CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

05.03 - Ruimtelijke onderbouwing incl bijlagen

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 18 oktober 2022, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de realisatie van het bouwproject Fascinatioboulevard kavel 2K4 (Studentenhuisvesting)29.114 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

1 alinea's met “opening”: 278

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 29

GEMEENTELIJK BELEID Stadsvisie Capelle aan den IJssel De Stadsvisie ‘Met het oog op de toekomst’ is vastgesteld op 27 september 2021. De Stadsvisie is ook Omgevingsvisie als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Omgevingswet. In de gemeentelijke Stadsvisie is de toekomstvisie op de leefomgeving voor Capelle aan den IJssel gevormd. De visie is gericht op ruimte, maatschappij en veiligheid. De visie heeft meerdere doelen, namelijk: het bepalen van een koers voor de toekomst van Capelle, het uitnodigen van Capellenaren bij het maken van hun stad, het integraal benaderen van opgaven in Capelle en het stimuleren van een nieuwe manier van werken van de gemeente. De Stadsvisie stippelt de koers uit voor Capelle aan den IJssel van de groei van stadsdorp, bestaande uit cultuurhistorische oude kernen omgeven met grootschalige uitbreidingen, naar een leefbare stad met een ‘sociaalmaatschappelijk verbonden’ dorps karakter. Binnen het kader van de Stadsvisie en op een duurzame wijze, biedt de gemeente ontwikkel-, gebruiksruimte en flexibiliteit aan initiatiefnemers om op eigen kracht te investeren in de ruimtelijke- en leefkwaliteit. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in de zone ‘Fascinatio’, zoals benoemd op de ‘Visiekaart Stads Capelle’ uit de Stadsvisie. Dit is weergegeven op onderstaand figuur. Figuur 22.

Uitsnede Visiekaart Stads Capelle (bron: Stadsvisie Capelle aan den IJssel

Een van de opgaven uit de Stadsvisie is het creëren van meer stedelijke (woon)milieus. Eén van die nieuwe stedelijke milieus is de zone Capelsebrug-Kralingsezoom-Rivium-Fascinatio. Dit gebied is onderdeel van een

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 30

groter gebied met de universiteitscampus en Brainpark. De uitdaging voor Capelle is om hierop aan te sluiten door de ontwikkeling van hoogwaardige werkmilieus en specifieke stadsmilieus. In het Programma Economie is aangegeven dat er een toenemende behoefte is aan gemengde woon-werkmilieus met voorzieningen, in het bereik van instituten van hoger onderwijs, en goed ontsloten met het openbaar vervoer. Dit is een regionale opgave waar Capelle nauw bij betrokken is. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een stedelijk milieu op de projectlocatie. Het huidige braakliggend kavel wordt immers ingevuld met studentenwoningen. Met de realisatie van de studentenwoningen op de projectlocatie, welke goed bereikbaar is met het openbaar vervoer, wordt voorzien in de (regionale) behoefte naar studentenwoningen. Een en ander zoals in voorgaande paragrafen reeds is toegelicht. Het realiseren van woningen draagt daarnaast bij aan het duurzaam invullen van deze braakliggende locatie. 3.4.1.2 Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Stadsvisie Capelle aan den IJssel.

Programma Wonen 2019 – 2022 Gemeente Capelle aan den IJssel heeft in haar Programma Wonen 2019-2022 'Thuis in een veelzijdige woonstad', het beleid vastgelegd op het gebied van wonen voor de periode tot en met 2022. De beschreven ambities in de structuurvisie hebben als uitgangspunt gediend voor het Programma Wonen. In het programma staan vier pijlers centraal. Binnen de vier pijlers wordt invulling gegeven aan zes strategische speerpunten. 1. Duurzaam wonen met kwaliteit: de focus ligt op het steeds meer verduurzamen en verbeteren van de kwaliteit van de woningvoorraad en het benutten van duurzame ontwikkelingsmogelijkheden. 2. Voor iedereen een (t)huis: het uitgangspunt is om het aanbod van woningen in eerste instantie zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij de woonwensen van de Capellenaren. 3. Wonen met zorg en welzijn: de wijken bieden een thuis aan een toenemend aantal mensen uit kwetsbare groepen. 4. Samen wonen in de wijk: bewoners worden betrokken bij de ontwikkeling van Gebiedsvisies, wijkvisies en plannen in de buurten. De zes strategische speerpunten zijn als volgt. 1. Toekomstbestendig ontwikkelen: woningen realiseren met name in de nabijheid van hoofdwaardige OVpunten en verduurzamen van de bestaande woningvoorraad. 2. Stadstransitie via herstructurering en transformatie van gebieden en gebouwen. 3.

Consolideren, spreiden en vernieuwing van de sociale woningcorporatie huurwoningenvoorraad. 4. Vergroten huisvestingsmogelijkheden voor jongeren (18 tot 27 jaar) en ouderen in de AOW-gerechtigde leeftijd. 5. Toevoegen van eenheden voor Begeleid Wonen en verplegings- en verzorgingsplekken. 6. Vernieuwende inzet op leefbaarheid in wijken. Een van de specifieke opgaven die hoort bij pijler 2 is zorgen voor meer aanbod voor 1- en 2persoonshuishoudens voor zowel jongeren van 18 tot 27 jaar en ouderen in de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor iedereen een (t)huis Het uitgangspunt is om het aanbod van woningen in eerste instantie zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij de woonwensen van de Capellenaren. In het programma wordt onderscheid gemaakt in diverse doelgroepen, die deels kunnen overlappen, waarvoor het wenselijk is het aanbod van woningen voor te realiseren. Enkele doelgroepen zijn: jongeren, studenten, starters en huurders. Binnen de regio telt Capelle aan den IJssel relatief veel starters die op zoek zijn naar een woning. Een groot deel van deze doelgroep bestaat uit jongeren in de leeftijd tot 27 jaar.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 31

