CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

05.02 - Nota Parkeernormen 2025

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 23 september 2025, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Nota Parkeernormen18.384 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3

Bepaling parkeerdruk door uitvoering van parkeerdrukonderzoek: • Opstellen gebiedsindeling (straatsecties). • Vaststellen openbare parkeercapaciteit op basis van richtlijnen CROW. • Vaststellen bezetting: totaal aantal (goed en fout) geparkeerde voertuigen in openbaar gebied. De meetmomenten moeten aansluiten bij het gebruikspatroon van de aanwezige functies binnen het gebied. De exacte meetmomenten worden bepaald en vastgelegd in het op te stellen telplan dat voor het onderzoek wordt opgesteld. Overige voorwaarden zijn: o Parkeertelling minimaal 2 meetmomenten laten uitvoeren. Indien er grote verschillen in de parkeerdruk (>10%) zijn in de resultaten, één extra telling. o Alleen tellen buiten vakantieperiodes, evenementen en feestdagen; • Indien de parkeerdruk tijdens een van de meetmomenten hoger is dan 90%; kan worden gestart met een draagvlakmeting onder bewoners en eigenaren. Ook hier geldt: er dient te worden gekeken naar de parkeerdruk in een samenhangend gebied, rekening houdend met de geldende maximale loopstafstanden (en niet op straatniveau).

4

Afweging reguleringsvorm Opstellen van een inventarisatie en afweging van de mogelijke vormen van regulering en de daarbij te maken keuzes (welk gebied, welke dagen, welke tijden, welke doelgroepen). Deze inventarisatie kan deel uitmaken van de draagvlakmeting, in die zin dat deze keuzes ook aan belanghebbenden kunnen worden voorgelegd.

27

5

Draagvlakmeting: • • • • •

De draagvlakmeting is digitaal en gaat naar iedere bewoner en/of eigenaar die staat geregistreerd in het onderzoeksgebied. Ieder adres geldt als 1 respondent en krijgt een unieke code toegestuurd die eenmaal kan worden gebruikt. De draagvlakmeting is anoniem. De draagvlakmeting is geldig bij een respons van minimaal 30% en er is sprake van voldoende draagvlak bij een meerderheid van 50%+1. De draagvlakmeting geeft respondenten ook de mogelijkheid suggesties om te doen. De resultaten worden gedeeld met alle bewoners en eigenaren binnen het onderzoeksgebied.

6a

Invoering Als de voorgaande stappen zijn doorlopen en aan alle voorwaarden is voldaan, wordt de parkeerregulering ingevoerd binnen 12 maanden na afronding van de draagvlakmeting. De vervolgstappen zijn: a. Aanwijzingsbesluit college b. Implementatie: o Publicatie via de beschikbare kanalen (internet, brief, etc.) o (bij keuze voor vergunningensysteem) Aanvraag en toetsing parkeervergunningen (maximaal 2 maanden) o Plaatsen aankondigingsborden in het gebied tijdig voor ingangsdatum

6b

Als niet wordt voldaan aan alle voorwaarden, dan wordt de eerste 3 jaar na afronding van het voorgaande traject geen nieuw traject gestart. Uitzondering is als de situatie binnen deze 3 jaar zodanig verandert dat de gemeente hier toch aanleiding voor ziet.

28

Bijlagen Bijlage 1:

Gebiedsindeling

Bijlage 2:

Parkeernormen auto

Bijlage 3:

Parkeernormen fiets

Bijlage 4:

Rekenvoorbeelden

Bijlage 5:

Kwaliteitseisen fietsenstalling

29

Bijlage 1 – Gebiedsindeling

30

Bijlage 2 – Parkeernormen auto Wonen In onderstaande tabel zijn de parkeernormen voor woonfuncties weergegeven. Er wordt op hoofdlijnen onderscheid gemaakt in grondgebonden woningen enerzijds en meergezinswoningen (MGM) c.q. gestapelde woningen of appartementen anderzijds. Binnen de grondgebonden woningen wordt gedifferentieerd naar type woning. Bij meergezinswoningen wordt gedifferentieerd naar de omvang van de woning. De daarbij gehanteerde maat is de Gebruiksoppervlakte (GBO of GO). De prijs per vierkante meter is in de vastgoedwereld ook gebaseerd op de GBO. De gebruiksoppervlakte wordt vastgesteld volgens de NEN 2580. De GBO is in principe het totale vloeroppervlakte tussen de omsluitende wanden minus vaste obstakels van omvang (voor verdere informatie; zie de betreffende NEN). In de tabel voor de functie Wonen zijn het bewonersdeel en het bezoekersdeel afzonderlijk weergegeven. Het bezoekersdeel is geen onderdeel van het bewonersdeel. Voor de normatieve, totale parkeernorm (dus nog zonder rekening te houden met mogelijk dubbelgebruik) moeten beide bij elkaar worden opgeteld. Het onderscheid is onder meer relevant om te bepalen welk deel van de parkeervraag voor bezoekers toegankelijk moet zijn. De volgende definities zijn van toepassing: Meergezinswoning (MGW): elke woning die samen met andere woonruimten c.q. bedrijfsruimten een geheel pand vormt.

Hieronder vallen flats, galerij-, portiek-, beneden- en bovenwoningen, appartementen en woningen boven bedrijfsruimten, voor zover deze zijn voorzien van een buiten de bedrijfsruimte gelegen toegangsdeur. Sociale huur: sociale huurwoning met een huur onder de liberalisatiegrens (ongeacht of het een grondgebonden woning betreft of een appartement). Sociale huur heeft een eigen plaats in de parkeernormen, met als doel om hiervoor de best passende parkeernorm te hanteren en daarmee (financieel en ruimtelijk) de realisatie van sociale huurwoningen met betrekking tot parkeren te faciliteren. Tiny house: een relatief kleine, volwaardige en vrijstaande woning met een GBO van maximaal 50 m2, met een naar verhouding kleine ecologische voetafdruk doordat de woning in meer of mindere mate zelfvoorzienend is. In een tiny house wordt permanent gewoond en het betreft dus geen recreatiewoning. Studentenwoning/kamer: een voor studenten bedoelde woning of kamer, geoormerkt met een campuscontract (een huurovereenkomst voor studenten waarin als eis wordt gesteld dat de huurder ingeschreven moet staan bij een onderwijsinstelling). De parkeernorm geldt per kamer; in het geval van een studentenwoning met meerdere kamers (wooneenheden) dient in de berekening van de parkeereis te worden uitgegaan van het aantal kamers.

Kamerverhuur: een woonvorm waarbij sprake is van een woonruimte die via een gemeenschappelijke toegang bereikt kan worden zonder eigen voordeur en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gemeenschappelijke dagelijkse voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte.

31

Zone A

Zone B

bewoners

bezoek

bewoners

bezoek

Vrijstaand

1,3

0,1

1,9

0,15

2 onder 1 kap

1,2

0,1

1,8

0,15

Tussen-/hoekwoning

1,1

0,1

1,6

0,15

Tiny house

0,2

0,1

0,5

0,15

< 51 m2

0,5

0,1

0,8

0,15

51 – 80 m2

0,7

0,1

1,0

0,15

81 – 100 m2

1,0

0,1

1,2

0,15

101 -120 m2

1,2

0,1

1,5

0,15

> 120 m2

1,3

0,1

1,7

0,15

Sociale huurwoning

0,6

0,1

0,6

0,1

Aanleunwoning/serviceflat

0,3

0,1

0,8

0,15

Studentenwoning/kamer

0,1

0,1

0,1

0,15

Kamerverhuur

0,2

0,1

0,4

0,15

Grondgebonden:

Meergezinswoningen (MGW), niet sociaal (m2 GBO):

32

Werken In onderstaande tabel zijn de parkeernormen voor werkgelegenheidsfuncties weergegeven. Het bezoekersaandeel is weergegeven als percentage en onderdeel van de weergegeven normen. Dit is van belang om te bepalen welk deel van de parkeerplaatsen voor bezoek toegankelijk moet zijn (bijvoorbeeld als werknemers in een garage staan of achter een slagboom op een voor bezoek niet toegankelijk parkeerterrein). Voor kantoren wordt onderscheid gemaakt tussen kantoren zonder baliefunctie (administratief en zakelijk, parkeervraag met name van personeel) en kantoren met baliefunctie (commerciële dienstverlening met bezoekende klanten). Kantoren met baliefunctie hebben een hogere parkeernorm door het grotere aantal bezoekers/ klanten. Als uit de aanvraag niet duidelijk is welke van de twee functies het betreft, of als gebruik als kantoor met baliefunctie niet wordt uitgesloten, dan dient hiervan te worden uitgegaan. Onder een bedrijfsverzamelgebouw wordt verstaan een gelijkwaardige mix van kantoren (zonder baliefunctie), arbeidsextensieve en arbeidsintensieve bedrijven. Per 100 m2 BVO

Parkeernorm

bezoek

Zone A

Zone B

Kantoor zonder baliefunctie

0,9

1,7

5%

Kantoor, baliefunctie

1,2

2,3

20%

Bedrijf, arbeidsintensief, bezoekersextensief (*)

2,3

2,2

5%

Bedrijf, arbeidsextensief, bezoekersextensief (*)

0,6

1,0

5%

Bedrijfsverzamelgebouw *

0,9

1,6

5%

Opslagruimte (particulier en per vestiging)

n.v.t.

