CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

04.03 - Onderbouwing BOPA Bermweg 139 Capelle aan den IJssel

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 2 april 2025, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Adviesrecht buitenplanse omgevingsplanactiviteit Bermweg 13914.385 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Planspecifiek Om te kunnen voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd te worden. Om deze parkeerbehoefte te berekenen wordt er gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ en het rapport ‘Nota Parkeernormen 2023’ van de gemeente. Het initiatief voorziet in het realiseren van een vrijstaande woning, dus wordt er aangesloten op de functie ‘koop, huis, vrijstaand’. Verder ligt het plangebied niet in de nabijheid van HOV, waardoor geen correctie van toepassing is op de parkeernorm Het plangebied heeft volgens de nota de gebiedskenmerken ‘overig stedelijk gebied’ en ‘sterk stedelijk’. Samen met de bestaande woning bedraagt de parkeerbehoefte dus 2 x 2,2 = 4,4 parkeerplaatsen. Wanneer we rekening

pagina 27 van 42

houden met aanwezigheidspercentages valt de parkeerbehoefte lager uit. Het maatgevende moment is dan namelijk een werkdagavond. Voor het bewonersparkeren geldt dan een aanwezigheidspercentage van 90% en voor het bezoekersparkeren 80%. De parkeerbehoefte bedraagt op dat maatgevende moment dus (1,9 x 2 x 90%) + (0,3 x 2 x 80%) = 3.9 parkeerplaatsen. Op het erf direct aansluitend op de inrit voorziet het plan in 6 parkeerplaatsen. Daarmee wordt er ruim aan de parkeerbehoefte voldaan en vormt het aspect parkeren geen belemmering voor het initiatief.

4.5

Natuur

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd.

Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪

aanwezige dier- en plantensoorten;

▪

typen natuurlijke habitats;

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.

pagina 28 van 42

Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

▪

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek Het beoogde initiatief voorziet in het slopen van een bestaand bouwwerk en snoei- en/of kapwerkzaamheden. Hierdoor is het mogelijk dat beschermde natuurwaarden worden aangetast. Derhalve is een quickscan ecologie uitgevoerd door Blom Ecologie (12 juli 2024, 2024-0925), zie bijlage 1. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 505 meter ligt het Natura 2000-gebied ’Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. Op basis van de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied kunnen een aantal effecten, waaronder trillingen, geluid en optische verstoring, uitgesloten worden. Echter kunnen nadelige effecten als gevolg van stikstofdepositie niet uitgesloten worden, waardoor een AERIUSberekening nodig is. Deze berekening is reeds uitgevoerd en wordt hierna beschouwd. Verder maakt het plangebied geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Groene contour of weidevogelkerngebied. Voor provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. AERIUS-Berekening Verzocht is om voor dit initiatief een AERIUS berekening te maken om mogelijke negatieve effecten als gevolg van dit initiatief in kaart te brengen. Deze berekening is uitgevoerd op 7 mei 2024 voor de aanleg- en gebruiksfase en is opgenomen als bijlage 2.

Hieruit is gebleken dat de stikstofuitstoot van het voorliggende initiatief niet zal lijden tot negatieve effecten voor omliggende Natura-2000 gebieden. Soortbescherming In de omgeving van het plangebied zijn verschillende beschermde plant- en diersoorten waargenomen. Echter is bij het veldonderzoek gebleken dat het plangebied geen geschikt biotoop vormt voor deze beschermde plant- en diersoorten. Er zijn dus ook geen sporen aangetroffen van beschermde planten, grondgebonden zoogdieren,

pagina 29 van 42

vleermuizen, amfibieën, reptielen, vissen, vogels en nestlocaties, insecten en ongewervelden of exoten. Wel geldt tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden ten alle tijden de algemene zorgplicht. Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig. Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.6

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek Het plangebied ligt in een luchtaandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. De ontwikkeling van woningen tot maximaal 1.500 woningen met één ontsluitingsweg wordt per definitie aangemerkt als een project dat niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Verder is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2023 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 17,25 μg/m³ PM10, 9,14 μg/m³ PM2,5 en 18,24 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorliggende initiatief.

