toegerekend moet worden aan de taakvelden. c. De externe rentelasten over de korte en lange financiering worden op het taakveld treasury als last verantwoord. De externe rentebaten worden op het taakveld treasury als baat verantwoord. d. In de begroting bepalen we het renteomslagpercentage van het begrotingsjaar en de zeven daaropvolgende jaren. In de Najaarsnota, en eventueel in de Voorjaarsnota, actualiseren we deze berekening en vergelijken deze met de begroting.

Indien de afwijking groter is dan 25% herberekenen we het percentage en de toerekening aan de taakvelden.

Hoofdstuk 4. Paragrafen Artikel 16. Lokale heffingen

•

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid;

5

•

b. de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht.

Artikel 17. Financiering In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college tenminste de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 18. Weerstandsvermogen & risicobeheersing •

•

•

1. In de paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing bij de Begroting en de Jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de ontwikkeling van de Debt Service Coverage Ratio; b. de ontwikkeling van de afschrijvingslasten, in verhouding tot de totale lasten voor mutaties reserves (afschrijvingsratio). 2. Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de gemeente wordt aan de hand van het eigen vermogen (algemene reserves en bestemmingsreserves), de vrij te besteden (budget)ruimte, de ruimte voor onvoorziene uitgaven beoordeeld of deze een omvang heeft die voldoende is om de financiële gevolgen van de risico’s, als die zich voordoen af te kunnen dekken. 3. De raad stelt een Nota Reserves, Voorzieningen, Risicomanagement en Weerstandsvermogen vast.

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen •

•

•

• •

1. Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de voortgang van het geplande onderhoud; b. de omvang van het achterstallig onderhoud 2. Het college stelt ten minste eenmaal in de vijf jaar een Integraal beheerplan openbare ruimte en een Integraal projectenboek vast. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair en eveneens de normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt middels de Stedelijke Beheervisie de beleidskaders voor deze plannen vast. 3. Het college stelt ten minste eenmaal in de vijf jaar een (bijgesteld) Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) vast. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen, alsmede de kwaliteit van het milieu en eveneens de normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt middels de Stedelijke Beheervisie de beleidskaders voor dit plan vast. 4.

Het college biedt één keer in de vijf jaar de raad een Onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het plan vast. 5. De raad stelt een Nota Vaste Activa vast, met kaders over investeringen, activeren, waarderen en afschrijven.

Artikel 20. Bedrijfsvoering

• • • • •

In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. De omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten; b. De kosten van inhuur derden; c. De huisvestingskosten; d. De automatiseringskosten; e. De budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant; f. De nadere toelichting op de rechtmatigheidsverantwoording conform de actuele kadernota rechtmatigheid van de commissie BBV, met inachtneming van een rapportagegrens van € 250.000, met daarin:

6

a.

het totaal aan afwijkingen met betrekking tot het begrotingscriterium voor zover die (samen met eventuele andere financiële onrechtmatigheden) boven de door de raad in het normenkader vastgestelde grens uitkomen; b. het totaal aan afwijkingen met betrekking tot het voorwaardencriterium voor zover die (samen met eventuele andere financiële onrechtmatigheden) boven de door de raad in het normenkader vastgestelde grens uitkomen; c. het totaal aan afwijkingen met betrekking tot het misbruik en oneigenlijk gebruik criterium voor zover die (samen met eventuele andere financiële onrechtmatigheden) boven de door de raad in het normenkader vastgestelde grens uitkomen; d. een toelichting op de geconstateerde fraude van eigen medewerkers; g. De onder lid f genoemde onderdelen worden, waar nodig, voorzien van beheersmaatregelen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen; h. Een rapportage indien de normen uit de gids proportionaliteit veelvuldig niet nageleefd worden of slecht gedocumenteerd en/of gemotiveerd zijn; i. Een rapportage indien er niet-financiële onrechtmatigheden zijn in verband met het niet naleven van bepalingen in de wet Fido en bijbehorende Regelingen.

Artikel 21. Verbonden partijen

• • •

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. Bepalingen over de periodieke beoordeling of voortzetting van de deelname aan de verbonden partijen nog wenselijk is; b. Informatie over de jaarlijkse ontwikkelingen bij de verbonden partijen; c. In de Nota Verbonden Partijen zijn naast bovenstaande bepalingen uit lid a en lid b. ook andere kaders afgesproken zoals een Rapportage gewenste bestuurlijke betrokkenheid.

