02.01 - conceptverslag cie SOB 240130
Tekst van het document
Verslag van de vergadering van de commissie Stadsontwikkeling en -Beheer, gehouden op dinsdag 30 januari 2024, in de Van Polanenzaal, aanvang 20.00 uur Aanwezig zijn als:
voorzitter:
de heer ing. P. Eilander;
volksvertegenwoordigers: mevrouw J.W. Lauw-Schouten, raadslid Leefbaar Capelle; de heer G. Spruit, raadslid Leefbaar Capelle; mevrouw L. Feuth, raadslid D66; de heer J.S. Kolster MSc MA, raadslid VVD; mevrouw drs. C.T.F. Penterman, raadslid VVD; de heer B.H.W. Oudshoorn, raadslid SGP; de heer M.C.J. van Gent, raadslid Capels Bewoners Belang Van Gent; de heer E. Hartog, burgerraadslid GroenLinks; mevrouw dr. W. Tieman, raadslid PvdA; de heer drs. P. Heerens RC, burgerraadslid ChristenUnie; mevrouw J. den Engelsman, raadslid CDA (vanaf 20.16 uur); de heer M.W. Vlot, raadslid SP; secretaris:
de heer drs. A.J.M.C. Schoenmakers;
portefeuillehouders:
de heer S. Geissler, wethouder; mevrouw mr. H.D. Westerdijk, wethouder;
ambtelijke ondersteuning: de heer R. Kandel, unithoofd Ruimtelijke ontwikkeling; mevrouw C. van Hemert, beleidsadviseur Ruimtelijke ordening; notulist
de heer D.J. van Eck (Notuleerservice Dictum)
Op de publieke tribune zijn bij aanvang van de vergadering zeven personen aanwezig. 1. Opening, mededelingen en vaststelling agenda De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom in de eerste vergadering van de commissie Stadsontwikkeling en -Beheer in 2024. Hij deelt mee dat wethouder Faassen ziek thuis is en wordt vervangen door wethouder Van der Heide. Omdat wethouder Van der Heide momenteel nog in een andere vergadering aanwezig is, zal agendapunt 5 naar het einde van de agenda worden verschoven. Voor het doen van een ordevoorstel geeft hij het woord aan mevrouw Tieman. Mevrouw TIEMAN merkt op dat pas vandaag de daadwerkelijke analyse/verkenning ten aanzien van de agendapunten 7 en 8 is ontvangen, waardoor de tijd heeft ontbroken om een en ander goed te bestuderen. Bovendien bevat het raadsvoorstel nog de nodige onduidelijkheden, die, zoals in antwoord op technische vragen is aangegeven, nog aangepast zullen moeten worden. Daarom lijkt het haar niet verstandig die agendapunten vandaag al inhoudelijk te behandelen. Derhalve stelt zij voor ze van de agenda af te voeren en in een volgende vergadering aan de orde te stellen. De VOORZITTER stelt na een korte peiling vast dat de commissie kan instemmen met het ordevoorstel om de agendapunten 7 en 8 over te hevelen naar de volgende vergadering. Voor een reactie geeft hij het woord aan de wethouder.
Wethouder GEISSLER licht toe dat als gevolg van een menselijke fout een bijlage met de nodige vinkjes “niet is aangezet” in het systeem, waardoor die de commissie pas vanmiddag, en dus te laat, heeft bereikt. Het is goed daarvan kennis te nemen en hij zegt toe ook nog een aantal tekstuele verduidelijkingen in het stuk te zullen aanbrengen. Hopelijk kan een en ander dan in de volgende vergadering worden besproken. De agenda wordt aldus gewijzigd vastgesteld.