Gemeten over meerdere jaren is dit ongeveer een kwart van de totale vraag. Voor de doelgroep studenten is het moeilijk te bepalen wat de omvang van de vraag naar woonruimte is. Wel blijkt uit onderzoek van ABF Research (Woningmarktverkenning Capelle aan den IJssel 2017 – 2030 d.d. april 2018) dat Capelle aan den IJssel, vanwege de gunstige ligging ten opzichte van de Erasmus Universiteit Rotterdam en Hogeschool van Rotterdam, juist een deel van de vraag naar studentenwoningen in Rotterdam zou kunnen opvangen. In dit onderzoek wordt eveneens benoemd dat de wijk Rivium, waar de projectlocatie direct aan grenst, hier zeer geschikt voor zou zijn. In Capelle aan den IJssel komen starters relatief wat gemakkelijker en sneller aan een sociale huurwoning dan elders in de regio. Dit neemt niet weg dat de gemeente een grote behoefte ziet bij de doelgroep jongeren tot 27 jaar voor een woning. 3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde woningen, op een locatie die per openbaar vervoer goed bereikbaar is, dragen bij aan de volgende pijlers van het Programma Wonen: - Toekomstbestendig ontwikkelen: woningen realiseren met name in de nabijheid van hoogwaardige OV-punten en verduurzamen van de bestaande woningvoorraad - Stadstransitie via herstructurering en transformatie van gebieden en gebouwen.

- Vergroten huisvestingsmogelijkheden voor jongeren (18 tot 27 jaar) en ouderen in de AOWgerechtigde leeftijd. Capelle aan den IJssel ziet een grote behoefte aan huurwoningen bij de doelgroep jongeren tot 27 jaar. De realisatie van 342 studentenkamers draagt bij aan het voorzien in deze behoefte en levert een directe bijdrage aan pijler twee en de speerpunten. 3.4.2.2 Conclusie Het plan is in lijn met het Programma Wonen.

Programma Duurzaamheid 2019 – 2022 Het programma Duurzaamheid is op 15 april 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. Dit programma is een uitwerking van het Koersdocument Duurzaam Capelle. In het koersdocument is de stip op de horizon in 2050 beschreven: Capelle aan den IJssel wil in 2050 een duurzame, groene en schone stad zijn. In het programma staan de projecten en activiteiten die de komende jaren worden uitgevoerd binnen drie pijlers: energie, klimaat en circulair. Figuur 23. Drie pijlers (bron: Programma Duurzaamheid 2019 - 2022)

Energie: als het gaat om energietransitie wordt ingezet op energiebesparing door betere isolatie, aardgasvrij bouwen en duurzame energie (zonne‐energie).

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 32

 

Klimaat: inwoners van de gemeente worden gestimuleerd om te vergroenen om zich voor te bereiden op een veranderend klimaat door maatregelen te treffen om wateroverlast en een tekort aan water te voorkomen. Circulair: in het kader van circulaire economie worden particulieren en bedrijven gestimuleerd om grondstoffen her te gebruiken en restafval te verminderen.

Nieuwbouwprojecten moeten voldoen aan een vastgestelde norm volgens de methode GPR-gebouw en zijn uiteraard aardgasvrij. In het beleid is opgenomen dat de GPR-score in principe gemiddeld een 8 dient te zijn met minimaal een 9 voor het thema energie en een 7 voor het thema milieu. 3.4.3.1 Relatie tot ontwikkeling Om invulling te geven het aspect duurzaamheid worden zonnepanelen op circa 650 m2 dakvlak gerealiseerd, in figuur 24 is hiervan een impressie opgenomen. Tevens worden in het kader van natuurinclusief bouwen daktuinen en dakterrassen gerealiseerd op circa 850 m2 dakvlak. Verder wordt gebruik gemaakt van stadsverwarming. Uiteraard wordt ook aan de BENG eisen voldaan. In het kader van klimaatadaptatie is sprake van parkeerplaatsen die zijn voorzien van grastegels, zodat hemelwater middels de bodem wordt afgevoerd. Daarnaast wordt de patio in het binnen gebied uitgevoerd met een sedumdak, worden de gevels voorzien van beplanting en worden daktuinen aangelegd. Figuur 24. Indicatieve impressie invullen met daktuinen en zonnepanelen, uitgaande van 79 parkeerplaatsen (bron: White House Development)

Ten behoeve van de ontwikkeling is GPR-score van de bebouwing berekend. De resultaten betreffen: een 8,3 voor energie, 7,9 voor milieu, 8,2 voor gezondheid, 7,7 voor gebruikskwaliteit en een 7,7 voor toekomstwaarden. De gemiddelde score bedraagt 8,0. Dit sluit aan bij de ambities van de gemeente. Doordat elke kamer zijn eigen set installaties heeft wordt het energieverbruik voor een gebouw van deze omvang zo buitenproportioneel groot dat een score van 9,0 voor het thema energie in principe niet haalbaar is. Aangezien het in dit specifieke geval een compact gebouw betreft met 342 studentenkamers, met ieder een eigen set installaties en waarbij het over het algemeen wel een energiezuinig gebouw betreft, zijn de

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 33

scores verdedigbaar. Bij de omgevingsvergunningaanvraag voor het aspect bouwen worden de berekeningen van de GPR-scores toegevoegd. 3.4.3.2 Conclusie Het plan is in lijn met het Programma duurzaamheid.

Beeldkwaliteitsplan Fascinatio 1999 In november 1999 is het Beeldkwaliteitsplan (hierna: BKP) Fascinatio 1999 vastgesteld. In het BKP zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke vormgeving van de wijk neergelegd. Fascinatio is een woon- en werkgebied. De opbouw van het gebied zorgt ervoor dat de mensen in bedrijven en kantoren zullen uitkijken op de woonwijk en zo nodig gebruik kunnen maken van de voorzieningen in deze wijken, zoals winkels en kinderopvang. Het bedrijven- en kantorengebied bevindt zich in de buitenste ring van Fascinatio. De grens van dit gebied en het woongebied is een wijkverzamelweg in de vorm van een ringweg. Het woongebied komt daardoor als een burcht binnen de slotgracht te liggen. 3.4.4.1 Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van één woongebouw met 13 woonfuncties, die ruimte bieden voor 342 kamers voor de kamergewijze verhuur voor studenten. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning aangevraagd om af te wijken van het bestemmingsplan. De projectlocatie bevindt zich op een plek waar in beginsel bedrijven- en kantoren beoogd waren. Het Beeldkwaliteitsplan uit 1999 is daar dan ook op ingericht en schrijft voor de projectlocatie dan ook een maximale hoogte van zes bouwlagen voor.

