CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

03C.04 - Bestemmingsplan Quadratum Fascinatio - Toelichting

Gemeenteraad 14 juni 2021, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Bestemmingsplan Quadratum (NK4) Fascinatio14.064 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wet natuurbescherming. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.5. Conclusie Wat betreft flora en fauna worden geen negatieve effecten verwacht door het planvoornemen op zowel omliggende beschermde natuurgebieden of op eventueel in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar wat betreft het sectorale aspect natuur.

4.4. Verkeer en parkeren 4.4.1. Verkeer De Fascinatio Boulevard is de wijkontsluitingsweg voor de wijk Fascinatio. Deze weg loopt als een singel rondom de wijk en sluit in het zuiden aan op de Rivium Boulevard en de N210 (Abram v. Rijkevorselweg). De N210 sluit in het westen aan op de Rijksweg A16. Door deze omstandigheden is de wijk vanuit alle windrichtingen goed bereikbaar. De functiewijziging van

29

het plangebied, zodat maximaal 20 wooneenheden kunnen worden gerealiseerd in plaats van een bedrijfsgebouw of woon-werkwoningen, zorgt niet voor congestieve problemen op de Fascinatio Boulevard omdat deze weg op de nieuwe ontwikkelingen is ontworpen. Ten oosten op circa 850 meter van het plangebied is metro- en busstation Capelseburg gelegen. De locatie is derhalve ook goed bereikbaar met het openbaar vervoer richting de metrostations Rotterdam Centraal, Rotterdam Prins-Alexander en Capelle Centrum. Om het plangebied te ontsluiten wordt één inrit voor auto’s en langzaam verkeer voorzien aan de Fascinatio Boulevard. Op deze wijze kan het appartementengebouw op een goede en verkeersveilige situatie worden ontsloten. Deze worden ingepast met inachtneming van de aanwezige groenstructuur in de vorm van een bomenrij. 4.4.2. Parkeren Beleid Op 14 december 2015 is het parkeerbeleid 2015 Capelle aan den IJssel door de gemeenteraad vastgesteld, genaamd ‘De Parkeernormen 2015 Capelle aan den IJssel’. Mobiliteit, en meer specifiek het bezit en gebruik van auto’s en fietsen zal naar verwachting in de komende jaren blijven groeien. Als gevolg daarvan is de vraag naar parkeerplaatsen voor de auto en fiets toegenomen en zal deze blijven toenemen. Parkeerplaatsen nemen waardevolle ruimte in.

Het is van belang dat bij de hiervoor te maken keuzes (aantal en verschijningsvorm) bij (ver)bouwprojecten rekening gehouden wordt met actuele uitgangspunten zodat de kwaliteit van de leefomgeving kan behouden blijven en dat er voldoende parkeerplaatsen kunnen worden geboden. Een tekort aan parkeercapaciteit kan een bron voor overlast in een (centrum)gebied of (woon)buurt zijn. Een goede sturing en afweging van belangen is een noodzaak bij het parkeervraagstuk. Parkeernormen zijn daarbij een hulpmiddel. Door middel van parkeernormen kan een goede inschatting worden gemaakt van de te verwachten parkeerbehoefte van nieuwe (ver)bouwprojecten. De Gemeente Capelle aan den IJssel wil de vraag naar parkeergelegenheid goed blijven faciliteren, maar wel op een zodanige wijze dat de bereikbaarheid van de stad in zijn geheel als de verschillende delen daarvan (het centrum, de woonwijken, de bedrijventerreinen e.d.) kan worden gewaarborgd en de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft. De gemaakte beleidsmatige afwegingen en keuzes hebben geresulteerd in het Parkeerbeleid 2015. In dit beleidsplan wordt onder meer benoemd dat de veroorzaker van de parkeervraag behorende bij een nieuw- of verbouwproject verantwoordelijk wordt gesteld voor het realiseren van de daartoe benodigde parkeerplaatsen. Daar zijn echter nieuwe, goede en heldere kaders voor nodig.

