CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

02.01 - conceptverslag Commissie BVM 23-02-2026

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen 11 mei 2026, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Vaststellen verslagen7.699 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

3 alinea's met “verslag”: 1 17 61

Verslag van de vergadering van de commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen, gehouden op maandag 23 februari 2026 in de Van Polanenzaal van het gemeentehuis, aanvang 20.00 uur Aanwezig zijn als: voorzitter:

de heer mr. P.M.D. Weijers (m.u.v. agendapunt 7); de heer W. Vervat (agendapunt 7);

volksvertegenwoordigers:

de heer J.B.L. Kerver, raadslid Leefbaar Capelle; mevrouw W.J. Ravenna, raadslid Leefbaar Capelle; de heer J.T. Nanne MSc, burgerraadslid D66; de heer J.S. Kolster MSc MA, raadslid VVD; de heer G.M. Veenema, LLM MSc, burgerraadslid SGP; mevrouw M. Aktaş, raadslid GroenLinks; mevrouw A.V.A. Raaijen, raadslid PvdA; mevrouw H.A. Groenendijk-de Vries MED, raadslid ChristenUnie; mevrouw mr. D.E. Armfield, raadslid Fractie Van der Heide (agendapunten 1 t/m 6); de heer J. van der Heide, raadslid Fractie Van der Heide (vanaf agendapunt 7);

secretaris:

de heer S.G.V. Schouten;

griffier:

mevrouw drs. T.A. de Mik;

portefeuillehouders:

de heer D.B. van Woudenberg, wethouder; de heer drs. J.J. Manusama MA, burgemeester;

ambtelijke ondersteuning:

de heer L. van den Herik, teammanager Juridische Zaken & Inkoop; de heer K.H.J. van der Krieken MSc, voorzitter Referendumcommissie; de heer E. van Zuylen, teammanager Financiën;

notulist:

de heer H. Veenstra (Notuleerservice Dictum).

Op de publieke tribune zijn bij de aanvang van de vergadering 6 personen aanwezig.

1. Opening, mededelingen en vaststelling agenda. De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder welkom. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. De VOORZITTER deelt mee dat de CDA-fractie verhinderd is en het SGP-lid de heer Veenema vanavond ook namens het CDA het woord zal voeren. Vanavond is het de laatste vergadering van de commissie BVM in deze raadsperiode. De heer Schouten zal deze avond de laatste keer de functie van commissiesecretaris vervullen, dit in verband met diens aanstaande pensionering. Hij dankt hem namens de commissieleden hartelijk voor de goede en langdurige samenwerking. Burgemeester MANUSAMA deelt mee dat Linsey Kars op 1 maart a.s. als nieuwe brandweercommandant zal aantreden, met wie hij deze week zal kennismaken. 2.

Vaststellen verslag van de vergadering van de commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen van 19 januari 2026 Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina:

2

3. Spreekrecht inwoners Er zijn geen insprekers. 4. Toezeggingen Geen opmerkingen. 5.

Gemeenschappelijke regelingen (MRDH algemeen, Veiligheidsregio RotterdamRijnmond, IJsselgemeenten financiën en ICT, Politie) Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond Burgemeester MANUSAMA deelt mee te zijn voorgedragen als dagelijks bestuurslid van de Veiligheidsregio voor de portefeuille brandweerzorg. 6. Wijziging Referendumverordening De VOORZITTER deelt mee dat de gemeenteraad eerder de wens heeft uitgesproken om de Referendumverordening 2020 te verduidelijken, te actualiseren en toegankelijker te maken voor de Capelse inwoners. Er zijn verschillende wijzigingen in de nieuwe verordening verwerkt. De Referendumcommissie heeft na diverse besprekingen met de raadswerkgroep referendum en na consultatie in de vergadering van de commissie BVM van 19 januari een briefadvies gegeven. Voorzitter van de Referendumcommissie de heer Van der Krieken is aanwezig en kan vanavond ook vragen beantwoorden. De heer VEENEMA is van mening dat het referendum kan worden afgeschaft. Ervan uitgaande dat er echter daarvoor geen meerderheid is heeft hij tegen die achtergrond naar het voorstel gekeken. De voorgestelde meerkeuzemogelijkheid is minder slecht dan de ja/nee-variant, zodat de SGP die steunt. Buurtpeilingen horen volgens de SGP niet in de Referendumverordening thuis.

Vanwege het instrument buurtpeiling, waarbij op een informele manier input uit de buurt wordt opgehaald, kan wat zijn fractie betreft het raadplegend referendum uit de verordening geschrapt worden. Hij vraagt daarom hoe de portefeuillehouder en de commissieleden staan tegenover het schrappen van artikel 7 over buurtpeilingen. De SGP is het eens met het blijven hanteren van de geldigheidsdrempel. Dat de raad uiteindelijk besluit hoe met de uitslag van een referendum wordt omgegaan doet daaraan niets af. Het referendum is een serieus en formeel instrument, in te zetten bij grote onderwerpen. Dan is er niets mis met een minimum aantal deelnemende kiesgerechtigden om tot een geldige uitkomst te komen. Hij vraagt verder waarom een artikelsgewijze toelichting op de verordening ontbreekt. Voorts vraagt spreker zich af of de weigeringsgrond van strijdigheid met het algemeen belang verstandig is, omdat die zonder het ontbreken van een nadere toelichting of afbakening in de praktijk snel onhoudbaar zal blijken te zijn en wellicht snel tot rechtszaken zal leiden. Misschien is het daarom verstandig die weigeringsgrond te schrappen. Het CDA wijst erop dat de raad verantwoordelijk voor de Referendumverordening is en het daarom bijzonder is dat het college met een wijzigingsvoorstel komt. Het ligt meer voor de hand dat de griffie in samenspraak met de gemeenteraad daarmee komt.

Het CDA adviseert daarom om de systematiek voor het wijzigen van de Referendumverordening met de nieuwe gemeenteraad te bespreken. Het CDA sluit verder aan bij de vraag van de SGP over de artikelsgewijze toelichting. Het heeft ook de voorkeur van het CDA om de buurtpeiling als instrument in de Participatieverordening op te nemen. Verder volgt het CDA het advies van de Referendumcommissie en de VNG-modelverordening om de geldigheidsdrempel te schrappen. Het CDA onderschrijft ook de conclusie van de Referendumcommissie over de extra weigeringsgrond en ziet graag dat deze wordt heroverwogen. Tot slot vraagt het CDA of die wijziging inclusief de artikelsgewijze toelichting nog kan worden toegevoegd voor de raadsvergadering van 9 maart. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES sluit zich aan bij het CDA dat het voor de hand ligt dat vanuit de raad een wijzigingsvoorstel wordt gedaan. Wel geeft het college handen en voeten aan hetgeen de raad graag wil. Zij vindt het prima om een toelichting aan de verordening toe te voegen. De ChristenUnie was de vorige behandeling vrij duidelijk in haar standpunt om het raadplegend en raadgevend referendum te behouden en niet uit te breiden. Nu worden die toch aangepast en zij is het ook niet eens met het advies dat behouden niet consistent zou zijn.