10,0

-

(*) De parkeernorm is exclusief vrachtwagenparkeren. De parkeerbehoefte voor vrachtverkeer verschilt sterk per (type) bedrijf. Vrachtwagenparkeren dient altijd onderdeel te zijn van de parkeeronderbouwing c.q. ruimtelijke onderbouwing als het een bedrijf betreft dat vrachtverkeer genereert.

33

Winkelen en boodschappen In onderstaande tabel zijn de parkeernormen voor de groep winkelen en boodschappen weergegeven. Het bezoekersaandeel is weergegeven als percentage en onderdeel van de weergegeven normen. Voor de meer uitgebreide beschrijving van de hier genoemde functies en voorbeelden wordt verwezen naar de CROW-parkeerkencijfers 2024. Voor het centrumgebied is in een aantal cellen “niet van toepassing” opgenomen. Dit is omdat deze functies in de regel niet in een centrumgebied voorkomen. Per 100 m2 BVO

Parkeernorm

bezoek

Zone A

Zone B

Buurtsupermarkt

1,4

3,4

89%

Fullservice supermarkt

2,7

5,2

93%

Grote of XL-supermarkt

5,1

7,7

84%

Groothandel specialist

n.v.t.

5,9

80%

Groothandel algemeen

n.v.t.

6,4

80%

Binnenstad of hoofdwinkel(stads)centrum

3,4

n.v.t.

92%

Wijkwinkelcentrum, klein

n.v.t.

4,5

76%

Wijkwinkelcentrum, middel

n.v.t.

5,1

79%

Wijkwinkelcentrum, groot

n.v.t.

5,7

81%

Weekmarkt

0,2

0,2

85%

Kringloopwinkel

n.v.t.

1,7

89%

Bruin- en/of witgoedzaak

3,1

7,4

92%

Woonwarenhuis/woonwinkel

0,9

1,7

91%

Woonwarenhuis (zeer groot)

n.v.t.

4,8

95%

Meubelboulevard/woonboulevard

n.v.t.

2,3

93%

Winkelboulevard

n.v.t.

4,0

94%

Outletcentrum

n.v.t.

9,6

94%

Bouwmarkt

n.v.t.

2,3

87%

Tuincentrum/groencentrum

n.v.t.

2,6

89%

Voor winkelfuncties in winkelcentrum ‘De Koperwiek’ gelden de parkeernormen zoals genoemd voor ‘Binnenstad’. Voor winkelfuncties in winkelcentrum ‘de Terp’ en ‘de Scholver’ gelden de parkeernormen zoals genoemd voor ‘Wijkwinkelcentrum middel’. Voor winkelfuncties in de buurtcentra ‘Puccinipassage’ en ’Slotlaan’ gelden de parkeernormen zoals genoemd voor ‘Wijkwinkelcentrum klein’. De winkelcentra/winkelstraten buiten de hoofdstructuur (Maria Daneelserf, Doormanstraat, Bermweg de Luifel en Kanaalweg) en solitair gelegen winkels worden per winkelsoort beschouwd.

34

Sport, cultuur en ontspanning In onderstaande tabel zijn de parkeernormen voor de groep sport, cultuur en ontspanning weergegeven. Het bezoekersaandeel is weergegeven als percentage van de norm. Voor de meer uitgebreide beschrijving van de hier genoemde functies en voorbeelden wordt verwezen naar CROW-publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024’. Voor het centrumgebied is in een aantal cellen “niet van toepassing” opgenomen. Dit is omdat deze functies in de regel niet in een centrumgebied voorkomen. Een gymzaal is een accommodatie met een sportvloer van ongeveer 300 m2 zonder horeca. Een sporthal heeft meer dan 900 m2 zaaloppervlak, bedoeld voor verschillende sporten en omvat in de praktijk ook vaak horeca. Een sportzaal zit daar tussenin qua gebruiksuren, douchen en horeca. Per 100 m2 BVO, tenzij anders vermeld

Parkeernorm

bezoek

Zone A

Zone B

Bibliotheek

0,4

1,1

97%

Museum

0,4

1,0

95%

Bioscoop (*)

2,6

11,0

94%

Filmtheater/filmhuis (*)

2,0

7,7

97%

Theater/schouwburg (*)

6,7

9,8

87%

Musicaltheater

2,6

3,9

86%

Casino

5,2

6,5

86%

Bowlingcentrum (per baan)

1,2

2,8

89%

Biljart/snookercentrum (per tafel)

0,7

1,4

87%

Dansstudio

1,2

4,4

93%

Fitness/sportschool

1,1

4,7

87%

Fitnesscentrum

1,3

6,2

90%

Wellness/beautycentrum

n.v.t.

9,3

99%

Sauna/hammam

2,1

6,6

99%

Sporthal

1,5

2,7

96%

Sportzaal, gymzaal

1,1

2,7

94%

Tennishal

0,3

0,5

87%

Padelhal

0,4

0,7

87%

Squashhal

1,5

2,7

84%

Zwembad, overdekt (per 100 m2 bad)

n.v.t.

11,5

97%

Zwembad, open lucht (per 100 m2 bad)

n.v.t.

12,9

99%

Sportveld (per ha netto terrein) (**)

13,0

13,0

95%

Kunstijsbaan (kleiner dan 400 m)

1,2

1,7

98%

Jachthaven (per ligplaats)

0,6

0,6

-

35

Golfbaan (per 18 holes; 60 ha.)

n.v.t.

95,0

98%

Indoorspeeltuin/kinderspeelhal (gemiddeld)

2,9

4,4

97%

Indoorspeeltuin/kinderspeelhal (groot)

3,5

5,3

98%

Indoorspeeltuin/kinderspeelhal (zeer groot)

3,7

5,5

98%

Kinder-/stadsboerderij (per boerderij)

2,9

4,4

97%

Volkstuin (per 10 tuinen)

n.v.t.

1,4

100%

(*) Indien aan de orde moet voor deze functies rekening worden gehouden met overlap tussen twee opeenvolgende voorstellingen. Hiervoor geldt in dat geval de opslag op de parkeernorm, zoals opgenomen in de CROW-publicatie Parkeerkencijfers 2024. (**) Exclusief kantine, kleedruimte, oefenveldje en toiletten. Voor bepaalde functies is in de landelijke kentallen opgenomen dat het globale kentallen betreft en wordt aangeraden een maatwerkonderbouwing c.q. nader onderbouwing op te stellen. Daar waar dat aan de orde is, kan de gemeente een meer specifieke, maatwerkonderbouwing eisen. Horeca en recreatie Voor restaurants etc. dient het terrasoppervlakte te worden meegerekend in de bepaling van het oppervlakte (BVO). Per 100 m2 BVO, tenzij anders vermeld

Parkeernorm

bezoek

Zone A

Zone B

Bungalowpark (per bungalow)

n.v.t.

1,6

91%

1* hotel (per 10 kamers)

0,4

2,3

77%

2* hotel (per 10 kamers)

1,4

3,9

80%

3* hotel (per 10 kamers)

2,0

4,7

77%

4* hotel (per 10 kamers)

3,2

6,8

73%

5* hotel (per 10 kamers)

5,0

10,1

65%

Café/bar/cafetaria

5,0

6,0

90%

Restaurant

9,0

13,0

80%

Discotheek

3,6

18,4

99%

Evenementenhal/congresgebouw

4,0

7,5

99%

Voor een fastfoodrestaurant geldt dat de norm voor een restaurant kan worden gebruikt; het aantal gelijktijdig aanwezige bezoekers en het verplaatsingsgedrag zijn vergelijkbaar. Voor bepaalde functies is in de landelijke kentallen opgenomen dat het globale kentallen betreft en wordt aangeraden een maatwerkonderbouwing c.q. nader onderbouwing op te stellen. Daar waar dat aan de orde is, kan de gemeente een meer specifieke, maatwerkonderbouwing eisen.

36

Gezondheidszorg en maatschappelijke voorzieningen De weergegeven norm is voor personeel en bezoek samen, dus de totale norm. Het aandeel bezoek daarvan is vervolgens apart vermeld, als onderdeel van de parkeernorm. Parkeernorm

bezoek

Zone A

Zone B

Huisartsenpraktijk (per behandelkamer)

1,7

3,0

57%

Apotheek (per locatie)

2,1

3,2

45%

Fysiotherapie (per behandelkamer)

1,0

1,8

57%

Consultatiebureau (per behandelkamer)

1,1

1,9

50%

Consultatiebureau voor ouderen (per kamer)

1,2

1,9

38%

Tandartspraktijk (per behandelkamer)

1,4

2,4

47%

Gezondheidscentrum (per behandelkamer)

1,3

2,2

55%

Ziekenhuis (per 100 m2 BVO)

1,2

1,7

-

Crematorium (per gelijktijdige plechtigheid)

n.v.t.