Initiatiefnemers en bouwers moeten op voorhand weten waar ze op het gebied van parkeren aan moeten voldoen. Dit schept duidelijkheid naar alle partijen. Ook omwonenden en overige belanghebbenden hebben recht op deze duidelijkheid over waar ze aan toe zijn en wat ze kunnen verwachten bij deze nieuw- of verbouwplannen ten aanzien van parkeren.

30

Deze Parkeernormen 2015 is een aanvulling op het Parkeerbeleid 2015 en vervangt de vorige Nota uit 2006. Het beleid levert de kaders teneinde de uitkomsten voor het parkeervraagstuk aan de voorkant van het planproces te genereren en zo nodig te vertalen naar verplichtingen.

Bovenaanzicht gebouw en buitenruimte

Beoordeling plan Auto Nieuwe ontwikkelingen moeten aan de parkeernomen voldoen. Bij veranderingen van de bestaande situatie, bijvoorbeeld bij de (her)ontwikkeling van een functie of een gebied, hanteert de gemeente Capelle aan den IJssel de systematiek van parkeernormering. Uit onderzoek blijkt dat het autobezit per huishouden sterk afhankelijk is van zaken als de oppervlakte van de woning, de locatie en het soort woning. De parkeernormen van de gemeente Capelle aan den IJssel zijn hierop afgestemd. Uit de gemeentelijke parkeernota volgt dat afhankelijk van de oppervlakte van een woonappartement de volgende normen gelden: • <100 m², norm 1,5 pp/w; • 100 tot 160 m², norm 1,8 p/w; • >160 m², norm 2 pp/w. Het nieuwbouwplan omvat maximaal 20 woonappartementen. Binnen het plangebied worden 34 parkeerplaatsen op een parkeerterrein rondom het appartementengebouw gerealiseerd. Dit aantal is berekend met de norm van 1,5 parkeerplaatsen per woning, uitgaande van een gemiddelde grootte van de appartementen van <100 m² b.v.o (circa 80 m²). Hiermee wordt ruimschoots aan de Parkeernormen 2015 voldaan. De parkeernorm is in de regels van dit bestemmingsplan geregeld. De parkeerplaatsen zijn aan de zijkant en achter het gebouw voorzien. Ook worden parkeerplaatsen beschikbaar gesteld voor het publiek (de resterende parkeerplaatsen). Dit wordt met borden en wegbewijzing geregeld.

31

Fiets Bij het bepalen van de behoefte aan fietsparkeerplaatsen bij nieuwbouw, verbouwing of functiewijziging wordt eveneens uitgegaan van 'parkeernormen'. De parkeernormen voor fietsen zijn gebaseerd op de Publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, CROW 317, Oktober 2012". Voor appartementen met fietsenberging dient deze ruimte te bieden aan minimaal 2-3 plekken per woning. Voor een appartement zonder fietsenberging is dit 0,5 - 1 plaats per woning t.b.v. een buurtstalling met fietstrommels. Uitgaande van deze fietsparkeernorm moeten de maximaal 20 bergingen bij de woonappartementen ruimte bieden aan minimaal 40 fietsen (2 per berging). Omdat alle appartementen een eigen berging krijgen waar minimaal 2 fietsen in kunnen worden geparkeerd wordt ook voldaan aan de fietsparkeernorm. Voor bezoekers worden voorzieningen getroffen op eigen terrein.

4.5. Kabels en leidingen Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels en leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. Het aspect kabels en leidingen vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.

