Bijlage 3 - Ruimtelijke onderbouwing Ingen, Dorpsstraat 11
Tekst van het document
Rapport 2300608.r01 - Concept Transformatie Dorpsstraat 11 Ingen Ruimtelijke onderbouwing
www.SPAWNP.nl
Rapport 2300608.r01 - Concept
Datum Opdrachtgever Behandeld door Adviseur en goedgekeurd
: : :
4 december 2023 Moesbergen BouwAdviesbureau BV De heer T. van Tuijn
:
De heer ing. D.J. Hobert
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110
DENKKRACHT
IN
BOUW - MILIEU - RUIMTE
Transformatie Dorpsstraat 11 Ingen Ruimtelijke onderbouwing
info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl ISO 9001:2015
| kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01
SPA WNP ingenieurs
INHOUD
2300608.r01 concept PAGINA
1
INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en plangebied 1.3 Planologische situatie 1.4 Beoogde situatie
3 3 3 4 4
2
RUIMTELIJK BELEID 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Gemeentelijk beleid
6 6 7 8
3
OMGEVINGSASPECTEN 3.1 Molenbiotoop 3.2 Bedrijven en milieuhinder 3.3 Geluidhinder 3.4 Externe veiligheid 3.5 Verkeer en parkeren 3.6 Luchtkwaliteit 3.7 Flora en fauna 3.8 Archeologie 3.9 Bodem 3.10 Water 3.11 Milieueffectenrapportage
10 10 11 13 14 15 18 19 19 20 21 24
4
UITVOERBAARHEID 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
26 26 26
5
CONCLUSIE
26
BIJLAGEN 1
Akoestisch onderzoek
2
Flora en fauna onderzoek
3
Onderzoek stikstofdepositie
4
Archeologisch onderzoek
5
Bodemonderzoek
6
Digitale watertoets
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.
Pagina 2
SPA WNP ingenieurs
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
2300608.r01 concept
Aanleiding van voorliggende ruimtelijke onderbouwing is beoogde woningbouw aan de Dorpstraat 11 (kadastraal perceel 516) in Ingen. Het plan past niet binnen het bestemmingsplan ‘Kernen Buren’, vastgesteld d.d. 25 juli 2013. Vanwege het planologisch strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onderdeel C Wabo, is door het bevoegd gezag gevraagd om voor het plan de uitgebreide voorbereidingsprocedure, als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3, te doorlopen. Om die reden is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, waarin diverse ruimtelijke en milieuaspecten worden behandeld. 1.2
Ligging en plangebied Het plangebied ligt aan de Dorpsstraat 11 in Ingen. Specifiek is het plangebied kadastraal bekend als: gemeente Lienden, sectie I, nummer 516. Het perceel bevindt zich in het centrum van Ingen. Het plangebied is in de huidige situatie bebouwd en kende de functie van een café. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich overwegend woningen en een kerk. In afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven en in afbeelding 2 de huidige situatie Afbeelding 1: Ligging plangebied
Pagina 3
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Afbeelding 2: Huidige situatie plangebied
1.3
Planologische situatie Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Kernen Buren’, vastgesteld d.d. 25 juli 2013, van kracht. Voor het plangebied is de enkelbestemming ‘centrum’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie’ opgenomen. Het plangebied is daarnaast aangeduid met de functieaanduiding horeca en ligt binnen de vrijwaringszone van een molenbiotoop. Afbeelding 3: Planologische situatie
1.4
Beoogde situatie
Pagina 4
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Het plan bestaat uit de transformatie van een voormalig café naar een kleinschalig appartementengebouw dat voorziet in negen koopwoningen. De appartementen zijn voorzien op de begane grond, de eerste en tweede verdieping. Het pand ligt op de hoek van een kruising en is een karakteristiek pand. De vorm en het oorspronkelijke gebouw blijft behouden, een gedeelte wordt herbouwd. De overige buitenruimte wordt groen ingepast en biedt voldoende parkeergelegenheid aan de oost- en noordzijde. Afbeelding 4: Beoogde situatie
Strijdigheid De bestemming ‘Centrum’ laat uitsluitend woningen ter plaatse niet toe. Hier is uitsluitend het volgende toegestaan: a. Detailhandels- en bedrijven, zakelijke- en maatschappelijke dienstverlening, openbare- en bijzondere doeleinden, ateliers voor kunstenaars. b. Doeleinden van handel en bedrijf, die behoren tot maximaal categorie 2, zoals deze op de tot het plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten zijn vermeld. c. Bijbehorende bewoning, inclusief mantelzorg en daarbij behorende doeleinden. d. Alsmede voor horeca: specifieke vorm van centrum, horeca 1: kantoor, garage: specifiek vorm van centrum, poort: bijgebouwen. Voor de beoogde ontwikkeling is het nodig dat het plangebied van functie wijzigt, van centrum naar wonen.
Pagina 5
SPA WNP ingenieurs
2
RUIMTELIJK BELEID
2.1
Rijksbeleid
2300608.r01 concept
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Ruimte en Infrastructuur (hierna: SVIR) vastgesteld. De SVIR geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Uitgangspunt van de SVIR is decentraal wat kan, centraal wat moet. Bij het bepalen van wat centraal moet, zijn 13 rijks-belangen omschreven. Een rijks-verantwoordelijkheid is slechts aan de orde, als: · een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt of; · over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan of; · het een onderwerp betreft, dat provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent, ofwel in beheer bij het Rijk is. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, december 2011) worden nationale ruimtelijke belangen juridisch geborgd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient rekening gehouden te worden met de regels van het Barro, zodat de nationale belangen doorwerken in de beleidsruimte van andere overheden.
Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder duurzame verstedelijking werd geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en trad per 1 oktober 2012 in werking als motiveringsvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het instrument is van toepassing op de functies wonen, bedrijventerreinen, kantoren, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. In de Bro is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie art. 1.1.1 Bro) mogelijk maakt. De ladder is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2, 3 en 4 van de Bro. Toetsing plan De realisatie van negen woningen binnen het bestaand stedelijk gebied van Ingen wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling, omdat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen onder stedelijke ontwikkeling vallen. Toetsing aan de Ladder is om die reden niet aan de orde. Conclusie Rijksbeleid Het plan heeft geen relatie met het nationaal ruimtelijk beleid en hoeft gezien het aantal woningen niet getoetst te worden aan de Ladder duurzame verstedelijking. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Pagina 6
SPA WNP ingenieurs
2.2
2300608.r01 concept
Provinciaal beleid Provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie Gelderland heeft haar ruimtelijk beleid opgenomen in een omgevingsvisie. De huidige versie is vastgesteld op 19 december 2018 en geeft uitvoering aan de omgevingswet. Het is een brede visie op de toekomst van Gelderland met betrekking tot alle aspecten van ruimtelijke ordening. Woon- en leefomgeving is één van de hoofdthema’s in hoofdstuk vier van de omgevingsvisie. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur, het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke, als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd investeert Gelderland in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied ons vertrekpunt.