30,1

99%

Begraafplaats (per gelijktijdige plechtigheid)

n.v.t.

31,6

97%

Kerk/moskee/tempel (per zitplaats)

0,2

0,2

-

Verpleeg/verzorgingstehuis (per wooneenheid)

0,5

0,6

60%

Voor de functie ziekenhuis is een algemene norm weergegeven gebaseerd op een gemiddeld gebruik. De parkeervraag hangt sterk af van het type ziekenhuis en de verhouding tussen de verschillende soorten zorg, bijvoorbeeld klinische en poliklinische zorg. Bovendien is zichtbaar dat de manier waarop ziekenhuizen hun zorg aanbieden verandert: een steeds groter deel van de poliklinische zorg wordt op afstand gegeven. Om hiermee om te gaan kan in plaats van de hier opgenomen norm voor de functie ziekenhuis, aansluiting worden gezocht bij de parkeerkencijfers van het College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen (CBZ), indien initiatiefnemer kan onderbouwen dat deze beter passend zijn. De kencijfers van het CBZ zijn meer specifiek gericht op de productiecijfers van een ziekenhuis – voor zowel bezoekers en patiënten als voor personeel.

Daarnaast geeft de CROW-publicatie parkeerkencijfers 2024 de volgende kentallen voor een berekening: bezoekers van klinische patiënten: 0,5 parkeerplaats per bed bij beperkt aantal bezoekuren per dag, 0,25 parkeerplaats per bed bij gespreide bezoektijden dagverplegings- respectievelijk deeltijdbehandelingspatiënten: 0,5 parkeerplaats per bed respectievelijk plaats medewerkers: 0,25 parkeerplaats per formatieplaats (voor elke ambulante behandelaar 1 parkeerplaats Voor bepaalde functies is in de landelijke kentallen opgenomen dat het globale kentallen betreft en wordt aangeraden een maatwerkonderbouwing c.q. nader onderbouwing op te stellen. Daar waar dat aan de orde is, kan de gemeente een meer specifieke, maatwerkonderbouwing eisen.

37

Onderwijs In de onderstaande normen is voor de functie kinderdagverblijf en basisschool geen bezoekersaandeel opgenomen. De weergegeven normen zijn uitsluitend voor het parkeren van personeel en exclusief het halen en brengen van kinderen. Voor het halen en brengen worden de rekenregels Kiss & Ride van het CROW gehanteerd. Deze zijn hieronder opgenomen en toegelicht. In bijlage 4 is een rekenvoorbeeld opgenomen van de toepassing van deze rekenregels. Parkeernorm

bezoek

Zone A

Zone B

Kinderdagverblijf (per 100 m2 BVO)

0,8

1,2

0%

Basisschool (per leslokaal)

0,7

0,9

48%

Middelbare school (per 100 leerlingen) (*)

3,0

4,3

11%

ROC (per 100 leerlingen, studenten)

3,8

5,2

7%

Hogeschool/HBO (per 100 leerlingen, studenten)

7,5

9,5

72%

Universiteit (per 100 leerlingen, studenten)

10,6

14,7

48%

Avond-/vrijetijdsonderwijs (per 10 leerlingen)

3,6

6,0

95%

(*) Bezoekers zijn leerlingen/studenten.

38

Rekenregels Kiss & Ride bij kinderdagverblijven en basisscholen In het algemeen: de voor Kiss & Ride benodigde capaciteit wordt bepaald door de volgende formule: Aantal leerlingen * % leerlingen met de auto * reductiefactor parkeerduur * reductiefactor aantal kinderen per auto Voor de reductiefactor parkeerduur geldt: - Groepen 1 t/m 3: gemiddeld 10 min. in een periode van 20 min. = 0,50 - Groepen 4 t/m 8: gemiddeld 2,5 min. in een periode van 10 min. = 0,25 - Kinderdagverblijf: gemiddeld 15 min. in een periode van 60 min. = 0,25 Voor de reductiefactor aantal kinderen per auto geldt: - Groepen 1 t/m 3 = 0,75 - Groepen 4 t/m 8 = 0,85 - Kinderdagverblijf = 0,75 Het percentage leerlingen dat wordt gebracht en gehaald is onder meer afhankelijk van de stedelijksheidsgraad, de stedelijke zone en de gemiddelde afstand naar school. Gemiddeld ligt het percentage op: - Groepen 1 t/m 3: 30 - 60% - Groepen 4 t/m 8: 5 - 40% - Kinderdagverblijf: 50 - 80% Idealiter wordt dit percentage zo goed mogelijk benaderd door onderzoek bij de bestaande school in het geval van verhuizing of uitbreiding of op basis van referentieonderzoek bij een vergelijkbare school. Bij voldoende scheiding in aanvangs- en eindtijden (minstens 15 min.) hoeft de parkeervraag voor Kiss & Ride voor verschillende scholen die naast elkaar zitten, niet bij elkaar te worden opgeteld.

39

Bijlage 3 – Parkeernormen fiets [Dit hoofdstuk is op veel punten gewijzigd, met verwerking van de Capelse Bouwbrief en omdat in de nieuwe CROW-cijfers meer functies zijn opgenomen. Daarom zijn hier niet alle afzonderlijke wijzigingen geel gemarkeerd]. Wonen Fietsparkeernormen in relatie tot het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Voor fietsparkeernormen bij woonfuncties zijn de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) van toepassing. Het Bbl borgt dat iedere woning is voorzien van een berging. Deze berging dient ook voor het stallen van fietsen en/of scootmobielen van de bewoners. Het volgende is in het Bbl opgenomen: • • •

Een woonfunctie heeft als nevengebruiksfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 bij een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte daarboven van ten minste 2,3 m. In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 de bergruimte gemeenschappelijk zijn als de vloeroppervlakte van de bergruimte ten minste 1,5 m2 per woonfunctie bedraagt. Een bergruimte als bedoeld in dit artikel is vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar via het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte.

Kortom: iedere woning van meer dan 50 m2 moet een niet-gemeenschappelijke berging hebben, met genoemde afmetingen, die mede dient voor het stallen van de fietsen en scootmobielen van de bewoners. Capelse Bouwbrief: voorwaarden voor een gelijkwaardige maatregel Regelmatig krijgt de gemeente het verzoek om bij ruimtelijke ontwikkelingen een andere oplossing toe te staan, met een gemeenschappelijke fietsenstalling in combinatie met een kleinere bergruimte in de woning. De Omgevingswet spreekt hier over ‘gelijkwaardigheid’ of ‘een gelijkwaardige maatregel’. De gemeente Capelle aan den IJssel staat hiervoor open omdat de ervaring is dat een gemeenschappelijke fietsenstalling beter wordt gebruikt, op deze manier een passend aantal stallingsplekken kan worden aangeboden en omdat hiermee meer mogelijkheden ontstaan voor een betere ruimtelijke inpassing van het gebouw. Met een beroep op gelijkwaardigheid is het mogelijk om af te wijken van het Bbl. Veel gemeenten maken dit mogelijk middels een zogenaamde ‘Bouwbrief’. Capelle aan den IJssel maakt het toepassen van een gelijkwaardige maatregel eveneens mogelijk. De voorwaarden hiervoor zijn vastgelegd in de publicatie ‘Capelse Bouwbrief; Voorwaarden gelijkwaardigheid bergruimten woongebouwen’. Indien een initiatiefnemer een beroep wil doen op gelijkwaardigheid, zijn de in de Capelse Bouwbrief opgenomen bepalingen van toepassing.

De Capelse Bouwbrief is van toepassing op de ontwikkelingen van meergezinswoningen c.q. appartementen en geldt niet voor grondgebonden woningen. Fietsparkeernormen voor bewoners Als conform het Bbl een woning (van meer dan 50 m2) wordt voorzien van een berging, dan voorziet die berging in de stallingsruimte voor de bewoners en er gelden dan geen specifieke fietsparkeernormen.