1399837/1408305
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer: 1399837/1408305
pagina: 2 van 8
2. Vaststellen verslagen Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 6 december 2023 Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 7 december 2023 Gecombineerde commissies Stadsontwikkeling en -Beheer en Samenleving en Economie 7 december 2023 Besloten raadsbrede commissie 12 december 2023 De verslagen worden ongewijzigd vastgesteld. 3. Spreekrecht inwoners Van het spreekrecht wordt geen gebruik gemaakt. 4. Gemeenschappelijke regelingen (DCMR Milieudienst Rijnmond en MRDH Verkeer) Geen opmerkingen. In afwijking van de volgorde der agenda wordt hierna aan de orde gesteld: 6. Protocol Q-team Rivium en benoeming externe leden Q-team Rivium Mevrouw FEUTH zegt dank voor de uitgebreide stukken en het duidelijke protocol waarmee gewerkt zal worden. Wat haar nog wel benieuwt is of de adviezen die het Q-team zal uitbrengen openbaar zullen zijn. Zo niet, worden ze dan wel met de raad gedeeld, gezien de grootheid van dit project? Voor het overige kan D66 instemmen met zowel het protocol als de benoeming van de leden. De heer HEERENS maakt namens de ChristenUnie een compliment voor de stukken. Mevrouw TIEMAN deelt mede dat ook de PvdA tevreden is met het stuk en verder geen aanvullende vragen heeft te stellen. De heer OUDSHOORN betuigt namens de SGP eveneens instemming met het voorstel.
Tegelijkertijd lijkt dit te leiden tot een modus van zorgvuldiger handelen dan in de rest van de gemeente, terwijl je het Q-team natuurlijk overal in de gemeente op dezelfde manier zou willen inzetten. De vraag is dan ook of dit wel recht doet aan het reguliere Q-team. De heer HARTOG vindt het begrijpelijk dat voor Rivium een apart Q-team nodig is. Opvallend is wel dat anders dan bij het gewone Q-team de betrokkenheid vanuit de gemeente beperkt is en dat baart GroenLinks wel enige zorgen, hoewel er wel maatregelen beschreven staan om belangenverstrengeling te voorkomen. Het is goed te zien dat op meer aspecten wordt getoetst dan bij het vaste Q-team. Wel vraagt de fractie zich af op basis waarvan die aspecten dan getoetst worden, aangezien op dit moment slechts één toetsingskader wordt gebruikt voor de beeldkwaliteitsplannen. Zijn vraag is dan ook of daar ook andere toetsingskaders worden gebruikt. De heer SPRUIT deelt mede dat Leefbaar Capelle geen aanvullende vragen heeft over het protocol. Het ziet er gedegen uit en daarvoor past een compliment aan de wethouder. De heer VAN GENT beaamt dat het protocol er netjes uitziet. Hij hoopt dat de te benoemen personen ook de hele rit zullen blijven uitzitten en dat zich niet iedere keer wisselingen zullen voordoen waardoor af en toe ruis op de lijn kan ontstaan, wat bij andere projecten nog wel eens het geval is.
Voor het overige alleen complimenten. De heer VLOT sluit zich volledig aan bij de vorige sprekers wat betreft de vraagstelling en complimenten aangaande dit stuk. Mevrouw PENTERMAN geeft aan dat ook de VVD kan instemmen met dit prima voorstel. Voorts sluit zij zich aan bij de vragen van mevrouw Feuth; ook zij is benieuwd hoe de communicatie gedeeld wordt. Wethouder mevrouw WESTERDIJK zegt dank voor de gemaakte complimenten. Beginnend met de vraag van de heer Oudshoorn, spreekt zij tegen dat hiermee het reguliere Q-team tekort zou worden gedaan. Op het moment dat het reguliere Q-team met een bijzondere vraag wordt geconfronteerd, krijgt het ook externe experts die daarin aanvullend zijn. In dit geval is ervoor gekozen om de experts met die bepaalde kwalificaties en expertise vooraf te delen in de bijzondere fase die de status van het Rivium nu nodig heeft. Het is net een andere status dan het reguliere Q-team heeft, hoewel dat ook expertise kan inschakelen op het moment dat dat nodig mocht zijn.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer: 1399837/1408305
pagina: 3 van 8
Dit brengt haar bij de vraag of de adviezen openbaar zijn. Na vaststelling zullen de adviezen zeker openbaar gemaakt worden. Dat is ook wenselijk, want zo kan de raad zien hoe een en ander beoordeeld is. De beoordeling zelf vindt plaats aan de hand van het gebiedspaspoort en het beeldkwaliteitsplan. Eigenlijk betreft het de onderdelen van de SOK, die daarna weer worden meegenomen in het onderdeel van het omgevingsplan. Vooralsnog wordt getoetst op die onderdelen en de kaders die vooraf gesteld zijn en niet op eigen kaders. De heer VLOT memoreert dat bij het gewone Q-team inmiddels een intaketafel bestaat van waaruit wel eens wat wordt gedeeld met de raad, soms onder vertrouwelijkheid, over de redenen waarom sommige zaken wel of niet worden aanvaard als ontwikkeling. Is zoiets ook met het Rivium denkbaar, wellicht in de vorm van een dashboard of zo? De VOORZITTER begrijpt dat hiermee wordt gerefereerd aan de afspraak die is gemaakt met wethouder Van der Heide, en diens voorganger Faassen, dat de raad twee keer per jaar wordt bijgepraat over de initiatieven die het wel of niet gehaald hebben. De heer KANDEL verduidelijkt dat het hier de reguliere intaketafel betreft die geldt onder de Omgevingswet. Voor het Rivium is een kader opgesteld voor de ontwikkeling. Die ontwikkelingen hoeven dus niet meer naar de intaketafel, maar komen nog wel bij een omgevingstafel terecht.
