06.01 - Raadsvoorstel en -besluit Verordening jeugdhulp 2026
Tekst van het document
Raadsvoorstel Nummer raadsvoorstel
Portefeuillehouder college / burgemeester griffier / initiatiefnemer raad
2066654 E.M.C. Faassen Raadsvergadering
Programma / product / collegewerkplan
10 november 2025
Programma 6 Sociaal Domein, deelprogramma 6D jeugdhulp
ONDERWERP Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026
GEVRAAGDE BESLISSING Vaststellen van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026
WETTELIJKE BASIS / AANLEIDING RAADSVOORSTEL Wettelijke basis Artikel 2.9 van de Jeugdwet verplicht de gemeente om een verordening op te stellen over: a. de door het college te verlenen jeugdhulp, b. de wijze waarop de toegang tot jeugdhulp is geregeld, c. de wijze waarop de kwaliteit, continuïteit en veiligheid van jeugdhulp is geborgd, d. de wijze waarop de inspraak van ingezetenen wordt geregeld, e. en eventueel andere onderwerpen die de gemeente van belang acht. Artikel 2.10 van de Jeugdwet bepaalt dat het college nadere regels kan stellen over de uitvoering van deze wet. In een drietal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 mei 2024 is bepaald dat een aantal onderwerpen (de zogenoemde “essentialia”) in de verordening moeten worden opgenomen. Daarbij gaat het in ieder geval om: eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen; ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht en de concrete criteria en afwegingsfactoren voor toekenning of weigering van jeugdhulp. Aanleiding raadsvoorstel Het is op basis van de volgende overwegingen noodzakelijk om de Verordening jeugdhulp 2018 en de Nadere regels jeugdhulp 2019 aan te passen: -
-
De verordening jeugdhulp dateert uit 2018, met een aanpassing op het onderdeel toezicht en handhaving in 2023. De verordening sluit niet meer aan bij de beleidsontwikkeling, zoals verwoord in het raadsbesluit van 8 juli 2024: “Tegen de stroom in voor duurzame en betaalbare jeugdhulp” (raadsvoorstel 1483471). Dit besluit kent een aantal actielijnen met maatregelen. De maatregelen “normenkader” en “meer inzet van gecontracteerd aanbod / pgb beleid” zijn verder uitgewerkt en geconcretiseerd. De verordening sluit niet goed aan bij de landelijke Hervormingsagenda Jeugd.
-
De verordening houdt nog geen rekening met de ontwikkeling van de jurisprudentie, met name uitspraken Centrale Raad van Beroep (CRvB) van mei 2024. De verordening sluit niet aan op de landelijke standaard zoals deze is uitgewerkt in de modelverordening VNG uit december 2024. Het is wenselijk dat de verordening regelmatig wordt geëvalueerd en indien nodig aangepast.
BEOOGD DOEL / EFFECT Het beoogde doel is het vaststellen van een aanpaste verordening en van aangepaste nadere regels die een uitwerking geven aan het raadsbesluit van 8 juli 2024: “Tegen de stroom in”, die voldoen aan de vereisten van de wetgeving en jurisprudentie en die een solide basis vormen voor de uitvoering van de jeugdhulp door het Centrum voor Jeugd en Gezin Capelle (hierna: CJG). De verordening en de nadere regels geven een duidelijk normenkader, stellen heldere regels voor de toepassing van het persoonsgebonden budget en bieden de basis voor een verdere beweging naar normalisering in de jeugdhulp, voor een preventief en correctief toezicht.
ONDERBOUWING VAN DE GEVRAAGDE BESLISSING Algemeen Voor het opstellen van de verordening is gebruik gemaakt van het de modelverordening van de VNG uit december 2024. Deze is aangevuld met extra bepalingen over toezicht en over het voorkomen en aanpakken van fraude en oneigenlijk gebruik. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in mei 2024 een aantal uitspraken gedaan over de onderwerpen die in ieder geval moeten worden opgenomen in de verordening. Als uitvloeisel hiervan is een groot deel van de bestaande nadere regels overgezet naar de verordening. Hierbij gaat het om onderwerpen als eigen verantwoordelijkheid van de ouders en gebruikelijke zorg. De verordening is dus aanzienlijk langer geworden en de nadere regels veel korter. Door deze verplaatsing van onderdelen bevat de verordening nu overzichten die in de loop van de tijd kunnen wijzigen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om: het overzicht van de beschikbare jeugdhulpproducten, en het normenkader voor de inzet van lokale jeugdhulp. Deze overzichten zijn nu opgenomen in technische bijlagen. De aangepaste verordening en de nadere regels zijn voorzien van een gedegen artikelsgewijze toelichting. Tevens zijn “was/wordt” overzichten toegevoegd waarin de artikelen uit oude en de nieuwe verordening overzichtelijk naast elkaar worden gezet. De verordening De verordening is ingedeeld in 10 hoofdstukken met ieder een eigen thema: 1.