Zoals eerder in deze ruimtelijke onderbouwing al is opgemerkt is de kantorenmarkt de afgelopen jaren sterk beïnvloed door de economische crisis. Er is onder andere sprake van overaanbod, leegstand en een afnemende nieuwbouwbehoefte. Zowel in provinciaal (paragraaf 3.2) als rijksbeleid wordt de voorkeur gegeven aan het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen stedelijk‐ en/of dorpsgebied. Uit het oogpunt van optimaal benutten van de locatie en zorgvuldig ruimtegebruik, is het gebruiken van de locatie voor woningbouw (ten behoeve van studentenhuisvesting) gewenst. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een (woon)gebouw met een maximale hoogte van circa 22 meter en bestaat uit zeven bouwlagen (begane grond + zes verdiepingen). Daarmee wijkt het voorgenomen bouwplan voor wat betreft het aantal bouwlagen af van het beeldkwaliteitsplan uit 1999. De verdiepingshoogte van een kantoor wijkt af van die voor een woonfunctie. Deze ligt voor een kantoor veelal hoger dan voor een woongebouw. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee wel in één bouwlaag meer dan het beeldkwaliteitsplan toestaat. De toekomstige bebouwing krijgt echter een vergelijkbare hoogte zoals met het beeldkwaliteitsplan is beoogd.

Hierbij wordt opgemerkt dat het beeldkwaliteitsplan uit 1999 concreet is toegespitst op een kantoorfunctie, terwijl hedendaags als gevolg van de veranderende markt een andere invulling voor het gebied (met studentenwoningen) op zijn plaats is. Een afwijking van het beeldkwaliteitsplan voor wat betreft het aantal bouwlagen is dan ook gerechtvaardigd en is bovendien stedenbouwkundig goed inpasbaar. Daarbij wordt opgemerkt dat het huidige bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 25 meter toestaat en deze bouwhoogte met de voorgenomen ontwikkeling niet wordt overschreden; hier wordt met een hoogte van 22 meter ruimschoots aan voldaan. Het bestemmingsplan weegt juridisch gezien zwaarder dan het beeldkwaliteitsplan. De bouwhoogte uit het bestemmingsplan is dan ook leidend. Het beeldkwaliteitsplan wordt enkel gebruikt voor de welstandstoets. Qua materialisatie is eveneens aansluiting gezocht bij het kenmerkende materiaalgebruik binnen de wijk. Naast toetsing aan het beeldkwaliteitsplan zal bij de aanvraag om de activiteit bouwen ook een toets plaats vinden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. 3.4.4.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling wijkt voor wat betreft het aantal bouwlagen af van het Beeldkwaliteitsplan Fascinatio 1999.

Deze afwijking is echter stedenbouwkundig gezien gerechtvaardigd en past tevens in het vigerende bestemmingsplan (dat voor wat betreft de bouwhoogte leidend is). Verder zal in de

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 34

omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen getoetst worden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, waarin het beeldkwaliteitsplan een belangrijke rol speelt.

Ruimtelijk Toekomstperspectief Fascinatio Het Ruimtelijk Toekomstperspectief Fascinatio (RTPF) is op 14 december 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van Capelle aan den IJssel. Het doel van het RTPF is inzicht te geven in de ontwikkeling van de wijk in de komende jaren. Uitgangspunt van het RTPF is de bestaande opzet van de wijk, waarbij een analyse is gemaakt van de effecten van wonen in de zogenaamde buitenring, welke oorspronkelijk was bedoeld voor bedrijven en kantoren. Ook is er uitgebreid stil gestaan bij mobiliteit (parkeren, verkeersveiligheid, de ontsluiting van de wijk), het gebrek aan groen, het voorzieningenniveau en participatie. Naast acties voor de totale wijk, geeft het RTPF ook aan hoe de zogenaamde poortkavels verder ingevuld moeten worden. 3.4.5.1 Relatie tot ontwikkeling In het RTPF zijn vier belangrijke onderdelen beschreven, te weten: 1. een goede balans van wonen en werken in de buitenring; 2. regie op mobiliteit, parkeren en ontsluiting; 3. de groene beleving wordt versterkt; en 4. de entree van de wijk krijgt een hoogwaardige uitstraling. De projectlocatie is gelegen in de zogeheten ‘buitenring’ van Fascinatio. Conform het RTPF dient de buitenring een gemengder beeld te krijgen, waarin zowel gewoond als gewerkt wordt. Deze functiemenging zorgt voor meer leven in het gebied gedurende een groter deel van de dag en voor een spreiding van de parkeerdruk.

Zowel vanuit het wonen als vanuit het werken liggen er kansen voor het afmaken van de buitenring. Het toevoegen van woningen zorgt voor een evenwichtigere verhouding tussen wonen en werken in de buitenrand. Het wonen gericht op jongeren, ouderen en/of wonen met zorg ligt het meest voor de hand. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen gericht op jongeren, meer specifiek gericht op studenten. Vanwege de goede bereikbaarheid van de locatie met het openbaar vervoer en de ligging nabij onder meer de Erasmus Universiteit is de projectlocatie bij uitstek geschikt voor de realisatie van studentenwoningen. Daar komt bij dat met de realisatie van studentenwoningen tegelijkertijd een goede regie op mobiliteit, parkeren en ontsluiting gevoerd kan worden. Uit de behandeling van de verkeer- en parkeeraspecten in paragraaf 4.10 van deze ruimtelijke onderbouwing volgt dat, de bijdrage van de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aan de bereikbaarheid van de wijk Fascinatio zeer beperkt is. De Fascinatio Boulevard ontsluit voornamelijk bestemmingsverkeer van het noordelijk deel van het Rivium. Op deze weg zal voldoende restcapaciteit aanwezig zijn om de (zeer) beperkte verkeerstoename zonder knelpunten te kunnen afwikkelen.