De VOORZITTER concludeert dat het voorstel als hamerstuk voor de raad kan worden geagendeerd. 9. Wijziging gemeenschappelijke Regeling DCMR Milieudienst Rijnmond De heer HARTOG vindt het terecht dat in de zienswijze is aangegeven dat meer rapportages gewenst zijn, zoals verslagen van het algemeen bestuur, begroting en jaarrekening, maar ook resultaten / conclusies van evaluaties. Van de wethouder wil hij graag vernemen of deze rapportages ook verstrekt zullen worden aan de raad, zodat die daarmee proactief aan de slag kan gaan. Het is GroenLinks opgevallen dat de invulling van deze zienswijze anders is dan bijvoorbeeld bij de gemeenschappelijke regeling die vanavond in SLE worden behandeld, en dan gaat het met name ook om het aanleveren van die stukken. De VOORZITTER vraagt wat dan precies het verschil is, mede ten behoeve van de luisteraars thuis. De heer HARTOG antwoordt dat de zienswijze van in dit geval de gemeenschap regeling heel erg ingaat op het aanleveren van stukken, betrokkenheid en dergelijke, wat niet is terug te vinden in de zienswijzen bij de andere gemeenschappelijke regelingen. Sterker nog: daar is in sommige gevallen helemaal geen zienswijze ingediend. Vervolgens staat in het stuk nog iets over het instellen van een adviescommissie. Daarbij is aangegeven dat unanimiteit noodzakelijk is.
Lansingerland heeft inmiddels echter al laten weten een adviescommissie niet nodig te vinden. Welke speelruimte is er dan überhaupt nog? Het voorstel was om de vraag of er al dan niet een adviescommissie nodig zou zijn aan het presidium over te laten. In de technische vragen die door het CDA zijn gesteld is voorgesteld dat door de raad te laten bepalen en daarmee is hij het van harte eens. Mevrouw LAUW-SCHOUTEN deelt mede dat Leefbaar Capelle alleen maar voordelen ziet in het instellen van een raadsadviescommissie. Zo’n commissie neemt niet de rol over van de gemeenteraad en neemt evenmin besluiten. Het zou mooi zijn om op deze manier informatie uit te kunnen wisselen met andere raden. Met het voorliggende voorstel kan de fractie geheel akkoord gaan. Mevrouw DEN ENGELSMAN toont zich ingenomen met de uitgebreide zienswijze. Ook haar is het, net als de heer Hartog, opgevallen, dat er nogal wat verschil bestaat met de minimale zienswijzen zoals die bijvoorbeeld naar de GGD worden gestuurd, of naar Hitland, waar helemaal niets in staat. Het is haar niet helemaal duidelijk wanneer wel of niet een zienswijze wordt gegeven en waar bijvoorbeeld bij de DCMR participatie heel belangrijk wordt gevonden, is dat bijvoorbeeld niet bij de GGD terug te vinden. Intern zal beslist nog eens gekeken moeten worden hoe daarin meer eenduidigheid kan worden verkregen.