Algemene bepalingen Dit hoofdstuk bevat de noodzakelijke begripsbepalingen. 2. Vormen van jeugdhulp Het tweede hoofdstuk omvat de verschillende vormen van jeugdhulp. Omdat deze overzichten eventueel kunnen wijzigen zijn deze opgenomen in bijlage 1, 2 en 3. Tevens staat hier de verwijzing naar bijlage 4.1. Deze biedt het normenkader voor de maximale duur en inzet van jeugdhulp voorzieningen.
2
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Toegang tot de jeugdhulpvoorzieningen De toegang tot jeugdhulp kan verlopen via de gemeente, via de huisarts of via de gecertificeerde instelling en kinderrechter. Deze drie routes worden hier uitgewerkt. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening Het vierde hoofdstuk gaat uitgebreid in op het onderzoek na een aanvraag voor jeugdhulp, de voorbereiding van de besluitvorming, de identificatie, het verslag van de intake, de criteria voor toekenning, de beoordeling van de eigen mogelijkheden en de inhoud van de beschikking. Verder wordt het vervoer van en naar jeugdhulp geregeld. Voor dyslexie en vaktherapie worden nadere regels gesteld. Tenslotte wordt ook een basis gelegd voor later op te stellen nadere regels over de afbakening van onderwijs en jeugdhulp. Aan dit hoofdstuk hangen bijlagen met normen voor gebruikelijk vervoer (bijlage 3.2), gebruikelijke hulp (bijlage 4) en een verwijzing naar de juiste versie van de landelijke richtlijnen dyslexie (bijlage 5). Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb) Het vijfde hoofdstuk stelt de regels voor het inzetten van een pgb. De grondslag voor de tarieven is hier te vinden. De vertaling naar tarieven in euro’s vindt plaats in de nadere regels.
Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Dit zesde hoofdstuk regelt op de eerste plaats het verstrekken van inlichtingen door jeugdigen en ouders, het meewerken aan het onderzoek, herziening en verlenging, intrekking en opschorting. Vervolgens wordt de positie van de toezichthouders verankerd, en worden de vormen van controle en onderzoek, aanwijzingen, en handhavingsmaatregelen beschreven. Ook wordt een meldpunt voor fraudesignalen ingesteld. Afstemming met andere voorzieningen. Het zevende hoofdstuk regelt de afstemming met voorliggende voorzieningen. De inzet daarvan gaat, na een individuele afweging, voor op jeugdhulpvoorzieningen. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Hoofstuk acht gaat in op het waarborgen van een juiste verhouding tussen prijs en kwaliteit van ingekochte jeugdhulpvoorzieningen. De hier verwoorde uitgangspunten zijn verder uitgewerkt in de lokale en regionale aanbestedingen. Klachten en medezeggenschap In het negende hoofdstuk wordt vastgelegd dat er een klachtregeling is voor cliënten. De uitvoering daarvan wordt neergelegd bij het CJG. De Adviesraad Sociaal Domein wordt benoemd als het forum voor het betrekken van ingezetenen bij het beleid. De positie van de ASD is reeds verankerd in de bestaande Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018. Deze hoeft niet te worden aangepast.
Slotbepalingen In het tiende en laatste hoofdstuk zijn de hardheidsclausule en het overgangsrecht opgenomen. Ook wordt vastgelegd dat de bijlagen vormen een integraal en onlosmakelijk onderdeel van de verordening vormen. Deze bijlagen hebben hierdoor een volledig “gelijke status” met de rest van de verordening.
Bijlagen: Bijlagen 1, en 2 bevatten een opgave van de vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen. Bijlage 3.1 geeft in aansluiting op het raadsbesluit “Tegen de stroom in” de maximale doorlooptijd en de maximale inzet (tezamen het “normenkader”) per jeugdhulpvoorziening. Deze bijlage is de uitkomst van een uitgebreid data-onderzoek en een uitvoeringstoets bij het CJG. Op basis van een analyse van het dataverkeer in de zorgadministratie over de periode 2020-2024 zijn goed onderbouwde normen berekend voor de doorlooptijd en de inzet (in dagdelen, uren of minuten) van de onderscheiden voorzieningen. Vervolgens wordt er rekening mee gehouden dat jeugdhulp in veel gevallen niet wordt voortgezet tijdens de schoolvakanties. De norm voor jeugdhulp die niet hoeft door te lopen in de vakanties wordt, op basis van 12 weken schoolvakantie, gesteld op 77% (40/52) van de jeugdhulp die wel doorloopt in de vakanties.