Artikel 22. Grondbeleid •

•

1. In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. het verloop van de grondvoorraad; b. de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten 2. Het college biedt de raad een Nota Grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan: a. de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente; b. te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten; c. het verloop van de grondvoorraad; d. de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 23. Administratie • • • • • •

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten, etc.; c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties; d. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; e. het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

7

Artikel 24. Financiële organisatie • • • •

• • • • •

Het college draagt zorgt voor: a. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen; b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d. Een Financieringsstatuut, in deze nota wordt het beleid van de gemeente Capelle aan den IJssel voorgelegd waarin onder meer de volgende inhoud is opgenomen: - De opzet en inrichting van de financieringsfunctie; - Het financieringsbeleid: missie, doelstellingen, taakvelden, richtlijnen en limieten; - De organisatie rondom de financiering: verantwoordelijkheden, bevoegdheden, administratieve organisatie, planning & control en informatievoorziening. e. de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; f. de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden; g. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; h. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en i.

het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 25. Interne controle •

•

• • •

1. Het college zorgt ervoor dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft en dat de baten, lasten en balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen, in overeenstemming met artikel 213 lid 3a en lid 3b van de Gemeentewet. Hiervoor zorgt het college voor jaarlijkse interne toetsing. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel. 2. Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. 3. De raad stelt een verantwoordingsgrens, inclusief rapportagegrens, vast voor de jaarlijkse rechtmatigheidsverantwoording van het college aan de raad. De Rechtmatigheids-verantwoording maakt deel uit van de paragraaf Bedrijfsvoering van het Jaarverslag. 4. Het college stelt ten minste eenmaal per 2 collegeperioden een Regeling Budgethouderschap vast, met kaders over de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor het budgetbeheer. 5.

Indien er gedurende het begrotingsjaar sprake is van een geconstateerde onrechtmatigheid groter dan € 500.000 per individueel geval, informeert het college de raad actief door middel van een collegebrief.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 26. • •

Intrekken oude verordening en overgangsrecht 1. De Financiële verordening gemeente Capelle aan den IJssel 2020 wordt ingetrokken. 2. Onverminderd het gestelde in lid 1 blijft de Financiële verordening gemeente Capelle aan den IJssel 2020 van toepassing op de Jaarrekening en het Jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt .

Artikel 27. • •

Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking; 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening Capelle aan den IJssel 2022.

8

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 9 Afschrijving vindt plaats met ingang van het jaar nadat de activa volledig zijn gerealiseerd. De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in: Categorie Kosten voor onderzoek en ontwikkeling Kosten vooragio of disagio

Afschrijvingstermijn 4 jaar 4 jaar

Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut Activa met economisch nut en een verkrijgingsprijs van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in: Categorie Subcategorie Afschrijvingstermijn Inventaris computer 4 jaar kantoorapparaten 5 jaar server 5 jaar software 4 jaar meubilair 10 jaar Materiaal

auto’s klein materiaal materiaal gladheidsbestrijding groot materiaal

5 jaar 5 jaar 8 jaar 10 jaar

Mobiliteitsvoorziening

rolstoelen scootmobielen

7 jaar 7 jaar

Sport

inrichting gymzalen, sporthallen toplaag tennisbanen toplaag sportvelden onderbouw plus sporttechnische laag accommodaties en gebouwen

10 jaar 10 jaar 10 jaar 30 jaar 40 jaar

Gebouwen

inrichting gebouwen noodlokalen semi-permanente gebouwen permanente gebouwen zonnepanelen technische installaties saneringswerken gemaal overig vervangen gemaal persleidingen

10 jaar 10 jaar 25 jaar 40 jaar 20 jaar 20 jaar 30 – 40 jaar 25 jaar 50 jaar 50 jaar

bovengrondse container ondergrondse container – binnenbak ondergrondse container – buitenbak

10 jaar 15 jaar 30 jaar

Riool

Afval

Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met maatschappelijk nut Vanaf 1 januari 2017 moeten investeringen met maatschappelijk nut verplicht worden geactiveerd en worden afgeschreven naar gelang de gebruiksduur. De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair afgeschreven in: Categorie Verkeersvoorzieningen Verkeersregelinstallatie