Gelderland geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen. Wij gaan voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, breiden we uit aan de randen van onze steden of dorpen. Woonwensen veranderen door de tijd en met de leeftijd. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. De dynamiek op de woningmarkt is groot, ook als gevolg van ontwikkelingen in de Randstad. Het grootste deel van de woningen, die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Soms zijn zelfs tijdelijke woonvormen nodig, wil Gelderland snel in kunnen spelen op de vraag. Voor Gelderland staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. Gelderland heeft zorg en aandacht voor de woonbehoeften van alle Gelderlanders en maakt hier met zijn partners afspraken over. Ook zijn de meeste woningen verre van energieneutraal en klimaatbestendig. Gelderland stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken.
Ook zijn wij met onze partners in gesprek over hoe we het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer kunnen aanpakken. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van onze inwoners. De Gelderse ambitie: ·
· ·
Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus, passend bij de diversiteit aan woningvraag: voor ieder een passende, duurzame woning. We benutten de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaat adaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal.
Pagina 7
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Omgevingsverordening februari 2022 Op 18 april 2023 is een wijzigingsplan Omgevingsverordening aangenomen. Dit is gedaan omdat het beleid een dynamisch instrument is, dat kan worden aangepast als beleidsontwikkelingen of de praktijk daarom vragen. Daarbij is beleid en de verordening gericht op zowel het beschermen, als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in onze provincie. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en van belangrijke waarden, zoals het Gelders natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden. En het mogelijke maken van ontwikkelingen in bepaalde gebied binnen de provincie. Toetsing plan Het beoogde plan draagt bij aan twee Gelderse ambities. Ten eerste springt het beoogde woningbouw plan in op de vraag en aanbod van de Gelderse woningzoekende. De omgevingsvisie stelt namelijk voorop dat Gelderland een aanbod aan woningtypen en woonmilieus heeft, passend bij de diversiteit aan woningvraag. Dit betekent dat er voor ieder een passende, duurzame woning moet zijn. Daarnaast draagt het beoogde plan bij aan het optimaal benutten van bestaande bebouwde omgeving. Ten tweede voorziet het beoogde plan in het aardgasloos maken van wijken. Hiermee draagt het plan bij aan de ambitie om in 2035 alle wijken van het gas af te hebben.
Conclusie Provinciaal beleid Op basis van de toetsing aan het provinciaal beleid blijkt dat het plan in lijn is met het provinciaal beleid. 2.3
Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie – Gemeente Buren Op 14 oktober 2021 is de omgevingsvisie van de gemeente Buren vastgesteld en deze is voor het laatst gewijzigd op 14 juli 2022. Hierin staat de integrale strategische visie voor de lange termijn voor de fysieke leefomgeving. Met deze visie zet de gemeente Buren een koers uit voor de lange termijn. Een koers waarmee ze antwoord geven op de dynamiek in de samenleving en de trends die ontwikkelen. Maar ook een koers die kwaliteiten en kenmerken, die van oudsher bij Buren horen en die al lange tijd beschermd zijn, behoudt. De visie kent zes speerpunten: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
evenwichtige groei gezonde en veilige omgeving sterke voorzieningen werken aan kwaliteit naar een multifunctioneel buitengebied een duurzame toekomst
Woningbouwprogramma 2020 – 2023 Het woningbouwprogramma staat voor de komende tien jaar en draagt bij aan waar de gemeente Buren voor staat. Dat is aan een hechte samenleving waar mensen naar elkaar omkijken omdat ze dat willen, niet omdat dat moet. Waar de inwoners op basis van zeggenschap als vanzelfsprekend participeren en waar ook via de gebouwde omgeving zaken als eenzaamheid worden aangepakt. Waar de leefbaarheid van elke kern centraal staat met een passend voorzieningenniveau, verenigingsleven en ondernemerschap. En waar dorps en landelijk wonen dragers zijn van een bijzondere kwaliteit die naadloos aansluit bij de leefstijl van de inwoners en tegelijkertijd een onderscheidende en aanvullende kwaliteit biedt in de regio Rivierenland. Het woningbouwprogramma kent vier strategische pijlers: Pagina 8
SPA WNP ingenieurs
1. 2. 3. 4.
2300608.r01 concept
meer diversiteit in de voorraad met behoud van de ‘dorpse’ kwaliteit bouwen voor de jonge doelgroep bouwen voor de oudere doelgroep aandacht voor betaalbaarheid en vernieuwing van de sociale voorraad
Toetsing plan In het pand wil men negen appartementen realiseren, de verkoopprijs loopt naar verwachting tot maximaal €360.000. Daarmee worden deze woningen gezien als goedkope koop-woningen. Dit betekent dat de woningen in de richting van de strategische pijlers worden gerealiseerd. Er komt meer diversiteit in de voorraad met behoud van de ‘dorpse’ kwaliteit en de verkoopprijs sluit aan bij de jonge en oudere doelgroep. Om de laatste strategische pijler van het Woningbouwprogramma 2022 – 2030 te voldoen, wordt door de initiatiefnemer de 40% sociale huur elders binnen de gemeente gerealiseerd. Klimaatvisie Buren In 2020 is de gemeente Buren gestart met een actief beleid voor duurzaamheid en klimaat. Buren wil voldoen aan de afspraken in het Klimaatakkoord en de Klimaatwet. En vooral zelf de regie houden en samen met onze inwoners en bedrijven in onze gemeente kansen benutten en slim omgaan met de mogelijkheden die de omgeving biedt. De missie van Buren is om zich te ontwikkelen als plattelandsgemeente waar duurzaamheid altijd onderdeel is van de activiteiten. Voor welk vraagstuk of uitdaging de gemeente ook staat, de rekening wordt niet doorgeschoven naar volgende generaties. Dit uitgangspunt geldt ook voor het minder belasten van het milieu, maar zeker ook voor het verdelen van de baten en lasten van de energietransitie.