3
Daarnaast is overwogen dat de jeugdhulp erop is gericht om doelmatig en resultaatgericht te werken naar een situatie waarin de inzet van de jeugdhulpvoorzieningen minder of niet meer noodzakelijk is. Het aantal in te zetten eenheden bij een eventuele verlenging is daarom maximaal 80% van het maximum in de initiële periode. Het is het voornemen om de data-analyse jaarlijks te toetsen en op basis hiervan, indien noodzakelijk, een aanpassing van de normen voor te leggen. Bijlage 3.2 geeft de normen voor het vervoer van en naar jeugdhulpvoorzieningen die in ieder geval van de ouders zelf kan worden verwacht. Bijlage 4 geeft de normen gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen. Bijlage 5 tenslotte, vloeit ook voort uit de jurisprudentie van de CRvB. Indien in de verordening verwezen wordt naar een externe standaard, zoals in dit geval het landelijke Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling, moet de exacte versie of editie van deze standaard worden benoemd. Indexering pgb tarieven De basis voor de tarieven is opgenomen in de verordening. De verdere onderbouwing hiervoor is uitgewerkt in de artikelsgewijze toelichting. De omzetting naar bedragen (van percentages naar euro’s) is opgenomen in de nadere regels.
Voor pgb door instellingen en pgb door ZZP-ers geldt dat de in de concept nadere regels vermelde tarieven meteen ook die van 1 januari 2026 zijn. Dat komt doordat er momenteel een aanbesteding loopt, waarvan de contracten ingaan op 1 januari 2026. De ZIN tarieven op die datum, en dus ook de percentages daarvan, zijn bekend. In de concept nadere regels staat nu het minimum(uur)loon per 1 juli 2025. Dit wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. De hoogte van de indexatie is echter pas in oktober / november bekend. Dit heeft tot gevolg dat de nadere regels op dit ene onderdeel nog door het college zullen worden aangepast. De pgb tarieven worden, voor het eerst per 1 januari 2027, jaarlijks aangepast naargelang de ZIN tarieven en/of het wettelijk minimumloon worden geïndexeerd. Ontwikkeling verordening Door de verplaatsing van onderdelen uit de nadere regels naar de verordening bevat deze nu overzichten die in de loop van de tijd kunnen wijzigen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om: het overzicht van de beschikbare jeugdhulpvoorzieningen, het normenkader voor de inzet van jeugdhulp, het normenkader vervoer, de normen gebruikelijke zorg en de specificatie van de versie van het protocol dyslexie. Deze overzichten zijn nu opgenomen in de bijlagen bij de verordening. Deze bijlagen vormen een integraal onderdeel van de verordening.
Een eventuele wijziging is dus alleen mogelijk door een besluit van de gemeenteraad. Ook de jurisprudentie zal niet stil staan. De gemeenteraad moet rekening mee houden dat aanpassingen in de (bijlagen) van de verordening vaker zullen worden geagendeerd. Afschaffing Regeling dienstverlening aan huis (Wet RdaH) Momenteel is een wetsvoorstel in voorbereiding voor het afschaffen van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet RdaH). Deze regeling zorgt er nu voor dat particuliere opdrachtgevers (zoals ouders met een pgb) geen loonbelasting en premies behoeven af te dragen bij een inzet van maximaal 3 dagen werk per week. Deze vrijstelling komt in het wetsvoorstel te vervallen.
4
Deze wettelijke aanpassing kan aanleiding geven tot een wijziging van de positie van budgethouders bij pgb in het sociaal netwerk. Mogelijk ontstaat een verplichting tot formeel werkgeverschap. Ook kan de verplichting ontstaan om loonheffingen af te dragen, met een verplichte registratie als werkgever bij de belastingdienst. De mogelijke werkgeverslasten moeten worden verwerkt in het pgb budget. Voor het pgb door een instelling of door een ZZP-er zal dit geen gevolgen hebben. De regeling RdaH is voor deze groepen nu al niet van toepassing. Voor pgb in het sociaal netwerk kan wel aanleiding ontstaan om de nadere regels en/of de verordening zelf aan te passen. Er is op dit moment nog onvoldoende informatie beschikbaar om de gevolgen zo exact in kaart te brengen dat in detail aangegeven kan worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. De afschaffing van Regeling dienstverlening aan huis staat nu gepland voor 1 januari 2026, maar er moet rekening worden gehouden met de demissionaire status van het kabinet. De raad krijgt nadere informatie en voorstellen voorgelegd zodra er meer duidelijkheid bestaat over de inhoud van de wetswijziging.
FINANCIELE CONSEQUENTIES / WIJZE VAN DEKKING De verordening is een verdere uitwerking van maatregelen binnen de actielijnen van ‘Tegen de stroom in’. In het P&C-product begroting 2025, inclusief najaarsnota 2024 is de hieraan verbonden taakstelling opgenomen onder deelprogramma 6D Jeugdhulp bij besparingsmaatregelen Hervormingsagenda Jeugd (HAJ).