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina:

3

Verder verbaast het haar het niet schrappen van de geldigheidsdrempel. Die is volgens haar niet nodig. Daarnaast is zij best huiverig voor een uitzonderingsgrond in verband met het algemeen belang en vraagt zij waar die ineens vandaan komt. Mevrouw AKTAŞ ziet dat de inbreng van GroenLinks in de commissievergadering van 19 januari is meegenomen en in het voorliggende voorstel is verwerkt. GroenLinks gaat mee met het advies in de brief van de Referendumcommissie, behalve wat betreft het schrappen van de geldigheidsdrempel. GroenLinks wil die drempel behouden, zoals het voorstel ook verwoordt. De heer KERVER kan zich vinden in de meerkeuzeoptie in een referendum en wil weten waarin de buurtpeiling momenteel is opgenomen. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES meent dat de buurtpeiling in de Participatieverordening staat. De heer KERVER wenst ook een referendum over deelgebieden te kunnen laten houden, zowel in geval dat de raad als de Capellenaren dat willen. Een geldigheidsdrempel voor referenda is voor Leefbaar Capelle niet nodig. De heer VEENEMA vraagt hoe Leefbaar Capelle dan voldoende draagvlak voor uitkomsten van referenda wil waarborgen. Bij het laag maken van een drempel om een referendum te starten kan het zijn dat actiegroepen en belangenorganisaties te pas en te onpas politieke besluitvorming proberen te beïnvloeden.

Hoe voorkomt men dan lobbycratie? De heer KERVER antwoordt dat het ook slim is om een politieke partij met ideeën te benaderen. Als die daaraan voldoende gehoor geven hoeft men niet bang te zijn dat over ieder genomen besluit een referendum wordt aangevraagd. Het benodigde minimum aantal verzoekers voor een referendum van 1.600 plus het opkomstpercentage van 33 zijn al hoge beletselen voor een referendum. De raad moet zich realiseren dat die zelf gaat over besluiten van de gemeente. Het is aan politieke partijen om te vertellen af te wijken vanwege bepaalde redenen, zodat er een groot maatschappelijk debat volgt. De heer VEENEMA verbaast zich over dat standpunt van Leefbaar Capelle, omdat de heer Kerver in de commissievergadering van 19 januari aangaf dat de gemeenteraad de uitkomst van een referendum zou moeten volgen. Nu zegt hij dat de gemeenteraad moet afwegen of die al dan niet de uitkomst van een referendum volgt. De heer KERVER zal zelf altijd de uitkomst van een referendum volgen, maar hij weet dat andere partijen dat niet doen. De vermelde weigeringsgrond in het kader van het algemeen belang noemt hij ook veel te vaag, zodat die zal zorgen voor valse verwachtingen. De heer KOLSTER is van mening dat alle input in de consultatieronde goed is verwerkt in de voorliggende verordening, waarin de VVD zich kan vinden.

Hij is blij dat buurtpeilingen geen onderdeel daarvan zijn. De heer NANNE noemt het goed dat een aantal zaken uit de consultatieronde is overgenomen en is blij met het advies van de Referendumcommissie. Een aantal punten is ook niet overgenomen, die hij wel graag in de verordening terugziet. Hij sluit zich aan bij de wens om een artikelsgewijze toelichting toe te voegen. Spreker vraagt zich verder af waarom is afgeweken van de brede wens in de consultatieronde en het advies van de VNG en de Referendumcommissie om de geldigheidsdrempel af te schaffen. De buurtpeiling zou D66 wel graag terugzien in de Referendumverordening. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES vindt een buurtpeiling een echt ander instrument, dat aan de voorkant van besluitvorming ingezet moet worden, terwijl het referendum een instrument is voor de achterkant van besluitvorming. Het zou voor inwoners verwarrend zijn een buurtpeiling op te nemen in een referendumverordening. De heer NANNE vindt duidelijkheid belangrijk. Als een concreet voorstel voorligt kan de buurt via de buurtpeiling aangeven hoe die daartegenover staat. De heer VEENEMA wijst erop dat de buurtpeiling al voldoende is gewaarborgd in lid 2 van artikel 3 van de Participatieverordening en dat dat artikel het niet toestaat om de buurtpeiling als alternatief voor het referendum te gebruiken.

De heer NANNE vindt het ontzettend belangrijk wel een instrument te hebben om een buurt ook in een later stadium te vragen hoe die tegenover een voorstel staat. Een reactie op het artikel 3 lid 2 zal hij later geven.

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina:

4

De heer VEENEMA noemt de buurtpeiling ook heel belangrijk en een prima alternatief voor een referendum. Hij is benieuwd of D66 ook de meerwaarde ziet van de buurtpeiling ten opzichte van het referendum, dat zijns inziens overbodig is. De heer NANNE vindt het referendum absoluut niet overbodig. Een buurtpeiling kan heel nuttig zijn in een participatietraject, maar ook om later bij de buurt checken hoe die tegenover een genomen besluit staat. De heer KERVER beleeft de buurtpeiling ook als referendum in een deelgebied van een gemeente en vraagt of D66 tevens vindt dat zowel de gemeente als bewoners die moeten kunnen initiëren. De heer NANNE lijkt het heel waardevol als bewoners een referendum in een deelgebied kunnen initiëren. Ook hem verbaast de weigeringsgrond om reden van het algemeen belang en D66 wil die bepaling daarom schrappen. Mevrouw ARMFIELD heeft met verbazing van het raadsvoorstel kennis genomen, maar vindt het goed om terug te lezen dat meerkeuzereferenda mogelijk worden, evenals de definitie van de term ‘kiesgerechtigd’. Nogmaals benadrukt de fractie Van der Heide dat de Referendumverordening betrouwbaar, transparant en duidelijk voor Capellenaren moet zijn. Over de hoogte van absolute en nominale aantallen heeft zij niets in het raadsvoorstel teruggelezen en daarover wil zij nog sparren.