Om de bovenstaande missie te bereiken, heeft de gemeente Buren de volgende hoofdstukken behandeld in de Klimaatvisie: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
de energietransitie energiebesparing warmtevisie klimaatadaptatie circulaire economie verduurzaming eigen organisatie
Conclusie gemeentelijk beleid Op basis van de toetsing aan het gemeentelijk beleid blijkt dat het plan in lijn is met het gemeentelijk beleid.
Pagina 9
SPA WNP ingenieurs
3
OMGEVINGSASPECTEN
3.1
Molenbiotoop
2300608.r01 concept
Het plangebied ligt op basis van het geldende bestemmingsplan binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 220 m’. Afbeelding 5: Milieuzonering (plangebied zwart omlijnd)
Ter plaatse van deze aanduiding gelden nadere regels voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van de waarde als landschapselement. Het bestemmingsplan geeft hierover het volgende aan: ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 220 m" mag de bouwhoogte van bouwwerken niet meer bedragen dan 8,4 m. In het bestemmingsplan is op basis van artikel 53.5.3 een afwijkingsmogelijkheid opgenomen van voornoemde hoogte indien: a) uit onderzoek is gebleken dat de windbelemmering niet dusdanig wijzigt, dat de betreffende molen onvoldoende kan functioneren of anderszins blijvend onevenredig in zijn waarde wordt geschaad; b) omtrent het voorgaande een advies verkregen is van een molendeskundige. Toetsing In de huidige situatie varieert de hoogte van het bestaande karakteristiek pand. De westzijde van het bestaande pand heeft de hoogste hoogte, hier bedraagt de nokhoogte (exclusief schoorsteen) 9,53 meter. In de beoogde situatie blijft de westzijde van het pand behouden en daarmee de bestaande hoogte intact. De oostzijde van het pand wordt herbouwd en opgehoogd naar een hoogte van maximaal 9,5 meter. Daarmee is de herbouw lager dan de bestaande bebouwing. Omdat de aanbouw eveneens niet aan de zijde van de molen ligt, is de conclusie dat de windvang van de molen niet beperkt worden door het beoogde plan.
Pagina 10
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Afbeelding 6: Globaal gedeelten plangebied (geel = 9,53 en wit wordt 9,5 m)
Conclusie De ligging binnen de molenbiotoop vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.2
Bedrijven en milieuhinder Voor het waarborgen of realiseren van een goed woon- en leefklimaat wordt milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen (milieugevoelig) een passende locatie in nabijheid van bedrijven (milieubelastend) krijgen en dat deze op een verantwoorde manier gerealiseerd worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen twee doelen: · Het voorkomen van of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen. · Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Een hulpmiddel voor milieuzonering is de VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering”, waarvan de laatste versie stamt uit 2009. Deze handreiking gaat uit van de hinderaspecten geur, stof, geluid en veiligheid. Voor het beoordelen van de milieuzonering gaan wij ervan uit dat er sprake is van een zogenaamd “gemengd gebied”. Dit vanwege de ligging van het plangebied in de nabijheid van diverse functies (wonen en centrum) rondom het plangebied en aan de Dorpsstraat. In de VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering” editie 2009 staat dit omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging: “Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden, die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied”. De richtafstanden zijn daarom met een afstandstap verlaagd ten opzichte van de in bijlage 1 van de VNG-handreiking opgenomen richtafstanden. In tabel 1 zijn de richtafstanden per gebiedstype weergegeven.
Pagina 11
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Tabel 1: Richtafstanden VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering”, editie 2009 Cat.
Richtafstand ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’
Richtafstand ‘gemengd gebied’
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
4.1
200 meter
100 meter
4.2
300 meter
200 meter
5.1
500 meter
300 meter
5.2
700 meter
500 meter
5.3
1.000 meter
700 meter
6
1.500 meter
1.000 meter
Onderzoek In de onderstaande tabel 2 zijn de relevante milieubelastende bestemmingen/bedrijven in de omgeving opgenomen. De nummers in de tabel corresponderen met afbeelding 7. Tabel 2: Uitgangspunten milieuzonering rondom plangebied Nr.
Bestemming en aanduiding
Omschrijving feitelijk aanwezig
1
Maatschappelijk
Kerkgebouw (9491)
(sbi-code)
Cat.*
VNG richtafstand gemengd gebied
Werkelijke afstand
2
Geur: 0
Ca. 30 meter
Stof: 0 Geluid: 10 Gevaar: 0 2
Centrum
Woning
2
Geur: 10
>10 meter
Stof: 10 Geluid: 10 Gevaar: 10 3
Tuin – Gaarde
Gras weide
1
Geur: 0
Ca. 10 meter
Stof: 0 Geluid: 0 Gevaar: 0 4
Centrum
Woning
2
Geur: 10
Ca. 14 meter
Stof: 10 Geluid: 10 Gevaar: 10 5
Centrum
Kantoren (461)
1
Geur: 0
0 meter
Stof: 0 Geluid: 0 Gevaar: 0 * Milieucategorie op basis van maximaal planologisch toegestane situatie
Pagina 12
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Afbeelding 7: Milieuzonering (plangebied zwart omlijnd)
3 2 1
5 1
4 1
Op basis van de in de omgeving planologisch toegestane situatie blijkt dat voldaan kan worden aan de richtafstanden, die gelden op basis van het omgevingstype gemengd gebied. Voor het kantoor (6) kan ook voldaan worden op basis van de huidige kantoorfunctie, die eveneens met een aanduiding is opgenomen in het bestemmingsplan. De realisatie van het plan leidt om die reden niet tot een belemmering van de in de omgeving aanwezige bedrijfsvoering. Binnen het plangebied kan een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.3
Geluidhinder In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgelegd in welke mate het geluid, veroorzaakt door wegen, spoorwegen en/of gezoneerde industrieterreinen geluidgevoelige bestemmingen (woningen, ziekenhuizen, scholen e.d.), mag belasten. Op basis van de wet zijn voor de geluidgevoelige bestemmingen voorkeursgrenswaarden opgenomen, waaraan in principe aan voldaan moet worden: · Wegverkeer 48 dB · Spoorwegverkeer 55 dB · Industrielawaai van gezoneerde industrieterreinen 50 dB(A) Onderzoek In het kader van deze ruimtelijke onderbouwing is een akoestisch onderzoek wegverkeers-lawaai opgenomen (bijlage 1). De situatie is beoordeeld aan de hand van de Wet geluidhinder, de Wet ruimtelijke ordening en het gemeentelijke geluidbeleid. Doel van dit onderzoek is geweest het bepalen van de geluidbelasting binnen het plangebied, voor zover deze wordt veroorzaakt door het relevante wegverkeer. Pagina 13
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op het beoogde woongebouw vanwege het verkeer op: · de Dorpsstraat en het Doctor A.R. Holplein hoger is dan de voorkeurswaarde, maar ruim lager dan de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen; · de Rijnstraat ruim lager zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Er zijn geen reële maatregelen te treffen waarmee de geluidbelasting op het woongebouw gereduceerd kan worden tot de voorkeurswaarde, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat de geluidbelasting, vanwege het verkeer op de 30 km-wegen, aanvaardbaar is. Omdat 30 km/uur-wegen volgens de Wet geluidhinder niet gezoneerd zijn, kan (en hoeft) voor de geluidbelasting van de Dorpsstraat en het Doctor A.R. Holplein geen hogere waarde te worden verleend. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.4
Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om: · bedrijven die onder het Besluit risico’s zware ongevallen vallen (Brzo); · LPG/LNG-tankstations; · opslagplaatsen (PGS); · ammoniakkoel-/vriesinstallaties; · spoorwegemplacementen. In het Bevi is opgenomen dat binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare objecten zijn toegestaan, voor beperkt kwetsbare objecten is dit een richtwaarde. Wanneer een ruimtelijk besluit wordt genomen binnen het invloed gebied van de risicobron, dient het groepsrisico verantwoord te worden. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de omgang met externe veiligheid rond buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (zoals gas en brandbare vloeistoffen). De normen, die door het Bevb worden gehanteerd, zijn gelijkgesteld met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zodat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR) gelijk zijn.