4.6. Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een bodemonderzoek conform NEN5740 plaats te vinden. Met dit verkennend onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Voor de bouw van de wijk Fascinatio is een grootschalig bodemonderzoek en bijbehorende bodemsanering uitgevoerd. Hierbij is een leeflaag bodem met de bodemkwaliteit ‘wonen’ op de bestaande bodem gestort. De leeflaag bestaat uit een onderste regulerende laag met een slechte doorlatendheid. Deze laag is circa 20 cm dik. De leeflaag erboven heeft een matig tot goede doorlatendheid en heeft een dikte van circa 110 cm. In de regulerende laag is drainage aangelegd om het waterpeil te kunnen reguleren in de wijk. In januari 2020 heeft opnieuw een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek plaatsgevonden, specifiek gericht op dit plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. Tijdens het veldwerk is gebleken dat de leeflaag tot een diepte circa 1,8 m-mv aanwezig is. Hieronder is de baggerspecielaag waargenomen.

In de grond (0-1,8 m-mv) zijn geen bijmengingen waargenomen. In de opgegraven en geïnspecteerde grond zijn geen

32

asbestverdachte materiaal waargenomen. De grondwaterstand is waargenomen op een diepte van 0,65 m-mv. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat grond van de leeflaag (0-1,0 m-mv) niet verontreinigd is met de stoffen uit het standaardpakket. De gehalten aan PFOA, PFOS en overige PFAS in de bovengrond (0-0,5 m-mv) overschrijden de tijdelijke landelijke achtergrondwaarde niet. In de bovengrond (0-0,5 m-mv) zijn analytisch geen asbesthoudende materialen aangetroffen. Het grondwater is matig verontreinigd met barium en licht met xylenen, naftaleen en dichlooretheen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat voor de leeflaag de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming. Op basis van de resultaten van het asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat de leeflaag kan worden beschouwd als niet-asbestverdacht.

4.7. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Weg- en spoorwegverkeerslawaai Het plan is gelegen binnen de geluidzones van de Rijksweg A16, de Fascinatio Boulevard en de metrolijn Capelsebrug-Kralingse Zoom. Om deze reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten. Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB van wegverkeerslawaai wordt overschreden door de Fascinatio Boulevard en snelweg A16. De hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB voor de Fascinatio Boulevard wordt niet overschreden. De hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB voor de snelweg A16 wordt ook niet overschreden. De geluidsbelasting die veroorzaakt wordt door de metrolijnen bedraagt maximaal 64 dB Lden op de noordgevel van de bebouwing. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden. De geluidsbelasting ligt wel lager dan de maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB. Er dient derhalve een hogere grenswaarde aangevraagd te worden.

Er dienen derhalve Hogere Grenswaarden te worden aangevraagd voor zowel wegverkeerslawaai als voor railverkeerslawaai. Omdat het in totaal om slechts 20 woningen op kavel NK4 gaat is het treffen van bron- of overdrachtsmaatregelen om de geluidsbelasting te reduceren, niet reëel en niet doelmatig. Wel dient er in het kader van het Bouwbesluit een onderzoek plaats te vinden naar de geluidwering van de gevels van de woningen. Bij dit onderzoek dient uitgegaan te worden van de cumulatieve geluidsbelasting vanwege weg- en railverkeerslawaai zonder toepassing van de aftrek op grond van artikel 110 Wgh. De binnenwaarde moet conform het Bouwbesluit 33 dB zijn.

33

Industrielawaai Het plangebied is gelegen buiten geluidszones van gezoneerde industrieterreinen. Derhalve hoeft met deze geluidbron geen rekening te worden gehouden. Conclusie Voor weg- en railverkeerslawaai wordt gelijktijdig met het vaststellen van dit bestemmingsplan Hogere Grenswaarden verleend. De aspecten industrie- en spoorweglawaai vormen geen belemmering voor dit plan.

4.8. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.

Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter.

34

Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. Beoordeling plan Het planvoornemen ziet op de realisatie van maximaal 20 wooneenheden. Op basis daarvan kan worden gesteld, voor zover daarvan al sprake is, dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.

Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Aangezien woningen in de zin het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming worden gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat direct ten zuiden van het plangebied - ter plaatse van het rekenpunt aan de Fascinatio Boulevard - zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden.

