06.01 - Raadsvoorstel en -besluit financiële Verordening
Tekst van het document
22
Zaaknr:682619
Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten Eerste lid. Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma’s. Tweede lid. In het tweede lid is opgenomen dat de raad binnen een programma, deelprogramma’s kan vaststellen waarbij de autorisatie van de baten en lasten plaatsvindt op het niveau van het deelprogramma. Derde lid. Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen.
Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven, welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is dus nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan. Vierde lid. Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten met meer dan € 250.000 en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten met meer dan € 250.000 bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld. Verder is in dit artikel bepaalt wanneer het college de raad moet informeren over voorzienbare prijsstijgingen van toekomstige nationale en Europese aanbestedingen. Het college informeert de raad bij een voorzienbare prijsstijging van nationale en Europese aanbestedingen die groter is dan € 100.000 of 25% van het beschikbare budget/krediet. De raad kan binnen tien werkdagen haar reactie kenbaar kan maken en heeft zo de kans tot bijsturing.
Waar er eerder dus sprake was van een (meer) passieve informatievoorziening, zal het college de raad nu (nog) actiever informeren. Vijfde lid. Bij de Voorjaarsnota 2002 heeft de raad besloten de bevoegdheid tot het doen van uitgaven ten laste van de post onvoorzien aan het college over te dragen. Het college rapporteert hier vervolgens over bij de voor- en najaarsnota en de jaarrekening. Zesde lid. Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussenrapportages. Bij investeringen met een meerjarig karakter waaronder ook grondexploitaties wordt bij elke begroting een actualisatie van de ramingen gegeven en doet het college aan de raad voorstellen voor het wijzigen van de investeringskredieten. Zevende lid. Dit lid bevat regels over de rapportagegrens in de tussenrapportages. Om de raad meer op hoofdlijnen te laten sturen en de rapportages compacter te maken wordt een grens van € 100.000 voor exploitatie en € 25.000 voor investeringen gehanteerd. Met de grens van € 100.000 voor exploitatie wordt een totale afwijking per (deel)programma bedoeld en niet een afwijking per individuele post binnen het betreffende (deel)programma.
Positieve en negatieve afwijkingen kunnen binnen een (deel)programma gesaldeerd worden voor zover het saldo van de afwijkingen niet boven de € 100.000 uitkomt en komen derhalve niet in de tussenrapportage terecht, tenzij er sprake is van nieuw beleid. Als er sprake is van nieuw beleid worden afwijkingen groter dan € 25.000 altijd gerapporteerd in de tussenrapportage. Achtste lid. Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel, die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het achtste lid van het artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de begroting. Dus ook voor investeringen die pas in de loop van het begrotingsjaar worden voorzien. Daarbij draagt dit lid aan het college op bij grote investeringen (> € 2.500.000) aan te geven wat het effect is op de schuldpositie van de gemeente.
23
Zaaknr:682619
Negende lid. In dit artikel is bepaalt op welke wijze wordt omgegaan met begrotingsonrechtmatigheden bij overschrijdingen op investeringskredieten en wanneer er sprake is van een uitzondering. Tiende lid. Bij strategische verwerving wordt afgeweken van de normale budgetautorisatie als bepaald in het eerste lid in deze gevallen worden de bepalingen zoals opgenomen in de Nota Strategisch Verwerven nageleefd. Elfde lid. Elk jaar bij de Voorjaarsnota wordt er een nieuw jaar toegevoegd aan de meerjarenraming. Dit nieuwe laatste jaar is gelijk aan het oude laatste jaar bij de Najaarsnota. Artikel 6. Informatieplicht In artikel 6 van de financiële verordening is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. In artikel 6, lid 1a is opgenomen dat het college niet bevoegd is tot het aangaan van een verplichting boven de € 2.500.000 als geen of onvoldoende beschikbaar budget of krediet is. Indien er wel voldoende middelen door de raad zijn geautoriseerd is deze informatieplicht niet van toepassing.
Bij lid b geldt dat er een informatieplicht is indien er leningen en/of borgstellingen groter dan € 2.500.000 zijn. Met de Verordening leningverstrekking 2020 en Verordening borgstellingen 2020 is de bevoegdheid hiervoor bij de raad gelegd. De raad beslist op voorstel van het college tot verstrekken van lening of borgstelling groter dan € 2.500.000. Bij lid c zal er los van de hoogte van het verstrekken van kapitaal altijd een consultatie bij de raad plaatsvinden. De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht in andere gevallen. Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de raad over de vraag wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken. Artikel 7. EMU-saldo Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald.