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het beleid voor vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, binnenvaart en spoorweg is opgenomen in het Bevt. Voor de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daar gelaten) geldt het Basisnet. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Buiten 200 meter van de transportroute of wanneer het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of de toename minder is dan 10%, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Een uitgebreide verantwoording is nodig wanneer sprake is van een toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Pagina 14
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Onderzoek Aan de hand van de EV-signaleringskaart blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied geen relevante risicobronnen bevinden conform het Bevi, Bevb en Bevt. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedgebied aardgasbuisleiding. Afbeelding 8: EV-signaleringskaart, in blauw het plangebied.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.5
Verkeer en parkeren Verkeer Verkeersgeneratie Op basis van CROW-kengetallen kan de voormalige verkeersgeneratie bepaald worden. Op basis van de kentallen vonden er, als gevolg van het voormalige café, 184 motorvoertuigbewegingen per weekdag plaats. Tabel 3: Aannamen voormalige ontwikkeling Functie detail- Aantal m² Omrekenfactor Verhandel koopvloeroppervlakte
Aantal motorvoertuig-bewegingen per 100 m²
Omrekenfactor weekdag
Horeca
81
90%
Ca. 420 m²
80%
Tabel 4: Voormalige verkeersgeneratie VerkoopvloeropperMotorvoertuigbewegingen vlakte per weekdagetmaal 420 x 0,80 = 336
81 x 0,90 = 73
naar
Verkeersgeneratie
Verkeersgeneratie conform beleid Amsterdam
(336/100) x 73 = 245,28
245,28 183,96
x
0,75
=
Pagina 15
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Op basis van CROW-kengetallen kan de beoogde verkeersgeneratie bepaald worden. Op basis van de kentallen worden er als gevolg van de woningen 41 motorvoertuigbewegingen per etmaal verwacht. Tabel 5: Aannamen beoogde ontwikkeling Hoofdgroep
Stedelijkheidsgraad
Type
Wonen
Niet stedelijk
Huur, appartement, midden/goedkoop
Ligging in de gemeente Buitengebied
Tabel 6: Beoogde verkeersgeneratie Verkeersgeneratie max.
Grootte
4,5
9 woningen
Motorvoertuigbewegingen per etmaal 41
In de beoogde situatie is de verkeersgeneratie (41) aanzienlijk minder vergeleken met de voormalige situatie (184). Verkeersontsluiting Het plangebied heeft een directe verkeersontsluiting aan de dorpsstraat en kent een maximum snelheid van 30 km/per/uur. De verkeersontsluiting is ruim en breed en geeft een duidelijk overzicht op de dorpsstraat. Parkeren Op basis van CROW-kengetallen kunnen de beoogde parkeercijfers bepaald worden. Op basis van de kentallen worden er, als gevolg van de woningen, 17 parkeerplaatsen verwacht. Tabel 7: Beoogde parkeercijfers
Parkeercijfers per woning 1,8
Grootte 9 woningen
Parkeercijfers totaal 16,2
Uit afbeelding 9 blijkt dat er 12 parkeerplaatsen beoogd zijn op eigen terrein en aan de overkant van de weg zijn zeven parkeerplaatsen beschikbaar. In totaal zijn er dus 19 parkeerplaatsen in de directe omgeving van de beoogde ontwikkeling.
Pagina 16
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Afbeelding 9: Bestektekening plattegrond
ToetsingHet voornemen is om ter plaatse een café-gebouw te transformeren naar woningen. Dit zal een verkeersgeneratie opleveren van 41 motorvoertuig bewegingen per etmaal. Dit is minder dan de verkeersgeneratie van het voormalige café-gebouw. Het plan voorziet dus in een afname van verkeer naar de locatie. Gezien de ligging van het plangebied aan de dorpsstraat, zal het verkeer geen problemen veroorzaken in de directe omgeving. Tot slot zijn er 19 parkeerplaatsen in de directe omgeving, die kunnen voorzien in de parkeerbehoefte van 17 parkeerplaatsen van de beoogde woningen. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 17
SPA WNP ingenieurs
3.6
2300608.r01 concept
Luchtkwaliteit Regeling Niet In Betekende Mate Op 15 november 2007 is de AMvB Niet In Betekenende Mate (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) in werking getreden. Hierin zijn de uitvoeringsregels vastgelegd, die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen, die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Onderzoek Binnen het plangebied worden negen nieuwe woningen gerealiseerd. Met deze negen woningen valt het bouwplan binnen het criterium voor de categorie woningbouwlocaties (de grens ligt op 1.500 woningen, bij één ontsluitingsweg). Met andere woorden, de realisatie van de woningen draag niet of nauwelijks bij aan de luchtverontreiniging en is in dat opzicht niet in betekenende mate. Daarom is een onderzoek naar de luchtkwaliteit en/of toetsing aan de grenswaarden niet nodig. In navolgende tabel is een overzicht van de jaargemiddelde achtergrondconcentraties weergegeven van de componenten stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), fijne fractie fijn stof (PM2,5)en elementair koolstof.