Subcategorie

Afschrijvingstermijn 15 jaar

9

Toelichting

Verhardingen Verharding

asfalt

15 – 30 jaar

Verharding

elementen

15 – 30 jaar

Verharding

overige

15 – 30 jaar

beton staal hout

90 jaar 50 jaar 25 – 40 jaar

boven water met dekdelen aan het water boven water met dekdelen aan het water hout

25 jaar

transparant staal granulaat beton hout metselwerk elementen beton hout staal met leuning beton beton beton staal

90 jaar 50 jaar 40 jaar 90 jaar 30 jaar 100 jaar 90 jaar 90 jaar 30 jaar 40 jaar 70 jaar 90 jaar 90 jaar 90 jaar 20 – 25 jaar

Civieltechnische werken Brug

Visplaats

Afmeervoorziening

Geluidskerende constructies

Keerwand

Damwand

(gefundeerde) Trap Tunnel Viaduct Overkluizing Portaal Openbare verlichting Lichtmast Armaturen Speeltoestellen Water Duikers Beschoeiingen Groenvoorzieningen Groen

Afhankelijk van zettingsgevoeligheid Afhankelijk van zettingsgevoeligheid Afhankelijk van zettingsgevoeligheid

Afhankelijk van het soort (constructie) materiaal

30 jaar 50 jaar 50 jaar 40 jaar

40 jaar 20 jaar 15 jaar 40 jaar 30 jaar bomen

20 – 30 jaar

struiken

20 – 30 jaar

Vastgesteld in de openbare vergadering van 7 maart 2022, de griffier, de voorzitter,

10

Afhankelijk van het zettingsgebied Afhankelijk van het zettingsgebied

Toelichting op de artikelen Artikel 1. Begripsbepaling Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 23 van de verordening. Het begrip afdeling is gedefinieerd ten behoeve van de artikelen 23 en 24 van de verordening. Het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om in artikel 13 van de verordening nadere invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen. De begrippen Debt Service Coverage Ratio en Afschrijvingsratio zijn gedefinieerd ten behoeve van artikel 18 van de verordening. Artikel 2. Programma-indeling Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad vastgesteld. Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) bepaalt in aanvulling hierop, dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden toegewezen. Het tweede lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad beleidsindicatoren per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken van de begroting. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.

Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele begroting en jaarstukken moeten worden herzien. In de meeste gevallen is dat niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren in de vorige raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende. De Capelse beleidsindicatoren zijn niet verplicht en geven, net als de landelijke indicatoren, een beeld van de reeds gerealiseerde en na te streven prestaties en effecten op de beleidsvelden. Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Het vierde lid bepaalt, dat de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode kan aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid. In uitzonderlijke situaties kan er tussentijds tot een extra paragraaf worden besloten. Een voorbeeld hiervan is de paragraaf impact coronacrisis. Artikel 3. Inrichting begroting, tussentijdse rapportages en jaarstukken In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting.

Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten onder de programma’s in de begroting per taakveld worden weergegeven. De begroting is het huishoudboekje voor de gemeente. Op basis voor de artikel 189 van de Gemeentewet biedt het college een ontwerpbegroting aan de gemeenteraad aan. De gemeenteraad stelt deze vervolgens vast. In het Besluit Begroting en Verantwoording staat verder gespecificeerd wat er in een begroting opgenomen moet worden. Verder brengt de provincie jaarlijks een circulaire uit met aandachtspunten voor de begroting. De begroting bestaat uit: Het beleidsdeel: •

•

Het programmaplan, met daarin per programma tenminste: o Wat willen we bereiken? o Wat gaan we daarvoor doen? o Wat mag dit kosten? De paragrafen.

Het financiële deel: • • •

Het overzicht van baten en lasten en de toelichting; De uiteenzetting van de financiële positie en de toelichting; de bijlage met het overzicht van de geraamde baten en lasten per taakveld.