Maar het kan ook zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa leidt. Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken. In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Artikel 8. Waardering & afschrijving vaste activa In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 8 invulling gegeven. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de verordening.
In de bijlage zijn naast de methodiek de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën immateriële vaste activa en materiële vaste activa opgenomen.
24
Zaaknr:682619
Deze vorm sluit aan bij de voorheen gebruikelijke werkwijze in sommige gemeenten om de afschrijvingstermijnen in een apart document vast te leggen. Voor bepaalde vaste activa is een maximale afschrijvingstermijn (op basis van een bandbreedte) op genomen in plaats van een vaste afschrijvingstermijn. Van een maximale afschrijvingstermijn kan met de afschrijvingstermijn naar beneden worden afgeweken. Reden hiervoor is, dat de economische levensduur van bijvoorbeeld nieuwe riolering langer is dan die van oude riolering. Door het opnemen van de maximale afschrijvingstermijn kan voor oude riolering een kortere afschrijvingstermijn worden toegepast zonder hiervoor in de verordening een aparte bepaling op te nemen. Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast. Artikel 9. Voorziening voor oninbare vorderingen Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen.
Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze voorziening. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige vorderingen. Er is sprake van een transitie van de statische methode naar de dynamische methode voor de voorziening oninbaar voor de bijstandsverstrekkingen. Vorderingen van de gemeente worden individueel beoordeeld op oninbaarheid. Maar voor de in het tweede lid genoemde gemeentelijke belastingen en heffingen wordt een voorziening getroffen op basis van het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per belastingaanslag of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer bewerkelijk. Wel zal een accountant eisen, dat de grote bedragen (> € 100.000) onder deze vorderingen toch individueel worden beoordeeld. Hiervoor is een aanvullende bepaling opgenomen. Op zich zijn de bepalingen van artikel 9 niet noodzakelijk. De accountant controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening sowieso de hoogte van deze voorziening. Hij zal indien over de waarderingsgrondslagen geen afspraken bestaan, mogelijk aandringen op het hanteren van een methodiek voor het onderbouwen van de hoogte van deze voorziening. Artikel 10. Reserves en voorzieningen Eerste lid.
Met de wijziging van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Daarom is het noodzakelijk geworden kostprijzen van rechten en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen. Daarmee vervalt ook de noodzaak de rentevergoeding over reserves en voorzieningen in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden toe te rekenen. Het eerste lid bepaalt daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt meegenomen. De Commissie BBV adviseert gemeenten bovendien om geen rente toe te rekenen over de reserves en voorzieningen (Notitie Rente 2017, aanbeveling B). Tweede lid. Het tweede lid bepaalt, dat het college een Nota Reserves en Voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen. Derde lid. Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd.
Hiermee wordt op de balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht, dat een toekomstige investering in de loop van de jaren middels de afschrijvingen een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het derde lid zijn de voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.
25
Zaaknr:682619
Vierde lid. Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het geheel geen investeringsvoornemen meer bestaat. Door voor elke nieuwe bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen een maximale “houdbaarheidsdatum” op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor is in de verordening de bepaling opgenomen dat bestemmingsreserves die de houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen en weer aan de algemene reserve worden toegevoegd. Vijfde lid. In de voorjaarsnota en najaarsnota wordt een meerjarig overzicht van de reserves en voorzieningen opgenomen, waarbij de mutaties uit de voorjaarsnota en najaarsnota zelf ook apart inzichtelijk worden gemaakt. In de jaarstukken wordt een overzicht van de mutaties van reserves en voorzieningen in het verantwoordingsjaar opgenomen. Zesde lid. Om te voorkomen dat er relatief kleine bedragen via de reserve éénmalig worden gemuteerd wat leidt tot extra administratieve lasten wordt er een ondergrens van € 25.000 gehanteerd. Zevende lid. Bij de Najaarsnota 1999 is besloten tot het instellen van een Reserve Eenmalige Uitgaven . De reserve heeft een administratief karakter en is bedoeld om eenmalig budget dat in enig jaar niet is besteed in een volgend jaar beschikbaar te houden.
Hiervoor hoeft dan niet opnieuw budget door de raad beschikbaar worden gesteld. Besteding moet binnen drie jaar plaatsvinden. De raad neemt bij de voor- en najaarsnota besluiten over het via deze reserve overhevelen van budget naar andere jaren, en over eventuele verlenging van de termijn van drie jaar. Wanneer bij het opmaken van de Jaarrekening blijkt dat de inschatting die gemaakt is bij de voor- of najaarsnota over het over te hevelen bedrag, groter dan € 25.000 afwijkt van de realisatie, dan kan het verschil in de realisatie van het lopende boekjaar gedoteerd worden aan de Reserve Eenmalige Uitgaven. In de Voorjaarsnota van het jaar daarop kan het bedrag onttrokken worden. Artikel 11. Kostprijsberekening Eerste lid. Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b (leges, rioolheffing) en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (afvalstoffenheffing). De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs.
Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd. Het eerste lid van artikel 12 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen, werken en diensten worden ingezet. Tweede lid. Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de kostprijsberekening ook de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen. Derde lid.
Het derde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan de activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen extracomptabel vanuit de administratie worden bepaald en in de belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend.
26
Zaaknr:682619
Vierde lid. Het vierde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rioolheffing en afvalstoffenheffing. Er wordt voor de toerekening van de overheadkosten bepaald, dat deze plaatsvindt naar het aandeel in de totale geraamde overheadkosten ter grootte van de geraamde personeelslasten die aan de rioolheffing en afvalstoffenheffing worden toegerekend gedeeld door de totale geraamde personeelslasten van de taakvelden. Vijfde lid. Het vijfde lid van artikel 11 geeft de berekeningswijze van de omslagrente voor het toerekenen van de rente aan de kostprijs voor de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van activa. Het percentage van de omslagrente wordt berekend door de aan de taakvelden toe te rekenen rente te delen door de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die integraal is gefinancierd. Zesde lid. Het zesde lid geeft voor de omslagrente voor de kostprijs van verstrekte leningen een afwijkend voorschrift. Die kostprijs wordt gebaseerd op de rente van de lening die is aangetrokken voor de verstrekte lening. Die rente moet worden verhoogd met een risico-opslag voor de kans dat (een deel van) de lening niet wordt terugbetaald. Dit heet het debiteurenrisico. Daarnaast moeten voor het bepalen van die kostprijs natuurlijk als directe kosten ook de afsluitkosten en dergelijke worden meegenomen.
Zevende lid. Dit lid benoemt dat bij projectfinanciering de werkelijke rentekosten worden toegerekend, in plaats van het gewogen gemiddelde. Artikel 12. Prijzen economische activiteiten Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Dit is bepaald in de Wet Markt en Overheid. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen borgstellingen en kapitaal in rekening moet worden gebracht. De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter. Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, borgstellingen en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen.
Deze uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd. Artikel 13. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156, lid 2h van de Gemeentewet). Het eerste lid van artikel 13 bepaalt, dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt. Een gemeenteraad die ook voor andere rechten, leges en heffingen de tarieven jaarlijks wenst vast te stellen, kan het eerste lid met deze rechten, leges en heffingen uitbreiden. Het betekent, dat de bijbehorende verordeningen jaarlijks moeten worden herzien. Eventueel kan overwogen worden om ook de verordening ‘kwijtschelding gemeentelijke belastingen’ jaarlijks te herzien. Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet, is een privaatrechtelijk besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college (eerste lid, onder d, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de raad.
Het tweede lid bepaalt, dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de kaders uit de nota, vooraf ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden.
27
Zaaknr:682619
Artikel 14. Financieringsfunctie Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 14 geeft invulling aan deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 25 van deze verordening. In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden en daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële derivaten. Gemeenten mogen alleen leningen en borgstellingen verstrekken en financiële participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 van de Wet fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 van de Gemeentewet, dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen.
Het tweede lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, borgstellingen en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico waaraan de gemeente bloot komt te staan, te verminderen. Dit is zeker als het om grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als instellingen bij een gemeente aankloppen voor een lening of borgstelling dan hebben de banken er in de regel niet al te veel vertrouwen meer in. Artikel 15. Rentebeleid Het beleid omtrent de rente volgen we conform de geldende BBV Notitie Rente. Artikel 16. Lokale heffingen In het BBV staat in artikel 10, welke informatie de paragraaf lokale heffingen in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag van de raad gedefinieerd. Een deel van de aanvullende informatie dient voor het met de begroting vaststellen van de gehanteerde omslagrente voor de kostprijsberekening van rechten en leges waarmee kosten in rekening worden gebracht. Ook wordt gevraagd de toerekening van de rente en de toerekening van de overheadkosten aan de verschillende rechten en heffingen in beeld te brengen. Artikel 17. Financiering In het BBV staat in artikel 13, welke informatie de paragraaf financiering in elk geval moet bevatten. Artikel 18.