Het lijkt haar fractie goed dat buurtpeilingen in de Participatieverordening staan. Wat betreft artikel 8 over het algemeen belang sluit zij zich aan bij de andere fracties, dat strijdigheid met het algemeen belang juridisch of feitelijk moeilijk hard is te maken. Zij wil ook geen onwenselijke en juridisch kwetsbare bepalingen zonder enige toelichting. Als die bepalingen de kans op willekeur vergroten kan de fractie Van der Heide daar niet achter staan. Verder wil zij een artikelsgewijze toelichting aan de verordening laten toevoegen. Haar grootste verbazing is het behouden van de geldigheidsdrempel, die haar fractie wil laten schrappen, wat ook de VNG en de Referendumcommissie adviseren. De heer VEENEMA vindt de buurtpeiling een beter alternatief voor het referendum. Ook politieke partijen kunnen worden benaderd om vragen aan te stellen of een inbreng te leveren. Er zijn ook andere participatiemogelijkheden, zodat hij vraagt welke waarde een referendum nog toevoegt bovenop het bestaande instrumentarium. Mevrouw ARMFIELD is van mening dat alle Capellenaren van alle participatie-instrumenten gebruik moeten kunnen maken. De buurtpeiling wil zij als participatie-instrument behouden en vaak wordt een referendum achteraf ingezet. Andere mogelijkheden gebeuren vooraf. Dat is voor haar de waarde om het referendum ook te behouden.

De heer KERVER is benieuwd of de fractie Van der Heide ook voorstander is van het door burgers aanvragen van een referendum over een deelgebied. Mevrouw ARMFIELD is daarvan voorstandster, maar dat kan ook via de Participatieverordening, zodat een referendum over een deelgebied geen deel hoeft te zijn van de Referendumverordening. Burgemeester MANUSAMA zag in de voorgaande consultatieronde de meningen heel ver uiteen lopen en spreekt daarom zijn complimenten uit voor de ambtenaren van Juridische Zaken en de griffie, die van de conceptverordening zo’n mooi stuk hebben gemaakt. De Referendumverordening is primair een instrument van de raad. Het college heeft daarover wel een advies gegeven, dat hij nog een keer zal toelichten. Ook de oude referendumverordening bevatte geen toelichting. Die toelichting kan men grotendeels ook halen uit de VNG-modelverordening. Als de raad echter prijs stelt op een toelichting kan het college die proberen voor de raadsvergadering van 9 maart nog toe te voegen, maar een groot deel daarvan zal dus uit de modelverordening komen. Buurtpeilingen ziet hij als een waardevol participatie-instrument, maar de referendumverordening is niet de meest logische plek om dat te regelen, wat het raadsvoorstel ook toelicht. Het college vindt dat de buurtpeiling met de Participatieverordening goed vorm kan worden gegeven.

Een geldigheidsdrempel kan een grote discussie in de raad over het opkomstpercentage voorkomen. Het is de keuze van de raad of die geldigheidsdrempel er komt. Het college heeft geadviseerd om die drempel te handhaven, zodat die zelf niet weer onderwerp van discussie gaat worden. De weigeringsgrond van strijdigheid met het algemeen belang ziet het college als een vangnetbepaling voor onvoorziene en zwaarwegende omstandigheden. Die betreffen juist niet altijd te benoemen specifieke of te voorziene situaties. Destijds ontbrak bij het Gebiedspaspoort 2.0 voor het Rivium een expliciete weigeringsgrond, behalve het algemeen belang. Het is voorzienbaar dat er zich

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina:

5

opnieuw een onvoorziene situatie zal voordoen, in welk geval de raad een eigen afweging moet kunnen maken. Het college laat ook hierover het oordeel aan de raad. De heer VAN DEN HERIK vindt een raadgevend referendum vanuit de bevolking voor een deelgebied niet passen in een referendumverordening. Het college heeft dat wel gehandhaafd voor het raadplegend referendum. De heer KERVER begrijpt dat een wijziging voor een raadgevend referendum in een deelgebied in de Referendumverordening opgenomen zou kunnen worden. De heer VAN DEN HERIK ziet daartegen juridisch gezien geen beletselen. Tweede termijn De heer VEENEMA meent dat een buurtpeiling geen mini-referendum is, omdat daarmee het instrument van een buurtpeiling juist enorm wordt versmald. De kracht van een buurtpeiling is juist het op verscheidene manieren kunnen verzamelen van input, waarbij de drempel voor de burger zo laag mogelijk komt te liggen. Juist de toegankelijkheid van de buurtpeiling is waardevol, zo ook de grote verscheidenheid van wijzen waarop input verzameld kan worden. De SGP vindt de buurtpeiling daarom een vormvrij participatie-instrument en uitdrukkelijk geen referendum. De heer KERVER maakt verschil tussen een buurtpeiling en een referendum over een deelgebied. Leefbaar Capelle is van beide voorstander. De heer VEENEMA is voorstander van een buurtpeiling, maar niet van een referendum in een deelgebied.

Bij een buurtpeiling hoeft niet per se een keuze voor te liggen, wat bij een referendum wel het geval is. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES meent dat bij het een goede manier aan de voorzijde inzetten van een buurtpeiling het niet meer nodig is om een referendum te houden. Het informele karakter van de buurtpeiling past goed bij Capelle. De heer KERVER is van opvatting dat buurtpeiling en referendum in een deelgebied naast elkaar kunnen staan. Hij wil Capellenaren de mogelijkheid geven om een buurtreferendum aan te vragen over iets wat in hun eigen buurt gebeurt. De heer VEENEMA vervolgt dat een artikelsgewijze toelichting eenvoudig toe te voegen is als die al in de modelverordening beschikbaar is. Ook kan een toelichting worden gegeven als de modelverordening afwijkt van de gemeentelijke verordening. Het schrappen van de geldigheidsdrempel kan tot praktische problemen leiden, met name onduidelijkheid bij de duiding van de uitkomst van een referendum. Verder waarborgt de geldigheidsdrempel ook de maatschappelijke betrokkenheid bij de uitkomst van een referendum en voorkomt die een tsunami aan referenda bij allerhande onderwerpen. Een geldigheidsdrempel voorkomt ook het beïnvloeden van politieke besluitvorming door kleine groepen burgers, die vervolgens een grote impact kan hebben op Capellenaren. Er zijn dus veel redenen om de geldigheidsdrempel te behouden.

