CConstaterende datCapelle aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

06.01 - Raadsvoorstel en -besluit Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023

Commissie Samenleving en Economie 6 december 2022, gemeente Capelle aan den IJsselBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023 (974331)21.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het college dient tevens bij de vaststelling van een reële prijs rekening te houden met de continuïteit in de zorgverlening. Dit met het oog op de effectiviteit van de inzet van maatschappelijke hulp en de resultaten op het gebied van versterking van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Een reële prijs bestaat uit zogenoemde kostprijselementen. Een reële prijs wordt gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs.

33

Zaaknr:974331

Het college kent een contractvrijheid. Het college dient toe te zien op alle opdrachten die door hen worden verleend voor diensten door derden in het kader van de Wmo 2015 (zie Gemeentewet). De bestaande praktijk bestaat uit aanbieders die medewerkers in dienst hebben, beroepskrachten die als zelfstandigen zonder personeel diensten verrichten voor aanbieders en zelfstandigen zonder personeel die zich persoonlijk jegens de gemeente tot het verlenen van een dienst hebben verbonden. In het laatste geval is de zelfstandige de aanbieder. Het college is verantwoordelijk voor een gelijk speelveld voor aanbieders en een eerlijke kans voor aanbieders op het verkrijgen van opdrachten voor het verlenen van diensten van maatschappelijke ondersteuning. Dit is gewaarborgd in het inkooptraject open-house voor de Wmo-diensten alsook de Europese aanbesteding voor Wmo-voorzieningen. Een zorgvuldig inkoopproces vraagt inzicht in de reële kosten die aanbieders van maatschappelijke ondersteuning maken bij het verlenen van diensten die voldoen aan de gestelde eisen op het gebied van kwaliteit van de voorziening en de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht.

Van aanbieders wordt verwacht dat zij kwalitatief goede hulp bieden, rekening houden met de continuïteit van de ondersteuning, handelen in lijn met de uitgangspunten van goed werkgeverschap, de Wet werk en zekerheid, de Wet normering topinkomens en handelen naar de afspraken die zijn gemaakt in het sociaal akkoord tussen werkgevers, werknemers en de regering. Aanbieders zijn tevens gehouden aan de regels van de Mededingingswet. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) controleert of aanbieders de concurrentie beperken. Bij overtreding kan de ACM een boete of andere straf opleggen. In hoofdzaak gaat het erom dat het college tot een reële prijs komt in relatie tot de kwaliteit en deskundigheid. Dit vraagt om een zorgvuldig proces van de zijde van de gemeente en openheid van aanbieders over de kosten die zij maken bij het leveren van een dienst. Het toepassen van innovatie om nieuwe ondersteuningsvormen voor cliënten mogelijk te maken is een belangrijke opdracht voor gemeenten die voortvloeit uit de Wmo 2015. Bij het vaststellen van de kwaliteitseisen voor een voorziening, waarop de reële prijs is gebaseerd, wordt het kostprijselement «loon», gebaseerd op de geldende arbeidsvoorwaarden. Met overige kostprijselementen, zoals «overhead», kan het college de beleidsruimte benutten om te komen tot innovatie (zowel kwalitatief als kwantitatief).

Hierbij valt te denken aan het samenstellen van nieuwe innovatieve diensten. De keuzes die gemeenten maken op het gebied van innovatie en de ontwikkeling van nieuwe ondersteuningsvormen verschillen van gemeente tot gemeente. Differentiatie in het ondersteuningsaanbod is beoogd met de Wmo 2015 en leidt tot verschillende prijzen voor verschillende voorzieningen/diensten. Op basis van een reële prijs kunnen ook andere financieringsvormen overeengekomen worden, zoals resultaatfinanciering of populatiebekostiging. Ook in die gevallen zal een prijs moeten worden vastgesteld op basis van reële kostprijselementen. Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Algemeen: Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet).

Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is die nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen.

34

Zaaknr:974331

Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld. Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken. De vastgestelde reële prijs dient daartoe zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten. De mededeling van de gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook artikel 2:129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012).

Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen.

Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 maakt geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.

HOOFDSTUK 6: Beschermd wonen en opvang Artikel 22. Beschermd wonen en opvang De gemeente heeft gelet op de bepalingen in artikel 10 van de Algemene wet bestuursrecht en in de Wmo 2015, in het bijzonder de bepalingen inzake de afhandeling van aanvragen voor beschermd wonen als gedefinieerd omschreven in artikel 1.1.1, eerste lid van de wet (en de geldende verordening) besloten dat de gemeente Rotterdam Centrumgemeente in het kader van de wet de taken op het gebied van beschermd wonen uitvoert voor inwoners van Rotterdam en de gemeente Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk en Lansingerland (hierna: de regiogemeenten). De gemeente Rotterdam ontvangt als Centrumgemeente middelen om samen met de regiogemeenten in deze gemeenten te zorgen voor de invulling van beschermd wonen en opvang voor die burgers die daarvoor in aanmerking komen in het kader van de wet. De regiogemeenten en de Centrumgemeente hebben hiervoor de nodige samenwerkingsafspraken gemaakt, die voor de periode 2018-2020 zijn vastgelegd in een regionaal beleidsplan. Op basis van deze samenwerkingsafspraken en de door de regiogemeenten genomen mandaat- en machtingsbesluiten voert het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in mandaat het beleid en de regels voor toekenning van de voorzieningen op het gebied van beschermd wonen uit.

Onderdeel van die samenwerkingsafspraken is dat bij de afhandeling van de aanvragen voor beschermd wonen in de regiogemeenten, zo veel mogelijk het beleid van de gemeente Rotterdam wordt gevolgd om zo de rechtsgelijkheid te bevorderen en te vermijden dat gelijke gevallen leiden tot verschillende uitkomsten per gemeente. 35

Zaaknr:974331

Het wordt beoogd deze praktijk te formaliseren door in de verordeningen van de regiogemeenten de relevante bepalingen uit de Rotterdamse regelgeving over beschermd wonen op te nemen. HOOFDSTUK 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 23. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een behoefte aan ondersteuning hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. De Stichting Welzijn Capelle (SWC) heeft van de gemeente de opdracht gekregen uitvoering te geven aan de mantelzorgwaardering in onze gemeente. De waardering bestaat uit het beschikbaar stellen van een VVV-cadeaukaart. Artikel 24.

Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Deze bepaling betreft de uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet waarin ter gedeeltelijke vervanging van de voormalige Wtcg en CER is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat het college kan besluiten aan een persoon met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen en noodzakelijke meerkosten hebben in deze meerkosten tegemoet te komen. In het eerste lid is opgenomen dat er geen financiële tegemoetkoming in de meerkosten wordt verstrekt aan personen met een beperking of chronisch probleem. Om personen met een beperking of chronisch probleem toch tegemoet te komen is in het tweede lid opgenomen dat zij (deels) kunnen worden gecompenseerd in de meerkosten door de aanvullende collectieve zorgverzekering van de IJsselgemeenten. Om hiervoor in aanmerking te komen gelden criteria die door de IJsselgemeenten zijn opgesteld. HOOFDSTUK 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 25. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen.

Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren.

36

Zaaknr:974331

Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot naleving van de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3., tweede lid onder e van de wet, waarin is vastgelegd dat in iedere geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de cliënten van belang zijn. In dit artikel gaat het dus over medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels voor welke voorzieningen dit geldt aan de gemeenten overgelaten. In het eerste lid is opgenomen dat dit geldt voor alle voorzieningen en in het tweede lid zijn een tweetal instrumenten opgenomen waarmee het college kan toezien op de naleving van de verplichting tot medezeggenschap. Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.

Er is verwezen naar de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen binnen het sociaal domein. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 28. Nadere regels en hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid ter zake niet aangepast zou moeten worden. Artikel 29. Intrekking oude Verordening en overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld.

In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.

37

Zaaknr:974331

Vastgesteld in de openbare vergadering van 19 december 2022 De griffier, de voorzitter,

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12106696/1