02.06 - conceptverslag cie SLE 250701 (20.00 uur)
Tekst van het document
Verslag van de vergadering van de commissie Samenleving en Economie, gehouden op dinsdag 1 juli 2025, in de Van Polanenzaal van het gemeentehuis, aanvang 20.00 uur Aanwezig zijn als:
voorzitter
:
de heer ing. P. Eilander;
volksvertegenwoordigers :
de heer drs. M.G. Jaliens, raadslid Leefbaar Capelle; mevrouw L.D. Poppe, raadslid Leefbaar Capelle; de heer J.G. Stegeman, raadslid D66; de heer G.M. Veenema MSc LLM, burgerraadslid SGP; mevrouw H.A. Groenendijk-de Vries MEd, raadslid ChristenUnie;
secretaris
:
mevrouw drs. C.M.J. van Adrichem;
portefeuillehouder
:
de heer E.M.C. Faassen, wethouder;
ambtelijke ondersteuning:
de heer drs. A.R. Ruijmgaart RA MGA, concerncontroller; mevrouw J. Stuifzand, teammanager Sociaal advies & strategie;
Rekenkamer:
de heer dr. J.A. de Ridder, plaatsvervangend directeur Rekenkamer Rotterdam; de heer J. Wils, senior projectleider Rekenkamer Rotterdam;
notulist
:
de heer A. de Krom.
Op de publieke tribune zijn bij de aanvang van de vergadering twee personen aanwezig.
1. Opening, mededelingen en vaststelling agenda De VOORZITTER opent de vergadering om 20.00 uur en heet alle aanwezigen welkom. Afmeldingen zijn ontvangen van mevrouw Slob van de SP en de heer De Jong van de VVD. De heer Veenema van de SGP zal in deze vergadering ook het woord namens het CDA voeren. Hij constateert dat er geen quorum is voor deze vergadering. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 2. Spreekrecht inwoners Er zijn geen insprekers. 3. Rekenkamerrapport ‘Samen op zoek naar zicht’, onderzoek GR Jeugdhulp Rijnmond Presentatie De heer DE RIDDER laat weten dat het onderzoek zich primair op de GR en het functioneren ervan richtte. Het onderzoek eindigde eind 2024. Het rapport is eind maart voor ambtelijke wederhoor gereed gemaakt. Daarna moest de Rekenkamer nog met alle gemeenten in gesprek. Data zijn verzameld via interviews, data-analyses en focusgroepen en zijn samengevat in conclusies. De eerste conclusie is dat de GRJR echt vooruitgang heeft geboekt op het gebied van contractbeheer en het zorgen voor goede besluitvorming. Er is sprake van meer professionaliteit. Zeven systeemaanbieders hadden ook het gevoel veel beter met gemeenten te kunnen praten. De GRJR doet ook iets aan informatieverzorging, deels op verzoek van gemeenten, die vragen om informatie. Het is goed dat dat is gedaan.
De tweede conclusie is dat de taakomschrijving rondom sturingsinformatie wat tekortschiet. De GRJR is dat gaan doen, maar niet duidelijk is wat die precies moet doen, hoe de rollen zijn verdeeld en wat de GRJR en gemeenten moeten doen. Er is ook afhankelijkheid van info die gemeenten aanleveren. Raadsleden waren redelijk ontevreden over de informatievoorziening, vooral in 2023 over de informatievoorziening rondom de begroting. De kwaliteit van de informatievoorziening had beter gekund. 1728035/2041543
Behorende bij commissieverslag SLE nummer: 1728035/2041543
pagina: 2 van 8
De derde conclusie is dat er een resultaatgericht inkoopmodel is, waarbij resultaten echter niet goed in beeld zijn. Als gemeenten verantwoordelijk zijn voor verwijzing is er nog wel enig zicht, maar bij verwijzingen via de huisarts is het niet duidelijk of resultaten behaald zijn. De vierde conclusie gaat om de keuze voor systeemaanbieders, om beter grip te hebben op strategische partners. Systeemaanbieders werken ook met onderaanbieders en er is niet echt grip op hoe dat precies uitpakt, wat een van de risico’s is. Er spelen ook discussies over wat passende zorg is. Systeemaanbieders zouden de regie moeten houden. De vijfde conclusie is dat grip op de kosten een lastig probleem is. De vraag naar jeugdzorg is redelijk stabiel en de kosten stijgen. Dat heeft te maken met duurdere tarieven of verschuiving naar duurdere zorg. Een verklaring is er niet. Er zijn wel hypothesen dat de kostenstijging ligt aan onderaanbieders of veel zzp’ers, maar een nauwkeurige analyse van de oorzaken van stijgende kosten heeft niet plaatsgevonden, wat wel belangrijk is. De begroting is nu wel realistischer, wat niet wil zeggen dat de kosten gedaald zijn. De bezuinigingsmaatregelen die de gemeente nam zijn te positief ingeschat en de resultaten vielen tegen. De informatievoorziening vanuit de gemeenten richting de GRJR om dat soort schattingen te maken was wat traag en verliep niet helemaal oké.