De extra weigeringsgrond in het kader van algemeen belang noemt hij overbodig. De SGP voorziet door die weigeringsgrond veel juridische problemen, die uiteindelijk zullen leiden tot een daling van het vertrouwen in de overheid. Wat de SGP betreft wordt die weigeringsgrond dan ook geschrapt. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES ziet in de brief van de Referendumcommissie aangegeven dat een opkomstdrempel kan leiden tot strategisch stemgedrag. Daarnaast wekt een dergelijke drempel bij burgers de indruk van een bindend referendum, terwijl een gemeentelijk referendum slechts adviserend kan zijn. Gelet op het adviserende karakter van het referendum is het aan de gemeenteraad om aan de referendumuitslag consequenties te verbinden. Zij wil daarop van de voorzitter van de Referendumcommissie een toelichting hebben. Volgens spreekster is het referendum op dit moment een instrument van de raad, een raadplegend referendum. Daarop wil zij een bevestiging hebben. Mevrouw AKTAŞ is voorstandster van het toevoegen van een artikelsgewijze toelichting op en de argumentatie van de portefeuillehouder over de buurtpeiling. Ook wil GroenLinks de geldigheidsdrempel en de extra weigeringsgrond handhaven. De heer KERVER vraagt hoe GroenLinks tegenover een door bewoners geïnitieerd buurtreferendum staat. Mevrouw AKTAŞ meent dat het daarbij gaat om een buurtpeiling, waar GroenLinks positief tegenover staat.

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina:

6

De heer KERVER ziet wel een verschil tussen een buurtpeiling en buurtreferendum en vraagt of volgens GroenLinks een referendum op buurtniveau op initiatief van buurtbewoners moet kunnen worden uitgeschreven. Mevrouw AKTAŞ meent dat een buurtpeiling vanuit bewoners altijd mogelijk is, maar wil op voorhand daarover nu geen uitspraken doen. De heer KERVER wil kijken hoe de buurtpeiling in de Participatieverordening exact is geregeld en zorgen voor een wijziging die dat beschrijft. Hij kondigt hierover een motie aan. De heer KOLSTER vraagt fracties die de opkomstdrempel willen schrappen hun standpunt te heroverwegen. D66 heeft eerder met de VVD een handtekeningenactie over een sporthal gehouden, waarbij een aantal van 500 ondertekenaars niet representatief was. Als 6% van de kiezers komt opdagen, waarvan 80% voor is, dan is het schadelijk voor het vertrouwen in de overheid als de raad geen opkomstdrempel hanteert. Die drempel moet men zijns inziens hanteren om bewoners te bewegen in groten getale op te komen. Het schrappen van de opkomstdrempel vindt de VVD onverstandig. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES wijst erop dat er sowieso voor het houden van een referendum 1.600 handtekeningen moeten zijn. Het gaat om de drempel daarna, die volgens de Referendumcommissie niet gangbaar is. De heer KOLSTER laat weten dat de VVD in principe tegen referenda is.

Als die toch worden gehouden vindt hij dat inwoners zich in groten getale moeten uitspreken, voordat de raad die uitslag serieus kan nemen. Uiteindelijk gaat het om de uitgebrachte stemmen. Een referendum is voor de VVD pas geldig bij een bepaalde opkomst. De gemeenteraad dient het algemeen belang en maakt vervolgens een integrale afweging. De gemeenteraad houdt altijd de verantwoordelijkheid om het algemeen belang af te wegen. De heer KERVER stelt dat die afweging van het algemeen belang bij elk opkomstpercentage hetzelfde is. De heer KOLSTER meent van niet, omdat een referendum over een specifiek onderwerp gaat en niet over het reilen en zeilen van de gemeente als geheel. De heer NANNE wenst de opkomstdrempel en de weigeringsgrond vanwege algemeen belang te schrappen. Het belangrijkst is dat aan het middel van een buurtpeiling invulling gegeven kan worden. Mevrouw ARMFIELD wil ook de weigeringsgrond vanwege strijdigheid met het algemeen belang en de opkomstdrempel schrappen. Buurtpeilingen horen volgens haar fractie in de Participatieverordening thuis. De heer VAN DER KRIEKEN laat weten dat de uitslag van een referendum altijd adviserend is en de raad altijd moet wegen wat die met de uitslag doet. Bij een raadplegend referendum neemt de gemeenteraad het initiatief en bij het raadgevende referendum zijn het de inwoners die het initiatiefnemen.

Artikel 7 lid 4 vermeldt al de mogelijkheid om een raadplegend referendum op initiatief van de raad te beperken tot een deelgebied van de gemeente. Een raadgevend referendum biedt die beperking tot een deelgebied niet. Artikel 2 bevat uitzonderingsgronden voor referenda. Wat betreft de geldigheidsdrempel herinnert hij aan het Oekraïnereferendum over het associatieverdrag met dat land, waarbij de opkomstdrempel van 30% gold. Er kwam een opkomst van 32%, waarvan de grote meerderheid tegen was. Als alle voorstanders thuis waren gebleven zou het referendum dus ongeldig geweest zijn. Het is echter aan de gemeenteraad om een uitslag te wegen. Daarom is in de modelverordening geen drempel meer opgenomen en wordt voor een bindend referendum naar een ander soort drempel gekeken. Burgemeester MANUSAMA vraagt zich af wat er onder een buurt wordt verstaan en welk aantal handtekeningen voor een buurtreferendum nodig is. Hij vindt het lastig om lokale en nationale referenda te vergelijken. De VOORZITTER concludeert eenstemmigheid over de wens om de verordening te voorzien van een artikelsgewijze toelichting. Geprobeerd wordt die voor de raadsvergadering van 9 maart toe te voegen, hetgeen is toegezegd.

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina:

7

Uiteenlopende meningen zijn er over de buurtpeillingen/buurtreferenda, de opkomstdrempel en een weigeringsgrond vanwege strijdigheid met het algemeen belang. Een wijzigingsvoorstel daarop zal het indienen van een amendement betekenen. Het voorzitterschap wordt overgedragen aan de heer Vervat. 7. Verordening commissie Verbonden Partijen De VOORZITTER deelt mee dat de commissie Verbonden Partijen in 2019 is ingesteld. Afgesproken is de verordening na de raadsperiode 2018-2022 te evalueren. De nieuwe verordening 2026 ligt nu ter bespreking voor. De heer WEIJERS, voorzitter van de commissie Verbonden Partijen, deelt mee dat de evaluatie van de verordening in 2022 heeft plaatsgevonden en de raad primair heeft besloten om de commissie voort te zetten. Wel is destijds vanuit de evaluatie aangegeven dat het verstandig is om de verordening op een aantal punten aan te passen, welke aanpassingen nu voorliggen. De heer VAN DER HEIDE verbaasde het in de evaluatie te lezen dat vraagtekens zijn gezet bij het voortbestaan bij de commissie. In drieënhalf jaar zijn maar twee onoverzichtelijke verbonden partijen doorgelicht, waardoor zou moeten worden doorgepraat over het voortbestaan van een dergelijke commissie, die zowel voor raadsleden als ambtelijke ondersteuning tijdrovend is.

