Bijlage 1.2. BP RGLS reparatieplan Buren 27 juni 2023
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Regels
Reparatieplan 2023 Buren
Gemeente Buren
Datum: 27 juni 2023 Projectnummer: 220111 ID: NL.IMRO.0214.Reparatieplan2023-BON1
INHOUD REGELS
1
Inleidende regels
3
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
3 11
2
Bestemmingsregels
13
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20 Artikel 21 Artikel 22
Agrarisch Agrarisch - Niet-grondgebonden Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied Bedrijventerrein Centrum Groen Sport Verkeer Water Wonen Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 1 Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2 Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 3 Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 1 Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 2 Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3 Waarde - Beschermd stads en dorpsgezicht Waterstaat - Beheerszone Watergang Waterstaat - Beheerszone Waterkering Waterstaat - Waterkering
13 15 17 21 23 25 26 28 29 30 33 37 41 45 49 53 57 58 59 60
3
Algemene regels
61
Artikel 23 Artikel 24 Artikel 25 Artikel 26 Artikel 27
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels
61 61 62 62 65
4
Overgangs- en slotregels
67
Artikel 28 Artikel 29
Overgangsrecht Slotregel
67 68
Bijlage Bijlage 1: Staat van bedrijfsactiviteiten
De verbeelding Verbeelding met legenda
1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen In deze regels wordt verstaan onder:
1.1
Plan: het bestemmingsplan ‘Reparatieplan 2023 Buren’ met identificatienummer NL.IMRO.0214.Reparatieplan2023-BON1 van de gemeente Buren.
1.2
Aan huis verbonden bedrijf: een bedrijf, gericht op het verlenen van diensten en/of het uitoefenen van (ambachtelijke) bedrijvigheid, met ondergeschikte detailhandel ten dienste van het aan huis verbonden bedrijf, dat uitsluitend door de bewoner(s) van de woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.3
Aan huis verbonden beroep: een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, als ook ondergeschikte detailhandel ten dienste van het dienstverlenend beroep, dat uitsluitend door de bewoner(s) van de woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.4
Aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar volgens de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.5
Aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.6
Achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;
1.7
Agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
1.8
Ambachtelijk bedrijf: een bedrijf, gericht op het uitoefenen van een ambacht, zijnde het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen en het installeren van goederen.
3
1.9
Archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van het in dat gebied voorkomende bodemarchief.
1.10
Bebouwd oppervlak: de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen.
1.11
Bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.12
Bebouwingspercentage: het percentage van de oppervlakte van een bouwperceel, binnen de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, dat mag worden bebouwd.
1.13
Bed & breakfast: een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor logies bedoeld voor kortstondig, wisselend recreatief of zakelijk verblijf.
1.14
Bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer en exploitatie van een recreatieterrein, dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.
1.15
Bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.
1.16
Bedrijfsvloeroppervlak (bvo): de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
1.17
Bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein.
1.18
Bestaand: a bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan legaal aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden volgens een omgevingsvergunning b bij gebruik: het legale gebruik van grond en bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel toegestaan volgens een omgevingsvergunning;
1.19
Bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak.
1.20
Bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen. 4
1.21
Bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.22
Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.
1.23
Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
1.24
Bijgebouw: een gebouw dat in bouwkundig en functioneel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, waarbij het bijgebouw vrijstaand dan wel aangebouwd aan het hoofdgebouw kan zijn uitgevoerd.
1.25
Bodemarchief: de in de bodem aanwezige overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden.
1.26
Bouwgrens: de grens van een bouwvlak.
1.27
Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien twee bouwpercelen met de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel.
1.28
Bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel.
1.29
Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar volgens de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.30
Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die direct of indirect met de grond verbonden is, of die direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.31
Bouwwerk, geen gebouw zijnde: een bouwwerk, dat niet is aan te merken als gebouw.
1.32
Cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk, een werk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk, dat werk of dat gebied heeft gemaakt.
5
1.33
Coffeeshop: een gelegenheid waar handel in, verkoop en gebruik van softdrugs plaatsvindt.
1.34
Containerteelt: het kweken van planten en bomen in potten.
1.35
Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Een internetwinkel of webwinkel wordt alleen als detailhandel aangemerkt als de mogelijkheid bestaat ter plaatse producten te bekijken en/of af te halen.
1.36
Dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden.
1.37
Erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbiedt.
1.38
Escortbedrijf: een bedrijf uitgeoefend door een natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend.