Dit geeft een goed beeld van de luchtkwaliteit ter plaatse. Deze concentraties zijn bepaald met behulp van het Grootschalige concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM. Tabel 8: Jaargemiddelde achtergrondconcentraties en de grenswaarde; alles in ug/m³ Stof NO2 PM10 PM2,5 EC
Jaar 2023 13.33 14.47 8.118 0.2412
Jaar 2030 10.58 13.53 7,.25 0.2166
Grenswaarde 40 40 25 -*
Advieswaarde 10 (GGD) 20 (WHO) 10 (WHO) -
De huidige bekende achtergrondconcentraties aan de luchtkwaliteit zijn ruimt lager dan de vastgestelde grenswaarden. De concentraties voldoen ook aan de advieswaarden van de WHO voor PM10 en PM2,5. Concentraties die hoger liggen dan de advieswaarden van de WHO en worden door de GGD bestempeld als een onvoldoende milieugezondheidskwaliteit. Voor de concentratie NO2 is er volgens de landelijke GGD sprake van een goed milieugezondheidskwaliteit bij een concentratie van 10 microgram per kuub. Boven de 20 microgram wordt de kwaliteit als matig bestempeld en boven de 30 microgram als onvoldoende. Uit de tabel blijkt dat de concentratie NO2 in de huidige situatie tussen een goed en matig milieugezondheidskwaliteit zit. Het aspect luchtkwaliteit vormt om voornoemde geen belemmering voor het beoogde plan Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 18
SPA WNP ingenieurs
3.7
2300608.r01 concept
Flora en fauna Volgens nationale- en internationale regelgeving is het verplicht om voorafgaand aan ruimtelijke plannen onderzoek te doen naar de effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN)) en het eventueel voorkomen van beschermde flora en fauna. Tevens is het volgens nationale regelgeving in sommige gevallen verplicht om melding te doen van het kappen van houtopstanden. Onderzoek Soortenbescherming In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd (bijlage 2). Uit het onderzoek blijkt dat er geen nadelige gevolgen zijn voor wat betreft streng en strikt beschermde soorten of hun beschermde verblijfplaats(Wnb-soorten). Daarnaast is een ontheffing niet noodzakelijk, maar de zorgplicht is altijd van toepassing. En er zijn geen gevolgen aangaande het onderdeel Wnb-houtopstanden (er wordt niet gekapt). Tenslotte ligt het plangebied niet in een Natura 2000-gebied. De resultaten van het onderzoek zijn positief. Bij uitvoering van de werkzaamheden wordt altijd invulling geven aan de zorgplicht. Dit houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Mits deze maatregel in acht worden genomen, kunnen negatieve effecten worden voorkomen, bij calamiteiten direct ecologisch deskundige inschakelen.
Tijdens werkzaamheden zal dit onderzoek op locatie aanwezig moeten zijn. Ook het separaat toegezonden document gedragscode Soortenbescherming moet op de locatie aanwezig zijn. Door het uitvoeren van bovengenoemde maatregelen wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen worden overtreden. Gebiedsbescherming Bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden is in Nederland geregeld via de Wet natuurbescherming (Wnb). Het beleid rond NNN is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en heet hier formeel EHS. In het kader van deze onderbouwing is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd (bijlage 3). Uit de AERIUS-berekeningen volgt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Er gelden geen aanvullende verplichtingen in het kader van Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect flora- en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.8
Archeologie Het Verdrag van Malta (Valletta) heeft bepaald dat overheden verplicht zijn om bij ruimtelijke ingrepen het archeologisch erfgoed te beschermen. In Nederland is deze archeologische bescherming opgenomen in de Monumentenwet en de Wet op archeologische monumentenzorg. Wanneer er grondwerkzaamheden plaatsvinden, dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Pagina 19
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Onderzoek In het kader van deze onderbouwing is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Samenvattend kan op basis van dit onderzoek worden gezegd, dat de aanwezige bebouwing deels een verstorende werking zal hebben gehad op eventuele archeologische resten, maar dat er eveneens sprake kan zijn van conservering van archeologische resten. Er is sprake van een tot wel twee meter dikke oude woongrond waar in meerdere lagen archeologische resten van gevarieerde ouderdom worden verwacht. Dit is gebleken uit meerdere onderzoeken. Voornamelijk het onderzoek ten noordoosten van het plangebied van een decennium geleden, waar door middel van een goede documentatie dit is aangetoond. Oudere waarnemingen bestaan uit het aantreffen van graven onder de kerk en de grote hoeveelheid aan Romeinse resten die duidden op een villa-terrein. De hoge verwachting is gegrond en er is genoeg reden om aan te nemen, dat archeologische resten onder het gebouw en de betegeling nog aanwezig kunnen zijn. Hierdoor wordt er aanbevolen alle ondergrondse werken archeologisch te laten begeleiden.
Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied, zoals omschreven in de vergunningsaanvraag, nader archeologisch onderzoek geadviseerd in de vorm van een archeologische begeleiding voor het gedeelte dat gesloopt gaat worden en vervangen wordt door nieuwbouw. Voor deze archeologische begeleiding, conform het protocol opgraving, is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. Bovenstaande vormt een selectieadvies. Conclusie Het aspect archeologie vormt met inachtneming van de archeologische begeleiding geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.9
Bodem Op basis van de Wet Bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit geldt, dat bij een ruimtelijk plan bepaald moet worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Om die reden is het relevant om te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging. Onderzoek In het kader van deze onderbouwing is een bodem- en asbestonderzoek onderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Uit het uitgevoerde bodemonderzoek is het gebleken, dat op basis van het sterk verhoogde gehalte PAK en het matig verhoogde gehalte koper, welke is aangetroffen in de bovengrond ter plaatse van boring 05, een nader onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de aard en omvang van de verontreiniging. Indien blijkt dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, dient bepaald te worden of er sprake is van een spoedeisend geval. Op basis hiervan kan worden bepaald of eventuele saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn. Nader asbestonderzoek is niet noodzakelijk, aangezien het gewogen gehalte aan asbest kleiner is dan de helft van de interventiewaarde (100 mg/kg). Het is hierdoor statistisch aannemelijk dat de interventiewaarde bij een nader onderzoekstraject niet wordt overschreden.