Wat betreft de adviescommissie zal men zich terdege bewust moeten zijn van het feit dat daarvoor ook bemensing geregeld zal moeten worden. Aansluitend daarop vraagt zij zich af of dat alleen raadsleden kunnen zijn, of dat ook burgerraadsleden in aanmerking komen.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer: 1399837/1408305
pagina: 4 van 8
De heer VLOT constateert dat de positie van de raad bij diverse wijzigingen van de gemeenschappelijke regelingen aan de orde komt. Onlangs heeft hij bij de adviescommissie Vervoersautoriteit van de Metropoolregio meegemaakt dat dezelfde gemeente kwam met wat daar een ongevraagd advies heet, wat misschien in de zin van een motie kan worden geduid tijdens dat gremium. Dat werd ook in behandeling genomen en uiteindelijk werd het daar unaniem aangenomen als zijnde een advies dat uitgebracht ging worden aan het bestuur, van de Vervoersautoriteit in dit geval. Bij de commissie SLE heeft hij gezien dat het ook aan de orde is bij de GRJR. De positie van de raad is absoluut van belang, zeker bij deze verandering van governance – of heet het in dit geval uiteindelijk toezicht? Hij sluit zich aan bij de opmerkingen die daarover zijn gemaakt, maar of het werkelijk nodig is, gezien de manier waarop het bestuur nu al vastgesteld is en de mogelijkheden die de commissie of de raad uiteindelijk heeft, is de vraag. Hij kan zich vinden in hoe het in de stukken staat en zoekt niet naar een wijziging daarin. De heer KOLSTER deelt om te beginnen mede dat de VVD akkoord kan gaan met alle stukken die voorliggen. Wel is bij de fractie de volgende vraag gerezen.
Op pagina 3 van de notitie wordt benoemd dat de vaststelling van het meerjarenprogramma in aanmerking zou kunnen komen voor een zienswijzeprocedure. Daarbij vroeg hij zich af waarom jaarlijks een zienswijze wordt gegeven op het sturen van financiën, maar niet kan worden meegepraat over meerjarig beleid voor de komende jaren. Het zou toch heel mooi zijn als de gemeente een zienswijze zou kunnen geven op het vaststellen vaneen meerjarenplan, omdat je dan niet vier keer op een begroting hoeft te sturen. De VVD staat daar heel positief tegenover. Hij is benieuwd hoe zijn collega-commissieleden daarover denken en of de wethouder een mogelijkheid ziet om diens antwoordbrief daarop eventueel aan te passen. Zelf zou hij het heel gek vinden als de raad niet gaat sturen op meerjarenbeleidsprogramma’s, maar wel ieder jaar opnieuw gaat proberen de potjes met geld te verdelen. Mevrouw FEUTH betuigt namens D66 instemming met het voorstel. De heer HEERENS verzekert dat ook de ChristenUnie zich kan vinden in de regeling. Een klein aandachtspuntje rest wat de fractie betreft nog ten aanzien van de adviescommissie – volgens hem het meest interessante onderwerp van de hele regeling.
Uit een van de stukken citeert hij dat men zich nog zal beraden op de wenselijkheid van het instellen van een adviescommissie voor DCMR en dat daarover zo nodig zal worden overlegd met andere raden binnen het werkgebied. Waarom staat hier ‘zo nodig’ en waarom wordt niet per definitie het overleg gezocht? Uniformiteit is namelijk gewenst en waarschijnlijk zullen er heel veel verschillende meningen zijn. Mevrouw TIEMAN zegt dat ook de PvdA zich kan vinden in de reactie die hier wordt voorgesteld. Heel fijn is dat de verruimde mogelijkheden ten aanzien van de informatiepositie van de raad en burgerparticipatie maximaal gebruikt worden. Wat zij niet begreep, vandaar dat zij blij was dat mevrouw Den Engelsman daarover een technische vraag heeft gesteld, is waarom de adviescommissie eerst in het presidium besproken zou moeten worden. Waarom wordt dat niet gewoon in deze commissie besproken? Volgens haar was dit daarvoor een mooi moment geweest. Ten slotte wil ze nog even reageren op de opmerking van mevrouw Den Engelsman dat bij de verschillende gemeenschappelijke regelingen nu verschillende keuzes gemaakt worden. Volgens haar is eenduidigheid daarin niet per se nodig en kan op basis van een verschillende gemeenschappelijke regeling best tot een andere conclusie worden gekomen over wat belangrijk wordt gevonden om wel of niet te doen.