4.7

Geluid

De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op

pagina 30 van 42

geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

gebouw voor kinderopvang met bedden;

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Het

beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

Planspecifiek Het voorliggende initiatief voorziet in de het realiseren van een burgerwoning. Woningen zijn in het kader van het Bkl gevoelige bestemmingen, waardoor de geluidsbronnen zoals bedoeld in het Bkl beschouwd moeten worden. Wegverkeer Het plangebied valt binnen het geluidaandachtsgebied van de Bermweg. In dit kader is een akoestisch onderzoek naar geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer uitgevoerd door Adviesburo Vanderboom (d.d. 24 juni 2024, 24134), zie bijlage 3. Hieruit is gebleken dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer op de Bermweg ten hoogste 44 dB is. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB niet overschreden en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volstaan kan worden met de minimale geluidswering zoals opgenomen in het Bbl. Spoorweglawaai De dichtstbijzijnde spoorweg ligt op circa 1,2 km afstand van het plangebied. Vanwege de afstand en het feit dat de treinen zich verplaatsen door een woonwijk worden geen belemmeringen wat betreft geluid van het spoor te verwachten. Industrielawaai In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel is geluid van omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van milieuzonering. Deze toetsing vindt plaats in paragraaf 4.13.

Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.8

Geur

Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere)

pagina 31 van 42

milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente stelt in aanvulling hierop waar nodig 1 of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.

Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn geen functies aanwezig die mogelijk tot geurhinder kunnen leiden. Hierdoor vormt het aspect geur geen belemmering voor het voorliggende initiatief.

4.9

Omgevingsveiligheid

Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn.

Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige

pagina 32 van 42

stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico.

Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen.

In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Sevesoinrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden. Vervoer gevaarlijke stoffen Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:

pagina 33 van 42

▪

30 meter voor een brandaandachtsgebied

▪

200 meter voor een explosieaandachtsgebied

De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.

Planspecifiek Het initiatief voorziet in het realiseren van een kwetsbare functie, namelijk een woning. Om te bepalen of in de directe omgeving risicovolle inrichtingen aanwezig zijn is de risicokaart in de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Hierin is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van transportroutes voor gevaarlijke stoffen, buisleidingen voor gevaarlijke stoffen en risicovolle inrichtingen. Zie hieronder voor een fragment van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied omcirkeld met rood (bron: Atlas Leefomgeving)

Transportroute van gevaarlijke stoffen via weg, water of spoor Ten noorden van het plangebied ligt het spoorwegtraject Rotterdam – Gouda op een afstand van 1,2 km. Dit spoortraject is opgenomen in het basisnet voor gevaarlijke stoffen. Deze transportroute is voorzien van groepsrisico contouren, een brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied. Het gifwolkaandachtsgebied heeft een straal van 300 meter. Gezien de afstand tussen het spoortraject en het plangebied worden acute effecten als gevolg van calamiteiten niet verwacht. Transport van gevaarlijke stoffen via buisleiding Ten oosten van het plangebied is een buisleiding ten behoeve van aardgas aanwezig op een afstand van 1 km. Deze aardgasleiding is voorzien van een brandaandachtsgebied met een straal van 400 meter en een groepsrisico contour. Het plangebied ligt volledig buiten het brandaandachtsgebied van deze buisleiding waardoor acuut gevaar in geval van een calamiteit niet verwacht wordt. Risicovolle inrichtingen

pagina 34 van 42

Ten zuiden van het plangebied is een LPG tankstation aanwezig op een afstand van circa 595 meter. Dit tankstation is

voorzien

van

een

groepsrisico

contour,

een

brand-

en

een

explosieaandachtsgebied.

Het

explosieaandachtsgebied heeft een straal van 157 meter. Gezien de afstand tussen het plangebied en het tankstation wordt acuut gevaar niet verwacht in geval van een calamiteit. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.

4.10 Bezonning Voor bezonningstudies gelden geen wettelijk vastgestelde normen. In het kader van de Omgevingswet dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningstudie op te stellen. In een bezonningsstudie wordt bekeken wat de effecten zijn van de voorgenomen ontwikkeling op de omliggende bebouwing en vice versa. Hierbij wordt doorgaans de lichte TNO-norm gehanteerd om te bepalen of er sprake is van een goed bezonningssituatie.

Planspecifiek Door Buro SRO is een bezonningsstudie uitgevoerd om de bepalen of het voorliggende initiatief voorziet in onevenredige hinder voor omliggende woningen en vice versa, zie bijlage 4. Uit het onderzoek is gebleken dat als gevolg van het initiatief de hoeveelheid aan schaduwhinder voor de bestaande woningen niet zal toenemen. Daarnaast zal de nieuwe woning zelf voldoende zonuren ontvangen en voldoet deze aan de TNO-norm. gebeoHet aspect bezonning vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.11 Welstand Artikel 22.29 lid 1 onder b (bruidsschat) bepaalt dat bestaande en nieuwe bouwwerken niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Veel gemeenten hebben deze welstandsnota waarin zij de beleidsregels hebben opgenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing. In het omgevingsplan kunnen welstandscriteria echter ook worden opgenomen in de ruimtelijke planregels, in plaats van in beleidsregels. Ook zijn er gemeenten die bepaalde gebieden hebben aangewezen die welstandsvrij zijn. Er vindt in deze gebieden dan geen welstandstoets plaats. Ook kunnen voor nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld specifieke welstandsregels gelden die zijn opgenomen in een beeldkwaliteitsplan.

Planspecifiek Het initiatief is besproken en akkoord bevonden door het Q-team. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand en dat het aspect welstand geen belemmering vormt voor het beoogde initiatief.

pagina 35 van 42

4.12 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Planspecifiek Archeologie In het tijdelijke deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Ruimtelijke ontwikkelingen op locaties met deze bestemming zijn verplicht tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek indien de ontwikkeling voorziet in graafwerkzaamheden dieper dan 1,0 meter onder maaiveld en over een oppervlak dat groter is dan 200 m². Het initiatief blijft onder deze drempelwaarde waardoor deze niet verplicht is tot een archeologisch onderzoek. Indien van een toevalsvondst zal het bevoegd gezag op de hoogte worden gesteld. Cultuurhistorie Het initiatief voorziet niet in een aanpassing aan een gemeentelijk- of rijksmonument. Verder ligt het plangebied niet in een beschermd dorps- of stadsgezicht. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het initiatief.

4.13 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een

pagina 36 van 42

bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Planspecifiek De locatie waar de beoogde woning komt te liggen heeft in het tijdelijke deel van het omgevingsplan de enkelbestemming ‘Wonen’. Het initiatief voorziet niet in een gevoeliger bodemgebruik dan reeds toegestaan is. Hierdoor is een verkennend bodemonderzoek niet nodig. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.14 Activiteiten en milieuzonering Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’.

Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:

▪

industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;

▪

woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;

pagina 37 van 42

▪

gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.

Planspecifiek Het initiatief voorziet in het realiseren van een gevoelige functie, namelijk een woning. Hierbij bestaat de mogelijkheid dat omliggende bedrijfsactiviteiten gehinderd worden in hun bedrijfsvoering. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ zijn status verloren en kan deze niet meer gebruikt worden om definitief te toetsten of er voldoende afstand is tussen de beoogde woning en omliggende activiteiten. Aangezien de nieuwe VNG-lijst voor milieuzonering niet gepubliceerd is ten tijde van het opstellen van dit document, wordt er alsnog gebruik gemaakt van de oude VNG-lijst. De omgeving van het plangebied bestaat uit een verschillende functies, waaronder wonen, bedrijf, sport, horeca, recreatie, gemengd en maatschappelijk. Op basis hiervan wordt de omgeving van het plangebied beschouwd als een ‘gemengd gebied’, waardoor alle richtafstanden (met uitzondering van gevaar) met één stap terug worden gebracht. In de onderstaande tabel worden de omliggende bedrijfsactiviteiten beschouwd. Naam