1.39
Extensief dagrecreatief medegebruik: een aan de bestemming ondergeschikt gebruik voor dagrecreatie gericht op het rustig beleven en gebruikmaken van aanwezige specifieke omgevingskwaliteiten in de vorm van wandelen, fietsen, varen, vissen e.d.
1.40
Gebouw: bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.41
Grondgebonden agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt en waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruit- en boomteelt en rundvee-, paarden-, schapen- of geitenhouderij voor zover bij deze veebedrijven het benodigde ruwvoer (gras, snijmaïs, ed) geheel of vrijwel geheel afkomstig is van structureel bij het bedrijf behorende gronden.
6
1.42
Grondgebonden agrarische productie: de agrarische productie, waarbij het voortbrengen van producten afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop de productie plaatsvindt en waarbij het voortbrengen van producten in hoofdzaak plaatsvindt in de volle grond en de openlucht.
1.43
Hoofdgebouw: een gebouw, of gedeelte daarvan, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw is aan te merken.
1.44
Hoofdverblijf: de verblijfplaats die feitelijk het centrum vormt van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene. Van een hoofdverblijf is in ieder geval sprake indien een persoon gedurende een aaneengesloten periode van een half jaar tenminste 2/3 van die tijd daar verblijft.
1.45
Huishouden: elke bewoning van één of meer personen waarbij, voor zover het gaat om meer personen, de intentie bestaat de samenstelling continu te laten zijn en er sprake is van onderlinge verbondenheid.
1.46
Huisvesting in verband met mantelzorg: huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning;
1.47
Kampeermiddel: niet als een bouwwerk aan te merken tent, vouwwagen, kampeerauto, caravan of hiermee gelijk te stellen onderkomen, dat bestemd is voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.
1.48
Kantoor: een ruimte of bij elkaar horende ruimten die bestemd is/zijn om voornamelijk te worden gebruikt voor administratieve werkzaamheden of dienstverlening.
1.49
Kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, vissen, kanoën en natuurobservatie.
1.50
Kunststoftunnel: een bouwwerk, bestaande uit onder meer een steunconstructie en een afdichting van kunststoffolie, bedoeld om gewassen te beschermen tegen weersinvloeden.
1.51
Landschappelijke inpassing: het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden om zo te komen tot ruimtelijk beeld dat recht doet aan de kwaliteit en de beleving van het landschap.
7
1.52
Mantelzorg: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.
1.53
Materieel: aI wat nodig is voor de uitvoering van een werk of bedrijf zoals gereedschappen, werktuigen en machines, geen bouwwerk zijnde en dat ten behoeve van dat werk of bedrijf naar behoefte verplaatst kan worden.
1.54
Milieucategorie: een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de bijlagen bij deze regels opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten.
1.55
Monument: een bouwwerk of een werk dat van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn betekenis voor de wetenschap of zijn cultuurhistorische waarde en dat als zodanig is opgenomen in de lijst van beschermde monumenten van rijk of gemeente, waardoor op het desbetreffende bouwwerk of werk de Erfgoedwet, respectievelijk de gemeentelijke erfgoedverordening van toepassing is.
1.56
Niet-grondgebonden agrarische productie: de agrarische productie, waarbij het voortbrengen van producten niet afhankelijk is van de bodem waarop de productie plaatsvindt, dan wel waarbij het voortbrengen van producten in hoofdzaak plaatsvindt in gebouwen.
1.57
Nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.58
Omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.59
Peil: voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: − de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; voor een woonschip: − de waterspiegel; in andere gevallen: − de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld.
1.60
Perceel: een aaneengesloten stuk grond met een bepaald doel of eigendom.
8
1.61
Perceelsgrens: de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door éénzelfde gebruiker worden benut.
1.62
Permanente bewoning het gebruiken van een onderkomen als hoofdverblijf.
1.63
Productiegebonden detailhandel: detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.
1.64
Seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden en waaronder in elk geval wordt verstaan een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.65
Streekproducten: producten die zijn voortgebracht op agrarische bedrijven gelegen in de gemeente Buren of in direct aangrenzende gemeenten.
1.66
Teeltondersteunende voorziening: voorziening in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten wordt gebruikt om weersinvloeden te matigen, arbeidsomstandigheden te verbeteren of de kwaliteit van de producten te verbeteren.
1.67
Vloeroppervlak(te): de totale oppervlakte van de ruimten in een gebouw, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt gebruikt.