40

Bij het toepassen van een gelijkwaardige maatregel, onder de voorwaarden zoals beschreven in de Capelse Bouwbrief, gelden de volgende fietsparkeernormen voor bewoners, voor het stallen van fietsen in een gezamenlijke fietsenstalling. Hierin wordt geen onderscheid gemaakt tussen koop-, huur en sociale huur appartementen. Woonfunctie (m2 GBO)

Zone A

Zone B

< 51 m2

2,0

2,0

51 – 80 m2

3,0

3,0

81 – 100 m2

4,0

4,0

101 -120 m2

4,0

4,0

> 120 m2

5,0

5,0

Aanleunwoning/serviceflat

2,0

2,0

Studentenwoning/kamer

1,0

1,0

Kamerverhuur

1,0

1,0

Meergezinswoningen

Zie verder bijlage 5 van deze nota voor de eisen die aan de inrichting, bereikbaarheid en toegankelijkheid van een gemeenschappelijke stalling worden gesteld. Fietsparkeernormen voor bezoekers Naast genoeg fietsenstallingsplaatsen voor de bewoners, dient er ook te worden voorzien in genoeg fietsenstallingsplaatsen voor bezoekers. Bezoekersplaatsen dienen laagdrempelig voor bezoek toegankelijk en herkenbaar te zijn. Dat kan in de openbare ruimte bij het woongebouw of buiten op het eigen terrein bij het gebouw. Voor bezoekersparkeren geldt geen dubbelgebruik ten opzichte van het stallen door bewoners. Voor fietsparkeren voor bezoekers bij woongebouwen gelden de volgende normen: Voor de eerste 10 woningen is de norm:

1,0 fietsparkeerplaats per woning

Voor de volgende 10 woningen is de norm:

0,3 fietsparkeerplaats per woning

Voor iedere woning boven de 20 woningen geldt:

0,2 fietsparkeerplaats per woning

Rekenvoorbeelden: Voor een appartementengebouw met 12 woningen geldt: eerste 10 woningen * 1,0 =10 plaatsen plus 2 woningen * 0,3 = 0,6 plaatsen. Totaal: 11 plaatsen voor bezoek Voor een appartementengebouw met 36 woningen geldt: eerste 10 woningen * 1,0 = 10 plaatsen, plus 10 woningen * 0,3 = 3 plaatsen plus 16 woningen * 0,2 = 3,2. Totaal: 17 plaatsen voor bezoek.

Deze normen voor bezoekersparkeren gelden zowel bij het toepassen van een berging conform Bbl, als bij het toepassen van een gelijkwaardige maatregel op basis van de Capelse bouwbrief. De normen voor bezoekersparkeren gelden niet voor grondgebonden woningen.

41

Gebruiksoppervlakte geldt als te hanteren eenheid voor het woningoppervlakte Bij appartementen c.q. meergezinswoningen wordt gedifferentieerd naar de omvang van de woning. De daarbij gehanteerde maat is de Gebruiksoppervlakte (GBO of GO). De prijs per vierkante meter is in de vastgoedwereld ook gebaseerd op de GBO. Het gebruiksoppervlakte wordt vastgesteld volgens de NEN 2580. De GBO is in principe het totale vloeroppervlakte tussen de omsluitende wanden minus vaste obstakels van omvang (zie de NEN voor verdere toelichting). Grondgebonden woningen zijn hier niet opgenomen; deze worden geacht op eigen terrein een berging en/of voldoende ruimte te hebben voor het stallen. Werken Onderstaand zijn de parkeernormen voor werkgelegenheidsfuncties weergegeven. Het bezoekersaandeel is weergegeven als percentage en onderdeel van de weergegeven normen. De parkeernorm is per 100 m BVO (bruto vloeroppervlak) tenzij anders vermeld. Het BVO is het vloeroppervlak van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een vastgoedobject, gemeten (volgens NEN 2580) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen. Per 100 m2 BVO

Parkeernorm

Bezoek

Zone A

Zone B

Kantoor zonder baliefunctie

3,2

2,5

5%

Kantoor met baliefunctie

4,8

3,6

20%

Bedrijf, arbeidsintensief, bezoekersextensief

3,2

2,5

5%

Bedrijf, arbeidsextensief, bezoekersextensief

1,7

1,3

5%

Bedrijfsverzamelgebouw

2,7

2,1

5%

Opslagruimte (particulier en per vestiging)

8,0

8,0

-

42

Winkelen en boodschappen Voor winkelfuncties in winkelcentrum ‘De Koperwiek’ gelden de parkeernormen zoals genoemd voor ‘Binnenstad’. Voor winkelfuncties in winkelcentrum ‘de Terp’ en ‘de Scholver’ geldt ‘Wijkwinkelcentrum midden’. Voor winkelfuncties in de buurtcentra ‘Puccinipassage’ en ’Slotlaan’ geldt ‘Wijkwinkelcentrum klein’. De winkelcentra buiten de hoofdstructuur (Maria Daneelserf, Doormanstraat, Bermweg de Luifel en Kanaalweg) en solitair gelegen winkels worden per winkelsoort beschouwd. Per 100 m2 BVO

Parkeernorm Zone A

Zone B

Buurtsupermarkt

5,5

5,0

Full-service supermarkt

6,9

5,3

Grote supermarkt

6,9

5,3

Groothandel specialist

nvt

2,3

Groothandel algemeen

nvt

2,3

Binnenstad/winkel(stads)centrum

5,6

nvt

Wijk(winkel)centrum (klein)

nvt

7,5

Wijk(winkel)centrum (midden)

nvt

8,2

Wijk(winkel)centrum (groot)

nvt

9,0

Weekmarkt

5,9

6,4

Kringloopwinkel

nvt

3,8

Bruin- en witgoedzaak

0,6

0,6

Woonwinkel/woonwarenhuis

0,6

0,6

Meubel-/woonboulevard of winkelboulevard

nvt

0,8

Outletcentrum

nvt

0,8

Bouwmarkt en groen/tuincentrum

nvt

0,6

43

Sport, cultuur en ontspanning Per 100 m2 BVO, tenzij anders vermeld

Parkeernorm Zone A

Zone B

Bibliotheek

6,0

6,0

Museum

1,9

1,4

Bioscoop

12,0

12,0

Filmtheater/filmhuis

12,0

12,0

(Musical)theater/schouwbrug

40,0

33,0

Casino

3,0

3,0

Bowling (per baan)

6,4

4,5

Biljart/snookercentrum (per tafel)

3,4

2,6

Dansstudio

8,5

5,8

Fitnessstudie/fitnesscentrum/sportschool

8,5

5,8

Wellnesscentrum/sauna/hammam

8,0

8,0

Sporthal

6,1

4,3

Sportzaal, gymzaal

7,4

4,3

Tennishal

1,0

0,8

Padelhal

2,0

1,5

Squashhal

5,5

3,6

Zwembad overdekt (per 100 m2 bad)

nvt

32,0

Zwembad (per 100 m2 bad)

nvt

43,0

Sportveld (per ha netto terrein)

85,0

85,0

Kunstijsbaan

nvt

4,3

Jachthaven (per ligplaats)

0,2

0,2

Indoorspeeltuin

2,0

2,0

Kinderboerderij (per locatie)

20,0

20,0

Volkstuin

nvt

2,3

Een gymzaal is een accommodatie met een sportvloer van ongeveer 300 m2 zonder horeca. Een sporthal heeft meer dan 900 m2 zaaloppervlak, bedoeld voor verschillende sporten en omvat in de praktijk ook vaak horeca. Een sportzaal zit daar tussenin qua gebruiksuren, douchen en horeca.

44

Horeca en recreatie Voor restaurants etc. dient het terrasoppervlakte te worden meegerekend in de bepaling van het oppervlakte (BVO). Per 100 m2 BVO

Parkeernorm Zone A

Zone B

Hotel (per 10 kamers)

3,0

3,0

Café/bar/cafetaria

20,0

20,0

Restaurant

20,0

20,0

Discotheek/feestruimte

20,0

20,0

Evenementenhal/beurs-/congresgebouw/

1,5

1,5

Gezondheidszorg en maatschappelijke voorzieningen Per 100 m2 BVO, tenzij anders vermeld

Parkeernorm Zone A

Zone B

Huisartsenpraktijk (per behandelkamer)

2,0

2,0

Apotheek (per vestiging)

10,0

10,0

Fysiotherapiepraktijk (per behandelkamer)

2,0

2,0

Consultatiebureau (per behandelkamer)

2,0

2,0

Consultatiebureau ouderen (behandelkamer)

2,0

2,0

Tandarts (per behandelkamer)

4,0

4,0

Gezondheidscentrum (per behandelkamer)

2,0

2,0

Verpleegtehuis (per wooneenheid)

0,8

0,8

Ziekenhuis

1,8

1,6

Begraafplaats (per gelijktijdige plechtigheid)

10,0

10,0

Crematorium (per gelijktijdige plechtigheid)

10,0

10,0

Kerk/moskee/tempel (per zitplaats)

0,6

0,6

45

Onderwijs Per 100 m2 BVO, tenzij anders vermeld

Parkeernorm Zone A

Zone B

Kinderdagverblijf

1,5

1,5

Basisschool (per leslokaal)

16,0

16,0

Middelbare school (per 100 leerlingen)

100,0

100,0

ROC (per 100 leerlingen)

60,0

60,0

Hogeschool (per 100 studenten)

80,0

80,0

Universiteit (per 100 studenten)

80,0

80,0

Avondonderwijs (per 10 studenten)

5,0

5,0

46

Bijlage 4 – Rekenvoorbeelden Voorbeeld 1 – nieuwe ontwikkeling met meerdere voorzieningen Een ontwikkelaar heeft een plan om 40 kleinere (60 m2 GBO) en 20 grotere (95 m2 GBO) appartementen te realiseren bovenop een nieuwe supermarkt van 2.000 m2 BVO. De ontwikkeling vindt plaats op een lege kavel in zone B, niet nabij een HOV-halte. Hoeveel autoparkeerplaatsen dienen op het terrein te worden aangelegd? Stap 1: bepalen van de van toepassing zijnde parkeernormen Het betreft de realisatie van woningen en een supermarkt in zone B. De ontwikkeling vindt niet plaats nabij een HOV-halte dus de parkeernormen voor zone B worden toegepast zonder HOV-correctie. -

De woningen van 60 m2 vallen in de categorie 51-80 m2 met een parkeernorm van 1,0 voor bewoners en 0,15 voor bezoek. De woningen van 95 m2 vallen in de categorie 81-100 m2 met een parkeernorm van 1,2 voor bewoners en 0,15 voor bezoek. De supermarkt betreft een filiaal van een grote supermarktketen met een breed assortiment in alle prijsklassen en kan daarmee worden geclassificeerd als een “full service supermarkt”. Hiervoor geldt een parkeernorm van 5,2 per 100 m2 BVO.