Hij vraagt wat er precies anders is dan bijvoorbeeld het bezien van de verbonden partijen BLICK en de MRDH door de commissie BVM. De commissie BVM zou dus ook de rol van de commissie Verbonden Partijen op zich kunnen nemen. De fractie Van der Heide is daarom benieuwd naar de beweegredenen om de commissie Verbonden Partijen te behouden. De heer NANNE vindt het fijn om te zien dat op basis van de aanbevelingen voortkomend uit de evaluatie een gewijzigde verordening voorligt en vraagt of er voldoende borging is dat bij belangrijke governancewijzigingen de commissie ook nog steeds een rol heeft. De heer KOLSTER kan zich vinden in het raadsvoorstel en beschouwt dat als een hamerstuk. Mevrouw RAVENNA is van mening dat het voortbestaan van de commissie Verbonden Partijen van meerwaarde voor de raad kan zijn en kan zich dan ook vinden in de aanbevelingen van de commissie Verbonden Partijen. Mevrouw AKTAŞ gaat met het voorstel akkoord. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES vindt het voorliggende voorstel fijn en ziet dat wordt voorgestaan drie taken te schrappen, omdat daaraan niet toegekomen is. Zij vraagt of daarover ook is nagedacht in verhouding tot de doelstelling van de commissie Verbonden Partijen. De heer VEENEMA vindt de commissie Verbonden Partijen een nuttige commissie, die de raad inzicht geeft in het functioneren van verbonden partijen en de rol van de gemeenteraad daarin.

Die commissie brengt daarmee professionalisering in de wijze waarop de raad zijn rol kan innemen. De SGP kan zich goed vinden in de voorgestelde keuze en vindt het logisch om lid 3 en 4 van artikel 5 te schrappen, omdat die werkzaamheden in de praktijk niet tot uiting komen. Tegelijkertijd was het doel van de commissie om een soort loket te zijn waaraan verbonden partijen hun eventuele bespreekpunten konden voorleggen. Met het schrappen van die werkzaamheden komt ook die loketfunctie te vervallen. Hij vraagt zich af of die loketfunctie voldoende is en hoe die is geregeld. Het inschakelen van een extern onderzoeksbureau lijkt een logische mogelijkheid en hij is benieuwd op welke wijze de raad in het voortraject van zo’n onderzoek wordt betrokken. Verder kan de SGP zich prima in het raadsvoorstel vinden. De heer WEIJERS laat weten dat de raad na de vorige evaluatie in 2022 heeft besloten de commissie Verbonden Partijen, op advies van die commissie zelf, te laten voortbestaan, gezien de meerwaarde daarvan. Die meerwaarde ten opzichte van het door de vakcommissies laten bespreken van verbonden partijen zit hem erin dat de commissie Verbonden Partijen echt gericht is op vraagpunten omtrent governance. Een speerpunt bij de governance is dan de vraag of de gemeenteraad grip heeft

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina:

8

op verbonden partijen en hoe die is te verbeteren. Als een gemeenschappelijke regeling wordt ingevoerd of bij statutenwijziging daarvan geeft de commissie Verbonden Partijen daarover een advies aan de vakcommissie. Dat de governance bij de commissie Verbonden Partijen op het netvlies staat is onder meer geregeld doordat de strategisch adviseur van de gemeentesecretaris bij vergaderingen van de commissie Verbonden Partijen aanwezig is, die aandacht heeft voor governancezaken. De doelstelling van de commissie is goed en wil hij ook zo behouden. Bij de instelling van de commissie is vrij enthousiast een aantal instrumenten en taken bedacht en de ervaring heeft geleerd dat een drietal ervan niet aan de orde was, terwijl tegelijkertijd is geconstateerd dat de commissie haar werk goed heeft kunnen doen en meerwaarde heeft kunnen bieden. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES constateert dat governance het hoofddoel van de commissie Verbonden Partijen is, maar de loketfunctie er is afgehaald. De heer WEIJERS bevestigt dat de commissie Verbonden Partijen als antenne en loket voor gemeenschappelijke regelingen fungeert, maar die functie was in de praktijk bijna niet uitvoerbaar, omdat zij bijna allemaal op een verschillende manier werken. Tegelijkertijd is besproken om gemeenschappelijke regelingen iets meer een rol te geven en na te gaan of van daaruit iets is terug te koppelen.

Raadsleden die in gemeenschappelijke regelingen acteren kunnen als rapporteur worden aangewezen en naar vakcommissies terugkoppelen. Zij kunnen governancezaken naar de commissie Verbonden Partijen toeleiden. De gemeenteraad wordt niet bij onderzoeken betrokken. De commissie Verbonden Partijen heeft zelf de afgelopen periode bekeken voor welke gemeenschappelijke regelingen een onderzoek relevant lijkt. Een keuze voor een onderzoek is aan de commissie zelf. Qua werklast kost het heel veel tijd en energie om als commissieleden dergelijke onderzoeken zelf te moeten doen. Daarom is de optie in de verordening opgenomen om daartoe een onderzoeksbureau in te schakelen, met name voor verslaglegging. Tweede termijn De heer VAN DER HEIDE vielen met name de aanbevelingen 3 en 4 wat betreft tijd en kosten op, zodat hij daarop kritisch is ingegaan. Hij hoopt dat de griffier ook van een extra belasting doordrongen is. Mevrouw DE MIK reageert dat daar ook enige zorg zit. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES suggereert in de verordening op te nemen dat college- of raadsleden die lid zijn van een verbonden partij (pro)actief regelmatig een update van daaruit geven in reguliere commissievergaderingen. Dan maakt men duidelijk dat het gaat om een levende commissie die zijn werk doet met raads- en collegeleden die in verbonden partijen werkzaam zijn.

Verder vindt zij het goed aan te geven dat verbonden partijen zonder loket wel nog ergens terecht kunnen, zoals bij het college. De heer WEIJERS vraagt zich af of het verstandig is om in het raadsvoorstel iets op te nemen over de rapporteurs vanuit de verbonden partijen. Het gaat in dezen namelijk om de verordening van de commissie Verbonden Partijen. De taakopvatting van de rapporteur verbonden partijen is breder en kan ook inhoudelijk zijn. Die taakopvatting kan worden opgenomen in het voorstel over de raadswisseling. Op de loketfunctie is volgens hem al bij de vorige evaluatie in voldoende mate teruggekomen. De VOORZITTER concludeert dat het voorstel als hamerstuk kan worden doorgeleid naar de raadsvergadering van 9 maart a.s. Het voorzitterschap wordt overgedragen aan de heer Weijers. 8. Actualisering Algemene plaatselijke verordening Capelle aan den IJssel 2018 De VOORZITTER deelt mee dat het voorstel is om enkele artikelen uit de APV 2018 aan te passen, zodat die weer actueel zal zijn. Mevrouw RAAIJEN heeft kennisgenomen van de korte en overzichtelijke wijzigingen en kan daarmee instemmen.