1.68
Voorgevel: de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.
1.69
Voorgevellijn: de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen en het verlengde daarvan.
1.70
Waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie, en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, et cetera;
1.71
Webwinkel: het hobbymatig of bedrijfsmatig verkopen van goederen of aanbieden van diensten via internet, waarbij deze elders worden bezorgd of geleverd.
9
1.72
Woning: een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
10
Artikel 2
Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten.
2.1
Afstand: de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot (bouw)perceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.
2.2
Bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.3
Breedte, lengte, diepte van een bouwwerk: afstand tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of het de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.
2.4
Dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
2.5
Goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.6
Inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.7
Oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.8
Oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
2.9
Peil: voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: − de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; voor een woonschip: − de waterspiegel; in andere gevallen: − de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld.
2.10
Vloeroppervlakte: de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.
11
2.11
Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
12
2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Agrarisch Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a grondgebonden agrarische productie; b het weiden van dieren; c productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten; d extensief dagrecreatief medegebruik; Met de daarbij behorende: e wegen en paden; f parkeervoorzieningen; g watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen; h (erf)beplanting; i nutsvoorzieningen.
3.2 3.2.1
Bouwregels Bedrijfsgebouwen Bedrijfsgebouwen zijn niet toegestaan.
3.2.2
Bedrijfswoningen Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.
3.2.3
Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 meter, waarbij: − de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 1 meter mag bedragen; − de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen niet meer dan 6 meter mag bedragen; − de oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde niet meer dan 10 m2 per bouwwerk mag bedragen, met uitzondering van teeltondersteunende voorzieningen.
3.3 3.3.1
Specifieke gebruiksregels Productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten De oppervlakte die wordt gebruikt voor productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten mag niet meer bedragen dan 50 m2.
3.3.2
Strijdig gebruik Als gebruik in strijd met de bestemming ‘Agrarisch’ wordt in ieder geval begrepen: a een gebruik als volkstuin; b een gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie; c de opslag van mest en kuilvoer buiten een bouwvlak; d de opslag van goederen en materieel in de openlucht buiten een bouwvlak; e be- en verwerking van agrarische producten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 250 m2; 13
f
een gebruik voor detailhandel in streekproducten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 50 m2 per agrarisch bedrijf; g de plaatsing van kampeermiddelen. 3.4 3.4.1
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen; b het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, voor zover het een werk met een grotere oppervlakte dan 100 m² betreft; c het dempen, graven, verbreden, verdiepen van waterpartijen, sloten en watergangen; d het vellen of rooien van houtgewas, met uitzondering van het vellen of rooien van fruitbomen; e het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voor zover het niet betreft wegen en paden ten behoeve van het normale agrarische gebruik.
3.4.2
Uitzonderingen Het verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden die: a binnen een bouwvlak plaatsvinden; b het normale onderhoud betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming.
3.4.3
Vergunningverlening Een omgevingsvergunning wordt pas verleend als door de beoogde werken of werkzaamheden de landschappelijke waarden en de natuurwaarden of de mogelijkheden tot herstel of ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.
14
Artikel 4
Agrarisch - Niet-grondgebonden
4.1 4.1.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch - Niet-grondgebonden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a niet-grondgebonden agrarische productie, in de vorm van intensieve veehouderij, ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’; b grondgebonden agrarische productie; c bijbehorende voorzieningen en opslag; d bijbehorende productiegebonden detailhandel; e bijbehorende bewoning; f landschappelijke beplanting.
4.2 4.2.1
Bouwregels Op de gronden met de bestemming ‘Agrarisch - Niet-grondgebonden’ mogen uitsluitend worden gebouwd: a bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming; b het bestaande aantal woningen, met dien verstande dat, indien geen woning aanwezig is, maximaal één bedrijfswoning per volwaardig agrarisch bedrijf is toegestaan; c bijgebouwen ten behoeve van de woning; d bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.
4.2.2
Bij de bouw van de in artikel 4.2.1 bedoelde bouwwerken, voor zover het betreft gebouwen, mag de afstand tot de perceelsgrens niet minder bedragen dan 5 m.
4.2.3
Bij de bouw van de in artikel 4.2.1 onder a bedoelde bedrijfsgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden: a de hoogte mag niet meer bedragen dan 12 m; b de goothoogte mag niet meer bedragen dan 7 m.