Weerstandsvermogen & risicobeheersing In het BBV staat in artikel 11, welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er zijn twee financiële kengetallen toegevoegd: de Debt Service Coverage Ratio en de Afschrijvingsratio. In het tweede lid wordt aangegeven op welke wijze in beeld moet worden gebracht of de weerstandscapaciteit voldoende is. Het weerstandsratio wordt als volgt berekend: het weerstandsratio is het totaal van de weerstandscapaciteit (algemene reserves, bestemmingsreserves, (vrij te besteden) begroting- of rekeningsaldi, ruimte voor onvoorziene uitgaven) gedeeld door het totaal van de gekwantificeerde risico’s, waarbij structurele risico’s vijf jaar in de berekening worden meegenomen. Een actueel overzicht van de actuele gekwantificeerde en niet gekwantificeerde risico’s wordt bij de begroting en de jaarstukken toegevoegd. Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen In het BBV staat in artikel 12, welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. In het eerste lid wordt de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf geformuleerd.
Er is opgenomen dat de raad in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen ook wordt geïnformeerd over de voortgang van het geplande onderhoud en de omvang van het achterstallig onderhoud.
28
Zaaknr:682619
Het tweede en derde lid bevatten bepalingen waaruit volgt, dat het college ten minste eenmaal in de vijf jaar een integraal beheerplan openbare ruimte, een integraal projectenboek en een verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP) vaststelt. De raad stelt middels de Stedelijke Beheervisie de beleidskaders voor deze plannen vast. Het vierde lid bevat een bepaling over een Onderhoudsplan gebouwen die door het college aan de raad ter vaststelling wordt aangeboden. Artikel 20. Bedrijfsvoering In het BBV staat in artikel 14, welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in elk geval moet bevatten. In dit artikel is de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er is opgenomen, dat de raad in de paragraaf bedrijfsvoering ook wordt geïnformeerd over de kosten, de opbouw en het verloop van het personeelsbestand, de kosten inhuur derden, de huisvestingskosten, de automatiseringskosten en de budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant. Daarnaast zijn de relevante bepalingen uit de kadernota rechtmatigheid van de commissie BBV hier opgenomen met betrekking tot de toelichting op de rechtmatigheidsverklaring. Artikel 21. Verbonden partijen In het BBV staat in artikel 15, welke informatie de paragraaf verbonden partijen in elk geval moet bevatten.
In dit artikel is deze aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er is opgenomen dat de raad ook geïnformeerd over de periodieke beoordeling of voortzetting van de deelname aan de verbonden partijen nog wenselijk en over de jaarlijkse ontwikkelingen bij de verbonden partijen. Artikel 22. Grondbeleid In het BBV staat in artikel 16, welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk geval moet bevatten. In het eerste lid van artikel 21 is de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er is opgenomen dat de raad in de paragraaf grondbeleid ook wordt geïnformeerd over het verloop van de grondvoorraad en de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten. Het tweede lid bepaalt, dat het college aan de raad een Nota Grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen. Artikel 23. Administratie Onder artikel 23 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten voldoen. Artikel 24. Financiële organisatie Artikel 24 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen.
Het college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet. Artikel 24 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand, dat het college een organisatiebesluit en een Financieringsstatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt. Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden. Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.
29
Zaaknr:682619
In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden. De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de getrouwheid van de jaarrekening. Artikel 25. Interne controle De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel 25 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen. Het tweede lid bepaalt met welke periodiciteit welke controles uitgevoerd moeten worden.
Het derde lid bepaalt dat er een verantwoordingsgrens, inclusief rapportagegrens, moet worden vastgesteld in door de gemeenteraad. In het normenkader is opgenomen welke wet- en regelgeving moet worden nageleefd. De goedkeuringstolerantie bepaalt vanaf welke omvang er sprake is van een onrechtmatigheid. De rapportagegrens bepaalt vanaf welke omvang er een toelichting moet worden opgenomen in de paragraaf bedrijfsvoering conform artikel 20, lid f. Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar t+1 en later. De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting en jaarstukken van het jaar t. Hiervoor is in artikel 26 een overgangsbepaling opgenomen. Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel Uitgaande stukken van de raad moeten door de burgemeester worden ondertekend (eerste lid, artikel 75 van de Gemeentewet).
De griffier moet de uitgaande stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c van de Gemeentewet). De financiële verordening moet worden gepubliceerd. Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening aan Gedeputeerde Staten zenden (artikel 214 van de Gemeentewet). Gedeputeerde Staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 van de Gemeentewet (artikel 215 van de Gemeentewet).
Vastgesteld in de openbare vergadering van 7 maart 2022, de griffier, de voorzitter,
30