Stap 2: bepalen van de normatieve parkeerbehoefte De normatieve parkeerbehoefte wordt op basis van bovenstaande als volgt berekend. Functie

Omvang

Parkeernorm

Per

Woning (60 m2)

40

1,15

Woning (95 m2)

20

1,35

Supermarkt

2.000 m2

5,2

Normatieve parkeerbehoefte:

Eenheden

Parkeerbehoefte

woning

40

46,0

woning

20

27,0

100 m2

20

104,0 177,0

Stap 3: bepalen van de parkeereis De parkeereis wordt berekend door de normatieve parkeerbehoefte te vermenigvuldigen met de geldende aanwezigheidspercentages voor de verschillende functies. Hierbij wordt voor de woningen onderscheid gemaakt tussen de bewoners en de bezoekers. De aanwezigheidspercentages van beide groepen zijn verschillend. De geldende parkeernorm wordt daarvoor opgesplitst in het bewonersdeel en het bezoekersdeel.

47

De van toepassing zijnde aanwezigheidspercentages zijn als volgt: werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag zaterdag middag avond

zondag middag

Woning, bewoners

60%

60%

90%

100%

80%

70%

70%

75%

80%

75%

Woning, bezoek

40%

50%

75%

0%

70%

60%

100%

100%

100%

90%

Supermarkt

50%

60%

40%

0%

80%

80%

80%

100%

40%

60%

De doorrekening op basis van de aanwezigheidspercentages is dan als volgt. In de tabel is voor de functie wonen onderscheid gemaakt naar de normatieve parkeervraag van de bewoners zelf (40 * 1,0 plus 20 * 1,2 = 64,0) en van de bezoekers (60 * 0,15 = 9,0). normatieve werkdag vraag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

Woning, bewoners

64,0

38,4

38,4

57,6

64,0

51,2

44,8

44,8

48,0

51,2

48,0

Woning, bezoek

9,0

3,6

4,5

6,8

0,0

6,3

5,4

9,0

9,0

9,0

8,1

Supermarkt

104,0

52,0

62,4

41,6

0,0

83,2

83,2

83,2

104,0

41,6

62,4

177,0

94,0

105,3

106,0

64,0

140,7

133,4

137,0

161,0

101,8

118,5

Hieruit blijkt dat de zaterdagmiddag het drukste en daarmee maatgevende moment is. Er zijn dan 161,0 = 161 parkeerplaatsen nodig. Van een verlaging van de parkeereis als gevolg van de inzet van deelauto’s of salderen is in dit geval geen sprake. De parkeereis bedraagt daarmee 161 parkeerplaatsen. Let op: in dit voorbeeld is het uitgangspunt dat alle parkeerplaatsen op het kavel vrijelijk beschikbaar zijn voor bewoners en bezoekers van de woningen en personeel en klanten van de supermarkt. In dat geval kan met volledig dubbelgebruik worden gerekend. Als een deel van de parkeerplaatsen zou worden toegewezen, bijvoorbeeld aan bewoners, dan zijn deze niet meer beschikbaar voor dubbelgebruik en dient hier in de berekening rekening mee te worden gehouden (zie voorbeeld 2).

48

Voorbeeld 2 – toewijzen van parkeerplaatsen aan woningen Een ontwikkelaar ontwikkelt op een vrije kavel in zone B een appartementengebouw met 50 woningen. 30 woningen hebben een oppervlakte van 70 m2 GBO en 20 woningen van 110 m2 GBO. Het gebouw bevindt zich op een afstand van 200 meter van een metrohalte (werkelijke loopafstand van de entree tot de halte). De 20 grotere woningen krijgen elk 1 parkeerplaats op naam; deze zijn exclusief per plaats toegewezen aan ieder appartement Hoeveel parkeerplaatsen moet de ontwikkelaar op het kavel aanleggen om te voorzien in een sluitende parkeerbalans? Stap 1: bepalen van de van toepassing zijnde parkeernormen Het betreft de realisatie van woningen in zone B. De ontwikkeling vindt plaats nabij een HOV-halte dus de parkeernormen voor zone B worden toegepast met HOV-correctie. De loopafstand bedraagt minder dan 300 meter dus er wordt een korting verrekend op de parkeernormen van 20%.

Voor de 30 woningen van 70 m2 geldt dan: Zonder korting: parkeernorm 1,15 waarvan 1,00 voor bewoners en 0,15 voor bezoek Met HOV-korting: parkeernorm 0,92 waarvan 0,80 voor bewoners en 0,12 voor bezoek En voor de 20 woningen van 110 m2: Zonder korting: parkeernorm 1,65 waarvan 1,50 voor bewoners en 0,15 voor bezoek Met HOV-korting: parkeernorm 1,32 waarvan 1,20 voor bewoners en 0,12 voor bezoek Stap 2: bepalen van de normatieve parkeerbehoefte De normatieve parkeerbehoefte bedraagt dan: 30 * 0,92 + 20 * 1,32 = 54,0 parkeerplaatsen. Stap 3: bepalen van de parkeereis De parkeereis wordt berekend door de normatieve parkeerbehoefte te vermenigvuldigen met de geldende aanwezigheidspercentages voor de verschillende functies. Hierbij wordt voor de woningen onderscheid gemaakt tussen de bewoners en de bezoekers. De 20 grotere woningen krijgen allemaal één parkeerplaats toegewezen. Deze komen daarmee niet in aanmerking voor dubbelgebruik. Voor de overige plaatsen gelden de volgende aanwezigheidspercentages. werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag zaterdag middag avond

Woning, bewoners

60%

60%

90%

100%

80%

70%

70%

75%

80%

75%

Woning, bezoek

40%

50%

75%

0%

70%

60%

100%

100%

100%

90%

49

zondag middag

De berekening is dan als volgt. normatieve werkdag vraag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

Bewoners vaste plek

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

Bewoners overig

28,0

16,8

16,8

25,2

28,0

22,4

19,6

19,6

21,0

22,4

21,0

Bezoek

6,0

2,4

3,0

4,5

0,0

4,2

3,6

6,0

6,0

6,0

5,4

54,0

39,2

39,8

49,7

48,0

46,6

43,2

45,6

47,0

48,4

46,4

Toelichting: De 20 toegewezen parkeerplaatsen worden “vastgezet” in de berekening. Het overige deel van de bewonersvraag staat daaronder. Deze plaatsen zijn niet toegewezen en deze worden dus wel doorberekend met de geldende aanwezigheidspercentages. Dit betreft 28,0 parkeerplaatsen (namelijk: 48,0 parkeerplaatsen voor het totale bewonersdeel van alle woningen minus de 20,0 toegewezen parkeerplaatsen). Hieruit blijkt dat de werkdagavond het drukste en maatgevende moment is. Er zijn dan 49,7 parkeerplaatsen nodig. De parkeereis bedraagt dus 50 parkeerplaatsen.

50

Voorbeeld 3 – toewijzen van twee parkeerplaatsen per woning Een ontwikkelaar ontwikkelt op een vrije kavel in zone B een appartementengebouw met 40 luxe appartementen. 20 woningen hebben een oppervlakte van 160 m2 GBO en 20 woningen van 110 m2 GBO. Het gebouw bevindt zich niet binnen loopafstand van een metrohalte. De 20 grotere woningen krijgen elk 2 parkeerplaatsen op naam in de parkeergarage en de 20 kleinere woningen krijgen allemaal 1 parkeerplaats op naam in de parkeergarage. De resterende parkeervraag wordt opgelost in de buitenruimte om het gebouw heen. Hoeveel parkeerplaatsen moet de ontwikkelaar op maaiveld aanleggen om te voorzien in een sluitende parkeerbalans? Stap 1: bepalen van de van toepassing zijnde parkeernormen Het betreft de realisatie van woningen in zone B en niet nabij een HOV-halte. Voor de 20 grotere woningen (160 m2) geldt in principe een norm van 1,85 waarvan 1,70 voor bewoners en 0,15 voor bezoekers. In dit geval moet de norm echter worden bijgesteld. Iedere woning krijgt immers 2 parkeerplaatsen per woning toegewezen. Het bewonersdeel bedraagt daarmee 2,0 en daarbovenop komt het bezoekersdeel (0,15) dus de totale norm bedraagt voor deze woningen 2,15 pp/woning. Voor de 20 woningen van 110 m2 geldt een parkeernorm van 1,65 waarvan 1,50 voor bewoners en 0,15 voor bezoekers.