4.2.4
Bij de bouw van de in artikel 4.2.1 onder b bedoelde bedrijfswoningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden: a indien nog geen woning aanwezig is of indien sprake is van de vervanging van een bestaande woning, mag de woning uitsluitend in- of aanpandig met, dan wel op ten hoogste 5 m van een bedrijfsgebouw worden gebouwd; b de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3; c de hoogte mag niet meer bedragen dan 12 m; d de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m; met dien verstande dat, indien de bestaande inhoud, hoogte of goothoogte groter respectievelijk hoger is, deze grotere of hogere maat maatgevend is.
4.2.5
Bij de bouw van de in artikel 4.2.1 onder c bedoelde bijgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden: a per woning mogen niet meer dan 2 vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd en mag het totale oppervlak van de bijgebouwen niet meer bedragen dan 75 m2; b de hoogte mag niet meer bedragen dan 7 m; c de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
15
4.2.6
Bij de bouw van de in artikel 4.2.1 onder d bedoelde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen: a de hoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m; b de hoogte van mest- en voedersilo's en bio-installaties mag niet meer bedragen dan 9 m; c de wandhoogte van mestbassins mag niet meer bedragen dan 4 m; d de hoogte van vrijstaande antennemasten mag niet meer bedragen dan 15 m; e de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 9 m.
4.3
Afwijken van de bouwregels Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 onder b voor de bouw van een tweede bedrijfswoning, indien en voor zover: a niet reeds twee woningen aanwezig zijn; b de tweede bedrijfswoning aan een bestaande woning dan wel in- of aanpandig met, dan wel op ten hoogste 5 m van een bedrijfsgebouw wordt gebouwd; c vooraf op basis van een advies van een onafhankelijk landbouwkundig deskundige is gebleken dat de bouw van de woning noodzakelijk is voor de aard, de omvang en/of de continuïteit van de bedrijfsvoering; d de functies en waarden die in het plan aan de desbetreffende en aan de omliggende gronden zijn toegekend, niet blijvend onevenredig worden geschaad.
4.4
Specifieke gebruiksregels Als gebruik in strijd met de bestemming ‘Agrarisch - Niet-grondgebonden’ wordt in ieder geval begrepen: a een gebruik voor productiegebonden detailhandel, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 50 m2; b de opslag van goederen en materieel in de openlucht, voor zover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 4 m.
16
Artikel 5 5.1
Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a grondgebonden agrarische productie; b het weiden van dieren; c grondgebonden agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’; d ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument' behoud en bescherming van het monument; e be- en verwerken van agrarische producten; f productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten; g bedrijfswoningen; h instandhouding, herstel en ontwikkeling van landschappelijke- en natuurwaarden; i extensief dagrecreatief medegebruik; Met de daarbij behorende: j wegen en paden; k parkeervoorzieningen; l watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen; m (erf)beplanting; n tuinen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; o nutsvoorzieningen.
5.2 5.2.1
Bouwregels Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd; b de goothoogte mag niet meer bedragen dan 7 meter; c de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 meter;
5.2.2
Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a bedrijfswoningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd; b voor wat betreft het aantal bedrijfswoningen moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 5.3.1; c de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3; d de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter; e de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 meter.
5.2.3
Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a bijbehorende bouwwerken worden achter de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd; b de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 150 m2;
17
c de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; d de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 meter. 5.2.4
Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a buiten de aanduiding ‘bouwvlak’ mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 2,5 meter, waarbij: 1 de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 1 meter mag bedragen; 2 de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen niet meer dan 6 meter mag bedragen; 3 de oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde niet meer dan 10 m2 per bouwwerk mag bedragen, met uitzondering van teeltondersteunende voorzieningen; b ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mag de bouwhoogte niet meer dan 9 meter bedragen, waarbij de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter mag bedragen;
5.3 5.3.1
Specifieke gebruiksregels Bedrijfswoning Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan, waarbij de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of bedrijf is toegestaan.
5.3.2
Be- en verwerken van agrarische producten De oppervlakte die wordt gebruikt voor het be- en verwerken van agrarische producten mag niet meer dan 200 m2 bedragen.
5.3.3
Productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten De oppervlakte die wordt gebruikt voor productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten mag niet meer bedragen dan 50 m2.