Adres

Milieucategorie 3.1 3.1 3.1

Richtafstand tot plangebied (m) 30 30 30

Afstand tot plangebied (m) 32 250 60

Sparta Rugby Capelse Manege Handelsond. en Transportbedr. V.O.F. J.F. Kok Parkeerplaats Schollebos Pannenkoek- Petit Restaurant Schollebos Golfclub Capelle

Bermweg 141 Bermweg 158 Bermweg 502 Bermweg

2

10

Bermweg 133

1

0

30 westen, oosten 105

's-Gravenweg 311

1

0

100

20

Op basis van de bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat het toevoegen van de beoogde woning geen belemmering vormt voor de omliggende bedrijfsactiviteiten. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief.

pagina 38 van 42

5

Financiële haalbaarheid

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften zijn mogelijk voor zover ze betrekking hebben op het gebied waar de vergunningaanvraag op ziet én voor zover de voorschriften betrekking hebben op de aangevraagde ontwikkeling. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt ‘ ’ verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. Het betreft een aangewezen plan waarvoor een anterieure overeenkomst zal worden afgesloten. De economische uitvoerbaarheid van het pla n is derhalve verzekerd.

pagina 39 van 42

6

Maatschappelijke haalbaarheid

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De initiatiefnemer is in veel gevallen verplicht om te participeren met de aanwezigen rondom het plangebied. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit hoort een beschrijving van de wijze waarop die participatie plaats heeft gevonden en wat daarvan het resultaat was. In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken, die met zes weken verlengd kan worden. In sommige

gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse

omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. In beide gevallen bestaat de mogelijkheid voor bezwaar. Bij de uitgebreide procedure bestaat ook de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen.

6.1

Vooroverleg

De initiatiefnemer heeft in het verleden een principeverzoek ingediend voor het realiseren van één woning op eigen terrein. Hierbij was een positief advies afgegeven met een aantal aandachtspunten meegegeven voor de verdere uitwerking van het initiatief.

6.2

Participatie

Initiatiefnemers hebben een informatiebrief met enquête gestuurd naar de directe buren (Bermweg 500 t/m 508a) en tevens een enquête bij hen uitgezet om tips en eventuele kanttekeningen op te halen. De resultaten van de enquête hebben de initiatiefnemers in een persoonlijk gesprek met de buren besproken om zo een goed beeld te krijgen van hun belangen en om zodoende draagvlak te creëren voor het initiatief. Uit de enquêtes blijkt dat de buren zeer welwillend tegenover het project staan. Ze zijn tijdig betrokken geraakt bij het project en zien alleen maar meerwaarde in het initiatief. De informatiebrief, de enquête en enquêteresultaten zijn bijgevoegd als bijlagen bij de aanvraag, zie bijlage 6.

pagina 40 van 42

7

Conclusie

Op basis van de eerder getrokken conclusies wordt er geacht dat het voorliggende initiatief voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te beoordelen zijn de relevante stukken vanuit nationaal-, provinciaal- en gemeentelijkbeleid beschouwd. Uit de beschouwing is gebleken dat er geen belemmeringen zijn voor het realiseren van één vrijstaande woning. Verder zijn de relevante omgevingsaspecten beschouwd waaruit is gebleken dat er geen belemmeringen zijn tegen het realiseren van de beoogde woning. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het initiatief voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dus uitvoerbaar is.

pagina 41 van 42

pagina 42 van 42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15303318/1