Stap 2: bepalen van de normatieve parkeerbehoefte De normatieve parkeerbehoefte bedraagt dan: 20 * 2,15 + 20 * 1,65 = 76,0 parkeerplaatsen. Stap 3: bepalen van de parkeereis De parkeereis wordt berekend door de normatieve parkeerbehoefte te vermenigvuldigen met de geldende aanwezigheidspercentages voor de verschillende functies. Hierbij wordt voor de woningen onderscheid gemaakt tussen de bewoners en de bezoekers. De toegewezen parkeerplaatsen in de garage komen niet in aanmerking voor dubbelgebruik. Voor de overige plaatsen gelden de volgende aanwezigheidspercentages. werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag zaterdag middag avond

Woning, bewoners

60%

60%

90%

100%

80%

70%

70%

75%

80%

75%

Woning, bezoek

40%

50%

75%

0%

70%

60%

100%

100%

100%

90%

51

zondag middag

De berekening is dan als volgt. normatieve werkdag vraag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

Bewoners 2 pp vast

40,0

40,0

40,0

40,0

40,0

40,0

40,0

40,0

40,0

40,0

40,0

Bewoners 1 pp vast

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

Bewoners overig

10,0

6,0

6,0

9,0

10,0

8,0

7,0

7,0

7,5

8,0

7,5

Bezoek

6,0

2,4

3,0

4,5

0,0

4,2

3,6

6,0

6,0

6,0

5,4

76,0

68,4

69,0

73,5

70,0

72,2

70,6

73,0

73,5

74,0

72,9

Toelichting: De grotere woningen krijgen elk 2 pp toegewezen. Deze worden “vastgezet”. De kleinere woningen krijgen elk 1 pp toewezen. Deze worden ook “vastgezet”. Het overige deel van de bewonersvraag staat daaronder. Deze plaatsen zijn niet toegewezen en deze worden dus wel doorberekend met de geldende aanwezigheidspercentages. Dit aantal bedraagt normatief 10,0 pp: parkeernorm van 1,5 voor bewoners minus 1,0 toegewezen pp is 0,5 pp per woning voor de 20 kleinere woningen. Vervolgens de bezoekers: 40 woningen keer 0,15 is 6,0 pp. Hieruit blijkt dat de zaterdagavond het drukste en maatgevende moment is. Er zijn dan 74,0 parkeerplaatsen nodig. De parkeereis bedraagt dus 74 parkeerplaatsen.

52

Voorbeeld 4 – salderen (waarbij de maatgevende momenten van de oude en nieuwe situatie gelijk zijn) De eigenaar van een verouderd appartementengebouw is voornemens het gebouw te slopen en op het perceel een aantal grondgebonden woningen te realiseren. Op het perceel zijn naast het gebouw 9 parkeerplaatsen aanwezig. Het betreft 18 appartementen van 70 m2 GBO. Deze waren tot 3 jaar geleden bewoond en staan sindsdien leeg. Ontwikkelaar geeft aan dat in de oude situatie een deel van de parkeervraag werd opgevangen in de openbare ruimte buiten het kavel. Hij dient een plan in met 10 grondgebonden woningen van elk ca. 110 m2 GBO (2 rijtjes van 5 woningen). Het betreft een ontwikkeling in Zone A. Hoeveel parkeerplaatsen dient de initiatiefnemer op het perceel te realiseren? Stap 1: bepalen van de van toepassing zijnde parkeernormen Het betreft een ontwikkeling in Zone A. Omdat er sprake is van salderen (de parkeervraag van de vorige situatie werd deels in de openbare ruimte opgevangen) wordt de parkeereis van zowel de nieuwe als de oude situatie bepaald. -

Voor de 10 nieuwe grondgebonden woningen geldt een parkeernorm van 1,20, waarvan 1,10 bewonersdeel en 0,10 voor bezoek Voor de 18 oude appartementen geldt een parkeernorm van 0,80 waarvan 0,70 bewonersdeel en 0,10 bezoekersdeel.

Stap 2: bepalen van de normatieve parkeerbehoefte De normatieve parkeerbehoefte van de nieuwe woningen bedraagt: De normatieve parkeerbehoefte van de oude woningen bedraagt:

10 * 1,20 = 12,0 pp 18 * 0,80 = 14,4 pp

Stap 3: bepalen van de parkeereis De parkeereis wordt berekend door de normatieve parkeerbehoefte te vermenigvuldigen met de geldende aanwezigheidspercentages voor de verschillende functies. Hierbij wordt voor de woningen onderscheid gemaakt tussen de bewoners en de bezoekers De volgende aanwezigheidspercentages zijn van toepassing. werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag zaterdag middag avond

Woning, bewoners

60%

60%

90%

100%

80%

70%

70%

75%

80%

75%

Woning, bezoek

40%

50%

75%

0%

70%

60%

100%

100%

100%

90%

53

zondag middag

De doorrekening wordt gemaakt voor de nieuwe en de oude situatie. Nieuwe situatie, 10 grondgebonden woningen: normatieve werkdag vraag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

Bewoners

11,0

6,6

6,6

9,9

11,0

8,8

7,7

7,7

8,3

8,8

8,3

Bezoek

1,0

0,4

0,5

0,8

0,0

0,7

0,6

1,0

1,0

1,0

0,9

12,0

7,0

7,1

10,7

11,0

9,5

8,3

8,7

9,3

9,8

9,2

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

Oude situatie, 18 appartementen normatieve werkdag vraag ochtend Bewoners

12,6

7,6

7,6

11,3

12,6

10,1

8,8

8,8

9,5

10,1

9,5

Bezoek

1,8

0,7

0,9

1,4

0,0

1,3

1,1

1,8

1,8

1,8

1,6

14,4

8,3

8,5

12,6

12,6

11,3

9,9

10,6

11,3

11,9

11,1

Voor de nieuwe ontwikkeling geldt dat de werkdagnacht het maatgevende moment is. Er zijn dan 11,0 parkeerplaatsen nodig. Voor de oude situatie was de werkdagavond maatgevend, met 12,6 parkeerplaatsen en dus een parkeereis van 13 parkeerplaatsen. Stap 4: verlaging van de parkeereis op basis van saldering In deze situatie mag er worden gesaldeerd. Immers: een deel van de parkeereis van de oude situatie werd opgevangen in de openbare ruimte. Het laatste legale gebruik is minder dan 5 jaar geleden. In de oude situatie bedroeg de parkeereis 13 parkeerplaatsen. Hiervan lagen er 9 op het terrein en de overige 4 werden dus opgelost in de openbare ruimte. Deze 4 parkeerplaatsen mogen worden afgetrokken van de parkeereis van de nieuwe ontwikkeling. De verlaagde parkeereis bedraagt daarmee: 11 – 4 = 7 parkeerplaatsen, die op het eigen terrein moeten worden aangelegd.

54

Voorbeeld 5 – salderen (waarbij de maatgevende momenten van de oude en nieuwe situatie niet gelijk zijn) De eigenaar van een verouderd bedrijfsverzamelgebouw is voornemens het gebouw te slopen en op het perceel een aantal grondgebonden woningen te realiseren. Op het perceel zijn geen parkeerplaatsen aanwezig. Het betreft een gebouw van 1.600 m2 BVO. Dit was tot 3 jaar geleden in gebruik en staat sindsdien leeg. Hij dient een plan in met 10 grondgebonden woningen van elk ca. 110 m2 GBO (2 rijtjes van 5 woningen). Ontwikkelaar geeft aan dat in de oude situatie een deel van de parkeervraag van het kantoor werd opgevangen in de openbare ruimte buiten het kavel en dat hij daarom niet de volledige parkeereis van de nieuwe ontwikkeling op het eigen terrein hoeft te realiseren. Het betreft een ontwikkeling in Zone A en het kantoor staat aan de rand van een woonbuurt. Overdag is een deel van de bewoners niet thuis en is er restcapaciteit in de buurt. Echter, in de avonden en nachten is de parkeerdruk hoog en ligt deze boven de 90%. Kan er in deze situatie worden gesaldeerd en hoeveel bedraagt dan de parkeereis? Stap 1: bepalen van de van toepassing zijnde parkeernormen Het betreft een ontwikkeling in Zone A.

Omdat er mogelijk sprake is van salderen (de parkeervraag van de vorige situatie werd deels in de openbare ruimte opgevangen) wordt de parkeereis van zowel de nieuwe als de oude situatie bepaald. -

Voor de 10 nieuwe grondgebonden woningen geldt een parkeernorm van 1,2, waarvan 1,1 bewonersdeel en 0,1 voor bezoek Voor het oude bedrijfsgebouw geldt een parkeernorm van 0,9 per 100 m2 BVO.