5.3.4
Strijdig gebruik Als gebruik in strijd met de bestemming ‘Agrarisch - Oeverwalgebied’ wordt in ieder geval begrepen: a een gebruik als volkstuin; b een gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie; c de opslag van mest en kuilvoer buiten een bouwvlak; d de opslag van goederen en materieel in de openlucht buiten een bouwvlak; e een gebruik voor de verwerking van agrarische producten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 200 m2; f een gebruik voor productiegebonden detailhandel een detailhandel in streekproducten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 50 m2 per agrarisch bedrijf; g het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen voor bewoning, met uitzondering van (bedrijfs)woningen en huisvesting voor mantelzorg; h de bewoning van een bedrijfswoning uitsluitend door personen die niet werkzaam zijn op het bedrijf, waartoe de bedrijfswoning behoort; i de plaatsing van kampeermiddelen.
18
5.4
Afwijken van de gebruiksregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 5.3.4 onder g voor tijdelijke huisvesting van arbeidskrachten, als: a het bedrijf kan aantonen dat het aantal te realiseren logieseenheden is afgestemd op de eigen behoefte aan tijdelijke arbeidskrachten; b de huisvesting uitsluitend binnen een bouwvlak wordt gerealiseerd; c het geen huisvesting in stacaravans of andere kampeermiddelen betreft; d uitsluitend werknemers worden gehuisvest die bij het betreffende agrarisch bedrijf werkzaam zijn; e de huisvesting uitsluitend is voor werknemers die tijdelijk, dat wil zeggen maximaal negen maanden per jaar, bij het bedrijf werkzaam zijn; f er geen sprake is van zelfstandige wooneenheden; g er geen sprake is van permanente bewoning; h het vloeroppervlak per arbeidskracht minimaal 12,5 m2 bedraagt; i de logieseenheden voldoen aan het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening; j de huisvesting voldoet aan de eisen gesteld door de Stichting Normering Flexwonen (SNF) of het Agrarisch Keurmerk Flexwonen (AKF) of diens rechtsopvolger(s), aan te tonen door een certificaat; k een nachtregister wordt bijgehouden waaruit blijkt welke werknemers op het bedrijfsperceel gehuisvest zijn; l voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak; m het gebruik niet leidt tot belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende
(agrarische) bedrijven; n het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast; o de in de omgeving aanwezige functies en waarden niet onevenredig worden aangetast.
5.5
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen; b het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, voor zover het een werk met een grotere oppervlakte dan 100 m² betreft; c het dempen, graven, verbreden, verdiepen van waterpartijen, sloten en watergangen. d het vellen of rooien van houtgewas, met uitzondering van het vellen of rooien van fruitbomen; e het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voor zover het niet betreft wegen en paden ten behoeve van het normale agrarische gebruik.
5.5.1
5.5.2
Uitzonderingen Het verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden die: a binnen een bouwvlak plaatsvinden; b het normale onderhoud betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming.
19
5.5.3
Vergunningverlening Een omgevingsvergunning wordt pas verleend als door de beoogde werken of werkzaamheden de landschappelijke waarden en de natuurwaarden of de mogelijkheden tot herstel of ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.
20
Artikel 6 6.1
Bedrijventerrein Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten of daarmee vergelijkbare bedrijven; Met de daarbij behorende: b bestaande bedrijfswoningen; c groenvoorzieningen en (erf)beplanting; d nutsvoorzieningen; e parkeervoorzieningen; f tuinen en erven; g watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen; h wegen en paden.
6.2 6.2.1
Bouwregels Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd; b de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter; c de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 meter;
6.2.2
Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a bedrijfswoningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ worden gebouwd; b de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3; c de goothoogte mag niet meer bedragen dan 8 meter; d de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 meter; e indien de bedrijfswoning een geheel vormt met de bedrijfsbebouwing gelden de regels voor de goot- en bouwhoogte van de bedrijfsgebouwen.
6.2.3
Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a bijbehorende bouwwerken worden achter de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd; b de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 75 m 2; c de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; d de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter.
6.2.4
Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 1 m, met uitzondering van toegangspoorten, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m;
21
b de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 2 m; c de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 10 meter; d de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 6.3
Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik strijdig met de bestemming ‘Bedrijventerrein’ wordt in ieder geval begrepen: a een gebruik van de gronden, gelegen vóór de naar de weg gekeerde bouwgrens en het verlengde daarvan, voor opslag van materialen en goederen in de open lucht; b een gebruik van de overige gronden voor opslag van materialen en goederen in de open lucht, voor zover de hoogte daarvan meer bedraagt dan 4 m; c een risicovolle bedrijfsactiviteit zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zoals dit geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan; d een gebruik voor geluidszoneringsplichtige inrichtingen; e de opslag van consumentenvuurwerk; f een gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel.