REACTIES VAN DERDEN / FORMELE INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN / COMMUNICATIE Overleg Capelse Jongerenraad Op 4 juni 2025 zijn de uitgangspunten van de aangepaste verordening besproken met de jongerenraad. In dit overleg kwamen, naast een algemene toelichting en informatieve vragen, de volgende onderwerpen naar voren: -
-
-
Culturele en religieuze representativiteit is erg belangrijk. Zorg voor hulpverleners met een culturele, religieuze of andere achtergrond die aansluit bij die van de cliënten, zodat zij zich comfortabel en begrepen voelen. Dat is reeds het uitgangspunt. Het is nog duidelijker opgenomen in de verordening en de toelichting. Zorg voor een juiste balans tussen groepssessies en individuele hulp. De behoeften van cliënten kunnen sterk variëren en een groepssetting is niet voor iedereen geschikt. Aansluitend bij het raadbesluit “Tegen de stroom in” ligt de voorkeur bij groepsgewijs. Dit uitgangspunt wordt toegepast met respect voor ouders en jeugdigen die met goede redenen individuele gesprekken wensen. Dat is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting. Maak jeugdhulp niet alleen op SBO-scholen bekend, maar informeer ook leerlingen en personeel van reguliere scholen over de beschikbare ondersteuning. Dat is inderdaad een goed voorstel. Het past echter niet zozeer in de verordening en wordt daarom meegenomen in het overleg met het onderwijs en met het CJG.
5
Overleg Adviesraad Sociaal Domein Capelle Op 17 juni 2025 zijn de uitgangspunten van de aangepaste verordening ook besproken met de adviesraad sociaal domein. Na een algemene toelichting en informatieve vragen, kwamen de volgende onderwerpen naar voren: -
-
-
-
Wat gebeurt er met de lopende pgb’s? Deze vallen onder het overgangsrecht. Dat is reeds opgenomen in artikel 46 van de verordening. Het normenkader kan qua administratie veel werk opleveren. Het CJG is intensief betrokken bij de voorbereiding van het normenkader. Een helder kader levert ook weer tijdsbesparing op. Vanuit de ASD wordt de tip gegeven contact op te nemen met de Almelose wethouder Eugène van Mierlo, dit om zorgcowboys te bestrijden. De regio Twente is koploper bij de aanpak van zorgfraude. Het contact zal dus zeker worden gelegd. Overigens is de Twentse aanpak goed bekend. De kennis hierover is betrokken in het schrijven van de verordening. Wat is de positie van huisartsen en de jeugdbescherming? Huisartsen staan als verwijzers in de verordening. Gecertificeerde instellingen kunnen bepalen welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. Het uitgangspunt is zoveel mogelijk lokaal hulp aan te bieden. Gecertificeerde instellingen moeten op grond van de Jeugdwet afstemming hebben met het college over de in te zetten jeugdhulp. Gevraagd wordt naar het in de gaten houden van de kwaliteit van de gecontracteerde zorg. Wellicht is men soms met een pgb-gecontracteerde aanbieder beter af. Voor zowel Zorg in Natura als voor pgb is de vereiste kwaliteit van de zorg goed verankerd in de verordening.
Door het versterken van het toezicht kunnen we dit beter in de gaten houden. Hoe gaat het bij kinderen uit Capelle die elders naar speciaal onderwijs gaan? Voor kinderen wonend in Capelle die buiten de gemeente naar school gaan worden zogeheten “grensverkeerafspraken” gemaakt. Als ze gebruik maken van algemene voorzieningen in een andere gemeente. Dat wordt geregeld via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdzorg Rijnmond (GRJR) in een regiovisie. Individuele voorzieningen worden afgegeven door het CJG.
Advies Adviesraad Sociaal Domein Capelle De aangepaste verordening is op 24 juli 2024 ter advies voorgelegd aan de adviesraad. Het gevraagde advies is ontvangen 15 september 2025. De adviesraad spreekt er in de reactie waardering voor uit dat de samenwerking is opgezocht met hen, met name met de werkgroep Jeugd en Jongeren (J&J). Deze werkgroep vindt de verordening helder; de adviesraad sluit zich hierbij aan. De indeling is duidelijk en het geheel is goed te volgen. Ook waardeert de adviesraad dat sommige punten vanuit de eerdere betrokkenheid zijn overgenomen. Tenslotte vind de adviesraad het een goede zaak dat er ruimte is voor de menselijke maat en er hierdoor in bijzondere situaties kan worden afgeweken van de bepalingen in de verordening jeugdhulp. Verder stelt de adviesraad een aantal meer technische vragen. Deze gaan over het voorkomen van fraude in het pgb, de samenwerking met andere gemeenten op het gebied van toezicht, de werkwijze rond het familiegroepsplan, jeugdhulp voor ongedocumenteerden en de toepassing van de hardheidsclausule. Deze vragen zijn beantwoord in de reactie van het college. Het advies van de adviesraad gaf geen aanleiding om de concept verordening aan te passen. Het college constateert in de reactie dat de adviesraad de concept verordening ondersteunt.