Uit de monitoringstool blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

35

Uitsnede monitoringstool NSL bij rekenpunt plangebied

4.9. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.

Beoordeling plan In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere niet-woonfuncties. De bebouwingsrand rondom de Fascinatio Boulevard - waar het plangebied onderdeel van uitmaakt - is namelijk bestemd voor bedrijven tot en met milieucategorie 3.1. Binnen deze bedrijfsbestemming is een veelvoud aan bedrijfstypen toegestaan, zoals kantoren, instellingen in de dienstverlenende sfeer, handelsbedrijven, een showroom, maar ook bedrijven en

36

instellingen gericht op persoonlijke dienstverlening en maatschappelijke doeleinden of sportieve en recreatieve voorzieningen. Vanwege de aanwezigheid van meerdere bedrijven direct grenzend aan het plangebied, alsook de aanwezigheid van het remise station van de RET ten noorden van de planlocatie en de A16 en N210 nabij de planlocatie, is het plangebied aan te duiden als ‘gemengd gebied’. Er is namelijk sprake van meerdere niet-woonfuncties in de directe omgeving en de locatie is gelegen in de oksel van meerdere wegen die tot hoofdinfrastructuur behoren. De oorspronkelijke richtafstanden worden daarom verminderd met één afstandsstap. Omdat het gaat om hoofdzakelijk 3.1-bedrijven (maximaal) in de nabijheid van het plangebied geldt hier een aan te houden richtafstand van 30 meter ten opzichte van gevoelige functies zoals wonen in dit geval. Binnen 30 meter van het plangebied zijn meerdere inrichtingen gelegen. Dit betreffen meerdere milieucategorie 1 of 2-bedrijven ten westen van het plangebied in een bedrijfsverzamelgebouw. In dit bedrijfsverzamelgebouw bevinden zich uitsluitend kantoorbedrijven die actief zijn in krediet- en hypotheekverstrekking. Ten oosten van het plangebied is eveneens een kantoorgebouw gelegen. Voor kantoren geldt een richtafstand van 0 meter, waardoor feitelijk aan de richtafstanden kan worden voldaan.

De overige bedrijven in de 3.1-bedrijvenrand rondom de Fascinatio Boulevard bevinden zich niet binnen 30 meter van het plangebied. Buiten de 3.1-bedrijven is er sprake van een metro remise station. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter, omdat dit type bedrijf tot de milieucategorie 3.2 behoort. De functieaanduiding conform het vigerend bestemmingsplan Prinsenland die ter plaaste het remise station en haar activiteiten mogelijk maakt is gelegen op 57 meter afstand, waardoor aan de richtafstanden kan worden voldaan. In de huidige situatie mag er op de planlocatie bedrijfsbebouwing worden gebouwd. Echter is het ook mogelijk woon-werkwoningen te realiseren. Dit is een woning met een daaraan (bouwkundig) gekoppelde of daarin opgenomen kleine bedrijfs- of praktijkruimte, atelier of kantoor, waarbij de bedrijfsfunctie ondergeschikt is aan de woonbestemming. Woonwerkwoningen zijn ook gevoelige functies en worden in dit kader hetzelfde beoordeeld. In dit geval is er daarom sprake van een gelijkwaardige situatie, omdat er op de planlocatie reeds gevoelige functies mogen worden gerealiseerd. Omdat er geen gevoelige functies worden toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie is een beoordeling met het oog op de omliggende nietwoonfuncties strikt genomen niet noodzakelijk. De woonwijk is opgebouwd met het oog op het mengen van verschillende functies nabij verkeersknooppunten.

In een dergelijk gemengd gebied is sprake van meer omgevingslawaai en een daarbij behorend woon- en leefklimaat. In dit kader is het realiseren van appartementen in plaats van bedrijfsbebouwing of woon-werkwoningen verenigbaar. Ten aanzien van geluid is een akoestisch onderzoek weg- en spoorweglawaai uitgevoerd. In paragraaf 4.7 is hierop ingegaan. Anderzijds brengt het planvoornemen geen belemmering teweeg voor de niet-woonfuncties, omdat deze functies niet in de huidige bedrijfsvoering worden gehinderd vanwege het feit dat er in de huidige situatie ook woon-werkwoningen mogen worden gerealiseerd.