6.4
Afwijken van de gebruiksregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 6.1 voor bedrijfs- of productiegebonden detailhandel, waarbij: a maximaal 30% van het bedrijfsvloeroppervlak met een maximum van 150 m 2 per bedrijf gebruikt mag worden voor detailhandel; b er op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid is.
22
Artikel 7 7.1
Centrum Bestemmingsomschrijving De voor ‘Centrum‘ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a detailhandel; b dienstverlening; c bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten of daarmee vergelijkbare bedrijven; d wonen in woningen; e aan huis verbonden beroep en bedrijf; Met de daarbij behorende: f groenvoorzieningen en (erf)beplanting; g nutsvoorzieningen; h parkeervoorzieningen; i tuinen en erven; j watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen; k wegen en paden.
7.2 7.2.1
Bouwregels Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen zijn niet toegestaan.
7.2.2
Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 150 m2; b het bebouwingspercentage van de gronden mag niet meer dan 50% mag bedragen; c bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw gebouwd, tenzij: 1 een bestaande ruimte in het hoofdgebouw wordt vergroot; 2 de breedte niet meer bedraagt dan 75% van de breedte van de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw; 3 de diepte niet meer bedraagt dan 1,5 meter vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw; 4 de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter; d de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m; e de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
7.2.3
Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 1 m, met uitzondering van toegangspoorten, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m; b de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 2 m;
23
c de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 10 meter; d de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
24
Artikel 8 8.1
Groen Bestemmingsomschrijving De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a groenvoorzieningen; Met daarbij behorende: b in- en uitritten; c nutsvoorzieningen; d speelvoorzieningen; e voet- en fietspaden; f watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.2 8.2.1
Bouwregels Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter; b de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 4 meter.
8.3 8.3.1
Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning parkeervoorzieningen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 8.1 voor de aanleg en het gebruik van de gronden voor parkeervoorzieningen als: a de parkeervoorzieningen uitsluitend bedoeld zijn om de parkeerdruk ter plaatse te ondervangen; b geen onevenredige belemmering voor de verkeersstromen ter plaatse ontstaat; c geen onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu ter plaatse ontstaat; d het parkeren niet doeltreffend op eigen terrein van woningen, of andere functies waar het parkeren bij behoord, gerealiseerd kan worden; e er geen onevenredige aantasting van een structurele groenvoorziening ontstaat; f voor zover het verhard oppervlak toeneemt, aangegeven wordt op welke wijze wordt voorzien in compenserende maatregelen voor hemelwaterinfiltratie/-berging.
25
Artikel 9
Sport
9.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a sport- en speelvelden; b bijbehorende voorzieningen; c groenvoorzieningen; d voorzieningen voor de waterhuishouding, waterberging, waterzuivering en hemelwaterinfiltratie; e ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' behoud en bescherming van het monument; f ondergeschikte horeca ter plaatse van de aanduiding 'horeca'; g ondergeschikte horecavoorzieningen ten dienste van deze functie.
9.2 9.2.1
Bouwregels Toegestane bebouwing Op gronden met de bestemming ‘Sport’ mogen uitsluitend worden gebouwd: a kantines, kleedruimtes en ruimten voor beheer, bergingen en sanitaire voorzieningen; b tribunes; c bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging, waterzuivering en infiltratie van hemelwater; d overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals afrasteringen en (keer)- muren, toestellen voor sport en spel, zitbanken, reclameborden, scoreborden, lichtmasten, verkeers- en verwijsborden, dug-outs en ballenvangers.
9.2.2
Gebouwen Voor het bouwen van de in artikel 9.2.1 onder a genoemde gebouwen geldt dat de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte.
9.2.3
Tribunes Voor het bouwen van de in artikel 9.2.1 onder b genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m.
9.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, t.b.v. de waterhuishouding Voor het bouwen van de in artikel 9.2.1 onder c genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1 m.
9.2.5
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van de in artikel 9.2.1 onder d genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 15 m en de bouwhoogte van ballenvangers niet meer mag bedragen dan 8 m.
26
9.3 9.3.1
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Vergunningplicht Het is verboden bebouwing met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.