11

In de jaarstukken legt het college beleidsmatig en financieel verantwoording af aan de gemeenteraad. In het Besluit Begroting en Verantwoording staat verder gespecificeerd wat er in de jaarstukken opgenomen moet worden. De jaarstukken voor de raad zijn onderverdeeld in het jaarverslag en de jaarrekening. De jaarstukken vormen een spiegel van de programmabegroting. Het jaarverslag bestaat uit: De programmaverantwoording, met daarin ten minste: o Wat hebben we bereikt? o Wat hebben we gedaan? o Wat heeft het gekost? De paragrafen; Het overzicht van baten en lasten met toelichting; De uiteenzetting van de financiële positie met toelichting. De jaarrekening bestaat uit ten minste: -

-

-

het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening en toelichting; de balans en de toelichting; de bijlage met de verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen een bijlage met het overzicht van de gerealiseerde baten en lasten per taakveld.

In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken. Het derde lid bepaalt, dat in de jaarrekening en de najaarsnota inzicht wordt gegeven over de uitputting van de investeringskredieten. Het vierde lid gaat over welke wijze wordt omgegaan met begrotingsonrechtmatigheden en wanneer er sprake is van een uitzondering. Het vijfde en zesde lid gaat over de tussenrapportages en zijn een belangrijk onderdeel van de planningen controlcyclus voor de raad. Bij de voorjaarsnota, die niet wettelijk verplicht is, geven we het kader voor de begroting van het komende jaar. Nieuw beleid dat de raad vaststelt, verwerken we vervolgens in de begroting. Nieuw beleid kan bestaan uit de uitbreiding of vermindering van bestaand beleid. Ook is het mogelijk dat we bestaande beleid continueren, maar dat dit meer of minder budget vraagt. De uitkomst van de voorjaarsnota vormt de basis voor de begroting. In de voorjaarsnota verwerken wij ook de financiële effecten van de actualisatie van de grondexploitaties.

Daarnaast geven wij inzicht in de omvang van de reserve en voorzieningen, het verloop van de post onvoorzien en in de uitputting van de investeringskredieten (inclusief prognose einde looptijd). Behalve de functie kaderstelling heeft de voorjaarsnota ook een functie voor bijsturing op het lopende begrotingsjaar. Ook kunnen financiële effecten uit de jaarrekening van het vorige jaar verwerkt worden. De voorjaarsnota heeft betrekking op negen begrotingsjaren: het lopende jaar (jaar t) en de acht begrotingsjaren voor de meerjarenbegroting erna (t+1 t/m t+8). De gemeenteraad stelt de voorjaarsnota in de laatste raadsvergadering voor de zomer vast. De politieke partijen spreken hierbij hun algemene beschouwingen uit. Een voorjaarsnota is in tegenstelling tot een begroting en een jaarrekening niet wettelijk verplicht en dus vormvrij. Met ingang van de Voorjaarsnota 2022 is de opbouw van de voorjaarsnota als volgt:

• •

• • • • •

Inleiding en leeswijzer; De (deel)programma’s met daarin: o De voortgang op de doelen uit de doelenboom; o De ontwikkelingen binnen het programma; o De wijzigingsvoorstellen; o Een overzicht met “Wat mag het kosten” en een specificatie van de wijzigingen voor het lopende begrotingsjaar; Financieel perspectief te voeren beleid; Een specificatie van de “Post onvoorzien”; Omvang van de reserves en voorzieningen; Een overzicht van de “bestemmingsreserve eenmalige uitgaven” Voortgang gebiedsvisie Centraal Capelle, zolang het project loopt.

12

In de najaarsnota, welke eveneens niet wettelijk verplicht is, verwerken we de knelpunten van de uitvoering van het lopende begrotingsjaar. Ook verwerken we de financiële effecten van de Septembercirculaire van het gemeentefonds. De najaarsnota heeft net als de voorjaarsnota ook betrekking op de meerjarenbegroting, waardoor we eventuele wijzigingen in andere jaren of structurele budgettaire effecten ook kunnen verwerken. Aanvullende ten opzichte van de Voorjaarsnota verstrekken we bij de Najaarsnota een kredietenoverzicht en overzicht met inkomende subsidies. Het zevende lid gaat over de meerjarenraming. In de Begroting, Voorjaarsnota en Najaarsnota geeft het college inzicht in de ontwikkeling hiervan. De Voorjaarsnota en Najaarsnota bevatten ook nog het lopende jaar, waardoor er totaal 9 jaren ontstaan. Voorbeeld:

•

De Begroting 2021 handelt over het begrotingsjaar 2021 en de meerjarenraming 2022 t/m 2028; • De Voorjaarsnota en Najaarsnota 2021 handelen over het lopende jaar 2021, het begrotingsjaar 2022 en de meerjarenraming 2023 t/m 2029; • Het jaar 2029 komt dus voor het eerst in beeld in de Voorjaarsnota 2021. Het achtste lid geeft een aanvulling op het bepaalde in artikel 19c,23b en 28c van het Besluit begroting en verantwoording over incidentele baten en lasten in de jaarrekening en begroting een rapportagegrens aan van € 100.000. Omdat de provincie als toezichthouder alle mutaties in reserves als incidenteel aanmerkt geldt deze grens niet voor mutaties in reserves en de lasten en baten gerelateerd aan de mutaties. Artikel 4. Kaders begroting Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV. Het eerste lid van het artikel bepaalt, dat de gemeenteraad vooraf (uiterlijk in de laatste vergadering voor het zomerreces) aan het opstellen van de begroting een Voorjaarsnota vaststelt, waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd.

De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Deze systematiek wordt in veel gemeenten toegepast en deze nota draagt vaak de naam kadernota of voorjaarsnota. Artikel 8 van het BBV zegt, dat het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in het programmaplan. In het derde van artikel 4 wordt een nadere invulling aan deze wettelijke verplichtingen gegeven door de omvang van het bedrag voor onvoorzien vast te leggen (€ 0,50 per inwoner opgenomen onder de algemene dekkingsmiddelen). Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten Eerste lid. Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma’s. Tweede lid.

In het tweede lid is opgenomen dat de raad binnen een programma, deelprogramma’s kan vaststellen waarbij de autorisatie van de baten en lasten plaatsvindt op het niveau van het deelprogramma. Derde lid. Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen. Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven, welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is dus nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan. Vierde lid. Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten met meer dan € 250.000 en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten met meer dan € 250.000 bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld.

Verder is in dit artikel bepaalt wanneer het college de raad moet informeren over voorzienbare prijsstijgingen van toekomstige nationale en Europese aanbestedingen. Het college informeert de raad bij een voorzienbare prijsstijging van nationale en Europese aanbestedingen die groter is dan € 100.000 of 25% van het beschikbare budget/krediet.

13

De raad kan binnen tien werkdagen haar reactie kenbaar kan maken en heeft zo de kans tot bijsturing. Waar er eerder dus sprake was van een (meer) passieve informatievoorziening, zal het college de raad nu (nog) actiever informeren. Vijfde lid. Bij de voorjaarnota 2002 heeft de raad besloten de bevoegdheid tot het doen van uitgaven ten laste van de post onvoorzien aan het college over te dragen. Het college rapporteert hier vervolgens over bij de voor- en najaarsnota en de jaarrekening. Zesde lid. Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussenrapportages. Bij investeringen met een meerjarig karakter waaronder ook grondexploitaties wordt bij elke begroting een actualisatie van de ramingen gegeven en doet het college aan de raad voorstellen voor het wijzigen van de investeringskredieten. Zevende lid. Dit lid bevat regels over de rapportagegrens in de tussenrapportages. Om de raad meer op hoofdlijnen te laten sturen en de rapportages compacter te maken wordt een grens van € 100.000 voor exploitatie en € 25.000 voor investeringen gehanteerd. Met de grens van € 100.000 voor exploitatie wordt een totale afwijking per (deel)programma bedoeld en niet een afwijking per individuele post binnen het betreffende (deel)programma.

Positieve en negatieve afwijkingen kunnen binnen een (deel)programma gesaldeerd worden voor zover het saldo van de afwijkingen niet boven de € 100.000 uitkomt en komen derhalve niet in de tussenrapportage terecht, tenzij er sprake is van nieuw beleid. Als er sprake is van nieuw beleid worden afwijkingen groter dan € 25.000 altijd gerapporteerd in de tussenrapportage. Achtste lid. Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel, die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het achtste lid van het artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de begroting. Dus ook voor investeringen die pas in de loop van het begrotingsjaar worden voorzien. Daarbij draagt dit lid aan het college op bij grote investeringen (> € 2.500.000) aan te geven wat het effect is op de schuldpositie van de gemeente. Negende lid. In dit artikel is bepaalt op welke wijze wordt omgegaan met begrotingsonrechtmatigheden bij overschrijdingen op investeringskredieten en wanneer er sprake is van een uitzondering. Tiende lid. Bij strategische verwerving wordt afgeweken van de normale budgetautorisatie als bepaald in het eerste lid in deze gevallen worden de bepalingen zoals opgenomen in de Nota Strategisch Verwerven nageleefd. Elfde lid.