Opgemerkt wordt dat in het kader van de MIRT wordt gewerkt aan de oplossingen voor de bereikbaarheid van de wijk op de drukke momenten. Dit staat overigens los van de voorgenomen ontwikkeling, te meer nu het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de bereikbaarheid van de wijk nihil is. Daarnaast zal, gezien de ontwikkeling de realisatie van studentenkamers betreft, het drukste uur niet gelijk zijn met de reguliere ochtend- of avondspits, maar meer over de dag verspreid zijn. Verder zal er een goede regie zijn op het aspect parkeren. Gekozen is voor de variant waarin in eerste instantie de volledige parkeervraag van 79 parkeerplaatsen moet worden gerealiseerd. Indien uit monitoring blijkt dat er een lagere parkeervraag is, dan bestaat de mogelijkheid tot het vervallen en vergroenen van een aantal parkeerplaatsen. De parkeerdruk mag echter in geen geval hoger dan 90% zijn. De groene beleving van de projectlocatie zal met de voorgenomen ontwikkeling worden versterkt. Zoals in paragraaf 2.2 van deze ruimtelijke onderbouwing reeds is beschreven wordt het terrein aan de zijde van de Fascinatio Boulevard van zoveel mogelijk groen voorzien. Ten behoeve van de inpassing van het gebouw en om te bepalen in hoeverre het gebouw en omgeving nog meer vergroening kan plaats vinden is een landschapsarchitect ingeschakeld.

Deze gaat bekijken hoe de ontwikkeling in de grotere context aan kan sluiten op de nog te ontwikkelen groenstructuren en langzaam verkeerroutes in en rond de wijk.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 35

Het vierde onderdeel zoals beschreven in het RTPF (de entree van de wijk krijgt een hoogwaardige uitstraling) ziet toe op twee poortkavels, die nog een nadere invulling moeten krijgen. De projectlocatie is niet aangewezen als een van deze poortkavels. Tot slot is de projectlocatie op de themakaart ‘Projecten & ontwikkelingen’ opgenomen (kavel 2K4) als locatie waarop 400 studentenwoningen worden gerealiseerd. Mede naar aanleiding van het uitvoerige participatietraject, is de voorgenomen ontwikkeling er nu op gericht 342 eenheden voor studenten te realiseren. Figuur 25. Themakaart ‘Projecten & Ontwikkelingen’, projectlocatie ter plaatse van aanduiding 2K4 (bron: RTPF)

3.4.5.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het RTPF.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 36

4

OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING / LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Voor het beoogde bouwvolume is aansluiting gezocht bij de reeds bestaande bebouwingsmogelijkheden. De toekomstige bebouwing binnen de projectlocatie wordt voornamelijk binnen het bouwvlak gerealiseerd. De beperkte beoogde bebouwing buiten het bouwvlak kan volgens het vigerende bestemmingsplan worden toegestaan middels de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsregels. De maximale bouwhoogte bedraagt – circa 25 meter: hiermee wordt ruimschoots aan de maximale bouwhoogte van 25 meter toegestaan zoals conform het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. In figuur 26 is de locatie van de beoogde bebouwing weergegeven (uitgaande van de situatie op maaiveldniveau). Figuur 26. Projectlocatie (rood kader) met bouwplan i.c.m. bestemmingsplan en luchtfoto (QGIS eigen bewerking)

Door bebouwing van circa 22 meter te realiseren, wordt aangesloten bij de bestaande structuur. Op de gronden aan de oost- en westzijde van de projectlocatie is (planologisch gezien) bebouwing met een bouwhoogte van maximaal 25 meter toegestaan. Aan de zuidzijde van de projectlocatie is bebouwing van maximaal 32 meter toegestaan. Daarnaast wordt middels vormgeving, kleur en materiaal aangesloten bij de reeds aanwezige bebouwing. In figuur 27 is de huidige omliggende bebouwing weergegeven en in figuur 28 is een impressie van de toekomstige bebouwing binnen de projectlocatie opgenomen. In paragraaf 2.2 zijn de gemaakte keuzes ten aanzien van de inpassing van de bebouwing reeds nader toegelicht. Daaruit volgt dat zowel qua volume als uitstraling aansluiting is gezocht bij de reeds in de omgeving aanwezige bebouwing. Voor wat betreft de groene inpassing is een landschapsarchitect ingeschakeld. De invulling van de kavel wordt meegenomen in de visie voor de hele wijk. Figuur 27. Reeds aanwezige bebouwing in de omgeving (bron: Google Maps)

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 37

Figuur 28. Impressie toekomstige situatie, uitgaande van 79 parkeerplaatsen (bron: White House Development en Rotterdamse Ontwikkelings Maatschappij (ROM))

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting per 1 oktober2022 of 1 januari 2023 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland.

Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. Gemeentelijk beleid De gemeente Capelle aan den IJssel onderschrijft de uitwerking van het 'Verdrag van Malta': behoud van het archeologisch erfgoed waar mogelijk en documentatie waar nodig. Hierbij wordt aangesloten op het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. De gemeenteraad heeft op 20 september 2010 haar gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de Archeologische Kenmerkenkaart (AKK) en Archeologische Waardenkaart (AWK) belangrijke instrumenten vormen. De kaarten tonen de archeologische waarden en verwachtingen binnen het gemeentelijk grondgebied en geeft aan hoe de gemeente Capelle aan den IJssel daarmee wenst om te gaan.