Wethouder GEISSLER deelt in antwoord op de vraag van de heer Hartog inzake de actieve informatieplicht mede dat in het voorstel dat voorligt om de gemeenschappelijke regeling te wijzigen in ieder geval wordt aangegeven dat een aantal stukken, zoals die ook benoemd zijn, actief moeten worden geopenbaard, en hij neemt aan dat dat onder andere via de website van de DCMR zal gebeuren. Wat betreft de vraag of de stukken ook kunnen worden toegezonden, verwijst hij naar de zienswijze waarin wordt verzocht de stukken toe te sturen aan de deelnemende raden. Een aantal vragen zijn gesteld over de verschillen in de zienswijzen die voorliggen voor de verschillende gemeenschappelijke regelingen. Het lijkt hem goed dat elke gemeenschappelijke regeling op haar eigen merites beoordeeld wordt. Naar sommige gemeenschappelijke regelingen is daadwerkelijk meer beleid toegeschoven, andere richten zich met name op de uitvoering en daarvoor is het beleid zelf vastgesteld, zoals bijvoorbeeld bij de DCMR. Daarom kan hij zich voorstellen dat daar verschillen in zitten. De wijze waarop het stuk voor de DCMR tot stand is gekomen doet zijns inziens recht aan de manier waarop met de DCMR wordt omgegaan.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer: 1399837/1408305
pagina: 5 van 8
De adviescommissie is een kwestie die met name aan de raad is. Er is inderdaad unanimiteit nodig onder de raden om de adviescommissie te kunnen instellen. Het college meende dat het wellicht handig zou zijn om eerst in het presidium te bespreken of het überhaupt iets is wat bemensd kan worden en of dat wenselijk is, maar het is volledig aan de raad om te besluiten al dan niet een adviescommissie in te stellen. Als die wens er is, is hij graag bereid eerst in de subregio na te gaan hoe daarop gereageerd wordt, waarna breder met de subregio kan worden bekeken wat verder mogelijk is. De heer Kolster vroeg of het niet ook mogelijk is een zienswijze in te dienen op het meerjarenprogramma. Voor een deel is dit inderdaad een grijs gebied. In de begroting zitten echt de kaders, het meerjarenprogramma is niet een meerjarenbeleidsprogramma, maar meer een uitvoeringsprogramma. Het zou wellicht ergens besproken kunnen worden, maar of het onderwerp zou moeten zijn van een zienswijze vraagt hij zich af. Op die manier wordt wel erg de details ingegaan. De heer HEERENS herhaalt zijn vraag waarom in een van de stukken is vermeld dat ‘indien nodig’ overleg zal worden gezocht met andere raden inzake het instellen van een adviescommissie.
Het is een onderwerp dat bij alle raden speelt en waarom wordt dat overleg dan niet per definitie gezocht? Eventueel zou Capelle ter zake het voortouw kunnen nemen. Wethouder GEISSLER acht het verstandig straks eerst even te inventariseren of die wens breed leeft in de raad. Mevrouw FEUTH vraagt of de wethouder ook kan aangeven wat de voor- en nadelen zijn van zo’n raadsadviescommissie, want die zijn haar eerlijk gezegd niet duidelijk. Het verbaast haar dan ook dat sommige mensen daarvan kennelijk zo’n groot voorstander zijn. Mevrouw DEN ENGELSMAN stelt voor de vraag of al dan niet moet worden overgegaan tot het instellen van een adviescommissie gewoon in de raad te bespreken, waarbij dan ook de voor- en nadelen meegenomen kunnen worden. Wethouder GEISSLER attendeert erop dat er meerdere adviescommissies zijn, onder andere bij de MRDH. Zo’n adviescommissie kan in de voorbereiding van bepaalde stukken, zoals bij een begroting, advies uitbrengen, maar met een adviescommissie zijn ook de banden tussen de raden onderling nauwer, waardoor wellicht gemakkelijker tot zienswijzen kan worden gekomen die ook breder gedeeld worden door andere gemeenten. Per gemeenschappelijke regeling zal bekeken moeten worden hoe vaak gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen en wat dan het daadwerkelijke belang is van de zienswijze.