6
De gedeelde visie is dat het bij het inzetten van jeugdhulp altijd gaat om een individuele afweging in specifieke individuele omstandigheden. Ieder besluit is dus maatwerk, waarbij altijd het belang van de jeugdige centraal staat. De adviesraad heeft tenslotte laten weten dat zij, en dan met name de werkgroep J&J, graag geïnformeerd wil worden over het verder proces en over de impact van de aangepaste verordening. Het college gaat graag in op dat verzoek. De factsheets met informatie voor cliënten zullen met de werkgroep worden besproken. Ook zal de werkgroep in het najaar van 2026 worden uitgenodigd om over en weer de ervaringen met de aangepaste verordening te delen. Het college staat er verder voor open indien de adviesraad of de werkgroep al eerder uitvoeringsaspecten op ambtelijk niveau wil bespreken.
VOORTRAJECT Oriënterende bespreking Commissie Samenleving en Economie De uitgangspunten voor de aangepaste verordening zijn op 6 mei 2025 besproken in de commissie SLE. De bespreking had een consulterend karakter en was gericht op de uitgangspunten voor de verordening. Uit de reacties viel af te leiden dat deze worden onderschreven. Specifiek kwamen drie voorstellen naar voren: Veel leden van de commissie wezen erop dat een verordening noodzakelijk is, echter: de menselijke maat kan en mag niet uit het oog worden verloren. In de artikelsgewijze toelichting bij de verordening wordt, mede op basis van deze inbreng de menselijke maat voor de toepassing vooropgesteld: “Voorafgaand aan de specifieke toelichting per artikel wenst het college te benadrukken dat het bij het inzetten van jeugdhulp altijd gaat om een individuele afweging in specifieke individuele omstandigheden. Ieder besluit is dus maatwerk, waarbij altijd het belang van de jeugdige centraal staat. Bij individuele besluiten kan van de gestelde normen worden afgeweken indien daaraan vasthouden voor de jeugdige of zijn ouders gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Dit beginsel is verankerd in de hardheidsclausule”.
In de commissie werd voorgesteld om op het preventieve vlak ook aandacht te geven aan relatieproblemen in het gezin en aan het (voorkomen van) echtscheiding. Het bleek dat het CJG al een bestaand aanbod heeft op dit punt. In bijlage 1 van de verordening (het overzicht van de vrij toegankelijke voorzieningen) is ondersteuning bij relatie en echtscheiding opgenomen als een van de geboden voorzieningen. Leden van de commissie wezen er terecht op dat de verordening en de nadere regels in sterk juridische taal zijn geschreven. Het voorstel werd gedaan om een aantal factsheets op te stellen waarin de verordening en de nadere regels worden toegelicht. Dit voorstel is in de bespreking reeds overgenomen. In nauwe samenwerking met het CJG wordt een handreiking voor de medewerkers van het CJG opgesteld en een aantal thematische factsheets voor de cliënten. De adviesraad wordt ook betrokken bij het opstellen van de factsheets.
7
Bespreking in de Commissie Samenleving en Economie De aangepaste verordening, inclusief artikelsgewijze toelichting, is op 13/14 oktober besproken in de Commissie Samenleving en Economie.
VERVOLGTRAJECT Het besluit wordt gepubliceerd in het digitale gemeenteblad.
RAADSCOMMISSIE Commissie Samenleving en Economie, 6 mei 2025 Commissie Samenleving en Economie, 13 oktober 2025
BIJLAGE(N) WELKE TER KENNIS VAN DE RAAD WORDEN GEBRACHT − − − − − − −
Nadere regels jeugdhulp 2026; Artikelsgewijze toelichting Nadere regels jeugdhulp 2026; Overzicht Vergelijking verordening jeugdhulp 2026-2018 (was/wordt tabel); Overzicht Vergelijking nadere regels jeugdhulp 2026-2019 (was/wordt tabel); Kort verslag van het overleg over de uitgangspunten met de jongerenraad; Kort verslag van het overleg over de uitgangspunten met de adviesraad sociaal domein; Advies van de adviesraad sociaal domein over de concept verordening met de daarop gegeven bestuurlijke reactie; − Korte samenvatting concept Verordening jeugdhulp 2026.