Relatie tot ontwikkeling Archeologie Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is in het bestemmingsplan ”Fascinatio‐ Capelsebrug” een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” opgenomen. Op basis van deze dubbelbestemming vraagt het aspect archeologie om aandacht wanneer bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden). Daarbij geldt dat een omgevingsvergunning nodig is op het oment dat het gaat om werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 2 meter beneden NAP

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 38

en die tevens een terreinoppervlak groter dan 100 m² beslaan. Aangezien deze waarden worden overschreden is het palenplan aan het BOOR voorgelegd. Plantoets BOOR De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) heeft de eventuele noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van de voorgenomen grondwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw van een woongebouw aan de Fascinatio Boulevard te Capelle aan den IJssel beoordeeld. Aan de hand van de beoordeling is een advies opgesteld d.d. 9 maart 2021. Het advies is opgenomen in bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing.1 De afdeling Archeologie ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente Capelle aan den IJssel dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. Cultuurhistorie Ter plaatse en in de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De beoogde ontwikkeling voorziet dan ook niet in een aantasting van cultuurhistorische waarden.

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.

1

Opgemerkt wordt dat in het advies wordt gesproken over studentenwoningen of jongerenwoningen. Het realiseren van jongerenwoningen is thans niet meer aan de orde. Aangezien de omvang van de bodemverstorende werkzaamheden niet is gewijzigd ziet het advies nog steeds toe op de beoogde plannen.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 39

Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Functiemenging Indien sprake is van functiemenging wordt niet gewerkt met de systematiek waarbij gebruik wordt gemaakt van richtafstanden, zoals deze zijn opgenomen in tabel 1. In de VNG-publicatie geldt dit bijvoorbeeld ten aanzien van gebieden waar sprake is van een zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functie, ook wel gebieden waar sprake is van functiemenging. In dergelijke gebieden is de systematiek, waarbij richtafstanden gehanteerd worden niet geschikt. In bestaande gebieden waar sprake is van functiemenging wordt de Staat van Bedrijven (SvB) 'functiemenging' toegepast. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan:  stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;  horecaconcentratiegebieden;  zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen;  (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Daarnaast kan ook in (delen van) woongebieden waar enige vorm van bedrijvigheid aanwezig of gewenst is de SvB 'functiemenging' worden toegepast.

In de SvB ‘functiemening’ worden vier categorieën onderscheiden met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid van de betreffende functies:  Categorie A: bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn.  Categorie B1: bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn.  Categorie B2: bedrijfsactiviteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig afgescheiden van woningen/andere gevoelige functies. Bouwkundig afgescheiden betekent dat de panden los van elkaar moeten staan. Uitzondering hierop vormen binnenterreinen omringd door voornamelijk woningen: ook al zijn bedrijven bouwkundig afgescheiden van woningen, op deze locaties zijn hooguit categorie B1 bedrijven toegestaan.  Categorie C: activiteiten genoemd onder categorie B2, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 40

Relatie tot ontwikkeling Bedrijven en milieuzonering In het gebied rondom de projectlocatie zijn woningen, kantoren en bedrijven gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als een 'gemengd gebied'. De projectlocatie ligt in een strook met de bestemming 'Bedrijf' langs de Fascinatio Boulevard (waar het bestemmingsplan ”Fascinatio‐Capelsebrug” vigeert). Binnen deze strook zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan bedrijven uit ten hoogste categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'Fascinatio‐Capelsebrug' en kantoren toegestaan. Voor bedrijvigheid in milieucategorie 3.1 geldt binnen gemengd gebied een richtafstand van 50 meter. Aan deze richtafstand wordt met de voorgenomen ontwikkeling niet volledig voldaan. Op figuur 29 is weergegeven welke, planologische toegestane bedrijvigheid, binnen de richtafstand van 50 meter zijn gelegen. Voor deze gronden (binnen de richtafstand van 50 meter vanaf de projectlocatie) geldt dat de planologische verandering in beginsel waardevermindering tot gevolg kan hebben. Voor de overige gronden in het plangebied geldt dat voldaan wordt aan de richtafstand. Figuur 29. Richtafstand 50 meter gemeten vanuit projectlocatie (bron: QGIS, eigen bewerking)

Van richtafstanden kan conform de VNG-publicatie gemotiveerd worden afgeweken. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het in dat kader relevant om niet enkel de (maximale invulling van de) planologische situatie te beschouwen, maar ook de feitelijke situatie. In de feitelijke situatie zijn immers bedrijven in een lagere categorie aanwezig. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. Aan de noordzijde van de projectlocatie is op een afstand van ruim 50 meter een woonfunctie toegestaan. De te realiseren woonfunctie vormt geen belemmering voor de bestaande woningen, mede aangezien daarvoor geen sprake is van een richtafstand.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 41

Aan de oost-, en zuidzijde zijn in de feitelijke situatie kantoorpanden gesitueerd. In een gemengd gebied geldt op basis van de VNG Handreiking een richtafstand van 0 meter voor kantoren (SBI: 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82). Aan deze richtafstand wordt voldaan. De woningbouwontwikkeling zorgt niet voor een belemmering in uitvoering van de feitelijk aanwezige bedrijfsactiviteiten. Aan de westzijde van de projectlocatie is bebouwing gelegen waarbinnen diverse bedrijven zijn gevestigd. De bedrijvigheden in de feitelijke situatie zijn onder meer een fysiopraktijk, reclamebureau, dienstverlening, groothandel in hondenaccessoires en een kinderopvang. Ten hoogste is hier sprake van milieucategorie 2 (SBI: 8891 en 464, 46733), waarbij in gemengd gebied sprake is van een richtafstand van 10 meter. De bebouwing is gelegen op een afstand van circa 40 meter van de projectlocatie. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan en wordt de uitvoering van de in de omgeving aanwezige bedrijfsactiviteiten niet belemmerd door de realisatie van woningen op de projectlocatie. Functiemenging De projectlocatie kent in de huidige situatie de bestemming ‘Bedrijf’.