Men is wel op zoek naar mogelijkheden voor kostenbeheersing, maar die zoektocht is lastig. Het is belangrijk dat dat gebeurt. Te zien zijn een aantal vergelijkbare problemen in het land: Er is in het sociaal domein sprake van ingewikkelde doelen, waarbij allerlei andere factoren een rol spelen bij het bereiken ervan, wat het lastig maakt om erop te sturen. Vaak wordt het belang van goede informatie onderschat. Verantwoording afleggen is vaak uit balans. De balans slingert van er bovenop zitten of zaken relaxter aan professionals overlaten, wat niet goed is vanuit het perspectief van goede informatie. Het belang van administratieve informatie wordt onderschat, zodat men goed kan kijken wat er aan de hand is, wat komt door een keuze voor een meer relaxte houding. De overheid en de politiek ontbreken het vaak aan discipline en een lange adem. Er zijn al pogingen gedaan om iets te doen met het meten van resultaten, zoals bedenken van indicatoren, maar die zijn nooit echt goed doorgevoerd. Dat komt volgens hem omdat men denkt zaken nooit 100% oké te krijgen. Men moet echter proberen te sturen en indicatoren ontwikkelen. Weinig grip hebben op kosten heeft daarmee te maken. Onafhankelijk van hoe men dingen regelt is er wel duidelijkheid gewenst. Dat heeft ook te maken met het niet goed inschatten van de complexiteit.
Het advies is om te proberen om het model beter te maken en om te gaan met risico’s. Vanwege het ontbreken van informatie wint veranderen het vaak van verbeteren. Aanbevelingen 1. Het formaliseren van de rol van de GRJR ten aanzien van het verzamelen van sturingsinformatie en het maken van regioanalyses. 2. Het inkoopmodel handhaven en meer aandacht hebben voor sturen op resultaten. 3. Beheersmaatregelen nemen voor de risico’s van het model met systeemaanbieders. 4. Systematisch op zoek gaan naar inzicht in en de oorzaken van stijgende kosten. 5. Blijven zoeken naar mogelijkheden om kostenstijgingen te beperken. Er is geen weg terug van regionaal inkopen, wat wettelijk is vastgelegd: de focus moet dus liggen op verbetering van de huidige vorm van samenwerking. In Amsterdam was de conclusie van een onderzoek dat bedachte verbetermaatregelen werkten, maar men was daar al bezig met een andere aanpak, wat volstrekt contraproductief was. Wethouder FAASSEN vergelijkt de GRJR met een lerende olietanker. Het gaat beter, maar nog niet voldoende. Controle op onderaanbieders kan bijvoorbeeld beter, wat ook een van de 52 uit te werken maatregelen is in het kader van de Regionale Bestuursopdracht Kostenbeheersing (RBOK), die door de GRJR en de samenwerkende gemeenten zijn opgesteld om de kosten in de jeugdhulp te beheersen.
Behorende bij commissieverslag SLE nummer: 1728035/2041543
pagina: 3 van 8
In 2024 heeft de GRJR voor de eerste keer geld aan sommige gemeenten terug kunnen geven, waaronder Capelle. Ook de komende jaren zien er financieel rooskleuriger uit, maar wel geldt nog een disclaimer. Als er bijvoorbeeld een aantal casussen is met één-op-één-begeleiding zullen die heel veel geld kosten, waardoor het voordeel weer verdwijnt. Nu zijn er nog niet voldoende alternatieven voor die één-op-één-begeleiding (jeugdhulp+). De autonome groei zou ook nog kunnen stijgen. Hij heeft waardering voor het rekenkameronderzoek naar het actuele, veelzijdige en soms weerbarstige onderwerp. Kennis en inzichten die een bijdrage kunnen leveren aan verbetering van dienstverlening aan kinderen zijn altijd welkom. Het college herkent zich grotendeels in de bevindingen en aanbevelingen. Wel vindt hij het persoonlijk jammer dat er slechts beperkte aandacht is voor relevante verschillen tussen gemeenten. Capelle doet heel veel aan preventie, zoals in de kinderlabs. Kinderen moeten ook het recht hebben om niet in de jeugdzorg terecht te komen. Capelle levert op tijd gegevens aan de GRJR aan en heeft daarin niet of nauwelijks achterstand. De sterke positie van het CJG, wijkteams en de praktijkondersteuners jeugd bij huisartsen worden beperkt meegenomen. Maatregelen in het kader van ‘Tegen de stroom in’ zijn door de raad vastgesteld om lokaal nog beter en efficiënter te werken.