37

Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.10. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen.

38

Uitsnede Professionele Risicokaart (plangebied blauw omcirkeld)

Beoordeling plan Op basis van de Professionele risicokaart blijkt dat in de directe nabijheid van het plangebied relevante externe veiligheidsbronnen aanwezig zijn. De N210 loopt in oost-west richting op circa 300 meter afstand ten zuidoosten langs het plangebied. Deze weg maakt onderdeel uit van de route gevaarlijke stoffen van de gemeente Capelle aan den IJssel. De A16 is gelegen op meer dan 600 meter ten westen van het plangebied. Het aantal transporten op de N210 is beperkt, zodat er geen sprake is van een PR 10-6-contour (bron: 'Risico-inventarisatie Capelle aan den IJssel 2012'). Omdat er geen sprake is van een PR 10-6-contour bestaat er logischerwijs geen knelpunt ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is bepaald op 0,29 keer de oriëntatiewaarde. De verder gelegen bronnen als het benzineservicestation van Tango Rivium Zuid en Noord aan de transportroutes N219 en de Hollandsche IJssel hebben een invloedsgebied, maar die reikt niet tot het plangebied. Deze zijn voor de beschouwing van de externe veiligheid dan ook niet ruimtelijk relevant. De gemeente Capelle aan den IJssel heeft in het kader van het overleg bij de voorbereiding van het bestemmingsplan Fascinatio-Capelsebrug als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening eerder advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR).

Dit advies is ook van toepassing op voorliggend plan waarin aandacht voor de risicobronnen, selectie van incidentscenario's, zelfredzaamheid, beheersbaarheid, advisering, resteffect en bestuurlijke overweging centraal staan.

39

In dit eerdere advies (bestemmingsplan Fascinatio-Capelsebrug) heeft de brandweer aangegeven dat de bereikbaarheid en bluswatervoorziening voldoende zijn. Daarnaast worden bouwkundige veiligheidsmaatregelen geadviseerd binnen 35 meter van de N210 (de 1% letaliteitscontour). Het plangebied is gelegen op ca. 300 meter afstand van de N210 waardoor bouwkundige veiligheidsmaatregelen niet noodzakelijk zijn. Aandachtspunten van VRR zijn verder: • Draag zorg voor goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne 'goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand' • Eventuele herontwikkelingen binnen de 15 kW/m² contour van de N210 zodanig te realiseren dat aanwezige personen veilig van een mogelijk incident op de N210 kunnen vluchten. Hierdoor wordt de zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd en het aantal slachtoffers beperkt. Met in achtneming van de omschreven situatie en maatregelen wordt het restrisico acceptabel geacht. Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor de beoogde realisatie van maximaal 20 wooneenheden.

4.11. M.e.r.-beoordeling Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan (of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning) gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.plicht: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het project is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het project is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt.

Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke

40

nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Beoordeling plan In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 20 wooneenheden in plaats van een bedrijfsgebouw of woon-werkwoningen. Voor zover de activiteit al zou zijn aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (activiteit D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), is een milieueffectrapportage pas verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het planvoornemen valt ver onder de drempelwaarde van 2.000 woningen en de oppervlakte van het plangebied blijft ver beneden de 100 ha. 2.

Ligging binnen een gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een ‘gevoelig gebied’ zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de voorgaande paragrafen is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden. 3. Belangrijke milieugevolgen In voorgaande paragrafen zijn verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan geen negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten. Gelet op bovenstaande opsomming is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

41

Hoofdstuk 5.

Juridische planbeschrijving

5.1. Onderdelen bestemmingsplan Het bestemmingsplan ‘Quadratum Fascinatio’ is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Quadratum Fascinatio’. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.0502.PBP20QUADRATUM-4001.

5.2. Toelichting op de verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

5.3. Toelichting op de regels 5.3.1. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen. Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot. 5.3.2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Artikel 4 Wonen De bestemming Wonen is opgenomen voor de bouw van maximaal 20 woonappartementen in een gebouw met een maximum bouwhoogte van 22 meter. Het gebouw moet worden gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak. De bestemming staat de bouw van gestapelde bouw toe en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water parkeervoorzieningen,

42

verhardingen, nutsvoorzieningen, bergingen, (fiets)parkeer-voorzieningen, speelvoorzieningen, bruggen en kunstwerken. Artikel 5 Waarde - Archeologie 1 Om de archeologische waarden en verwachtingen veilig te stellen, zijn dubbelbestemmingen opgenomen voor de verschillende zones uit de gemeentelijke Nota archeologie (2010) en de Archeologische kenmerken- en waardenkaart. Voor dit bestemmingsplan geldt één zone, namelijk ‘Waarde - Archeologie 1’. Artikel 6 Waterstaat - Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor bescherming en onderhoud van de waterkering. 5.3.3. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. 5.3.4. Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.

43

Hoofdstuk 6.

Uitvoerbaarheid

6.1. Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeente verplicht bij een procedure waarin bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.12 Besluit ruimtelijke ordening, een exploitatieplan vast te stellen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld doordat een anterieure overeenkomst is gesloten met de initiatiefnemer. In artikel 3.1.6 sub i van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgesteld dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met het bouwplan moet (economisch) uitvoerbaar zijn en kunnen worden gerealiseerd. Het is niet toegestaan om de gronden te gebruiken voor de appartementen als vanwege kosten de realisatie onmogelijk is. De realisatie van het bouwplan komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Er zijn geen gemeentelijke investeringen mee gemoeid. Dit is vastgelegd in de anterieure overeenkomst, die voor dit project is afgesloten. Het kostenverhaal is hierin geregeld. De kosten zijn hierdoor anderszins verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

Bij de verlening van de vergunning besluit het bevoegd gezag geen exploitatieplan vast te stellen zoals geregeld in artikel 6.12 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening, omdat de plankosten anderszins verzekerd zijn. De initiatiefnemers kunnen de kosten voor de ontwikkeling dragen. Het plan wordt gerealiseerd op gronden die niet in eigendom zijn van de gemeente. De kosten en baten van de ontwikkeling passen binnen het kader van de wettelijke grondexploitatie doordat de hogere kosten van de gemeente door middel van de anterieure overeenkomst verhaald worden. Een planschadeovereenkomst maakt deel uit van de anterieure overeenkomst.

6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1. Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang bij onderhavig bestemmingsplan wordt dit plan ter vooroverleg toegestuurd aan Stedin, Archeologie Rotterdam, HHSK en Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimenerwaard. Het hoogheemraadschap heeft een opmerking geplaatst over de regionale waterkering en de waterloop ten noorden van het plangebied. Deze opmerking is verwerkt paragraaf 4.2.2 van de toelichting in dit bestemmingsplan.

44

Op 16 december 2019 is het plan op een algemene bewonersavond gepresenteerd. 6.2.2. Zienswijzenprocedure Het opgestelde ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen, na voorafgaande publicatie op gemeentepagina en in de Staatscourant. Gedurende de periode van terinzagelegging is het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar via de website www.ruimtelijkeplannen.nl en analoog raadpleegbaar op het gemeentehuis. Er is één zienswijze ingekomen. In de bijgevoegde Nota van beantwoording zienswijzen is nader ingegaan op de zienswijze. Naar aanleiding van de zienswijze is één wijziging doorgevoerd in de toelichting van het bestemmingsplan.

45

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5.

46

Watertoets Stikstofdepositie berekening Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Nota van beantwoording zienswijzen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10230352/1