Volgens hem is dat is per gemeenschappelijke regeling verschillend. Tweede termijn De heer OUDSHOORN releveert dat volgens het voorstel de afweging met betrekking tot de adviescommissie in het presidium wordt neergelegd en dat daarna alsnog het besluit aan de raad is. Het voordeel van de afweging in het presidium is dat daar alle gemeenschappelijke regelingen afgestemd en ook even naast elkaar gehouden kunnen worden, want elke gemeenschappelijke regeling heeft nu het recht of de plicht om een adviescommissie toe te staan. Hij stelt daarom voor het daar te laten, zodat het in z’n collectiviteit beoordeeld kan worden: alle gemeenschappelijke regelingen waar diezelfde vraag komt te liggen. Waar de VVD een pleidooi hield voor de mogelijkheid van het indienen van zienswijzen op meerjarenplannen, merkt hij op dat hij het daarmee eens zou kunnen zijn als het daadwerkelijk gaat om meerjarenbeleid, maar zoals de wethouder al aangaf gaat het bij sommige gemeenschappelijke regelingen meer om een meerjaren-uitvoeringsprogramma en dan zou het volgens hem minder nut hebben. Mevrouw TIEMAN vraagt of de heer Oudshoorn het niet met haar eens is dat door deze afweging in het presidium neer te leggen toch weer een soort politiek wordt bedreven in het presidium, wat haars inziens daar niet thuishoort. Een beter alternatief lijkt haar die integrale afweging in een raadsbrede commissie te maken.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer: 1399837/1408305
pagina: 6 van 8
De heer OUDSHOORN verduidelijkt dat het hem vooral gaat om het afwegen van de workload in het presidium, zodat alles in z’n integraliteit kan worden beschouwd. Natuurlijk zou er ook een raadsbrede thema-avond van kunnen worden gemaakt om alle vraagstukken van de adviescommissies bij elkaar te leggen, maar dat ziet hij niet zozeer als een politieke keuze, doch eerder als het afwegen van de belangen per gemeenschappelijke regeling. Hij kan met beide varianten leven, maar niet met een behandeling in een gewone commissie, want dat zou te eenzijdig zijn. De heer HARTOG zegt nog steeds zoekende te zijn naar een bepaalde vorm van uniformiteit bij de verschillen in de gemeenschappelijke regelingen. Daarbij gaan zijn gedachten uit naar de commissie verbonden partijen, die bijvoorbeeld zou kunnen worden opgedragen een advies uit te brengen over enerzijds de adviescommissie en anderzijds de vraag hoe de raad proactief aan de slag kan met betrekking tot de gemeenschappelijke regelingen. Ten aanzien van het eerste benadrukt hij dat het besluit over het al dan niet instellen van een adviescommissie openbaar behoort te zijn, hetzij via een commissie, of via de raad, zodat het niet alleen voorbehouden is aan het presidium. Wat het meerjarenprogramma betreft, waarin politieke keuzes zijn begrepen, is hij van mening dat de raad daarop zienswijzen en ideeën zou moeten kunnen inbrengen.
De VOORZITTER constateert dat inhoud en proces enorm door elkaar gaan lopen nu ook de verbonden partijen ter sprake worden gebracht. Hij is even zoekende hoe dat tot een goed einde kan worden gebracht. DCMR is echt wat anders dan Jeugdzorg en dan Hitland. Hoe zou de heer Hartog dat dan op een goede manier willen kunnen afwegen? De heer HARTOG ziet elke gemeenschappelijke regeling als een aparte regeling en de raad heeft beoordeeld hoeveel afstand daartoe in acht genomen behoort te worden. Hij kan zich bijvoorbeeld voorstellen dat men op Jeugdzorg veel directer invloed wil uitoefenen dan op bijvoorbeeld de MRDH of de DCMR. Op basis van de invloed die de raad wil uitoefenen op de gemeenschappelijke regeling, of op de organisatie erachter, zou een bepaalde uniformiteit teweeggebracht moeten worden. De VOORZITTER vat samen dat GroenLinks een en ander in een soort vierluik gestalte zou willen geven: commissie verbonden partijen, presidium, commissie en raad. Mevrouw DEN ENGELSMAN kan zich voorstellen dat een advies wordt gevraagd aan de commissie verbonden partijen, zoals voorgesteld door de heer Hartog, en dat dat advies vervolgens in een raadsbrede commissie ter bespreking wordt voorgelegd. Zo komen in ieder geval alle commissies aan bod waaronder alle gemeenschappelijke regelingen vallen.
De heer VLOT moet zeggen dat het hem even begon te duizelen van alle verschillende varianten en inbrengen van collega’s. Eerlijk gezegd zou hij eerder voor het model kiezen dat de heer Kolster voorstaat dan op de adviescommissie te gaan sturen, maar hij wacht wel even af. Persoonlijk verwacht hij het ook wel terug in het presidium, ongeacht of dat het gremium is waar het oordeel geveld zal worden. Hij kijkt met belangstelling uit naar de notulen van dit echt weer ouderwetse stukje SOB! De heer KOLSTER vraagt of de wethouder, kennisgenomen hebbend van de tweede termijn, bereid is om in de concept-antwoordbrief iets op te nemen over beleidsmatige meerjarenkeuzes. Mevrouw FEUTH meent dat de workload een heel belangrijke rol speelt bij de raadsadviescommissie en eerlijk gezegd zou zij in dit verband niet weten wie daarover het beste een beslissing kan nemen. De workload en het belang van de verschillende regelingen zullen heel goed afgewogen moeten worden voordat besloten wordt al dan niet een adviescommissie te vormen, want naar haar mening kan niet voor iedere regeling een adviescommissie in het leven worden geroepen. De heer HEERENS adviseert in dezen vooral bij de andere gemeenten te rade te gaan. Naar zijn mening is het nu te vroeg om daarin verdere keuzes te maken.
Mevrouw TIEMAN blijft moeite houden met de afweging in het presidium, al snapt zij wel het idee om die workload goed af te wegen. Naar haar mening moet dat ook zeker gebeuren, maar zij wil ervoor waken dat in het presidium bepaald gaat worden waar het wel moet en waar niet, omdat die discussie haars inziens in openbaarheid dient plaats te vinden. De commissie verbonden partij zou wellicht kunnen, al weet zij niet zeker of dat de beste oplossing zou zijn. Vraag is ook wat de andere gemeenten doen op dit punt en hoe een en ander wordt afgestemd.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer: 1399837/1408305
pagina: 7 van 8
Eerlijk gezegd vindt zij het ingewikkelder om te reageren op de bijdrage van de heer Kolster. Voor zover het gaat om strategische beleidskeuzes is zij het helemaal met hem eens, maar het is haar op dit moment niet duidelijk waar die precies zitten en welke invloed daarop kan worden uitgeoefend. Wethouder GEISSLER geeft aan in de subregio te zullen navragen of ook in andere gemeenten vanuit de raad het verzoek is gedaan om een adviescommissie in te stellen. Hoe de procedure verder vorm moet krijgen zal volgens hem de raad samen met de griffie moeten bepalen, waarbij hij wel verzoekt dat los te koppelen van deze zienswijze, omdat de zienswijze uiterlijk 1 maart binnen moet zijn. Wat strategische beleidskeuzes betreft, merkt hij op dat een heleboel loopt via de begroting. Voor eigenlijk alles wat strategisch is wordt de raad al in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Belangrijk is ook dat elk jaar een werkplan wordt vastgesteld waarin men kan zien hoe het geld bij de DCMR wordt besteed. Eventueel zou dat stuk jaarlijks ter consultatie aan de raad kunnen worden voorgelegd, al vraagt hij zich af of dat echt nodig is. De heer KOLSTER merkt op dat een werkplan op de uitvoering gaat zitten, terwijl het de VVD juist gaat om het beleid.
Een werkplan zal ieder jaar weer vastgesteld worden, terwijl met een aanpassing van het meerjarenplan kan worden voorkomen dat ieder jaar het werkplan moet worden aangepast. De gemeenteraad zal, als het aan de VVD ligt, moeten kunnen sturen op het meerjarenplan en niet op het werkplan. In de commissie proeft hij een meerderheid om die optie aan de gemeenschappelijke regeling te vragen. Het wordt politiek nogal ongemakkelijk als de wethouder nee blijft zeggen en de raad in de raadsvergadering de collegebrief zou moeten amenderen. Hij pleit voor het zoeken naar een soort middenweg. De VOORZITTER repliceert dat wijzigend beleid bij zijn weten automatisch aan de raad wordt voorgelegd. Wethouder GEISSLER meent dat dat inderdaad zo is, maar zal het voor alle zekerheid navragen. Ander is hij bereid daarover in de zienswijze nog iets op te nemen. De heer KOLSTER zegt hiervoor dank. Hij loopt namelijk al een paar jaar mee in de raad en tenzij hij iets gemist heeft, kan een raad volgens hem alleen een zienswijze indienen op begrotingen en niet op dit soort meerjarenplannen. De VOORZITTER vat samen dat zo nodig met een wijziging zal worden gekomen, die naar hij aanneemt dan geel gearceerd bij de stukken zal worden gevoegd en dat het stuk overigens als hamerstuk kan worden geagendeerd, tenzij niet met de wijziging zou kunnen worden ingestemd.
Daarnaast stelt hij voor de griffie te verzoeken een procesvoorstel voor te bereiden voor het presidium betreffende de stappen die gezet moeten worden voor een procedure update GR’en. Aldus wordt besloten. De VOORZITTER schorst hierna, in afwachting van de komst van wethouder Van der Heide, te 21.06 uur de vergadering. SCHORSING De VOORZITTER heropent te 21.12 uur de vergadering. Hij deelt mede dat wethouder Van der Heide bij de behandeling van agendapunt 5 zal worden vervangen door diens collega’s Geissler en Westerdijk. 5. Vaststelling bestemmingsplan ‘Parkeren’ Capelle aan den IJssel 2023 Mevrouw DEN ENGELSMAN vraagt aandacht voor artikel 4.2, ‘Laden en lossen’, waarin een afwijkingsbevoegdheid voor het college is opgenomen voor het parkeren op eigen terrein als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid. Het CDA verzoekt ook de verkeersveiligheid daaraan als voorwaarde toe te voegen. Mevrouw VAN HEMERT deelt mede dat daartegen geen enkel bezwaar bestaat. De VOORZITTER vraagt of die ambtelijke mening door het college wordt gedeeld. Wethouder mevrouw WESTERDIJK bevestigt dat.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer: 1399837/1408305
pagina: 8 van 8
De VOORZITTER stelt voor ook deze wijziging geel gearceerd aan de stukken toe te voegen. Voorts concludeert hij dat het voorstel met inachtneming daarvan als hamerstuk voor de raad kan worden geagendeerd. 10. Rondvraag De heer KOLSTER herinnert aan de toezegging van wethouder Van Woudenberg dat bij het plaatsen van een elektrische laadpaal voor een voertuig in de gemeente in eerste instantie één vak zal worden gereserveerd voor elektrische voertuigen. Uit verschillende wijken heeft de VVD het signaal bereikt dat dat niet het geval is en dat bij het plaatsen van een nieuwe paal direct twee parkeervakken worden afgekruist voor elektrische voertuigen. Hij gaat er niet van uit dat wethouder Van Woudenberg willens en wetens de wens van de raad niet wil uitvoeren. Toch gaat er iets mis. Hoe kan dat en wat gaat het college eraan doen om dit op te lossen? Mevrouw FEUTH merkt in een reactie hierop op dat dit in een bepaalde wijk meerdere keren is voorgekomen en dat na het melden daarvan binnen een week een van de twee vakken weer werd gemarkeerd als ‘zonder laadpaal’, door een hoesje over de laadpaal te doen. Het is dus slechts een kwestie van melden. Wethouder mevrouw WESTERDIJK deelt mede dat deze kwestie onlangs in het college is besproken en dat daarbij is geconcludeerd dat in het enthousiasme om te voldoen aan de vraag die er is soms wel eens wat te vlot te werk wordt gegaan.
Momenteel heeft ze niet helemaal scherp in welke gebieden dit zich voordoet, maar ze zegt toe hierop in een collegebrief te zullen terugkomen. 11. Sluiting De VOORZITTER sluit te 21.20 uur de vergadering.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de commissie Stadsontwikkeling en -Beheer van 12 maart 2024, de secretaris, de voorzitter,