Pagina 20
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Conclusie Het aspect bodem vormt met inachtneming van eventueel vervolgonderzoek en sanering geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.10
Water Europese Kaderrichtlijn Water (2000) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat ervan uit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater weer. Dat moet ertoe leiden dat aquatische ecosystemen en gebieden, die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies verbeteren; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Nationaal Waterprogramma (2022-2027) Op 18 maart 2022 hebben de Minister van Infrastructuur en Milieu en de Staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterprogramma 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022 – 2027 geeft de hoofdlijnen, principes en inrichting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022 – 2027. Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn omvangrijk en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld.
Dit NWP beschrijf de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebied beheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor drie hoofdambities van dit NWP: · · ·
een veilige en klimaatbestendige delta een concurrerende, duurzame en circulaire delta een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur
Regionaal waterprogramma 2023 – 2027 We werken aan een gaaf Gelderland waar inwoners prettig en veilig kunnen wonen, werken en ontspannen. En waar we de natuur en omgeving beschermen en ontwikkelen. Water speelt hierin een grote rol. Water om te drinken, over te varen, in te zwemmen. Water voor landbouw, natuur en landschap. Water dat ook een risico is en kan zorgen voor overstromingen. Door klimaatverandering neemt de kans op droogte toe en daarmee de vraag naar water. Ook de kans op hevige neerslag stijgt en dit water moet zonder overlast weg kunnen. We willen al deze belangen afwegen en zorgen voor een provincie, waar nu en in de toekomst voldoende en schoon water is en waar het veilig is tegen overstromingen. Daarom bereiden we ons samen met onze partners voor op het watersysteem van de toekomst. Een watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland en dat zelf ook van waarde is: schoon, bestand tegen het veranderende klimaat en met genoeg soorten planten en dieren. Pagina 21
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Water staat niet op zich. Het is onderdeel van onze fysieke leefomgeving. Hoe we water gebruiken en beheren, heeft gevolgen voor onder meer natuur, landschap, bodem en landbouw. Hier maken we dan ook continu afwegingen in. Rijk en waterschappen beheren het water actief. Provincies en gemeenten geven kaders in het ruimtelijk domein. Daarom kijken we steeds met wie we samenwerken en welke rol we dan hebben om het watersysteem van de toekomst mogelijk te maken. Met dit waterprogramma voeren we natuurlijk een wettelijke taak uit. Maar het helpt ons vooral om inzicht te geven in hoe we samen met onze partners werken aan het watersysteem van de toekomst. Dit programma beschrijft hoe wij als provincie de komende periode aan de slag willen op het gebied van water. De waterschappen worden geacht daar rekening mee te houden in hun Waterbeheerprogramma. Daarnaast heeft het programma gevolgen voor het toetsingskader voor milieubelastende activiteiten (die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen) en wateractiviteiten, als bedoeld in de Omgevingswet. Daar waar nodig zetten we aanvullende instrumenten in om onze doelen te bereiken. Dit kan de provinciale Omgevingsverordening zijn, maar ook samenwerkingsovereenkomsten enzovoort.
In dit Regionaal waterprogramma beschrijven we de uitdagingen waarvoor we staan, waar we naartoe willen werken en wat we concreet de komende tijd op het gebied van water gaan bijdragen aan de ambities uit onze Omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Ambities Omgevingsvisie Gaaf Gelderland: 1. Vestigingsklimaat: voldoende water van voldoende kwaliteit is belangrijk als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie. Daarom inzet op onder andere efficient en effectief grondwatergebruik via grondwaterbeheer, voorraadbeheer en besparen. De landbouw is een belangrijke partner voor het behalen van de doelen voor waterkwaliteit en kwantiteit en heeft daarmee zelf een belangrijke rol om water als grondstof beschikbaar te houden. 2. Wonen: water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit (visueel aantrekkelijk landschap, verkoeling in de steden, ‘hoogwaterbestendige’ woningen). 3. Bereikbaarheid: we streven naar een goede ontsluiting over water. Dit betekent goede bevaarbaarheid voor beroepsvaart, ook in tijden van laag water 4. Biodiversiteit: voldoende water van voldoende kwaliteit voor (beschermde) planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer van water, oevers, onderhoudspaden, keringen en groene bergingen, doorgaan met verdrogingsbestrijding. 5.
Klimaatadaptatie: het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge perioden, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen van wateroverlast en bescherming tegen overstromingen. 6. Energietransitie: het bodem- en watersysteem biedt onder andere mogelijkheden voor zonnevelden op water, waterkracht, bodemenergie, aardwarmte en aquathermie. Als we zuiniger gebruik maken van water als grondstof, verbruiken we minder energie voor koelen, verwarmen etc. 7. Circulaire Economie: water als (herbruikbare) grondstof. Water is een belangrijke grondstof, als we ervoor zorgen dat deze schoon blijft, kunnen we deze goed hergebruiken We werken aan deze ambities door maatregelen te nemen. Deze voldoen aan de eisen van de Europese richtlijnen.
Pagina 22
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Voor ons waterbeleid zijn er drie uitgangspunten: ·
Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- en watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaat-bestendigheid. We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken.
·
Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of compenseren.
·
Diverse grote maatschappelijke opgaven, waaraan we met onze partners werken, vragen om een gebiedsgerichte aanpak. Denk aan het verminderen van stikstof en uitstoot van CO2, de aanpak van PFAS, medicijnresten en nieuwe stoffen, aanpassing aan het veranderende klimaat, vergroten van de biodiversiteit, de stijgende vraag naar grond- en drinkwater, en ruimte voor nieuwe woningen of natuur. Deze opgaven komen samen in gebieden. Daarom is een aanpak per gebied het meest effectief. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking.
In relatie tot Europese doelen is het waterprogramma bindend voor de waterschappen. Het werkt door als toetsingskader voor milieubelastende activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen en wateractiviteiten, als bedoeld in de Omgevingswet. Dit waterprogramma houdt uiteraard rekening met de inhoudelijke thema’s van het Nationaal waterprogramma (NWP) van het Rijk. Ook hebben we samen met regionale partners meegedacht toen dit NWP werd opgesteld. Gemeentelijk rioleringsplan Beleidskaders Riolering is primair aangelegd voor de volksgezondheid. Historisch kreeg riolering ook een taak op de afvoer van hemelwater. Dit bleek nadelige gevolgen te hebben voor de waterkwaliteit. Waterkwaliteitsaspecten werden daarom toegevoegd aan het rioleringsbeleid. Overlast situaties zorgden er voor dat riolering en waterhuishouding leidende principes werden voor de bovengrondse inrichting. De wet Gemeentelijke watertaken formaliseerde deze ontwikkelingen en voegde daarbij een grondwaterzorg-aspect toe. Het GRP is een noodzakelijk instrument om de totale gemeentelijke waterzorg te waarborgen. In oktober 2004 koos de gemeenteraad voor een dynamisch GRP. Het dynamische aspect geeft ruimte aan wijziging in planning van vervangingen en projecten. Dit GRP is een beleidsplan, waarin tevens de financiële kaders staan. De gemeenteraad stelt het GRP vast.