In de toekomstige situatie wordt een woongebouw met 13 woonfuncties waarin ruimte is voor 342 studentenkamers, met daarbij een fitnessruimte voor bewoners, gemeenschappelijke ruimten en bijbehorende (fiets)parkeergelegenheid gerealiseerd. De fitnessruimten voor de bewoners wordt in hetzelfde gebouw als de woningen gerealiseerd en zullen niet toegankelijk zijn voor derden. Deze functies zijn dermate ondergeschikt dat de aard en omvang van de activiteiten beperkt is. Aangezien de woningen en de activiteit bouwkundig van elkaar worden gescheiden vormen ze geen belemmering voor elkaar.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ter plaatse van de projectlocatie is een partijkeuring uitgevoerd door onderzoeksbureau Arnicon. De rapportage d.d. 21 februari 2020 is opgenomen in de bijlage 2 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Uit het vooronderzoek volgt de verwachting dat geen sprake is van sterke verontreinigingen. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN 5725, "Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek", oktober 2017.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 42

Uit www.dcmr.gisinternet.nl is gebleken dat er voorafgaand aan de bodemsanering diverse bodemonderzoeken zijn verricht. Deze onderzoeken en de documenten met betrekking tot de sanering zijn onder de code AA050200046 bij de DCMR geregistreerd. Op de locatie is na de realisatie van de leeflaag volgende bodemonderzoek uitgevoerd. 1) Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek in bodem ter plaatse van de Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel, Arnicon B.V., rapportnummer C19-476-O6, d.d. 28 januari 2020. Op het perceel is een leeflaag aangebracht met een dikte van 1,2 à 1,5 meter die een verontreinigd bodem afdekt. Tijdens het veldwerk is gebleken dat de leeflaag tot een diepte circa 1,2 à 1,5 m-mv aanwezig is, onder deze diepte wordt de baggerspecielaag waargenomen. In de leeflaag (0- 1,0 m-mv) zijn geen lichte bijmengingen met baksteen en beton waargenomen. In de opgegraven en geïnspecteerde grond zijn geen asbestverdachte materiaal waargenomen. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat grond (0-1,0 m-mv) van de leeflaag niet verontreinigd is met de stoffen uit het standaardpakket. De gehalten aan PFOA en PFOS in de bovengrond (0-0,5 m-mv) overschrijden de tijdelijke landelijke achtergrondwaarde niet. In de bovengrond (0-0,5 m-mv) zijn analytisch geen asbesthoudende materialen aangetroffen.

Uit het hiervoor genoemde bodemonderzoek blijkt dat de te onderzoeken partij grond waarschijnlijk uit zand bestaat. Vervolgens heeft veldonderzoek plaats gevonden. In de partij grond zijn gehalten PFOA (som) en PFOS (som) aangetoond die voldoen aan de Tijdelijke Landelijke Achtergrondwaarden. De overige gehalten (stoffen uit het standaardanalysepakket) voldoen aan de klasse ‘Achtergrondwaarde’. De grond kan op basis van het geactualiseerde “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” van 29 november 2019 worden toegepast ter plaatse van de onder meer bodemfuncties ‘wonen met tuin’. Aangezien – behalve het realiseren van heipalen – onder de leeflaag geen werkzaamheden zijn wordt niet verwacht dat het aspect bodem om nadere aandacht vraagt.

Conclusie Door de aangebrachte leeflaag staat het aspect bodem de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 43

een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.

In het Basisnet Weg en het Basisnet Waterzijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Relatie tot ontwikkeling Om te onderzoeken of aan de voor het aspect externe veiligheid geldende wetgeving kan worden voldaan is onderzoek uitgevoerd door AVIV d.d. 21 oktober 2021. De rapportage is opgenomen in de bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Met de berekeningen in de rapportage wordt inzicht gegeven in de risicosituatie (het plaatsgebonden risico en het groepsrisico) ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. De projectlocatie ligt binnen 200 meter van de N210 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op figuur 30 is de ligging van de projectlocatie ten opzichte van het te beschouwen deel van de N210 weergegeven.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 44

Figuur 30. Projectlocatie en N210 (bron: onderzoek AVIV)

Op basis van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: - Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. - Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico toe van 0,59 keer de oriëntatiewaarde in de huidige situatie tot 0,62 in de toekomstige situatie. - De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Opgemerkt wordt dat in het onderzoek is uitgegaan van 400 studentenwooneenheden. Aangezien wordt voorzien in 342 studentenwooneenheden zijn de resultaten representatief voor de beoogde ontwikkeling en is een worst case situatie als uitgangspunt gehanteerd in het onderzoek. Beperkte verantwoording groepsrisico vanwege ligging in het invloedsgebied N210 Voor het groepsrisico geldt geen harde norm maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht. Doordat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft en het groepsrisico met minder dan 10% toeneemt kan volstaan worden met een beknopte verantwoording van het groepsrisico.

De verantwoording is hieronder opgenomen. In de voorliggende situatie is het maatgevende ongevalsscenario 'toxisch gas'. De mogelijke maatregelen ten einde de zelfredzaamheid en de beheersbaarheid te bevorderen zullen zich dan ook voornamelijk op dit scenario moeten richten. Wat betreft de toxische wolk zijn eenvoudige maatregelen mogelijk, zoals centraal en eenvoudig uitschakelbare en afsluitbare ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. Naar verwachting zullen in zeer beperkte mate personen aanwezig zijn die niet zelfredzaam zijn. Indien dat wel het geval is zullen ze te allen tijde aanwezig onder leiding van een of meerdere zelfredzame volwassene. Op die manier kunnen ze onder leiding van deze volwassene(n) in veiligheid worden gebracht. Gezien voorgaande zal geen sprake zijn van een hoge concentratie van “verminderd zelfredzame” personen. Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van de projectlocatie. In het ontwerp zal rekening gehouden worden met vluchtwegen voor aanwezige

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 45

personen. Daarnaast zijn de ventilatievoorzieningen afsluitbaar en op wooneenheidniveau door de bewoner handmatig uit te schakelen. Verder worden de toekomstige bewoners goed geïnformeerd over hoe te handelen bij een calamiteit. Hiertoe zal een adequaat ontruimings- en alarmeringsplan opgesteld worden. Het is immers raadzaam om te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijde van een mogelijke ramp. Indien nodig zal tevens een calamiteitenplan opgesteld worden. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft aangegeven met de hiervoor benoemde maatregelen akkoord te gaan. Overige risicobronnen De projectlocatie is niet in het invloedsgebied van overige risicobronnen gelegen.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van één woongebouw met 13 woonfuncties, die ruimte bieden voor 342 kamers voor de kamergewijze verhuur voor studenten. Woningen zijn geluidsgevoelige objecten, waardoor akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. In onderhavig geval is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Alcedo d.d. 30 juni 2022, zie ook bijlage 7 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten zijn hieronder samengevat weergegeven. Rijksweg A16 De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Rijksweg A16 bedraagt ten hoogste 57 dB inclusief 2 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt ook de maximaal toelaatbare waarde van 53 dB (auto(snel)weg, buitenstedelijk).