9.3.2
Uitzonderingen Het in artikel 9.3.1 vervatte verbod geldt niet voor werkzaamheden die: a het normale onderhoud betreffen; b reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
9.3.3
Criteria De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de monumentale hoofdvorm van de bebouwing; b de monumentale hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld; c de monumentale hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is; d het delen van een hoofdgebouw betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
9.3.4
Voorwaarde Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 9.3.1 kan alleen worden verleend indien, gehoord de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is gebleken dat hierdoor monumentale en cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende bouwwerken niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld dan wel worden teruggebracht.
27
Artikel 10
Verkeer
10.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a voorzieningen voor wegen, voet- en fietspaden, met bermen; b parkeervoorzieningen; c groenvoorzieningen; d afwateringsdoeleinden; e buis- en kabelverbindingen voor riolering, nutsbedrijven en overeenkomstige doeleinden; f nutsvoorzieningen; g speelvoorzieningen; h ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ is uitsluitend een parkeerterrein toegestaan.
10.2 10.2.1
Bouwregels Toegestane bebouwing Op gronden met de bestemming ‘Verkeer’ mogen uitsluitend worden gebouwd: a terreinafscheidingen en (keer)muren; b bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, zoals lichtmasten en verkeers- en verwijsborden; c weg- en waterbouwkundige kunstwerken, zoals bruggen en duikers; d bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals transformatoren, gasvoorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen.
10.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a de bouwhoogte van de in artikel 10.2.1 sub a genoemde terreinafscheidingen en (keer)muren niet meer mag bedragen dan 1 m; b de bouwhoogte van de in artikel 10.2.1 sub b genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer niet meer mag bedragen dan 10 m; c de bouwhoogte van de in artikel 10.2.1 sub d genoemde bouwwerken mag niet meer bedragen dan 1 m en de oppervlakte daarvan mag niet meer bedragen dan 2 m2.
28
Artikel 11
Water
11.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a waterpartijen, watergangen; b waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen; c vaarwegen; d bruggen; e aanlegsteigers; f waterberging; g oevers en oeverbeschoeiing; h extensief dagrecreatief medegebruik; i instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke en de natuurwaarden die eigen zijn aan waterpartijen, watergangen en bijbehorende oeverzones;
11.2 11.2.1
Bouwregels Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 meter.
29
Artikel 12 12.1
Wonen Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wonen in woningen; b aan huis verbonden beroep en bedrijf; c ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' behoud en bescherming van het monument; d ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument' behoud en bescherming van het monument; e ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' de bescherming en instandhouding van cultuurhistorische waarden; Met de daarbij behorende: f groen- en speelvoorzieningen; g nutsvoorzieningen; h parkeervoorzieningen; i tuinen, erven en paden; j watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
12.2 12.2.1
Bouwregels Woningen Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a woningen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de goothoogte niet meer bedragen dan is aangeven; c ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangeven; d ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ mag het aantal woningen niet meer bedragen dan is aangegeven.
12.2.2
Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan: Totale grootte bouwperceel Maximum oppervlak aan bijbehorende bouwwerken tot 500 m2 75 m2 vanaf 500 m2 tot 1500 m2
100 m2
vanaf 1500 m2
150 m2 b het bebouwingspercentage van de gronden gelegen buiten de aanduiding 'bouwvlak' mag niet meer dan 50% bedragen; c bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw gebouwd, tenzij: 1 een bestaande ruimte in het hoofdgebouw wordt vergroot, waarvan: − de breedte niet meer bedraagt dan 75% van de breedte van de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw; − de diepte niet meer bedraagt dan 2 meter vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw;
30
− de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter; d de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m; e de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. 12.2.3
Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 1 m, met uitzondering van toegangspoorten, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m; b de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 2 m; c de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 10 meter; d de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
12.3 12.3.1
Specifieke gebruiksregels Aantal woningen Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ zijn woningen toegestaan en mag het aantal niet meer bedragen dan is aangegeven.
12.3.2
Strijdig gebruik Tot een gebruik strijdig met de bestemming ‘Wonen’ wordt in ieder geval gerekend: a het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning, met uitzondering van een gebruik voor mantelzorg; b een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel bij een aan huis verbonden beroep en/of bedrijf.
12.4 12.4.1
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Vergunningplicht Het is verboden bebouwing met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' of 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.