Elk jaar bij de Voorjaarsnota wordt er een nieuw jaar toegevoegd aan de meerjarenraming. Dit nieuwe laatste jaar is gelijk aan het oude laatste jaar bij de Najaarsnota. Artikel 6. Informatieplicht In artikel 6 van de financiële verordening is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. In artikel 6 lid 1a is opgenomen dat het college niet bevoegd is tot het aangaan van een verplichting boven de € 2.500.000 als geen of onvoldoende beschikbaar budget of krediet is. Indien er wel voldoende middelen door de raad zijn geautoriseerd is deze informatieplicht niet van toepassing. Bij lid b geldt dat er een informatieplicht is indien er leningen en/of borgstellingen groter dan€ 2.500.000 zijn. Met de Verordening leningverstrekking 2020 en Verordening borgstellingen 2020 is de bevoegdheid hiervoor bij de raad gelegd. De raad beslist op voorstel van het college tot verstrekken van lening of borgstelling groter dan € 2.500.000.

Bij lid c zal er los van de hoogte van het verstrekken van kapitaal altijd een consultatie bij de raad plaatsvinden. De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht in andere gevallen. Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de raad over de vraag wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken. Artikel 7. EMU-saldo Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald. Maar het kan ook zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa leidt. Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst.

Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.

14

In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Artikel 8. Waardering & afschrijving vaste activa In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 8 invulling gegeven. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de verordening. In de bijlage zijn naast de methodiek de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën immateriële vaste activa en materiële vaste activa opgenomen. Deze vorm sluit aan bij de voorheen gebruikelijke werkwijze in sommige gemeenten om de afschrijvingstermijnen in een apart document vast te leggen. Voor bepaalde vaste activa is een maximale afschrijvingstermijn (op basis van een bandbreedte) op genomen in plaats van een vaste afschrijvingstermijn. Van een maximale afschrijvingstermijn kan met de afschrijvingstermijn naar beneden worden afgeweken.

Reden hiervoor is, dat de economische levensduur van bijvoorbeeld nieuwe riolering langer is dan die van oude riolering. Door het opnemen van de maximale afschrijvingstermijn kan voor oude riolering een kortere afschrijvingstermijn worden toegepast zonder hiervoor in de verordening een aparte bepaling op te nemen. Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast. Artikel 9. Voorziening voor oninbare vorderingen Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze voorziening. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige vorderingen. Er is sprake van een transitie van de statische methode naar de dynamische methode voor de voorziening oninbaar voor de bijstandsverstrekkingen. Vorderingen van de gemeente worden individueel beoordeeld op oninbaarheid.

Maar voor de in het tweede lid genoemde gemeentelijke belastingen en heffingen wordt een voorziening getroffen op basis van het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per belastingaanslag of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer bewerkelijk. Wel zal een accountant eisen, dat de grote bedragen (> € 100.000) onder deze vorderingen toch individueel worden beoordeeld. Hiervoor is een aanvullende bepaling opgenomen. Op zich zijn de bepalingen van artikel 9 niet noodzakelijk. De accountant controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening sowieso de hoogte van deze voorziening. Hij zal indien over de waarderingsgrondslagen geen afspraken bestaan, mogelijk aandringen op het hanteren van een methodiek voor het onderbouwen van de hoogte van deze voorziening. Artikel 10. Reserves en voorzieningen Eerste lid. Met de wijziging van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Daarom is het noodzakelijk geworden kostprijzen van rechten en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen. Daarmee vervalt ook de noodzaak de rentevergoeding over reserves en voorzieningen in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden toe te rekenen.

Het eerste lid bepaalt daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt meegenomen. De Commissie BBV adviseert gemeenten bovendien om geen rente toe te rekenen over de reserves en voorzieningen (Notitie Rente 2017, aanbeveling B). Tweede lid. Het tweede lid bepaalt, dat het college een Nota Reserves en Voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen. Derde lid. Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht, dat een toekomstige investering in de loop van de jaren middels de afschrijvingen een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het derde lid zijn de voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen. Vierde lid. Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het geheel geen investeringsvoornemen meer bestaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11142668/1