Binnen de gestelde kaders geeft het college van burgemeester en wethouders vorm aan het beheer. In het beheer komt het dynamische aspect het sterkst terug. Allerlei projecten zijn globaal gepland. Afhankelijk van personele mogelijkheden en afstemming met overige disciplines wordt geschoven. Daarnaast worden financiële ontwikkelingen continu verwerkt. De effecten worden jaarlijks in beeld gebracht. Hierdoor is de dekkingsgraad steeds inzichtelijk. De gemeente Buren wil een goed functionerend (afval)watersysteem, waarbij overlast binnen acceptabele grenzen blijft. Het beheer van de riolering gebeurt duurzaam en doelmatig. Er is inzicht in de toestand van de systeemonderdelen en het functioneren van het systeem. De gemeente Buren is een beheergemeente. De aandacht richt zich dus op doelmatig beheer. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen krijgt de inrichting aandacht. Het uitgangspunt blijft om zoveel mogelijk alléén vervuild water naar de waterzuivering af te voeren. Planinrichting wordt afgestemd op duurzaam beheer. Het inzicht in het functioneren van het stelsel is de basis voor beslissingen over verbeteringsmaatregelen of nieuwe uitbreidingen te beoordelen. Dit inzicht wordt gevormd door meetgegevens te koppelen aan modelberekeningen. Zowel meetgegevens verzamelen, als rekenmodellen beheren, is dus onontbeerlijk. Pagina 23
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Het telemetriesysteem levert grotendeels de praktijkgegevens van het functioneren van het stelsel. Verdere detaillering kan noodzakelijk blijken. Het beheren van rekenmodellen wordt opgestart. Dit vereist specialistische kennis. De basisgegevens voor het opstellen van rekenmodellen zijn grotendeels op orde. Waar nodig vinden aanvullingen plaats. Om de verschillende aspecten binnen de breedte van de rioleringszorg aandacht te kunnen geven, heeft de gemeente een open houding voor samenwerking met andere gemeenten en/of de waterkwaliteitsbeheerder. Watertoets In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is het watertoetsproces doorlopen. Met het uitvoeren van de digitale watertoets wordt getoetst of de belangen van het Waterschap Rivierenland geraakt worden en wat het vervolgproces is. De digitale watertoets (bijlage 6) heeft volgende geconcludeerd: “Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap.
In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met dit automatisch gegenereerd wateradvies.” Doordat het vierkante meters verhard oppervlak niet toeneemt is, geldt er geen compensatieplicht. Conclusie Met het beoogde plan wordt er voldaan aan de vereisten van Waterschap Rivierenland en de gemeente. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.11
Milieueffectenrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Er is sprake van een plan merplicht, project mer-plicht of mer-beoordelingsplicht, wanneer het te realiseren project wordt genoemd in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarnaast dient ook bij activiteiten onder de drempelwaarden uit onderdeel D getoetst te worden of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Onderzoek De voorgenomen activiteiten binnen het plangebied vallen onder de volgende categorie van het Besluit m.e.r., zoals te zien is in tabel 9. Tabel 9: Categorie m.e.r. Categorie
Activiteiten
Drempelwaarde
D.11.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject
100 ha of meer 2.000 woningen
De genoemde drempelwaarde bij deze activiteit bedraagt een oppervlakte van 100 ha of meer en 2.000 woningen of meer. Het oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft met een oppervlakte van circa 770m³ gelijk. De toename in woningen van de voorgenomen activiteit blijft, met een aantal van negen, ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen.
Pagina 24
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01 concept
Echter, voor de activiteiten die aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, dient alsnog nagegaan te worden of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Behandeld dienen te worden de ‘kenmerken van het project’, ‘locatie van het project’ en ‘soort en kenmerken van het potentiële effect’. Uit de uiteenzetting van voorgaande milieuparagrafen blijkt dat beoogde ontwikkeling geen onderdelen bevat, die in hoge mate bijdragen aan de aspecten cumulatie met andere projecten, de locatie van het plan, verontreiniging- en hinder, risico’s van zware ongevallen en risico’s voor de menselijke gezondheid. Aspecten die voorgaand niet zijn behandeld, worden nader toegelicht. Kenmerken van het project Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van de realisatie zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. De productie van afvalstoffen Het ontstaan van afval tijdens de bouw is tevens vanzelfsprekend. Verontreiniging en hinder (geur, energie en verwerking van afvalstoffen) Er vinden bij de voorgenomen activiteit geen geur veroorzakende werkzaamheden plaats. Tijdens de bouw wordt vanzelfsprekend energie gebruikt, dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn.
De afvalstoffen worden zoveel mogelijk gescheiden ingezameld en afgevoerd. Afvoer geschiedt door een erkende inzamelaar. Locatie van het project Relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen wordt verstaan alle van nature aanwezige stoffen, die van economisch nut kunnen zijn (zoals zoet water, delfstoffen, bos als houtleverancier). Het groen op de locatie wordt zoveel mogelijk behouden. Soorten en kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect De mogelijke effecten betreffen de aspecten geluid en verkeer. Deze zijn lokaal van aard, er is geen sprake van getroffen bevolking. Grensoverschrijdend karakter van het effect Gezien de ligging van het plangebied en de effectafstanden, is geen sprake van een grensoverschrijdend karakter. Naar aanleiding van voorgaande milieuparagrafen en de uitgevoerde onderzoeken is de conclusie dat voor deze ruimtelijke procedure een mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure niet noodzakelijk is conform het Besluit m.e.r. Conclusie Het aspect milieueffectenrapportage vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling,
Pagina 25
SPA WNP ingenieurs
4
UITVOERBAARHEID
4.1
Economische uitvoerbaarheid
2300608.r01 concept
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente en de ontwikkelende partij sluiten een anterieure overeenkomst om afspraken, in geval van eventuele onkosten, vast te leggen. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd. 4.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning, op grond van artikel 2.1 lid 1, onder c, in samenhang met 2.12 lid 1 onder a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing.