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina:

9

Mevrouw RAVENNA reageert op het schrappen van het messenverbod, artikel 2.50a. Hoewel Leefbaar Capelle veiligheid hoog in het vaandel heeft staan erkent zij wel dat de APV niet per se het instrument hoeft te zijn voor een messenverbod als dat leidt tot juridische problemen of niet handhaafbare bepalingen. In plaats daarvan kan men zich meer richten op preventieve en educatieve maatregelen, zoals samenwerking met politie en scholen, voorlichting over wapenmisbruik en het versterken van jeugd- en buurtinitiatieven om geweld te voorkomen. Leefbaar Capelle steunt het voorstel om de APV te actualiseren. De heer KOLSTER staat achter de actualisering van de APV en wijst erop dat veel Capellenaren melding hebben gemaakt van verouderde APV-borden, die niet meer verwijzen naar het juiste artikel. Daarom verwacht hij dat die borden worden verwijderd na actualisering van de APV. De heer NANNE beschouwt het voorstel als een hamerstuk. De heer VAN DER HEIDE staat ook achter de actualisering van de APV en vindt die een prima toevoeging aan de Opiumwet. Logisch is ook dat het messenverbod niet meer los hoeft te worden opgenomen. De heer VEENEMA deelt mee dat de SGP zich kan vinden in de voorgestelde wijzigingen. Het CDA is blij met de wijziging van artikel 2.31, omdat de APV niet alleen aan de Alcoholwet voldoet, maar ook de regeldruk bij vrijwilligersmutaties vermindert.

Wel vraagt het CDA aandacht voor het op tijd actualiseren van de APV. De voorgestelde wijzigingen zijn namelijk al in januari in de wet vermeld. Eerder had dus al regeldruk voor vrijwilligersorganisaties weggenomen kunnen worden. Burgemeester MANUSAMA zegt toe verouderde APV-borden te zullen laten vervangen. Hij erkent dat de gemeente alert moet zijn op het op tijd actualiseren van de APV. De VOORZITTER concludeert dat het voorstel als hamerstuk kan worden doorgeleid naar de raadsvergadering van 9 maart a.s. Vervolgens schorst hij de vergadering. Schorsing (21.42 – 21.50 uur). De VOORZITTER heropent de vergadering. 9. Nota Reserves en voorzieningen De VOORZITTER deelt mee dat de huidige nota dateert uit 2017, deels is verouderd en toe is aan een actualisatie. De nieuwe nota is door de Auditcommissie op 26 januari besproken. De heer VEENEMA vindt het grootste deel van het document helder en noemt het goed dat de nota is geactualiseerd. Tegelijk valt het hem als lid van de Auditcommissie wel op dat de voorliggende nota anders is dan de nota die de Auditcommissie heeft besproken. De Auditcommissie heeft expliciet verzocht om de kaders voor de kapitaallastenreserves nader uit te werken en de tekst van de nota te verhelderen. Er is echter ook sprake van wat discrepanties.

Overigens beseft hij dat de meeste commissieleden niet bij de bespreking in de vergadering van de Auditcommissie aanwezig waren. De besluitvorming over de kapitaallastenreserve vond plaats bij de vorige begrotingsbehandeling, zodat daarmee het instellen van die reserve een feit is. De wijze waarop een en ander nu in de nota wordt verwoord is wat de SGP betreft ruimschoots onvoldoende. De kaders voor de eerste kapitaallastenreserve zijn helder. Die reserve is gekoppeld aan concrete investeringen, wat betekent dat de hoogte en looptijd van de reserve concreet zijn. De wijze van onttrekking is vastgesteld en ook andere spelregels zijn helder. Voor de tweede kapitaallastenreserve is dat allemaal niet het geval. Het bedrag is bekend, maar dat is vastgesteld aan de hand van een ongefundeerd rekensommetje. Bij de begrotingsbehandeling is namelijk besloten tot een kapitaallastenreserve van € 50 miljoen. Rekening houdend met het in de eerste reserve genoemde bedrag resteert er voor de tweede reserve een bedrag van € 10,6 miljoen, waarbij nog de nodige vraagtekens bestaan. Het is namelijk onduidelijk waarvoor de tweede reserve bedoeld zal zijn, hoeveel geld er echt nodig zal zijn, wanneer de reserve wordt ingezet of hoe lang die loopt. En dat terwijl een kapitaallastenreserve alleen kan worden ingezet als die is gekoppeld aan een concrete investering.

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina: 10

De vraag wanneer de tweede kapitaallastenreserve wordt ingezet, is des te meer onduidelijk, omdat in de aan de Auditcommissie gepresenteerde nota stond dat de tweede reserve pas vanaf 2053 zou worden ingezet. Die regel is verdwenen en dat duidt hij als positief, maar er is geen duidelijkheid gegeven over de wanneer-vraag. Daarom vraagt hij aan de portefeuillehouder, wanneer de tweede kapitaallastenreserve uiteindelijk zal worden ingezet. In algemenere zin blijkt dus ook dat de andere kaders voor de tweede reserve nog helemaal niet duidelijk zijn, terwijl dit wel zou moeten. Uit artikel 54 van het Besluit begrotingen en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) blijkt dat op de balans concreet de aard en de reden van elke reserve moet worden benoemd, inclusief de toevoegingen en onttrekkingen daaraan. In het geval van de tweede kapitaallastenreserve is dat nog niet bekend. Daarom vraagt hij de portefeuillehouder hoe deze tweede reserve dan zal kunnen worden verantwoord en of die verantwoording voldoende zal zijn. Verder wil hij weten of het in het verlengde daarvan meer correct is om aan het voorstel een vierde besluit toe te voegen, namelijk het opheffen van de tweede kapitaallastenreserve, omdat nog niet duidelijk is aan welke investering deze reserve zal worden gekoppeld en de andere kaders ook nog niet helder zijn.