Landelijke besluiteloosheid draagt soms niet bij en werkt door in de jeugdhulpproblematiek. Hij begrijpt tegelijkertijd de focus en afbakening van de Rekenkamer, gezien de beschikbare tijd en capaciteit, waardoor de nadruk is gelegd op een onderzoek naar de centrale vraag vanuit de regio. Hij dankt de Rekenkamer voor de prettige samenwerking en de constructieve en positieve houding. De gemeente gaat mede op basis van de rekenkamerbevindingen aan de slag met verdere ontwikkeling van de jeugdhulp, zowel regionaal als lokaal. Tijdens de laatste algemeen bestuursvergadering van de GRJR heeft hij diverse zaken ingebracht. De inkoop van de GRJR wordt in 2029 geëvalueerd. Hij ziet graag twee punten waarop de Rekenkamer kritisch is expliciet daarin meegenomen, namelijk de raadsinformatievoorziening vanuit de GRJR en de sturingsinformatietaak van de GRJR. Die punten kunnen verbeteren, zodat aanbevelingen van de Rekenkamer in de praktijk kunnen worden ingevuld. Het college is dus blij met het onderzoek en de adviezen, omdat die helpen om de regionale samenwerking verder te verbeteren. Inhoudelijk is er een beetje een onvolledig gevoel, omdat maar beperkt is gekeken naar lokale initiatieven en inspanningen. Hij is het eens met de aanbeveling over de focus op verbetering van de huidige wijze van werken en vraagt of Capelle het goede besluit heeft genomen om niet uit de GRJR te treden.
De heer DE RIDDER vindt het belangrijk om na de keuze voor één van de drie modellen te proberen die werkwijze te verbeteren en niet te gauw op te geven. Andere modellen hebben namelijk ook hun problemen. Misschien is het prettiger om die werkwijze met een grotere dan een kleine groep te verbeteren. De heer STEGEMAN zegt dank voor het rapport. De Rekenkamer ziet dat de GRJR in de periode 2018-2024 vooruitgang heeft geboekt in de manier waarop de regionale hulpverlening is georganiseerd, maar dat er ook verbetering nodig is. Het rapport is niet alleen kritisch, maar houdt ook een spiegel voor aan het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan. De GRJR heeft onvoldoende zicht op resultaten en de effectiviteit van de zorg. Ook is sprake van gebrek aan structurele monitoring, onvoldoende zicht op en geen directe grip op geleverde prestaties van onderaanbieders, doordat de verantwoordelijkheid bij de systeemaanbieders is belegd. Er is ook een beperkte focus op de resultaten bij de jeugdigen. Mede hierdoor kunnen gemeenteraden en de GRJR niet goed hun controlerende taak uitvoeren, wat onwenselijk is. Bijsturen is niet mogelijk als men niet weet of dat werkt. Het rapport vraagt dus meer dan om een beleidsreactie, maar ook om een cultuurverandering. De GR moet niet alleen beleid maken, maar ook luisteren, verbinden en leren.
D66 is het eens met het overnemen van alle vijf aanbevelingen en om daarmee daadwerkelijk aan de slag te gaan. Het rapport roept niet op tot nieuwe plannen, maar op helder zicht op wat er is. Samen wil hij laten zorgen dat Capelle niet alleen zoekt naar zicht, maar dat ook vindt. De heer JALIENS sluit zich aan bij de dankwoorden voor het prettig leesbare lijvige rapport, dat hij enthousiast heeft doorgewerkt. Hij zegt ook dank voor de aanbevelingen. In de aanbeveling over het handhaven van het goedkoopste inkoopmodel en het mogelijk te maken om beter op resultaten te sturen heeft het college in feite een nuancering aangebracht. Hij interpreteert dat het college dat inkoopmodel wel blijft hanteren, maar ook wil leren van de lessen van anderen die het systeem ook hebben gebruikt, vervolgens te evalueren en de resultaten daarvan mee te nemen in verder beleid. Hij vraagt of ook is gekeken naar de voor- en nadelen van de andere inkoopsystemen en wat de argumenten zijn voor handhaving van het huidige inkoopsysteem.
Behorende bij commissieverslag SLE nummer: 1728035/2041543
pagina: 4 van 8
De Rekenkamer zegt dat het concept van systeemaanbieders niet inherent is aan het gekozen inkoopsysteem en hij vraagt wel concept wel inherent daaraan is. Wellicht ging de scope van het onderzoek niet zo ver. Verder wil hij weten of het college met de nuancering beoogt om bij de evaluatie van het huidige inkoopsysteem zich slechts te beperken tot het vergelijken van ervaringen binnen dat systeem of ook wil bekijken hoe andere systemen zijn toegepast en welke de effecten daarvan zijn. Leefbaar Capelle kan zich vinden in de inspanning om regionaal en lokaal kostenbeheersingsmaatregelen uit te voeren. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES is heel blij met het rekenkamerrapport over het onderwerp dat de ChristenUnie al langere tijd bezighoudt. De raad kon daarover zijn controlerende rol niet uitvoeren, zodat het fijn is dat de Rekenkamer daarvoor aandacht heeft. Zij vraagt of de raad op het gebied van informatie nog iets te doen heeft of iets heeft laten liggen. Wellicht speelt de Rekenkamer met het door de GRJR gebruiken van AI. Spreekster vraagt hoe de Rekenkamer kijkt naar het vanaf 2015 regionaal oppakken van de jeugdzorg. De titel van het rekenkamerrapport moet volgens haar zijn ‘Samen op zoek naar grip’, omdat het uiteindelijk daarom gaat. Op artsen en instanties moet er volgens de Rekenkamer meer beheersing komen en zij vraagt of de Rekenkamer ideeën heeft hoe dat goed zou kunnen.
Zij vindt het mooi dat het college alle aanbevelingen heeft overgenomen, maar haar viel een bepaalde terughoudendheid in de antwoorden van het college te bespeuren, zoals een evaluatie van het inkoopsysteem in 2029. Bij een complex onderwerp als dit is eigenlijk een plan van aanpak nodig, omdat men met goede bedoelingen niet zo ver komt. De heer VEENEMA zegt namens de SGP en het CDA dank voor het rapport en de reactie van het college. Voor de hele keten van jeugdzorg is sprake van uitzichtloosheid. Uit een recent rapport van Jeugdzorg Nederland en een trendanalyse van de Jeugdautoriteit blijkt dat het verdienmodel van jeugdhulpaanbieders onder druk staat. Er is geen financiële ruimte voor innovatie en verbetering. Jongeren zijn de dupe. Overal is er capaciteitstekort. Al zou er geld zijn, dan zijn er geen mensen. Daarbij komt de trend van medicalisering en overdiagnosticering van de jeugdzorg, die op de lange termijn juist meer schade oplevert dan dat het problemen van jongeren oplost. Verscheidene organisaties trekken daarover aan de bel. Jongeren zijn de dupe, krijgen geen geld en worden nodeloos een molen ingezogen, waar zij slecht uitkomen. De mensen in de keten doen hun uiterste best, dus vingerwijzingen zijn onrechtvaardig. Daarom zijn onderzoeken naar de partners in de keten zo belangrijk.
Gelukkig is er de afgelopen jaren veel verbeterd en er zijn ook succesverhalen, maar de zorgen blijven. In die context heeft de Rekenkamer onderzoek gedaan naar hoe er toch zicht kan komen. Er is daarbij specifiek gefocust op de GRJR en haar twee hoofdtaken. In die zin is het dus logisch dat niet de hele jeugdzorgketen is doorgelicht. De SGP en het CDA kunnen zich in grote lijnen vinden in de uitkomsten van het rapport. Wel zijn zij hier en daar kritisch. Hij vraagt of de Rekenkamer herkent dat de gedane aanbevelingen wat generiek overkomen. Ze voelen wat als een open deur, zodat hij vraagt of de aanbevelingen niet wat concreter hadden gekund. Een aantal aanbevelingen raakt aan de problematiek in de jeugdzorg. Wat betreft aanbevelingen 2 en 3 wil hij weten of die niet wat simplistisch zijn met het oog op de zeer complexe uitdagingen van de jeugdzorg en hoe deze aanbevelingen bijdragen aan het oplossen van deze problemen. Zorgen deze aanbevelingen niet voor nog meer administratie en complexiteit in de uitvoering van de jeugdzorg? Onderdeel van het onderzoek was hoe de vraag naar en de kosten van de regionale jeugdzorg zich ontwikkelden. De medicalisering van de jeugdzorg past daar niet één op één in. Het onderzoek richtte zich immers op de GRJR.
Omdat medicalisering wel één van de drijvende krachten achter de kosten is, had hij wel verwacht dat daar wat aandacht aan zou worden gegeven. Hij wil daarom weten of de Rekenkamer de medicalisering van de jeugdzorg als één van de drijvende krachten ziet en hoe de GRJR en gemeenten hierop kunnen sturen. In het kader van de medicalisering en het overdiagnosticeren in de jeugdzorg las hij dat er regelmatig verschil van inzicht is over welk zorgaanbod het beste past in een bepaalde casus. De aanbieders willen regelmatig een steviger aanbod doen dan dat de gecertificeerde instellingen (gi's) en de lokale teams inschatten. Het lijkt hem logisch dat dat dan ook leidt tot duurdere zorg. Hij begrijpt dat er voor de systeemaanbieders een commercieel belang is bij het adviseren van die indicaties. Hij vraagt of dat klopt. Als dat zo is, is wellicht de huidige positie van de systeemaanbieders niet zo wenselijk en zou die anders moeten worden ingericht. Hij wil weten of de Rekenkamer daarvoor aanbevelingen heeft en of de portefeuillehouder daarbij ideeën heeft. Als die redenering niet klopt is hij benieuwd hoe dat zich verhoudt tot de gestegen zorgkosten, waarbij de Rekenkamer in haar rapport eigenlijk ook aangeeft dat die kostenstijging alleen kan worden verklaard door hogere tarieven of zwaardere zorgindicaties.
Behorende bij commissieverslag SLE nummer: 1728035/2041543
pagina: 5 van 8
Hij vraagt om de toezegging om dit punt binnen de GRJR ter sprake te brengen om te bezien hoe de adviesfunctie van systeemaanbieders zich verhoudt tot hun belangen en wat dit dan moet betekenen voor hun positie en verantwoordelijkheden binnen de keten. De discussie tussen de gi's en lokale teams enerzijds en jeugdhulpaanbieders anderzijds staat effectieve hulpverlening in de weg. Hij wil daarom weten wat het college eraan gaat doen om dit op te lossen. De heer JALIENS heeft gelezen dat systeemaanbieders een regierol hebben in het krachtenveld van gecertificeerde instellingen en onderaannemers en dat die regierol een kostenopdrijvend effect heeft. Wellicht is die regierol ook elders te beleggen, waardoor men het risico van kostenopdrijving wegneemt. De heer VEENEMA vervolgt dat uit een onderzoek in 2017 ook het punt over sturingsinformatie naar voren kwam. Hierop is een aanbeveling gedaan, terwijl ook is aangegeven dat er al veel verbeterd is. Daarover wil hij graag het perspectief van de Rekenkamer en de portefeuillehouder vernemen en weten of het formeel vastleggen van de taak van het verzamelen en leveren van sturingsinformatie in de praktijk ook tot verbeteringen leidt. Daarnaast is veel aandacht besteed aan het krijgen van meer inzicht en meer grip. Dat wordt al een aantal jaren geprobeerd en hij is benieuwd waarom deze aanbeveling dan toch steeds terugkomt.
Zit de oplossing wel in deze richting en is er ook aandacht voor de vraag hoe je professionals de ruimte geeft die ze nodig hebben om te doen wat nodig is in plaats van te doen wat afgesproken is? Een deelconclusie is dat de gemeenteraad niet de benodigde informatie ontvangt voor het uitvoeren van zijn controlerende taak. Dat noemt hij een stevige conclusie. Volgens de Rekenkamer gaat het bijvoorbeeld om de effecten van kostenbesparende maatregelen. Aangezien jeugdzorg een actueel en belangrijk thema is, is het van groot belang voor de raad om te weten wat er gebeurt als die aan bepaalde knoppen draait en of dat wel wenselijk is. Daarom vraagt hij de Rekenkamer of deze deelconclusie één op één van toepassing is op de gemeente Capelle. De portefeuillehouder wordt gevraagd om daarop te reflecteren. De aanbeveling over het inkoopmodel is helder, maar het college pint zich daarop nog niet vast. Hij vraagt of het college zich kan vinden in de onderliggende uitleg van de Rekenkamer over de doorontwikkeling van het inkoopmodel. Uit de bestuursreactie maakt hij op dat niet alle aanbevelingen en knelpunten één op één te vertalen zijn naar Capelle. Aangegeven is dat de Capelse gemeenteraad wel degelijk goed wordt geïnformeerd en dat gegevenslevering naar de GRJR wel goed verloopt.
Hij is benieuwd of de Rekenkamer deelt dat niet alle aanbevelingen direct van toepassing zijn op Capelle en of het in de toekomst mogelijk is om per gemeente een scherper beeld te krijgen. Het college ziet een aantal aanbevelingen als een duwtje in de rug voor beleid dat het al uitvoert. Dat is een constructieve duiding, maar doet wellicht geen recht aan de intentie van de aanbeveling. Hij vraagt de portefeuillehouder waarom deze aanbevelingen toch nodig zijn, ondanks dat het lopend beleid erop aansluit. Daarbij is hij ook benieuwd naar het antwoord op de vraag van mevrouw Groenendijk-De Vries over de terughoudende reactie van het college op de aanbevelingen. Een belangrijk uitgangspunt voor het CDA is rentmeesterschap, het besef dat wij de aarde, onze gemeenschap en ook onze financiële middelen in bruikleen hebben en goed moeten beheren voor de generaties na ons. Dit vraagt voor het CDA om een rekenkamerfunctie, die belangrijk is om te bepalen of het gemeenschapsgeld zorgvuldig en zinnig is uitgegeven. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat kostenoverschrijdingen ten koste gaan van de andere noodzakelijke uitgaven. Het CDA kan zich erin vinden om alle aanbevelingen over te nemen.
Wat betreft aanbeveling 2, over het handhaven van het gekozen inkoopmodel, maar het mogelijk te maken om beter te sturen op resultaten, is ook het CDA er voorstander van om na een bepaalde periode te evalueren en hiervan te leren, waarbij zij wel de Rekenkamer volgt. Het CDA wil uitgaan van de basis die er is en kijken waar verbeteringen of aanscherpingen mogelijk zijn. Niet gewenst is opnieuw een geheel model op te zetten, te leren van de afgelopen periode en de punten uit het rekenkamerrapport toe te passen om nog meer grip te krijgen op de inkoop van de jeugdhulp. De heer DE RIDDER realiseert zich dat de cultuur in elke gemeente een beetje anders is, ook de manier waarop het verwijzingssysteem werkt en waarop zij erin slagen om veel te laten verlopen via hun eigen verwijzingen. De GRJR moet dus iets van gezamenlijkheid kunnen opbouwen. Gevraagd is of verschillen tussen gemeenten meer in beeld hadden moeten worden gebracht. De Rekenkamer heeft die verschillen gezien, maar heeft niet kunnen inzoomen op hoe alles werkt, dat zou een apart onderzoek vergen. In Krimpen aan den IJssel verloopt bijvoorbeeld bijna geen verwijzing via de huisarts, wat te maken heeft met de wijze van organiseren. Veel lokale inspanningen dragen bij om het proces goed te laten verlopen en in de hand te houden.
Behorende bij commissieverslag SLE nummer: 1728035/2041543
pagina: 6 van 8
De door de SGP gemaakte opmerking over medicalisering vindt hij heel interessant. Er zijn dus maatschappelijke oorzaken van problemen. Er zijn niet alleen jongeren met een individueel probleem, maar er is ook een maatschappij die dingen veroorzaakt of de lat hoog legt. Een belangrijke manier om de discussie landelijk over dit soort dingen te kunnen voeren is weten waar het geld naartoe gaat. Die aanbeveling is heel simpel, maar de uitvoering niet. Het gaat om volhouden om dingen te verbeteren: zorgen voor goede informatie. Men moet kunnen aantonen waar het geld naartoe gaat en waarom je dat niet in de hand hebt. Dat is een goede bijdrage aan het debat en dan kan men de discussie openen over een oorzaak vanuit probleem vanuit de maatschappij. De prijsopdrijvende effecten van systeemaanbieders zou hij ook willen zien. Hij noemde in zijn inleiding het gebrek aan evenwicht in verantwoordingsinformatie. Vanuit de commissie hoorde hij de vraag over een beroep doen op de professionaliteit van jeugdzorg en tegelijkertijd beter controleren op het oppakken van de regierol. Beide zijn nodig en men moet daartussen een evenwicht vinden. De GR is namens gemeenteraden verantwoordelijk voor een goed lopend proces, zodat men ook controles moet durven uitvoeren, terwijl men tegelijkertijd moet proberen ruimte te creëren voor professionaliteit.
Controle is nodig op prijsopdrijving vanwege het niet juist hanteren van de gegeven vrijheid. Vervolgens gaat hij in op de vraag of er in 2015 iets verkeerds is gedaan. De in Den Haag ontwikkelde beleidsvisie was interessant. Op sommige plekken is te zien dat dingen werken, zoals de ruimte voor maatwerk bij gemeenten. Dat is ook te zien in de verschillende omgang met zaken, waarvan men ook kan leren. Het idee van maatwerk vindt hij niet zonder meer raar, evenals het idee van preventie. Op gemeentelijk niveau kan men zorg voorkomen door de werkwijze van teams. Een aantal zaken was echter niet opgelost voor de wijziging van 2015. Men moet namelijk iets investeren voordat men kan optimaliseren en de vruchten van een aanpak kan plukken. De basisideeën waren niet zo gek. AI dingen laten doen vergt heel veel energie en daarmee is ook geld gemoeid. Dat vergt aandacht en de discipline opbrengen om dat netjes te doen. Gevraagd is of aanbevelingen concreter hadden gekund. De Rekenkamer is altijd een beetje terughoudend bij aanbevelingen over ambtelijke uitvoering. Heel veel geformuleerde aanbevelingen zijn op verschillende manieren aan te pakken, waarbij de ene manier niet beter of slechter is dan de andere. Je moet durven de dingen te benoemen die je wil. Voor resultaten kan men indicatoren benoemen die men zo smart mogelijk kan formuleren, monitoren en evalueren.
Zo ga je met ingewikkelde problemen om. Hoe men indicatoren precies kiest en wat er belangrijk is, is niet ter aanbeveling aan de Rekenkamer. Bij de start van het model is daarover al uitgebreid nagedacht. De heer WILS gaat in op de vraag van de ChristenUnie of de raad nog iets te doen heeft aan informatievoorziening. Dat punt heeft betrekking op aanbeveling 1. Het is belangrijk daarop stappen te zetten, maar dat lukt niet en gaat moeizaam. Het helpt echt als raden duidelijkheid daarover geven en dat als een taak zien. Dan gaan alle gemeenten daarmee akkoord en is het geen continu discussiepunt meer. De Rekenkamer heeft zich voorgenomen om de term ‘grip’ niet in de titel van het rapport te laten voorkomen. De SGP vroeg aandacht voor medicalisering. De GRJR en ketenpartijen zijn gevraagd waar kostenstijgingen vandaan komen. Er is een bepaalde verschuiving naar zorg en ook is sprake van indexering van kosten. Thesen kunnen moeilijk met cijfers onderbouwd worden. Bij het stappen willen zetten moet men echter ook zaken inzichtelijk hebben. Gevraagd is of het gestelde over informatievoorziening aan de raad vanuit de GRJR specifiek ook geldt voor Capelle. In dezen ging het over informatie die de raad vanuit P&C-documenten van de GRJR krijgt en niet zozeer wat de gemeente zelf over jeugdhulp aan informatie aan de raad aanbiedt.
Gegevensaanlevering vanuit gemeenten gaat soms problematisch en Capelle is daar niet de bottleneck, maar andere gemeenten wel. Er zijn meerdere inkoopmodellen, maar elke regio is weer een model op zich, met voor- en nadelen. Per model zijn er theoretische voordelen. Niet blijkt of een bepaald model in een regio structureel beter werkt dan in een andere regio, omdat de toepassing in de praktijk verschilt. Daarom kan men zich beter richten op het model zoals dat voorligt en dat eventueel aanpassen in plaats van een ander inkoopmodel oppakken. Per route verschilt ook de rol van systeemaanbieder en de mate van invloed van de gemeente daarop. Een combinatie van verwijzer en aanbieder bepaalt wat er gebeurt. Daarin heeft de systeemaanbieder een rol en het vraagt professionaliteit om aan te geven wat passend is. Men kan zeggen dat dat een prijsopdrijvend effect heeft. Op een aantal punten wringt de rol van de systeemaanbieder, met name via de justitieketen en gi’s, die specifieke zorg regelen. Als systeemaanbieders dan afspraken moeten regelen past de regie van die systeemaanbieder moeilijk. In andere trajecten heeft de systeemaanbieder een belangrijke rol.
Behorende bij commissieverslag SLE nummer: 1728035/2041543
pagina: 7 van 8
Het probleem is meer dat in specifieke gevallen van een bepaalde flexaanbieder gebruik moet worden gemaakt, die iets aanbiedt waarvoor acute noodzaak is, wat tot prijsopdrijvende effecten kan leiden. Dat is een aanname en hypothese, die niet hard kan worden gemaakt. Er zijn dus wat tegenkrachten in de keten, maar niemand heeft daar echt grip op. Wethouder FAASSEN laat weten dat het best lang duurt om een beetje de goede kant op te draaien. Normaliseren was bijvoorbeeld enkele jaren geen common sense bij veel instellingen en aanbieders en dat is nu onderdeel van de RBOK-maatregelen. De controle op onderaannemers moet beter. In de professionaliteit van de systeemaanbieders heeft hij wel vertrouwen. De controle daarop moet ook beter. Er volgt eerst regionaal een zorgvuldige evaluatie van het huidige inkoopmodel, waarna een vergelijking volgt met alternatieven, voordat men zich committeert aan de voortzetting van het huidige inkoopmodel. Dat stelt het college aan het algemeen bestuur voor. De heer JALIENS vraagt of daarmee ook alternatieven binnen andere inkoopsystemen worden bedoeld. Wethouder FAASSEN bevestigt dat. Hij is voorstander van het huidige model, maar misschien sluiten andere modellen beter aan op het geheel. Het college wil eerst goed evalueren en leren van de afgelopen jaren. Hij zegt daarmee niet naar een ander model toe te gaan.
De couleur locale en couleur regional zijn heel belangrijk. De bevindingen van de Rekenkamer neemt hij daarin mee. Er gebeurt lokaal en regionaal best wel veel, wat de Rekenkamer heeft beaamd in de zin dat het beter gaat. Er is op onderdelen opgeschreven wat er al gebeurt, zoals normaliseren en andere zaken. Er is dus geen terughoudendheid van het college in reactie op de aanbevelingen. De 52 RBOK-maatregelen worden genomen en zijn meerjarig. Bij grote maatregelen komt er een plan van aanpak. Wanneer er een rapport over de RBOK-maatregelen uitkomt weet hij niet. Voor uitvoeringen van de rekenkameraanbevelingen staat vier maanden. De heer RUIJMGAART vult aan dat niet alle aan het onderzoek deelnemende gemeenten leden zijn van de GRJR. In gezamenlijkheid moet men komen tot reacties op conclusies en aanbevelingen en wat naar aanleiding daarvan tot stand gebracht gaat worden. Wethouder Faassen heeft bij het algemeen bestuur van de GRJR ingebracht dat de aanbevelingen van de Rekenkamer moeten worden meegenomen in de evaluatie van de GRJR, die in het derde jaar van de raadsperiode plaatsvindt. Die aanbevelingen zouden ook moeten worden meegenomen in de te actualiseren regiovisie en het inkoopmodel. De termijn daartoe zal ruimer zijn dan vier maanden. De heer DE RIDDER suggereert die redenering in het plan van aanpak op te nemen.
Er is actie vanuit Capelle nodig om die redenering in het algemeen bestuur in te brengen. Mevrouw STUIFZAND heeft ook die bedoeling. Het plan van aanpak is een neerslag van langjarige uitwerkingen van meer sturing en meer monitoring, passend bij de voorliggende opgaven. De VOORZITTER schorst de vergadering. Schorsing (21.28 uur – 21.38 uur). De VOORZITTER heropent de vergadering. Wethouder FAASSEN laat weten dat elke systeemaanbieder over een innovatiebudget van € 150.000,- beschikt. Hij herkent de medicalisering in de jeugdzorg, zoals bij vechtscheidingen. Die medicalisering is lokaal makkelijker aan te pakken dan op regionaal niveau. Hij is het ermee eens medicalisering te voorkomen. Hij durft zijn hand er niet voor in het vuur te steken dat alle onderaanbieders niet commercieel denken. Bij een systeemaanbieder is cultuurverandering nodig en hij heeft er vertrouwen in dat die er met de RBOK-maatregelen zal komen. Wat dat betreft maakt hij zich over de onderaanbieders nog wel zorgen. Het college informeert de raad zijns inziens heel vaak over jeugdzorg via informatiebijeenkomsten, thema-avonden, brieven en de P&C-cyclus. Bij sommige gemeenten is er een raadslid raadsrapporteur en wellicht kan ook de Capelse raad die benoemen. Raadsrapporteurs zijn aanwezig bij algemeen bestuursvergaderingen en rapporteren daarover terug naar de gemeenteraad.
Behorende bij commissieverslag SLE nummer: 1728035/2041543
pagina: 8 van 8
Tweede termijn Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES is de overdiagnosticering vanuit de achterliggende samenlevingsproblematiek duidelijk geworden. De gemeente kan met de gemeenschap die problematiek oppakken en zij is daarom heel blij met het project normaliseren, dat wordt gedaan in samenwerking met huisartsen en het CJG, dat als voorbeeld zou kunnen dienen. Perverse prikkels van verdienmodellen over de ruggen van kinderen triggeren haar en daarmee zou men iets moeten doen. Zij is blij dat daarover met de systeemaanbieders te praten valt. Zij vraagt wat is bedoeld met de opmerking dat Rotterdam onduidelijkheid in stand wil houden. De heer VEENEMA snapt dat de Rekenkamer terughoudend is met adviezen ten aanzien van ambtenaren en hoorde dat bij het opzetten van een model al verschillende richtingen zijn verkend. Dat vindt hij logisch, maar hij vraagt zich af of dat een te makkelijke aanname is. Het kan geen kwaad concrete richtingen op papier te zetten, zonder dat die tot in detail zijn uitgewerkt. Dat zou het abstracte van de aanbevelingen wat nuanceren en handvatten voor de raad bieden om het college te controleren bij het uitvoeren van de aanbevelingen. Hij is blij dat de portefeuillehouder de zorgen over de systeemaanbieders deelt. De RBOKmaatregelen wil hij door de GRJR actiever laten oppakken, evenals de medicalisering en overdiagnosticering.
De heer DE RIDDER verduidelijkt dat Rotterdam niet zoveel ziet in het beleggen van een rol met betrekking tot sturingsinformatie bij de GRJR. Het gaat hem over onduidelijkheid over rollen. Er is een regionale samenwerking, waarbij er iemand verantwoordelijk moet zijn voor het verzorgen van informatie en het ligt voor de hand om dat aan de GRJR over te laten. Zolang niet duidelijk is bij wie die rol is belegd is er daarover onduidelijkheid. Indicatoren in verband met het bereiken van resultaten zijn nooit gebruikt en het ligt voor de hand om dat wel te doen, ook al hebben ze niet 100% effect. Dan kun je daarop monitoren en bijstellen. De heer VEENEMA ging het over de abstractheid van alle aanbevelingen, die soms een open deur zijn. Vanwege structurele problemen blijven aanbevelingen terugkomen, zodat zijn voorstel is om die concreter te maken met denkrichtingen waarbinnen de oplossingen te zoeken zijn. De heer DE RIDDER weet niet of aanbevelingen heel erg abstract zijn, maar hij kan zich voorstellen dat ze worden aangevoeld als een open deur. Vergelijkbare aanbevelingen heeft hij over informatieverzorging, het consistent zijn als bestuur en nadenken over risico’s en beheersmaatregelen. Veronderstellingen moet men proberen hard te maken, evenals proberen te handelen. Deze aanbevelingen zijn niet overbodig en ingewikkeld, maar die zaken gaan vaak mis.
Het netjes bijhouden van informatie is niet echt moeilijk, maar moet men blijven benadrukken. Abstract vindt hij die aanbevelingen niet. De heer VEENEMA reageert dat die aanbevelingen in de praktijk niet simpel blijken te zijn. Daarom heeft hij verzocht om oplossingsrichtingen, zodat men weet in welke richting die uit te voeren zijn. Als aanbevelingen steeds terugkomen gaat er iets niet goed in het oppakken en uitwerken daarvan. Daarom zouden ze concreter uitgewerkt kunnen zijn in het rapport. De heer DE RIDDER wil nog nadenken of daarover iets meer te zeggen is. Wethouder FAASSEN heeft in het kader van de te maken verordening maatregelen voorgesteld om zorgcowboys te voorkomen, zoals een Bibob-toets. Medicalisering inbrengen in het algemeen bestuur wil hij doen als er daartoe gelegenheid is bij te bespreken stukken. De VOORZITTER concludeert dat het voorstel als hamerstuk zal worden doorgeleid naar de raadsvergadering. 4. Rondvraag Er zijn geen vragen. 5. Sluiting De VOORZITTER sluit te 21.56 uur de vergadering. Aldus vastgesteld in de vergadering van de commissie Samenleving en Economie van 22 september 2025, de secretaris, de voorzitter,