5
CONCLUSIE Aan de Dorpsstraat 11 in Ingen is het voornemen woningbouw te realiseren. Het plan past niet binnen het bestemmingsplan. Vanwege het planologisch strijdig gebruik is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Uit de onderbouwing blijkt dat: · de ontwikkeling in lijn is met het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid; · de functie passend is in de omgeving; · op basis van toetsing aan de omgevingsaspecten het plan geen nadelige effecten heeft voor het milieu. Er zijn derhalve geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
SPA WNP ingenieurs
Pagina 26
BIJLAGEN
SPA WNP Ingenieurs
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing - akoestisch onderzoek
2300608 Bijlage 1.1
Rapport 2300608.r01 Transformatie Dorpsstraat 11 in Ingen Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Wegverkeerslawaai
www.SPAWNP.nl
SPA WNP Ingenieurs
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing - akoestisch onderzoek
2300608 Bijlage 1.2
BOUW - MILIEU - RUIMTE
Rapport 2300608.r01
: :
Behandeld door : Adviseur : Goedgekeurd :
30 november 2023 Moesbergen Bouw Adviesbureau BV uit Tiel
DENKKRACHT
Datum Opdrachtgever
IN
Transformatie Dorpsstraat 11 in Ingen Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Wegverkeerslawaai
De heer ing. J. Flokstra De heer ing. D.J. Hobert De heer ing. L.F.A. Theuws
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110
info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl ISO 9001:2015
| kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01
SPA WNP Ingenieurs
2300608 Bijlage 1.3
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing - akoestisch onderzoek
SPA WNP ingenieurs
INHOUD
2300608.r01
PAGINA
1
INLEIDING
4
2
WET GELUIDHINDER EN GEMEENTELIJK GELUIDBELEID 2.1 Wet geluidhinder 2.2 Gemeentelijk geluidbeleid
4 4 7
3
GEGEVENS MET BETREKKING TOT HET AKOESTISCH ONDERZOEK 3.1 Weg(verkeer)gegevens 3.2 Stedenbouwkundige gegevens
7 7 7
4
GEHANTEERDE ONDERZOEKSMETHODE
8
5
RESULTATEN EN BESPREKING 5.1 Gezoneerde wegen 5.2 Niet-gezoneerde wegen: 30 km/uur wegen 5.3 Cumulatie geluid en Bouwbesluit
8 8 8 10
6
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
11
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.
Pagina 2
SPA WNP Ingenieurs
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing - akoestisch onderzoek
SPA WNP ingenieurs
2300608 Bijlage 1.4
2300608.r01
FIGUREN 1
Situatie 1.1 Plangebied en de omgeving 1.2 Indeling nieuw woongebouw
2
Akoestisch rekenmodel 2.1 Rekenmodel: wegverkeer 2.2 Rekenmodel: rekenpunten
3
Geluidbelastingen per niet-gezoneerde weg
4
Gecumuleerde geluidbelastingen wegverkeer
BIJLAGEN 1
Overzicht verkeersgegevens
2
Invoergegevens akoestisch rekenmodel
3
Geluidbelastingen per niet-gezoneerde weg
4
Gecumuleerde geluidbelastingen wegverkeer
Pagina 3
SPA WNP Ingenieurs
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing - akoestisch onderzoek
SPA WNP ingenieurs
1
2300608 Bijlage 1.5
2300608.r01
INLEIDING Het voormalige dorpscafé aan de Dorpsstraat 11 in Ingen in gemeente Buren, wil men transformeren tot een nieuw woongebouw met 11 appartementen. Nabij het plangebied liggen enkele drukke wegen. Voor de ruimtelijke onderbouwing van de plannen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en is de situatie beoordeeld aan de hand van de Wet geluidhinder, de Wet ruimtelijke ordening en het gemeentelijke geluidbeleid. Doel van dit onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting binnen het plangebied voor zover deze wordt veroorzaakt door het relevante wegverkeer. In afbeelding 1 en in figuur 1.1 is de ligging van het plangebied en de omgeving weergegeven. Afbeelding 1: Plangebied en nieuwe situatie
N
2
WET GELUIDHINDER EN GEMEENTELIJK GELUIDBELEID
2.1
Wet geluidhinder Zones langs wegen Volgens de Wet geluidhinder bevindt zich aan weerszijden van elke weg een geluidzone, waarvan de breedte afhankelijk is van het aantal rijstroken van de weg en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). Binnen deze zone gelden de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Als het stedelijk gebied wordt gedefinieerd: het gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van hoofdstukken VI (zones langs wegen) en VII (zones langs spoorwegen) voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg.
Pagina 4
SPA WNP Ingenieurs
2300608 Bijlage 1.6
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing - akoestisch onderzoek
SPA WNP ingenieurs
2300608.r01
Het buitenstedelijk gebied wordt gedefinieerd als: het gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van hoofdstukken VI (zones langs wegen) en VII (zones langs spoorwegen) voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg. Voor de breedte van de geluidzones gelden de in tabel 1 gegeven waarden. Tabel 1: Overzicht zonebreedte Aard van het gebied
Aantal rijstroken
Zonebreedte aan weerszijden van de weg* [in m]
Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied
*
1 of 2
200
3 of meer
350
1 of 2
250
3 of 4
400
5 of meer
600
ook de ruimte boven en onder de weg behoort tot de zone langs de weg.
Er is geen sprake van een zone langs een weg indien: of
de weg ligt binnen een als woonerf aangeduid gebied voor de weg een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. Er is geen sprake van de aanwezigheid van een auto(snel)weg, zodat er in de zin van de Wet geluidhinder sprake is van een stedelijk gebied. Het plangebied ligt niet in de geluidzone van een gezoneerde weg. Voor de Dorpsstraat, de Rijnstraat en het Doctor A.R. Holplein geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen, is in het voorliggende onderzoek de geluidbelasting vanwege deze wegen toch berekend. Dit omdat: · de gemeente in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing de belangen van het realiseren van het bouwplan af moet wegen tegen de mogelijke hinder door de geluidbelasting; · bij het realiseren van de appartementen deze geluidbelasting meegenomen kan worden bij de beoordeling van de geluidwering in het kader van een goed woonklimaat. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidbelasting. Grenswaarden voor geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) voor geluidgevoelige bestemmingen (o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen etc.) binnen zones langs wegen is 48 dB.