NADERE INFORMATIE / TECHNISCHE VRAGEN BIJ Maarten Eeken, m.eeken@capelleaandenijssel.nl, 0652446228
Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester,
mr. A.H.P. van Gils
drs. J.J. Manusama
8
Raadsbesluit De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23 september 2025; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet en gezien het advies van de Commissie Samenleving en Economie (SLE), BESLUIT: De Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026 als volgt vast te stellen:
Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026 De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel, overwegende dat: de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor de organisatie van goede en toegankelijke jeugdhulp bij het college heeft belegd; het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt, ook als er sprake is van een jeugdige met een psychisch probleem of stoornis, een psychosociaal probleem, een gedragsprobleem of een beperking; door de raad regels gesteld moeten worden over: a. de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; b. de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; c. wat wordt verstaan onder 'eigen mogelijkheden' en 'probleemoplossend vermogen'; d. de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; e. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget (hierna pgb) wordt vastgesteld; f. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; g. de borging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; h.
onder welke voorwaarden degene aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; i. de wijze waarop ingezetenen, waaronder in elk geval de jeugdigen of hun ouder(s), worden betrokken bij de uitvoering van de wet BESLUIT vast te stellen de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026. Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
9
b.
c. d. e. f. g.
h.
i. j.
k. l.
m. n.
o. p. q. r.
s. t.
budgetbeheerder: degene die namens de budgethouder het pgb beheert, zijnde de ouder of voogd van een jeugdige jonger dan 18 jaar, een voogd, of een door hen gevolmachtigde; budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet; CIZ: het Centrum indicatiestelling zorg, genoemd in artikel 7.1.1 van de Wet langdurige zorg; CJG: het centrum voor Jeugd en Gezin Capelle aan den IJssel; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel; draagkracht: de normale, dagelijkse hulp die ouder(s), andere huisgenoten en/of het sociale netwerk vanuit eigen kracht elkaar onderling kunnen bieden. Ouders moeten de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht op hen houden, ook al is er sprake van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Het betreft hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf.
draaglast: de belasting die het gezin ervaart, veroorzaakt door de dagelijkse verzorging, opvoeding en toezicht van de tot het gezin behorende minderjarige jeugdigen, overige problematiek binnen het gezin, en omstandigheden en eisen uit de omgeving die spanningen kunnen veroorzaken; evaluatieverslag: weergave van de uitkomsten van de evaluatie van de afspraken uit het familiegroepsplan of het gezinsplan; familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; gemeente: gemeente Capelle aan den IJssel; gezinsplan: weergave van de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in artikel 6, eerste lid en van de afspraken die met de jeugdige of zijn ouders zijn gemaakt omtrent de concrete doelen die men wil bereiken en de manier waarop men zich inzet om deze doelen te behalen; hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1 van de Regeling Jeugdwet; ingezetene: persoon die is ingeschreven op een adres in de gemeente en ook feitelijk in de gemeente woont;
jeugdhulpvoorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2 van de verordening; melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid; ouders: de wet sluit voor het begrip "ouders" aan bij het Burgerlijk Wetboek (Boek 1). Daarin zijn de juridische ouders degenen van wie het kind afstamt of die het kind hebben geadopteerd. Een ouder kan met of zonder gezag zijn. Alleen ouders met gezag zijn ook wettelijk vertegenwoordiger; overige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet;
10
u.
2.
sociaal netwerk: het netwerk - bestaande uit onder andere familie, vrienden, kennissen, buren, buurtgenoten en basisvoorzieningen - dat een bijdrage kan leveren aan de oplossing van de hulpvraag van de jeugdige en de ouders; v. vrij toegankelijke voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de verordening; w. verordening: de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026; x. verzorgers: verzorgers zijn personen die het kind feitelijk verzorgen en opvoeden, zonder dat zij automatisch ook gezag of juridische status hebben. De Jeugdwet erkent hun rol in de opvoedsituatie, maar zij zijn niet beslissingsbevoegd tenzij zij ook gezag hebben of gemachtigd zijn; y. wet: Jeugdwet; z. wettelijk vertegenwoordigers: de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige is de persoon die op grond van artikel 1:245 e.v. Burgerlijk Wetboek het gezag over het kind uitoefent. Dat kunnen zijn: de ouder met gezag; een voogd (indien het gezag daar is neergelegd) of een instelling / gezinsvoogdijinstelling bij een maatregel van kinderbescherming. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp Artikel 2. Vormen van jeugdhulp 1. De in bijlage 1 van de verordening opgenomen vrij toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar. 2. De in bijlage 2 van de verordening opgenomen niet vrij toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar. 3. De maximale duur en de intensiteit van de onder het tweede lid genoemde voorzieningen is opgenomen in bijlage 3.1 van de verordening. 4. Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het tweede lid met jeugdhulpaanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: a. doelgroepen; b. activiteiten; c. doorlooptijd; d. intensiteit; e. kwaliteit; f. beoogd resultaat; g. vermelding productcode iJw. Hoofdstuk 3.