Stap 2: bepalen van de normatieve parkeerbehoefte De normatieve parkeerbehoefte van de nieuwe woningen bedraagt: 10 * 1,2 = 12,0 pp De normatieve parkeerbehoefte van het oude gebouw bedraagt: 1.600/100 * 0,9 = 14,4 pp De normatieve parkeerbehoefte van de nieuwe situatie is daarmee lager dan van de oude situatie. Stap 3: bepalen van de parkeereis De parkeereis wordt berekend door de normatieve parkeerbehoefte te vermenigvuldigen met de geldende aanwezigheidspercentages voor de verschillende functies. De volgende aanwezigheidspercentages zijn van toepassing. werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag zaterdag middag avond

Woning, bewoners

60%

60%

90%

100%

80%

70%

70%

75%

80%

75%

Woning, bezoek

40%

50%

75%

0%

70%

60%

100%

100%

100%

90%

Bedrijf

100%

100%

5%

0%

5%

60%

0%

0%

0%

0%

55

zondag middag

De doorrekening wordt gemaakt voor de nieuwe en de oude situatie. Nieuwe situatie, 10 grondgebonden woningen: normatieve werkdag vraag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

Bewoners

11,0

6,6

6,6

9,9

11,0

8,8

7,7

7,7

8,3

8,8

8,3

Bezoek

1,0

0,4

0,5

0,8

0,0

0,7

0,6

1,0

1,0

1,0

0,9

12,0

7,0

7,1

10,7

11,0

9,5

8,3

8,7

9,3

9,8

9,2

De oude situatie, met 1.600 m2 BVO bedrijfsgebouw: normatieve werkdag vraag ochtend Bedrijf

14,4

14,4

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

14,4

0,7

0,0

0,7

8,6

0,0

0,0

0,0

0,0

Voor de nieuwe ontwikkeling geldt dat de werkdagnacht het maatgevende moment is. Er zijn dan 11,0 = 11 parkeerplaatsen nodig. Voor de oude situatie zijn de werkdagochtend en -middag maatgevend, met 14,4 parkeerplaatsen en dus een parkeereis van 15 parkeerplaatsen. Stap 4: verlaging van de parkeereis op basis van saldering Bij salderen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheidspercentages, omdat het maatgevende moment van de oude en nieuwe situatie op verschillende momenten kan liggen. De parkeervraag van de oude situatie wordt afgetrokken van de nieuwe ontwikkeling voor elk van de momenten. normatieve werkdag vraag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

Woningen

12,0

7,0

7,1

10,7

11,0

9,5

8,3

8,7

9,3

9,8

9,2

Bedrijf

14,4

14,4

14,4

0,72

0

0,72

8,64

0

0

0

0

Verschil

-2,4

-7,4

-7,3

9,9

11,0

8,8

-0,3

8,7

9,3

9,8

9,2

Op basis daarvan is de conclusie dat saldering in dit geval niet leidt tot verlaging van de parkeereis. De oude functie heeft immers overdag op werkdagen een parkeervraag maar niet gedurende de nacht. De nieuwe ontwikkeling van woningen zal juist in de avonden en nacht leiden tot een parkeervraag. Uit de tabel blijkt dat de werkdagnacht het drukste en maatgevende moment blijft en de parkeereis 11 parkeerplaatsen bedraagt, die op het eigen terrein bij de ontwikkeling moeten worden gerealiseerd. De ontwikkeling ligt aan de rand van een woonwijk met een hoge parkeerdruk. Er is dus geen restruimte in de avonden en nachten om de extra parkeerbehoefte van de nieuwe woningen hier op te vangen.

56

Voorbeeld 6 – parkeren bij een basisschool, inclusief halen en brengen Onderdeel van een gebiedsontwikkeling is de vestiging van een nieuwe basisschool. Het betreft een reguliere basisschool met acht groepen. Er is een prognose opgesteld van de verwachte leerlingaantallen. Er wordt uitgegaan van een maximale omvang van 24 kinderen per groep. De ontwikkeling vindt plaats in zone A. Hoeveel parkeerplaatsen zijn er nodig voor het personeel en hoeveel plaatsen voor het halen en brengen van de kinderen (Kiss&Ride)? Stap 1: bepalen van de toe te passen normen Het betreft een ontwikkeling in Zone A. De parkeernorm voor een basisschool is 0,7 parkeerplaats per leslokaal. Zoals beschreven bij de betreffende normen in hoofdstuk 5 is deze parkeernorm alleen voor het parkeren van personeel. Stap 2. Bepalen van de parkeereis voor personeel De nieuwe school krijgt acht lokalen. De parkeereis voor personeel bedraagt daarmee: 0,7 * 8 = 5,6 = 6 parkeerplaatsen. Stap 3. Bepalen van het aantal benodigde plaatsen voor Kiss&Ride Voor het bepalen van het aantal plaatsen voor Kiss&Ride gelden de rekenregels zoals opgenomen in hoofdstuk 5. De formule is als volgt: Aantal leerlingen * % leerlingen met de auto * reductiefactor parkeerduur * reductiefactor aantal kinderen per auto Voor alle groepen geldt een maximum van 24 kinderen. Hiermee wordt gerekend.

Mogelijk zijn de groepen (eerst) kleiner, maar het gaat om wat met de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Het percentage leerlingen dat met de auto wordt gebracht en gehaald is een variabele binnen de rekenregels. Dit percentage hangt sterk samen met de stedelijkheid, de afstand naar school en de doelgroep. In dit geval betreft het een reguliere basisschool en er zijn geen ervaringscijfers bekend. Daarom wordt uitgegaan van een waarde in het midden van de bandbreedte. Voor de reductiefactor parkeerduur geldt: 0,50 voor groepen 1 t/m 3 en 0,25 voor groepen 4 t/m 8 Voor de reductiefactor kinderen/auto geldt: 0,75 voor groepen 1 t/m 3 en 0,85 voor groepen 4 t/m 8 Voor groep 1 t/m 3 is de formule dan: En voor groep 4 t/m 8:

24 ll * 45% met auto * 0,50 * 0,75 = 4,1 pp /groep 24 ll * 20% met auto * 0,25 * 0,85 = 1,0 pp /groep

Voor de hele school zijn dan nodig voor halen en brengen: (3 * 4,1) + (5 * 1,0) = 17,3, ofwel afgerond 18 parkeerplaatsen. Samen met de parkeerplaatsen voor het personeel dus 24 parkeerplaatsen.

57

Als de ontwikkeling van de school onderdeel is van een grotere gebiedsontwikkeling met bijvoorbeeld woningen, kan aanvullend een berekening worden gemaakt van de parkeervraag per moment, rekening houdend met dubbelgebruik. Parkeerplaatsen die ’s avonds en ’s nacht worden gebruikt door de bewoners zijn voor een deel overdag beschikbaar voor de school. Daar is in dit voorbeeld geen rekening mee gehouden.

58

Voorbeeld 7 – correctiefactoren voor parkeerplaatsen op eigen terrein Een ontwikkelaar ontwikkelt op een vrije kavel 20 grondgebonden eengezinswoningen; twee rijen van elk 10 woningen. Het betreft een ontwikkeling in zone B, niet op loopafstand van een HOV-halte. Elke woning krijgt op het eigen terrein een eigen oprit met ruimte voor het parkeren van één auto. De rest van de parkeervraag wordt ingevuld met openbare parkeervakken langs de straat. Hoeveel openbare parkeervakken moeten er worden aangelegd om te komen tot een sluitende parkeerbalans? Stap 1: bepalen van de van toepassing zijnde parkeernormen Het betreft een ontwikkeling in zone B en er geldt geen korting op de parkeernorm in relatie tot HOV. De parkeernorm voor een tussen-/hoekwoning bedraagt dan 1,75 (waarvan 1,6 bewonersdeel en 0,15 voor bezoek). Stap 2: bepalen van de normatieve parkeerbehoefte De normatieve parkeerbehoefte bedraagt: 20 * 1,75 = 35,0 parkeerplaatsen. Stap 3: bepalen van de parkeereis De parkeereis wordt berekend door de normatieve parkeerbehoefte te vermenigvuldigen met de geldende aanwezigheidspercentages voor de verschillende functies. Hierbij wordt voor de woningen onderscheid gemaakt tussen de bewoners en de bezoekers. Er zijn in dit geval twee factoren waarmee rekening moet worden gehouden: -

-

De correctiefactor voor de parkeerplaats op eigen terrein moet worden meegenomen in de berekening (zie paragraaf 3.7). Voor een enkele oprit zonder garage, waarvan hier sprake is, geldt een correctiefactor van 0,8. De parkeerplaatsen op eigen terrein zijn niet beschikbaar voor dubbelgebruik en moeten daarmee worden “vastgezet” in de berekening van de parkeereis. Zie ook rekenvoorbeeld 2.