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 46

Abram van Rijckevorselweg (N210) De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Abram van Rijckevorselweg bedraagt ten hoogste 59 dB inclusief 2 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt ook de maximaal toelaatbare waarde van 53 dB (auto(snel)weg, buitenstedelijk). Fascinatio Boulevard De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Fascinatio Boulevard bedraagt ten hoogste 53 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 63 dB niet. Rivium Boulevard De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Rivium Boulevard bedraagt ten hoogste 32 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gecumuleerde geluidsbelasting De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ter plaatse van de studentenkamers ten hoogste 63 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh. Er is geen sprake van relevante cumulatie ten gevolge van andere zoneringsplichtige geluidsbronnen.

In situaties waar nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen een geluidsbelasting ondervinden boven de voorkeursgrenswaarde, dient allereerst onderzocht te worden of deze geluidsbelasting gereduceerd kan worden door het treffen van maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied. Maatregelen Voor wat betreft vermindering van het wegverkeerslawaai kan gedacht worden aan verbetering van het wegdektype en/of het toepassen van schermen. Verbetering van het wegdektype brengt echter hoge kosten met zich mee en de initiatiefnemer heeft geen zeggenschap over de weg. Het plaatsen van een geluidsscherm of wal zijn in voorliggende situatie stedenbouwkundig niet wenselijk. Gelet op het voorgaande wordt overwogen dat het treffen van verdere maatregelen aan de wegen zelf of in de vorm van een afscherming redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Daarmee resteert het vaststellen van hogere waarden en het zorgen voor voldoende geluidswering zodat in de woningen sprake is van een aanvaardbaar binnenniveau. Gemeentelijk geluidsbeleid Burgemeester en wethouders kunnen hogere waarden vaststellen voor de woningen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Hierbij dient getoetst te worden aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidsbeleid. De toets aan het gemeentelijk geluidsbeleid is beschreven in paragraaf 3.5 van het akoestisch onderzoek.

Geluidluwe gevel en indeling ruimten Belangrijk criterium uit het geluidsbeleid is dat een woning met een hogere waarde ten minste één geluidsluwe zijde moet hebben. Het geluidsbeleid stelt ook dat het kan zijn dat niet alle woningen in een woongebouw hieraan kunnen voldoen. Als het bouwplan echter zodanig is vormgegeven, dat bovenstaande geldt voor het merendeel van de nieuw te realiseren woningen, dan kan gemotiveerd worden afgeweken voor die woningen. De geluidsbelasting op de voorgevel wordt bepaald door de Rijksweg A16 en de Fascinatio Boulevard. De afzonderlijke geluidsbelasting van deze twee geluidsbronnen is nergens hoger dan 53 dB. Hiermee wordt ter plaatse van de voorgevel voldaan aan het criterium van een geluidsluwe gevel. Dit geldt ook voor de linker zijgevel (oost zijde). Hier wordt de geluidsbelasting bepaald door de Abram Rijckevorselweg, deze is ter plaatse van de oostgevel niet hoger dan 53 dB. De geluidsbelasting op een groot deel van de achtergevel is

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 47

hoger dan 53 dB vanwege de Abram Rijckevorselweg. Hier wordt niet voldaan aan het criterium van een geluidsluwe gevel. De geluidsbelasting op de rechter zijgevel (westzijde) is ter plaatse van ongeveer de helft van de woningen achter deze gevel hoger dan 53 dB. Hier wordt niet voldaan aan het criterium van een geluidsluwe gevel. De andere helft, begane grond, 1e en 2e bouwlaag, zuidzijde voldoet wel aan het criterium van een geluidsluwe gevel. Voor alle woningen aan de binnenzijde, de zijde van de vide, geldt dat sprake is van een geluidsluwe gevel. Hiermee wordt op gebouwniveau voor het overgrote deel van de woningen voorzien in een geluidsluwe gevel en wordt derhalve op gebouwniveau aan de voorwaarde uit het geluidsbeleid voldaan. Geluidsluwe buitenruimte Voor de studentenkamers waarvoor geen sprake is van een geluidsluwe gevel en de woningen die niet zijn voorzien van een geluidsluwe buitenruimte wordt op gebouwniveau voorzien in gezamenlijke geluidsluwe buitenruimten. Deze bevinden zich ter plaatse van de vloer van de vide aan de binnenzijde van het gebouw en het begane grondniveau ter plaatse van de voorgevel aan de noordzijde van het gebouw. Ook aan rechterzijgevel en een groot deel van de linker zijgevel kunnen op begane grondniveau als geluidsluwe buitenruimte worden ingericht.

Daarnaast is er nog de mogelijkheid om het dak van het gebouw (gedeeltelijk) in te richten als gezamenlijke geluidsluwe buitenruimte. Hiervoor zijn geen nadere maatregelen in de vorm van afschermende voorzieningen ter plaatse van de dakranden noodzakelijk. Maximale grenswaarde (Dove gevels) De maximale grenswaarde van 53 dB (buiten stedelijke weg) wordt vanwege wegverkeer op de Rijksweg A16 en de Abram Rijckevorselweg op meerdere beoordelingspunten overschreden. Hierdoor kan volgens het gemeentelijk geluidsbeleid nieuwbouw onder voorwaarden doorgang vinden door het studentvestigingscomplex te voorzien van dove gevels. Ter plaatse van de rechterzijgevel betreft dit 15 van de totaal 54 woningen vanaf de 4e bouwlaag (beoordelingshoogte 10,5 meter) vanwege het wegverkeer van de Rijksweg A16. Ter plaatse van de achtergevel betreft dit 67 van de totaal 84 woningen. Ter plaatse van de overige woningen in de achtergevel en rechter zijgevel en de woningen in de voorgevel en de linker zijgevel is sprake van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van de afzonderlijke wegen maar wordt wel voldaan aan de maximale grenswaarde (geel) en wordt ook voldaan aan het criterium van een geluidsluwe gevel volgens het gemeentelijk geluidsbeleid.

Hiervoor dienen hogere waarden te worden vastgesteld Geluidsluw spuien De woningen met een dove gevel (gevel zonder te openen delen) zullen moeten worden voorzien van voldoende spuicapaciteit om te kunnen voldoen aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen ten aanzien van de spuiventilatie. Om via deze gevels toch te kunnen spuien wordt een geveldeel gecreëerd waar ten gevolge van de betreffende wegen de maximale grenswaarde voor de geluidsbelasting niet wordt overschreden. De gevels waar de maximaal toegestane grenswaarde wordt overschreden zijn de achtergevel (zuid) waar de geluidsbelasting ten gevolge van de Abram Rijckevorselweg maximaal 59 dB bedraagt en de rechter zijgevel (west) waarde geluidsbelasting ten gevolge van de rijksweg A16 maximaal 57 dB bedraagt. De ten hoogste toelaatbare hogere grenswaarde bedraagt voor beide wegen 53 dB. De geluidsbelasting ter plaatse van het geveldeel wat gebruikt zal worden ten behoeve van spuiventilatie dient met 6 dB gereduceerd te worden. Het principe betreft een houten roosterconstructie met daarachter een geluidsgedempt rooster. Het geluidsgedempte rooster is vanaf de buitenzijde vrijwel niet zichtbaar door het houten voorzetrooster. Aangezien het te openen deel wordt gebruikt als spuivoorziening, moeten de afmetingen van het rooster worden afgestemd op de vereiste spuicapaciteit.

De hoogte van het rooster is volgens opgave van de architect 1,6 meter. De vrije doorlaat van een Alara-Lukagro rooster AL-R/150 is bij deze hoogte 46%. Conform de berekeningen van de benodigde spuiventilatie (zie rapport Alcedo 20217173.R02 d.d. 8 april 2021, onderdeel van aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen) dient de minimale vrije doorlaat 0,43 m2 te zijn per kamer. Rekening houdend met de netto vrije doorlaat van 46% is dus een roosteroppervlakte

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 48

van 0,43/0,46 = 0,94 m2 nodig. Bij een roosterhoogte van 1,6 m wordt dit bereikt met een roosterbreedte van 0,59 m. Aan de buitenzijde van het geluidsdempende rooster wordt een houten regelwerk geplaatst. Voor een ongestoorde ventilatie, dient dit regelwerk op minimaal 10 centimeter afstand van het ventilatierooster te worden geplaatst. Bovendien dient de opening tussen de regels minimaal gelijk zijn aan het oppervlak van de regels zelf (netto opening dus minimaal 50%). Gecumuleerde geluidsbelasting Op de voorgevel bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting 58 tot 59 dB. Op de rechter zijgevel is dit 52 tot 62 dB. Op de achtergevel bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting 56 tot 63 dB. Op de linker zijgevel bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting 54 tot 58 dB hier is sprake van ‘Matig’ tot ‘Tamelijk slecht’. Op de gevels aan de binnenzijde, ter plaatse van de vide bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting 41 tot 48 dB. Op basis van de kwantificatie volgens het gemeentelijk wordt het akoestisch klimaat op de buitengevels beoordeeld als ‘Redelijk tot ‘Tamelijk slecht’. Ter plaatse van de gevels aan de binnenzijde wordt het akoestisch klimaat op de buitengevels beoordeeld als ‘Goed’. Nergens wordt de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 68 dB (voor aftrek art 110g Wgh) voor stedelijke wegen overschreden.

Hogere grenswaarden Gelet op voorgaande wordt door Alcedo geadviseerd om burgemeester en wethouders te verzoeken hogere grenswaarden vast te stellen voor de beoordelingspunten waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De hogere waarden dienen per bouwlaag en per gevel oriëntatie te worden aangevraagd. In de tabel in onderstaand figuur zijn de aan te vragen hogere waarden opgenomen:

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 49

Voor de woningen waarvoor hogere waarden worden vastgesteld dient te worden aangetoond dat de gevelisolatie van de woningen voldoet aan de eisen conform afdeling 3.1 uit het Bouwbesluit. Conform het Bouwbesluit dient de geluidsisolatie van een nieuwbouw woning in een verblijfsgebied minimaal 20 dB te bedragen met een binnenwaarde van ten hoogste 33 dB. Met de huidige standaard bouwconstructies en materialen kan ervan worden uitgegaan dat tot en met een geluidsbelasting van 53 dB exclusief correctie conform artikel 110g Wgh aan deze eis wordt voldaan. Dit betreft alleen de woningen aan de zijde van de vide. Voor de woningen aan de buitenzijde, met een gecumuleerde geluidsbelasting hoger dan 53 dB (excl. correctie art. 110g Wgh), dient aanvullend onderzoek naar de geluidswering van de gevel uitgevoerd te worden. Zo nodig dienen geluidsisolerende maatregelen getroffen te worden om te kunnen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit en om een goed woon- en leefklimaat in de woning te garanderen. Dit nader onderzoek dient te worden ingediend bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

Conclusie In het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat hogere waarden verleend dienen te worden. Het overgrote deel van de studentenkamers voldoet aan de voorwaarde van een geluidsluwe gevel. Daarbij wordt voorzien in gezamenlijke geluidsluwe buitenruimten. Op deze wijze wordt op gebouwniveau aan de voorwaarde uit het geluidsbeleid voldaan. Gezien voorgaande kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het woongebouw sprake zal zijn van een acceptabele woon- en leefklimaat.

KABELS EN HOOGSPANNINGSLEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11922204/1