Toegang tot de jeugdhulpvoorzieningen
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het Centrum Jeugd en Gezien Capelle aan den IJssel. 2. Het eerste contact over de hulpvraag is gericht op verheldering van de hulpvraag en op advies aan jeugdigen en ouders. 3. Van een aanvraag voor een jeugdhulpvoorziening in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is sprake op het moment dat een aanvraag duidelijk, concreet en schriftelijk is ingediend.
11
4.
5.
6.
7.
8. 9.
10.
Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 9 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven. Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 18. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb. Als een jeugdige of zijn ouder(s) een budgetbeheerder willen aanwijzen om jeugdhulp in te kopen met een pgb, dan dienen zij binnen acht weken na de aanvraag een vertegenwoordiger te vinden die naar het oordeel van het college voldoet aan alle eisen die deze verordening hieraan stelt. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan gemotiveerd worden verlengd met nog eens maximaal acht weken. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
Als uit het ondersteuningsplan blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een jeugdhulpaanbieder die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden. 4. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Artikel 5.
Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter 1. Het college zorgt conform de wet voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 2. De gecertificeerde instelling treedt conform artikel 3.5, eerste lid, van de wet in overleg met de gemeente over de inzet van de benodigde jeugdhulp.
12
3.
4.
Jeugdhulp die door de gecertificeerde instelling wordt bepaald, betreft geen jeugdhulp van een jeugdhulpaanbieder die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. Van het derde lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening.
Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. De termijn van 6 weken, als bedoeld in het eerste lid, start vanaf de dag waarop het college het familiegroepsplan heeft ontvangen. 4.
Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dit gebeurt conform artikel 9, vierde lid. 5. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijk vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: a. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; b. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; c.
of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: 1° welke problemen of stoornissen dat zijn; 2° welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3° of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en 4° voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;
13
d.
6.
hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); e. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.
Artikel 7. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het Kwaliteitsregister Jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIGregister. 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Artikel 8 Identificatie 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: a. een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b.
een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. een buitenlands paspoort; of d. een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel 9. Verslag 1. Binnen 6 weken na de datum waarop het college de aanvraag heeft ontvangen, of binnen 6 weken na ontvangst van het familiegroepsplan, verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd. 2. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. 3. Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. 4.
Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.
14
Artikel 10. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1. Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1 van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt uitgegaan van het overzicht van normen gebruikelijke zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen zoals opgenomen in bijlage 5 bij de verordening. 3.
Er wordt, ook bij bovengebruikelijke zorg, geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige indien de draagkracht van de ouders en/of het sociale netwerk wordt beoordeeld als gelijk aan, dan wel groter dan de draaglast. 4. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: a. daadwerkelijk beschikbaar is; en b. passend en toereikend is voor de hulpvraag. 5. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 6. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 7. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. Movisie: Databank Effectieve Sociale Interventies; b. Nederlands Jeugd Instituut (NJi): Databank Effectieve Jeugdinterventies; c. Trimbos Instituut: Databank Erkende interventies GGZ; d. De Grote Methodiekengids; e.
Praktijkstandaarden Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie; f. vergelijkbaar: een interventie die beschikt over een vergelijkbare onafhankelijke beoordeling en erkenning; g. in het geval van een (nieuwe) interventie of methodiek die niet is opgenomen in de onderdeel a tot en met e vermelde databanken en tevens niet voldoet aan de in onderdeel f omschreven vereisten, kan het college besluiten de methodiek te verifiëren en accorderen. 8. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben die ondersteunend of voorwaardelijk zijn voor het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige, mag van de ouders een inzet worden verwacht dat zij hieraan deelnemen. 9. Het college kan nadere regels stellen voor de geïntegreerde aanpak van meervoudige problematiek in de context van het gezin.
15
Artikel 11. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, als bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden.
Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 4. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: a. gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; b. bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; c. de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; d. het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 5. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders.
Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp door de ouder bij wie de jeugdige niet woont. Artikel 12. Vervoer 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het (regelen van) vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2. Bij de individuele voorzieningen kan vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden worden toegekend, voor zover het naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de betreffende jeugdige, mits niet vanuit andere regelingen of instanties vergoed of anderszins verzekerd.
16
3.
4.
5.
Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: a. ouders kunnen de jeugdige niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege beïnvloedbare werkverplichtingen; b. ouders hebben gekozen voor een jeugdhulpaanbieder buiten de regio, terwijl een vergelijkbaar aanbod binnen de regio beschikbaar is; c. jeugdige is in staat om zelfstandig met eigen of met het openbaar vervoer te reizen; d. ouders geven aan onvoldoende financiële middelen te hebben voor de reiskosten, hiervoor zijn de regelingen binnen de Participatiewet voorliggend; e. ouders die op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten; f. ouders die een aangepast vervoersmiddel voor de jeugdige hebben ontvangen op grond van onder andere Wmo of de verordening leerlingenvervoer; g. de afstand naar de jeugdhulplocatie minder is dan de in bijlage 3.2 genoemde afstand en/of het aantal keren halen en brengen per week is minder dan het in bijlage 3.2 opgenomen aantal. Er is sprake van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: a. de jeugdige kan niet reizen met het openbaar vervoer, ook niet onder begeleiding van een volwassene, en ouders beschikken niet over passend vervoer om de jeugdige naar de jeugdhulplocatie te vervoeren, en b.
er is door ouders aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer. Indien er sprake is van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid ten aanzien van het vervoer van en naar een jeugdhulplocatie, voorziet het college alleen in dat deel van de vervoersbewegingen dat niet zelf door de ouders en/ of andere personen uit het sociaal netwerk kunnen worden verzorgd.
Artikel 13. Dyslexie 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg in het geval van het vermoeden van ernstige dyslexie conform het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie volgens de versie welke wordt vermeld in bijlage 5 bij de verordening. 2. De dyslexiezorg die door het college wordt toegekend bestaat uit: a. diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie; b. behandeling van ernstige dyslexie. 3. Dyslexiezorg is alleen beschikbaar voor leerlingen van 7 tot en met 12 jaar, waarbij op de school voor primair onderwijs het vermoeden van ernstige dyslexie is geconstateerd. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de afbakening van dyslexiezorg, de werkwijze van de toegang tot dyslexiezorg en de eisen waaraan het leerlingendossier dient te voldoen.
17
Artikel 14. Vaktherapie 1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: a. beeldende therapie; b. danstherapie; c. dramatherapie; d. muziektherapie; e. psychomotorische therapie; f. psychomotorische kindertherapie; en g. speltherapie. 2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de desbetreffende beroepsvereniging voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding. 3. De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder en/of het CJG moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 4. Vaktherapie kan alleen worden ingezet als onderdeel van de totale behandeling onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. 5. Van het bepaalde in het vierde lid kan alleen worden afgeweken als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 6.
Indien ouders over een aanvullende zorgverzekering beschikken, wordt deze eerst aangesproken voor de vergoeding van vaktherapie wanneer deze geen onderdeel is van een totale behandeling. Artikel 15. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en onderwijs 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2. Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college de verplichting om in samenwerking met het onderwijs tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag. 3. Het college kan nadere regels stellen inzake de inzet aanvullende begeleiding in uitzonderlijke situaties, waarin een jeugdige in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht. 4. Het college kan, na overleg met (regionale) onderwijsorganisaties, nadere regels stellen inzake de afstemming van jeugdhulp en onderwijs. Artikel 16. Wonen en zorg 1.
Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een jeugdhulpaanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. Artikel 17. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
18
2.
3.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt, ingeval een voorziening in natura wordt verstrekt, in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en c. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt, ingeval een voorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt, in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. waarom voor een pgb is gekozen; b. aan welk resultaat het pgb moet worden besteed; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; d. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
Hoofstuk 5:
Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb)
Artikel 18. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is; b. welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; c. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d. op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; e. dat de in te kopen jeugdhulp in ieder geval voldoet aan alle relevante eisen die de wet, de verordening, branchenormen, governancecodes en professionele standaarden voorschrijven; f. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; g. indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; h.
de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel a tot en met j waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 2. Het college verstrekt een pgb als: a. de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten; b. uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 19 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en
19
c.
3.
4.
5.
6.
naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; d. op basis van de in artikel 29, tweede lid, onderdeel h, omschreven Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; of e. de ondersteuning die de ouder en/of jeugdige met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; en f. bij de toekenning van een pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk er geen risico op overbelasting is.
Een pgb is niet mogelijk: a. voor andere of overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste en tweede lid; b. voor pleegzorg en daarmee vergelijkbare vormen van verblijf; c. voor zover er sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet; d. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn gemaakt; e. voor hulp van een jeugdhulpaanbieder die door het college is ingekocht voor het bieden van jeugdhulp in zorg in natura; f. voor hulp door een jeugdhulpaanbieder die tevens huisvesting en/of een huurovereenkomst aan de betrokkene wenst aan te bieden; g. indien door de beoogde jeugdhulpaanbieder druk is uitgeoefend op de aanvrager om dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie af te nemen. De volgende voorwaarden zijn van toepassing bij de besteding van een pgb: a. er is geen verantwoordingsvrij bedrag; b. voor budgethouders met meerdere pgb’s is schuiven tussen verschillende budgetten niet toegestaan, tenzij hierover schriftelijke afspraken zijn gemaakt met het college; c. het pgb mag worden besteed bij een jeugdhulpaanbieder zowel binnen als buiten de gemeente, maar in ieder geval binnen Nederland.