De SGP ziet voorts graag dat de volgende zinsnede uit punt 3 van pagina 6 van de nota wordt verwijderd: ‘Het voordeel van onttrekkingen aan een kapitaallastenreserve is dat dit door de toezichthouder wordt aangezien als een structurele bate in de exploitatie.’ Er wordt hier immers een definitie van een kapitaallastenreserve gegeven en daar hoort een dergelijke zin niet bij. Noch daargelaten dat er nogal van mening kan worden verschild over de vraag of het benoemde voordeel ook daadwerkelijk een voordeel is. Spreker vraagt of de portefeuillehouder bereid is om deze zinsnede uit de definitie te verwijderen. Verder wil hij weten of het überhaupt juist is om een kapitaallastenreserve als een ombuiging te zien of als een verschuiving. De investeringsruimte ontstaat immers door het boekhoudkundig verschuiven van geld, maar er komt onderaan de streep geen geld bij. Er is daarmee sprake van een fictieve en niet van een werkelijke bate. Dat is nog een reden om die extra zinsnede over een vermeend voordeel te schrappen. Daarnaast vindt de SGP het niet concreet genoeg om in de definitie slechts te spreken van investeringen, omdat een kapitaallastenreserve alleen kan worden ingezet voor gedane investeringen. Daarom zou de SGP liever de toevoeging ‘gedane’ voor investeringen zien, zodat de kapitaallastenreserve wordt ingezet voor gedane investeringen.

Hij is benieuwd of de portefeuillehouder bereid is om deze toevoeging op te nemen. Ook verbaasde hij zich over de risicobuffer. Aan de Auditcommissie is toegelicht dat er een risicobuffer van € 10 miljoen is, maar dat vanuit het BBV de regel van 10% van het vermogen als risicobuffer wordt gehanteerd. Uit de toelichting bleek dat de risicobuffer van € 10 miljoen dus wordt vervangen door een buffer van € 30 miljoen. Die toelichting staat echter niet in de nota en die is zelfs nogal gewijzigd. Dit merkt hij op, omdat hij daarmee ook constateert dat de Auditcommissie haar adviesfunctie op dit punt niet goed kon invullen. Als de huidige toelichting van de risicobuffer aan de Auditcommissie was voorgelegd, dan had dit daarbinnen zeker tot een gesprek geleid. Hij reageert nu op de nieuwe toelichting. Het klinkt als een logische systematiek om de risicobuffer te laten meebewegen met de totale last uit de begroting. Op die manier zou de buffer logischerwijs meebewegen met de risico's. Voor de SGP rijst echter de vraag waarom er voor 10% is gekozen. De gemiddelde risico’s bedroegen namelijk 6%, maar bij de laatste vastgestelde jaarrekening was er een uitschieter van 9%. Dan is een risicobuffer van 10% aan de lage kant. Wellicht is het daarom beter om een grotere marge te hanteren, bijvoorbeeld een buffer van 15%.

Blijkens de grafiek komen de risico's en de buffer in 2024 zo dicht bij elkaar dat ze elkaar raken. Voor de toekomst lijkt de gemeente veiliger te zitten, maar dat is niet bekend, omdat er in de toekomst nog uitgaven moeten worden gedaan, waar ook risico's aan vastzitten. Wat de SGP betreft is de onderbouwing van de voorgestelde 10% dan ook te dun. Het CDA heeft drie technische vragen gesteld, waarvan hij vermoedt dat daar nog een antwoord op zal komen. Deze vragen betreffen of is afgesproken om de algemene reserve niet meer als vrij te besteden aan te duiden. Immers is de algemene reserve een dekkingsmiddel en niet een financieringsmiddel. De tweede technische vraag van het CDA was hoe het duiden van de algemene reserve als een vrij te besteden deel zich verhoudt tot artikel 42 van het BBV en het advies van de raadswerkgroep uit 2019. De derde technische vraag van het CDA was of het klopt dat het Capelse noodfonds eenmalig wordt gevoed vanuit de Eneco-gelden. Dat past niet binnen de kaders, die aan de Eneco gelden zijn gegeven. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES en de heer KOLSTER sluiten zich aan bij de bijdrage van de heer Veenema.

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina: 11

Mevrouw AKTAŞ vindt het goed de gemeentelijke financiële spelregels met betrekking tot reserves en voorzieningen te actualiseren. Transparantie en duidelijke definities zijn wat GroenLinks en de PvdA betreft essentieel voor goed bestuur. Er is wel een zorgpunt ten aanzien van de kapitaallastenreserve. Een investering leidt tot structurele kapitaallasten, namelijk rente en afschrijving. Dat zijn jaarlijkse lasten, die zolang het actief bestaat op de begroting drukken. Bij het vormen van een kapitaallastenreserve worden deze lasten tijdelijk gedekt uit die reserve. Feitelijk gebruikt men daarmee incidenteel geld om structurele kosten af te dekken. Boekhoudkundig is dat toegestaan en de raad heeft hierover inmiddels een besluit genomen. Tegelijkertijd vindt zij dat de raad hier politiek-bestuurlijk scherp op moet blijven. Haar zorg is dat het structurele begrotingsbeeld hierdoor minder inzichtelijk wordt. De exploitatie lijkt immers minder belast doordat de kapitaallasten worden gedekt uit de reserve. Voor GroenLinks is de kernvraag of de raad steeds het volledige en eerlijke financiële beeld heeft en of dat ook te doorgronden is voor bijvoorbeeld de nieuwe raad na de verkiezingen. Daarnaast sluit zij zich graag aan bij de vragen van de SGP over de tweede kapitaallastenreserve die voor nieuwe investeringen wordt gevormd.

Mevrouw RAVENNA gaat met het voorstel akkoord en sluit zich eveneens aan bij de door de SGP gestelde vragen. De heer NANNE denkt dat de heer Veenema namens alle commissieleden het huiswerk heeft gedaan en dankt de wethouder en de ambtenaren voor het gedane werk. De heer VAN DER HEIDE gaat akkoord met de gevraagde beslissingen en complimenteert de heer Veenema met diens gedane huiswerk, waarbij hij zich aansluit. Wethouder VAN WOUDENBERG herinnert aan de discussie in de vergadering van de Auditcommissie over de tweede kapitaallastenreserve, waarover is opgemerkt dat die vanaf 2053 zou worden benut voor investeringen. Dat vond de Auditcommissie te ver in de toekomst, omdat het college had toegezegd in de kapitaallastenreserve ook investeringen voor de komende periode mee te nemen. Daarom heeft het college de tekst op dat gebied aangepast. Dat betekent de kapitaallastenreserve inzetten voor toekomstige investeringen en dat die pas nodig is als de afschrijvingen van de eerste kapitaallastenreserve in 2053 aflopen. De kapitaallastenreserve is ingezet en hij onderschrijft scherp in beeld te houden wat er daarmee gebeurt om de komende veertig jaar de begrotingslasten met € 1,2 miljoen per jaar te verlagen. Dat besluit heeft de raad genomen. De kapitaallastenreserve is onderdeel van de balans en zal jaarlijks in alle documenten terugkomen.

De nota is aangepast aan de hand van de door de Auditcommissie gevoerde discussie. Het college en de raad zien de kapitaallastenreserve als instrument om ombuigingen te realiseren, waarbij huidige en toekomstige kapitaallasten worden afgedekt, waardoor de begroting verlaagd wordt met € 1,2 miljoen. De heer VAN ZUYLEN verwijst naar artikel 54 van het BBV, waarin staat dat het doel van een reserve moet worden aangegeven. Dat doel is opgenomen in de bijlage van de tweede kapitaallastenreserve. Daarmee voldoet die wel aan dat artikel. Wethouder VAN WOUDENBERG vervolgt dat de risicobuffer in het verleden gerelateerd was aan de gemeentelijke weerstandscapaciteit. Dat is niet meer mogelijk. In de nota is nu de optie opgenomen om 10% van de gemeentelijke exploitatielast van circa € 300 miljoen aan te houden, zijnde € 30 miljoen. Die optie hanteren andere gemeenten ook. De benodigde weerstandscapaciteit voor risico’s ligt echter veel lager. Daarnaast is er een vrij hoge algemene reserve. Als mocht blijken dat die daalt, dan kan een verdere discussie plaatsvinden. Hetgeen het CDA zegt, dat is afgesproken om de algemene reserve niet meer als vrij te besteden aan te duiden, klopt. De zin over een noodfonds is foutief en moet zijn dat de Van Cappellenstichting een bijdrage heeft gegeven. Op de andere detailvragen van de heer Veenema zal hij schriftelijk antwoorden.

Tweede termijn De heer VEENEMA wijst erop dat de Auditcommissie niet heeft gesproken over de nu voorliggende toelichting op de risicobuffer. De Auditcommissie vroeg ook duidelijkheid over de kaders bij de tweede

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina: 12

kapitaallastenreserve. De portefeuillehouder zei dat die tweede reserve in de toekomst wordt ingevuld. Het korte antwoord dat het doel van de kapitaallastenreserve daarmee in de bijlage is opgenomen, is dan volgens hem onjuist. Want toekomstige investeringen zeggen nu niets over welke investeringen het betreft, hoeveel geld daarvoor nodig is, wat de looptijd daarvan is en wanneer de reserve zal worden ingezet enz. Volgens hem wordt daarmee niet aan artikel 54 van het BBV voldaan. Daarom verzoekt hij college en ambtenaren dat nog na te pluizen en daarover uitsluitsel te geven. Het lijkt hem prima op een aantal van zijn vragen schriftelijk terug te komen. Wethouder VAN WOUDENBERG zegt toe bij de accountant na te vragen of de tekst bij de tweede kapitaallastenreserve aan het BBV voldoet. Als dat niet zo is zal het college het stuk aanpassen. De kapitaallastenreserve zelf staat niet ter discussie, omdat die in de begrotingsraad is vastgesteld. De VOORZITTER concludeert dat het voorstel als hamerstuk kan worden doorgeleid naar de raadsvergadering. Afhankelijk van de verdere beantwoording en bespreking door fracties kan het alsnog een bespreekstuk worden. 10. Vastgoedkaders Capelle aan den IJssel 2026-2030 De VOORZITTER leidt in dat de gemeente beschikt over een omvangrijke en diverse vastgoedportefeuille.

Om die doelmatig, transparant en toekomstbestendig te kunnen inzetten, is een actueel en samenhangend kader nodig. De Vastgoedkaders 2026-2030 liggen nu voor en bouwen voort op een bestaande en door de raad reeds vastgestelde beleidslijn. De door het CDA en de Fractie van de Heide gestelde technische vragen zijn inmiddels beantwoord. Bij het voorstel zit ook een geheime bijlage, waarover eventueel in beslotenheid kan worden gesproken. De heer VAN DER HEIDE informeert wanneer de lijst met alle objecten het beste kan worden geëvalueerd. De heer NANNE beschouwt het voorstel als een hamerstuk en raadt aan een volgende keer ook energielabels toe te voegen. De heer KOLSTER gaat met het voorstel akkoord en beschouwt dat eveneens als een hamerstuk. Mevrouw RAVENNA ondersteunt in grote lijnen het voorstel over de vastgoedkaders als een kaderstellend beleidsdocument. Leefbaar Capelle ziet het als een belangrijke stap om heldere samenhangende kaders te stellen voor de sturing van het gemeentelijk vastgoed, zodat besluiten over bezit, investeringen en afstoot rechtmatig, transparant en verantwoord worden genomen. Leefbaar Capelle onderschrijft dat gemeentelijk vastgoed grote maatschappelijke en financiële impact heeft. De kaders moeten daarom niet alleen intern bestuurlijk duidelijk zijn, maar ook zichtbaar en uitlegbaar voor de Capellenaar.

Zij vraagt daarom ook aandacht voor heldere communicatie met Capellearen over wat bepaalde vastgoedkeuzes betekenen voor wijken, buurten en lokale voorzieningen. Mevrouw AKTAŞ stemt met het voorstel in. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES vernam dat ook elk jaar een uitvoeringsplan wordt vastgesteld en vraagt wanneer die zijn gepland en hoe de raad daarover zal worden geïnformeerd. De heer VEENEMA sluit zich aan bij de voorgaande sprekers en zegt namens het CDA dank voor het beantwoorden van de technische vragen. Wethouder VAN WOUDENBERG had de grote wens om het document aan deze raad te kunnen presenteren, wat best veel tijd en energie heeft gekost. De catalogus is een groeidocument waaraan nog elementen toe te voegen zijn, zoals energielabels, bezettingsgraden etc. Die moeten wel verzameld worden en de komende jaren zal het product dus nog verbeteren. De catalogus zal jaarlijks aangepast worden met nieuwe gegevens. Bij een opmerking daarover kan men vragen om een geheime behandeling. Het uitvoeringsplan komt in het eerste kwartaal, zodat dat meegenomen kan worden in de P&C-cyclus richting de kadernota en de begroting.

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen maandag 23 februari 2026

Pagina: 13

Het document is een uitvoering van raadsbesluiten op het gebied van vastgoed, aankopen of afstoten. Dat is het moment van communicatie. Nu gaat het om vastlegging van raadsbesluiten in het vastgoedregister. De VOORZITTER concludeert dat het voorstel als hamerstuk kan worden doorgeleid naar de raadsvergadering van 9 maart. 11. Rondvraag Er zijn geen vragen. 13. Sluiting De VOORZITTER sluit de vergadering om 22.21 uur. Aldus vastgesteld in de vergadering van de commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen van 11 mei 2026 de secretaris,

de voorzitter,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16895644/1