De volgende aanwezigheidspercentages zijn van toepassing. werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag zaterdag middag avond

Woning, bewoners

60%

60%

90%

100%

80%

70%

70%

75%

80%

75%

Woning, bezoek

40%

50%

75%

0%

70%

60%

100%

100%

100%

90%

59

zondag middag

De berekening van de parkeereis is dan als volgt. normatieve werkdag vraag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

koopavond

vrijdag middag

vrijdag avond

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

Bewoners vaste plek

16,0

16,0

16,0

16,0

16,0

16,0

16,0

16,0

16,0

16,0

16,0

Bewoners overig

16,0

9,6

9,6

14,4

16,0

12,8

11,2

11,2

12,0

12,8

12,0

Bezoek

3,0

1,2

1,5

2,3

0,0

2,1

1,8

3,0

3,0

3,0

2,7

35,0

26,8

27,1

32,7

32,0

30,9

29,0

30,2

31,0

31,8

30,7

Toelichting: Het totale normatieve bewonersdeel bedraagt 32,0 pp (20 * 1,6). De 20 pp op eigen terrein tellen als 16,0 (correctiefactor 0,8) en deze worden vastgezet. De overige 16,0 pp van het bewonersdeel zijn openbare parkeerplaatsen en deze worden vermenigvuldigd met de aanwezigheidspercentages. Het normatieve bezoekersdeel bedraagt 3,0 (20 * 0,15) pp en deze worden vermenigvuldigd met de aanwezigheidspercentages. Hieruit blijkt dat de werkdagavond het drukste en maatgevende moment is. Er zijn dan 32,7 parkeerplaatsen nodig. De parkeereis bedraagt dus 33 parkeerplaatsen. Stap 4: Bepalen van de aanbodzijde en opstellen van de parkeerbalans De aanbodzijde bestaat uit de parkeerplaatsen op eigen terrein en uit de openbare parkeerplaatsen in de straat. De 20 parkeerplaatsen op eigen terrein tellen als 16 parkeerplaatsen, rekening houdend met de correctiefactor van 0,8. In de straat zijn dan nodig: 33 – 16 = 17 parkeerplaatsen. In dat geval is het aanbod gelijk aan de parkeereis en is er sprake van een sluitende parkeerbalans.

60

Bijlage 5 - Kwaliteitseisen fietsenstalling Inleiding Het gebruik van een stalling hangt sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid en het comfort. Er zijn voorbeelden van stallingen waar gebruikers onvoldoende gebruik van maken, terwijl er in de omgeving toch grote behoefte aan stallingsplaatsen is. De aanwezigheid van een stalling is dus geen garantie dat hij goed wordt gebruikt. Er kunnen diverse redenen zijn voor tegenvallend gebruik van een stalling. Naast slechte vindbaarheid speelt slechte toegankelijkheid een rol: een moeizaam openende toegangsdeur, een te steile hellingbaan of een te steile trap met fietsgoot, lastig te nemen bochten, etc. Ook de routing binnen de stalling, de sociale veiligheid, de afmeting van de stallingsplaatsen en de stabiliteit van de fiets in de aangeboden voorzieningen beïnvloeden het gebruik, evenals de (on)mogelijkheid om fietsen met bijzondere afmetingen te stallen. De Leidraad Fietsparkeren van het CROW (publicatie 291) gaat uitgebreid in op de kwaliteitsrichtlijnen voor stallingen. De Capelse kwaliteitseisen zijn gebaseerd op deze leidraad.

Toegankelijkheid De belangrijkste kwaliteitseisen voor een goed toegankelijke en bruikbare fietsenstalling zijn: • Vanuit de openbare ruimte is de toegang van de stalling duidelijk zichtbaar en herkenbaar, gezien vanaf de aanrijroute richting bestemming(en); • De stalling heeft bij voorkeur een voetgangersuitgang in de richting van de eindbestemming; • De afstand mag maximaal ca. 75 meter zijn van de stalling tot de hoofd-/neven-/ personeelsingang van de bestemmingen en/of functies waarvoor de stalling is bestemd; • De toegang vanaf de weg naar een stalling op lager of hoger niveau is goed en comfortabel te gebruiken voor alle voertuigen waarvoor de stalling bedoeld is: fietsen (waaronder elektrische fietsen, fietsen met krat, fietsen met afwijkende maten), scooters, scootmobielen en bakfietsen; • Het hellingspercentage van een hellingbaan is maximaal 1:20, indien het te overbruggen hoogteverschil groter is dan 0,5 meter; een trap heeft een aantrede van 500 of 600 mm en een optrede van 210 mm. De breedte van de treden is altijd minimaal 800 mm. Naast een trap horen fietsgoten, bij voorkeur aan beide zijden. • Voor een stalling waarin ook scooters, scootmobielen en/of bakfietsen gestald worden, kan geen trap worden toegepast (in ieder geval niet uitsluitend).

Het hellingpercentage blijft hierbij echter 1:20 bij een te overbruggen hoogteverschil dat groter is dan 0,5 meter en/of dient zodanig te zijn dat het hoogteverschil door bakfietsen, elektrische fietsen en scooters zonder ondersteuning overbrugd kan worden; • Een gebruiker moet de toegang van een stalling gemakkelijk kunnen openen: automatisch, met een eenvoudig te bedienen drukknop of chipkaartlezer; • Alle deuren tussen de openbare ruimte via welke de stalling wordt bereikt om te stallen en de stalling zelf, zijn zelfsluitende deuren, voorzien van een elektrische deuropener. • Voor bestemmingen voor kinderen moet rekening gehouden worden met het feit dat zij kleiner en minder sterk zijn dan volwassenen. Denk bijvoorbeeld aan het hellingspercentage en de hoogte van de trap en knoppen/kaartlezers.

61

Inrichting en bruikbaarheid De belangrijkste kwaliteitseisen voor een goede inrichting en een goed bruikbare stalling zijn de volgende: • •

• • • • • • • •

•

•

• •

De stalling moet logisch en overzichtelijk zijn ingedeeld; Binnen en vanuit de stalling naar de bijbehorende bestemming is er een logische, snelle en eenvoudige routing. Bij voorkeur kan men vanuit de stalling rechtstreeks (liefst binnendoor) doorlopen naar de bestemming, zonder terug te hoeven lopen door de stalling; De sociale veiligheid wordt gewaarborgd door een overzichtelijke inrichting, goede verlichting, bij voorkeur daglichttoetreding. Als een stalling openbaar toegankelijk is kan (camera)toezicht of bewaking overwogen worden; Gebruikers moeten elkaar in de verkeersruimtes van de stalling kunnen passeren; Stallingssystemen voor fietsen moeten voldoen aan de eisen van Fietsparkeur of zijn gelijkwaardig daaraan, met een hart op hart afstand van minimaal 400 mm; De minimale vrije hoogte in een gebouwde stalling is 2900 mm om dubbellaags rekken te kunnen plaatsen; De hart-op-hart afstand tussen twee fietsparkeerplaatsen bij een stallingssysteem op gelijk niveau is minimaal 800 mm breed.

De hart-op-hart-afstand tussen twee fietsparkeerplaatsen bij een hoog/laag fietsparkeersysteem is minimaal 400 mm breed voor zowel onder- als bovenlaag; De gangpaden in de stalling zijn minimaal 2100 mm breed en een hoofdgang is minimaal 3000 mm breed, zowel voor fiets als scooter; De stalling moet voldoende parkeermogelijkheden bieden voor fietsen die afwijken van de standaard maten en bakfietsen, scooters en scootmobielen: o Minimaal 10% van de plaatsen is geschikt voor scootmobielen, bakfietsen of andere fietsen met sterk afwijkende maten. Hiervoor dient een parkeervak beschikbaar te zijn van ten minste 1200 mm breed en 2500 mm lang. Al deze plaatsen dienen te zijn voorzien van een elektrische oplaadgelegenheid. o minimaal 20% van de plaatsen is geschikt voor fietsen die niet in een standaard rek passen (bijvoorbeeld door krat/mand) (hart-op-hart afstand minimaal 500 mm); Een parkeersysteem, waarin naast standaardfietsen ook fietsen passen met veel voorkomende afwijkende maten, heeft de voorkeur. Dan passen nagenoeg alle fietsen probleemloos op elke stallingsplek, ook die met een krat, bagagedrager vóór, breed stuur, brede banden, etc. De stalling biedt oplaadmogelijkheden voor elektrische tweewielers: minimaal 30% van de parkeerplaatsen is voorzien van een oplaadgelegenheid.

Uitbreiding naar een oplaadgelegenheid voor alle parkeerplaatsen moet mogelijk zijn met het oog op een groeiend aandeel elektrische fietsen. Hierbuiten vallen de grote vakken (10% van de plaatsen) voor grote voertuigen, zoals hierboven genoemd, die alle voorzien moeten zijn van een elektrische oplaadgelegenheid. De fietsenstalling heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Stallingen waarin scooters, elektrische (bak)fietsen en/of scootmobielen worden gestald dienen te voldoen aan de geldende milieu- en bouwvoorschriften met betrekking tot ventilatie, brandveiligheid en vloerafdichting. Stallingen zijn niet voor het parkeren van motorfietsen.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15964310/1