12.4.2
Uitzonderingen Het in artikel 12.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werkzaamheden die: a het normale onderhoud betreffen; b reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
12.4.3
Criteria De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de monumentale of karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing; b de monumentale of karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld; c de monumentale of karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
31
d het delen van een hoofdgebouw betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt. 12.4.4
Voorwaarde Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 12.4.1, kan alleen worden verleend indien, gehoord de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is gebleken dat hierdoor monumentale en cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende bouwwerken niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld dan wel worden teruggebracht.
32
Artikel 13
Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 1
13.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de op en/of in deze gronden voorkomende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden.
13.2 13.2.1
Omgevingsvergunning voor bouwen Bouwwerken Op de in artikel 13.1 bedoelde gronden mogen zonder omgevingsvergunning geen bouwwerken worden opgericht, tenzij: a het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld en waarbij tevens het nieuw te bouwen oppervlak niet groter is dan 50 vierkante meter; c op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn en dit tevens is vastgelegd in een door of namens bevoegd gezag opgesteld selectiebesluit; d deze voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
13.2.2
Aanvraagvereisten 1 Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in artikel 13.1 genoemde bestemming: a een of meerdere funderingstekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en b een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen heipalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden; en c een archeologisch onderzoeksrapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate zijn vastgesteld. 2 Een archeologisch onderzoeksrapport genoemd in artikel 13.2.2 lid 1 sub c hoeft niet te worden overlegd wanneer: a naar het oordeel van een archeologisch deskundige de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgesteld in een ander archeologisch onderzoeksrapport. b uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de bouwwerkzaamheden.
33
13.2.3
Beoordelingsregels 1 Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder artikel 13.1 genoemde bestemming wordt alleen verleend als: a uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 2 Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder artikel 13.1 genoemde bestemming ter plaatse van een rijksmonument wordt alleen verleend door de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
13.2.4
Vergunningvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
13.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Werken en werkzaamheden Binnen deze bestemming is voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders nodig: a het afgraven, saneren, ontgronden, onderzuigen, verlagen, afplaggen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b het aanleggen, verbreden en verwijderen van verhardingen; c het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; d het graven of vergraven, verruimen, verdiepen of dempen van watergangen en waterpartijen; e het frezen en scheuren van grasland; f het aanbrengen van diepwortelende beplantingen waaronder begrepen bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij en windsingel; g het rooien van diepwortelende beplantingen zoals vermeld onder f. waarbij de stobben worden verwijderd; h het aanleggen van drainage; i het aanleggen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. j het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of andere wijze indrijven van objecten in de bodem; k het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
13.3.1
34
l
het verwijderen van bestaande ondergrondse fundamenten en het verwijderen en/of uittrekken van heipalen; m het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek. 13.3.2
Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.3.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden indien deze: a worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 13.2.1 van toepassing is; b tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld gaan waarbij het tevens geen grotere oppervlakte dan 50 m² betreft; c reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; d worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; e worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik; f mogen worden uitgevoerd volgens een verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; g voor archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; h betrekking hebben op gronden waarvan op basis van een namens burgemeester en wethouders getoetst en geaccepteerd archeologisch onderzoeksrapport is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden.
13.3.3
Aanvraagvereisten 1 Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in artikel 13.1 genoemde bestemming: a een of meerdere funderingstekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en b een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen heipalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden; en c een archeologisch onderzoeksrapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate zijn vastgesteld. 2 Een archeologisch onderzoeksrapport genoemd in artikel 13.3.3 lid 1 sub c hoeft niet te worden overlegd wanneer: a naar het oordeel van een archeologisch deskundige de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgesteld in een ander archeologisch onderzoeksrapport. b uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de werkzaamheden.
35
13.3.4
Beoordelingsregels 1 Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in of op de onder artikel 13.1 genoemde bestemming wordt alleen verleend als: a uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de werken en werkzaamheden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 2 Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in of op de onder artikel 13.1 genoemde bestemming wordt alleen verleend door de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
13.3.5
Vergunningvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; c de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
13.3.6
Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 1': a te wijzigen in een andere in dit bestemmingsplan opgenomen archeologische bestemming indien dit op basis van de uitkomsten van nader uitgevoerd archeologisch onderzoek of naar oordeel van de archeologisch deskundige noodzakelijk is; of b geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat: 1 ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; 2 het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
36
Artikel 14
Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2
14.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de op en/of in deze gronden voorkomende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden.