Bijlage 1.1 - Voorgestelde nota van uitgangspunten omgevingsplan Buitengebied
Tekst van het document
OMGEVINGSPLAN: DEELGEBIED BUITENGEBIED NOTA VAN UITGANGSPUNTEN
22-5-2024 1
INHOUD
1.
2.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 4 1.1.
Aanleiding ................................................................................................................................ 4
1.2.
Instrument omgevingsplan ...................................................................................................... 4
1.3.
Plan van aanpak; routekaart.................................................................................................... 5
1.4.
Leeswijzer ................................................................................................................................ 6
HOE KOMT HET WIJZIGINGSBESLUIT TOT STAND? ................................................................. 7 2.1.
Begrenzing deelgebied ............................................................................................................ 7
2.2.
Reikwijdte wijzigingsbesluit ..................................................................................................... 7
2.3.
Bruidsschat .............................................................................................................................. 8
2.3.1.
Gemeentelijke verordeningen .......................................................................................... 8
2.3.2.
Keuzes reikwijdte regels voor deelgebied buitengebied ................................................. 9
2.4.
2.4.1.
Participatie onder de omgevingswet................................................................................ 9
2.4.2.
Participatie bij het omgevingsplan ................................................................................. 10
2.5. 3.
Participatie ............................................................................................................................... 9
Inventarisatie ......................................................................................................................... 10
UITGANGSPUNTEN ...................................................................................................................... 11 3.1.
Van omgevingsvisie naar omgevingsplan: deelgebieden ..................................................... 11
3.2.
Gebruiksactiviteiten ............................................................................................................... 12
3.2.1.
Algemeen ....................................................................................................................... 12
3.2.2.
Afwijkingsregels ............................................................................................................. 12
3.2.3.
Wijzigingsbevoegdheid .................................................................................................. 12
3.2.4.
Landschappelijke kwaliteit ............................................................................................. 13
3.2.5.
Feitelijke situatie ............................................................................................................ 13
3.3.
Agrarische activiteiten ........................................................................................................... 13
3.3.1.
Grondgebonden landbouw ............................................................................................ 14
3.3.2.
Niet-grondgebonden landbouw ..................................................................................... 15
3.3.3.
Nevenactiviteiten ........................................................................................................... 16
3.4.
Bedrijfsactiviteiten .................................................................................................................. 17
3.5.
Detailhandelsactiviteiten ........................................................................................................ 17
3.6.
Horeca-activiteiten ................................................................................................................. 18
3.7.
Maatschappelijke activiteiten ................................................................................................. 18
3.8.
Woonactiviteiten .................................................................................................................... 18
3.9.
Aanlegactiviteiten................................................................................................................... 19
3.10.
Bouwactiviteiten ..................................................................................................................... 19
3.11.
Gebruiksruimte van activiteiten ............................................................................................. 20
3.11.1.
Geluid ............................................................................................................................ 20
3.11.2.
Trillingen ........................................................................................................................ 22
3.11.3.
Geur ............................................................................................................................... 23
3.11.4.
Bodem ........................................................................................................................... 24 2
3.11.5.
Luchtkwaliteit ................................................................................................................. 25
3.11.6.
Externe veiligheid .......................................................................................................... 25
3.11.7.
Lichthinder ..................................................................................................................... 26
3.11.8.
Spuitzones ..................................................................................................................... 27
3.11.9.
Houtstook ....................................................................................................................... 28
3
1. INLEIDING 1.1. Aanleiding Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking en beschikken we over een tijdelijk omgevingsplan van rechtswege dat bestaat uit de bestemmingsplannen, de bruidsschat en een drietal verordeningen. Dit tijdelijke omgevingsplan moet uiterlijk 31 december 2031 omgezet zijn naar een nieuw omgevingsplan dat voldoet aan de wet. Dat omgevingsplan vervangt onder andere alle geldende bestemmingsplannen, zie ook paragraaf 1.2. Wij gaan stapsgewijs toewerken naar het omgevingsplan voor heel Buren. Wij hebben gekozen voor een gebiedsgerichte aanpak. Het buitengebied is het eerste deelgebied van het gebiedsdekkende omgevingsplan dat opgesteld gaat worden. Voor de 15 kernen en de bedrijventerreinen van de gemeente wordt op een later moment het omgevingsplan gewijzigd. Wij hebben ervoor gekozen te starten met het buitengebied omdat voor een groot deel van het buitengebied het bestemmingsplan Buitengebied uit 2009 geldt dat inhoudelijk en beleidsmatig aan vernieuwing toe is. In 2022 is de omgevingsvisie voor het gehele gemeentelijk grondgebied van Buren vastgesteld. Een verdere uitwerking van deze visie vindt nog plaats in de vorm van omgevingsprogramma’s. De omgevingsvisie moet beleidsmatig vertaald worden in het omgevingsplan en vormt een belangrijke basis voor het omgevingsplan.
De eerste stap om tot een wijzigingsbesluit voor het omgevingsplan deelgebied buitengebied te komen, is het opstellen van een Nota van Uitgangspunten. Deze nota vormt de vertaalslag tussen de omgevingsvisie, een strategisch beleidsdocument, en het omgevingsplan waarin het beleid wordt geconcretiseerd. 1.2. Instrument omgevingsplan Een omgevingsplan moet leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en bijdragen aan een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. In de wet staat een opsomming van onderdelen die in elk geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Een omgevingsplan heeft een bredere scope dan de bestemmingsplannen zoals we die nu kennen. Alle regels die te maken hebben met het gebruik en de inrichting van de fysieke leefomgeving komen in het omgevingsplan bij elkaar. De gemeente is bevoegd tot toezicht op en handhaving van de regels in het omgevingsplan. De basiselementen van het omgevingsplan zijn: evenwichtige toedeling van functies aan locaties; regels over activiteiten; regels over bouwwerken; omgevingsplanactiviteit; exploitatieregels en -voorschriften; gebruiksruimte.
Sinds de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden, beschikt de gemeente in formele zin al over een ‘tijdelijk’ omgevingsplan’, het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dat bestaat uit alle geldende bestemmingsplannen, de bruidsschat en enkele gemeentelijke verordeningen. De bruidsschat bestaat uit ongeveer 600 regels uit het huidige Activiteitenbesluit, Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht (Bor). De regels hebben betrekking op een grote diversiteit aan onderwerpen, zoals horeca, detailhandel, recreatie, lozingen, emissies van geluid, geur en trillingen door bedrijven en bouwen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen deze regels op rijksniveau. De regels verhuizen naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Het gaat om regels die zich minder goed lenen voor landelijke regels omdat het vooral afhangt van de lokale situatie welke regels passend zijn. Van gemeenten kan niet verwacht worden dat ze direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet al een afweging hebben gemaakt over passende decentrale regels. Om te voorkomen dat er op dat moment een juridisch gat ontstaat voor regels die niet meer landelijk geregeld worden, is een overgangsrechtelijke voorziening nodig. Dat is de bruidsschat.
Dat zijn voormalige rijksregels die zijn opgenomen in het Invoeringsbesluit van de Omgevingswet en die de gemeente ‘cadeau’ krijgt van het Rijk. Tot 31 december 2031 is er een periode waarin de gemeente alle geldende plannen en verordeningen moet vervangen door een omgevingsplan dat opgesteld is volgens de regels van de nieuwe 4
Omgevingswet en voldoet aan de nieuwe (landelijke) standaarden. Ook moeten de regels uit de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan worden opgenomen.
Figuur 1 - omgevingsplan overgangsfase
1.3. Plan van aanpak; routekaart In 2021 hebben wij een plan van aanpak opgesteld met daarin de routekaart voor de weg die wij bewandelen om 1 januari 2032 één omgevingsplan voor onze hele gemeente te hebben dat voldoet aan de eisen die de Omgevingswet stelt. De eisen die de Omgevingswet stelt aan het uiteindelijke omgevingsplan betreffen: de regels in het permanente omgevingsplan moeten voldoen aan nieuwe (digitale) standaarden van STOP-TPOD1; het omgevingsplan moet voldoen aan de instructieregels voor het omgevingsplan: > instructies van het Rijk zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); > instructies van de provincie Gelderland zoals vastgelegd in de omgevingsverordening. Naast de instructies zijn er regels voor activiteiten die niet meer op rijksniveau geregeld zijn: de regels in de bruidsschat. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 kunnen gemeenten bruidsschatbepalingen van het omgevingsplan wijzigen en laten vervallen. Het gaat namelijk om regelgeving die niet meer van het Rijk is. De enige beperking is dat er in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalde eisen staan waaraan de inhoud van het omgevingsplan moet voldoen.
Voor het wijzigen van de bruidsschat kunnen verschillende aanleidingen bestaan: het anders reguleren en/of dereguleren; beleidsmatig andere keuzes maken (in de omgevingsvisie en/of programma’s). Om toe te werken naar één omgevingsplan voor Buren hebben wij in de routekaart gekozen voor een gebiedsgerichte aanpak. Hierbij hanteren we de volgende deelgebieden: 1. Buitengebied (inclusief verblijfsrecreatieterreinen). 1 STOP: Standaard voor officiële publicaties; TPOD: Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten.
5
2. 3. 4.
Kleine(re) kernen. Kernen Lienden, Buren, Maurik en Beusichem. Bedrijventerreinen.
Anders dan we bij bestemmingsplannen gewend zijn, staat het wijzigingsbesluit voor het deelgebied buitengebied niet op zichzelf. Met dit wijzigingsbesluit leggen we de basis voor het omgevingsplan voor heel Buren: voor het casco (de inhoudsopgave en structuur van het omgevingsplan): deze moet zo worden vormgegeven dat de andere deelgebieden hier straks met de volgende wijzigingsbesluiten aan toegevoegd kunnen worden; voor de opbouw en invulling van regels: daar waar mogelijk willen we zoveel mogelijk algemene regels stellen die voor de hele gemeente toegepast kunnen worden. 1.4. Leeswijzer In dit eerste hoofdstuk zijn de aanleiding en het instrument omgevingsplan omschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de begrenzing van het deelgebied, de reikwijdte van het wijzigingsbesluit en het proces van participatie. Hoofdstuk 3 geeft tot slot de uitgangspunten van het omgevingsplan weer.
6
2. HOE KOMT HET WIJZIGINGSBESLUIT TOT STAND? 2.1. Begrenzing deelgebied Het wijzigingsbesluit voor het deelgebied Buitengebied wordt genomen voor de hele gemeente exclusief de kernen van onze dorpen, inclusief de bedrijventerreinen. Het gaat om de volgende 15 kernen: 1. Asch 2. Beusichem 3. Buren 4. Eck en Wiel 5. Erichem 6. Ingen 7. Kerk-Avezaath 8. Lienden 9. Lingemeer 10. Maurik 11. Ommeren 12. Ravenswaaij 13. Rijswijk 14. Zoelen 15. Zoelmond. De begrenzing van het deelgebied is weergegeven in de figuur hieronder. Gedurende het planproces kan het gewenst zijn om de exacte begrenzing nog te concretiseren.
Figuur 2 - begrenzing van het deelgebied
2.2. Reikwijdte wijzigingsbesluit Zoals uit voorgaande blijkt, staan we voor een stevige, complexe opgave om in eerste instantie tot een wijzigingsbesluit voor deelgebied buitengebied te komen en uiteindelijk één omgevingsplan voor heel Buren vast te stellen. Op basis van het overgangsrecht van de Omgevingswet hebben we keuzes voor het stapsgewijs bouwen aan het omgevingsplan voor Buren dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Wij pakken het stapsgewijs aan, waarbij we aandacht hebben voor het zo duidelijk 7
mogelijk houden van waar wat geregeld is voor ons burgers, maar ook bijvoorbeeld vergunningverlening en handhaving. 2.3. Bruidsschat Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt een aantal regels op rijksniveau. Deze rijksregels verhuizen naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Dit heet de 'bruidsschat'. De bruidsschat bevat een groot aantal regels over onder meer activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen en milieubelastende activiteiten. Denk aan horeca, detailhandel, agrarische activiteiten, tankstations en dergelijke. Per 1 januari 2024 worden die regels onderdeel van ons tijdelijke omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege). Het voordeel van de bruidsschat is dat voor het hele gemeentelijke verzorgingsgebied regels zijn gesteld voor milieubelastende activiteiten die binnen het toepassingsbereik van de bruidsschat vallen. Daar hoeft de gemeente niets voor te doen. Voor zover deze regels niet passend zijn voor de lokale situatie, hebben we een grote mate van vrijheid om die regels nader in te vullen, aan te passen of te schrappen. We worden hierin beperkt door de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de provinciale omgevingsverordening waarin eisen staan waaraan de inhoud van het omgevingsplan moet voldoen.
We hebben ervoor gekozen om de regels in de bruidsschat mee te nemen in het omgevingsplan en daar waar nodig aan te passen.
Uitgangspunt De regels in de bruidsschat nemen we mee in het omgevingsplan deelgebied buitengebied.
2.3.1.Gemeentelijke verordeningen Op grond van de Omgevingswet2 en het Omgevingsbesluit3 worden regels die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen alleen in het omgevingsplan opgenomen. In onze verordeningen staan verschillende regels die betrekking hebben op wat op grond van de Omgevingswet4 onder de fysieke leefomgeving wordt verstaan. Die regels moeten dus worden overgeheveld naar het omgevingsplan. Daarnaast mag een deel van de regels over de fysieke leefomgeving uit de verordeningen eveneens worden overgeheveld naar het omgevingsplan. Het gaat om regels die wel over de fysieke leefomgeving gaan maar activiteiten betreffen die deze niet wijzigen (zoals het gebruik van bouwwerken). Tot slot zijn er ook regels die niet over de fysieke leefomgeving gaan; die regels mogen niet worden overgeheveld naar het omgevingsplan. Regels over onderwerpen die in andere regelgeving uitputtend zijn geregeld, mogen ook niet worden overgeheveld naar het omgevingsplan. Deze selectie wordt gedaan en de regels die over de fysieke leefomgeving gaan, worden opgenomen in het omgevingsplan. In de routekaart is de keuze gemaakt om de verordeningen die weliswaar regels over de fysieke leefomgeving bevatten maar geen onderdeel uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan in een aparte thematische wijziging in het omgevingsplan op te nemen. Dit worden de overige verordeningen genoemd.
Het gaat bijvoorbeeld om de regels uit de APV met betrekking tot de fysieke leefomgeving zoals het kappen van bomen. De erfgoedverordening en de geurverordening maken onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan (zie figuur 1) en deze worden in het omgevingsplan deelgebied buitengebied opgenomen. Daarbij worden de bepalingen uit de geurverordening geactualiseerd op basis van de vastgestelde omgevingsvisie. De regels uit de verordeningen moeten wat betreft formulering aansluiten bij de definities van de Omgevingswet en de AMvB’s. Bij de omzetting naar het omgevingsplan wordt overwogen of deze daadwerkelijk nodig zijn om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te borgen. Deze afweging maken we op basis van de doelen en ambities van de omgevingsvisie.
2 Artikel 2.7 3 Artikel 2.1 lid 1 4 Artikel 1.2
8
Uitgangspunt De geurverordening en de erfgoedverordening krijgen een plek in het omgevingsplan deelgebied buitengebied. De overige gemeentelijke verordeningen worden niet meegenomen in het wijzigingsbesluit deelgebied buitengebied. Deze worden later in een thematische wijziging in één keer voor de hele gemeente in het omgevingsplan opgenomen voor zover het gaat om regels die gaan over de fysieke leefomgeving.
2.3.2.Keuzes reikwijdte regels voor deelgebied buitengebied Om overzicht te houden in de opgave om te komen tot één omgevingsplan voor heel Buren en de vormgeving stapsgewijs aan te pakken gaan we voor deelgebied Buitengebied aan de slag op basis van de volgende algemene uitgangspunten: In het omgevingsplan stellen we regels voor activiteiten voor de bestaande functies in ons buitengebied. Voor de regels is het handboek bestemmingsplannen van de gemeente Buren leidend. In het handboek bestemmingsplannen zijn de regels al geactualiseerd op basis van de laatste inzichten en beleid. De geldende bestemmingsplannen zijn vooral van belang om bestaande rechten te bepalen. De bestaande functies worden volgens het feitelijk en legaal gebruik vastgelegd. Bestaande rechten respecteren we voor zover deze ook daadwerkelijk benut worden. Daar waar planologische mogelijkheden niet benut worden en geen concreet zicht bestaat dat deze benutting binnen een afzienbare termijn ook plaatsvindt, wordt in het omgevingsplan uitgegaan van de bestaande feitelijke situatie. Daarbij houden we een zekere ruimte voor (beperkte) ruimtelijke ontwikkelingen. Voor bestaande functies worden zoveel mogelijk generieke regels voor activiteiten opgenomen. De systematiek dat bijvoorbeeld voor bedrijven één specifieke functie per bedrijf wordt vastgelegd passen we niet meer toe.
Dit geeft niet agrarische bedrijven ruimte hun activiteiten binnen bepaalde kaders de activiteiten te wijzigen zonder dat daarvoor belastende procedures moeten worden doorlopen. Nieuwe toekomstige ontwikkelingen worden niet in het wijzigingsbesluit voor het buitengebied meegenomen. Dit plan heeft tot doel een regeling voor de bestaande situatie en functies vast te stellen. De praktijk laat zien dat veel eigenaren en gebruikers proberen om nieuwe plannen en ontwikkelingen in het plan op te laten nemen. Dit vraagt echter een aparte afweging, beoordeling en uitvoering van specifieke onderzoeken. Het verwerken van nieuwe ontwikkelingen zou de voortgang van dit wijzigingsbesluit sterk vertragen. Daarbij maakt het de besluitvorming complex omdat deze dan zowel over vaststelling van generieke regels voor het hele gebied als voor specifieke ontwikkellocaties gaat. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten initiatiefnemers een aparte procedure doorlopen en neemt de gemeenteraad een afzonderlijk wijzigingsbesluit. Daar waar feitelijk gebruik of bebouwing in strijd is met de bestaande bestemmingsplannen en/of zonder omgevingsvergunning is gerealiseerd, wordt onderzocht of legalisering mogelijk is. Als legalisering mogelijk en wenselijk is, wordt de feitelijke situatie vastgelegd in het omgevingsplan.
De kosten hiervan, bijvoorbeeld voor onderzoek en ambtelijke capaciteit, betaalt de eigenaar of gebruiker. De belangrijkste keuzes voor de wijziging van het omgevingsplan hebben we beschreven in hoofdstuk 3. 2.4. Participatie 2.4.1.Participatie onder de omgevingswet De Omgevingswet vraagt een andere manier van werken en een andere relatie tussen overheid en samenleving. Het gaat over ruimte geven, loslaten en vertrouwen en over een andere verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en samenleving. Participatie is een belangrijke manier om samenleving en overheid samen te brengen en met elkaar in gesprek te gaan. Onder de Omgevingswet wordt participatie omschreven als: ‘het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit’.
9
In principe is participatie vormvrij, wat betekent dat de initiatiefnemer (gemeente in dit geval) zelf mag bepalen hoe de participatie wordt vormgegeven. Natuurlijk zijn er wel een aantal regels om de participatie te borgen. 2.4.2.Participatie bij het omgevingsplan In het omgevingsplan moet de gemeente aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat met de resultaten is gedaan. Voordat de gemeente aan de slag gaat met het maken van het omgevingsplan moet ze daarvan een kennisgeving doen. De gemeente geeft hierin aan dat er een omgevingsplan opgesteld gaat worden en op welke manier participatie een plek wordt gegeven. Op basis van de Omgevingswet moeten wij bij het voorbereiden van een wijzigingsbesluit aangeven op welke wijze participatie wordt vormgegeven. Hiervoor hebben wij een participatieplan opgesteld. In dit plan is aangegeven hoe de gemeente participatie een plaats geeft in het proces om te komen tot een omgevingsplan. Hierbij zijn de doelen aangegeven die de gemeente stelt aan het participatieproces. Kort samengevat gaat het om informeren en raadplegen. In het proces om te komen tot een vastgesteld omgevingsplan is vervolgens per stap aangegeven hoe belanghebbenden en de gemeenteraad betrokken worden.
Iedereen kan reageren op zowel het voorontwerp omgevingsplan en vervolgens op het ontwerp omgevingsplan. In het omgevingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het is een omzetting van de huidige situatie naar de nieuwe regels. Ook is de omgevingsvisie kaderstellend voor het omgevingsplan. Reacties die betrekking hebben op nieuwe ontwikkelingen of die afwijken van de omgevingsvisie kunnen niet leiden tot een aanpassing van het omgevingsplan. In de communicatie over het omgevingsplan wordt de reikwijdte van de participatie duidelijk aangegeven. Bij de kennisgeving dat de gemeente een wijzigingsbesluit voor het buitengebied gaat voorbereiden, wordt het participatieplan gepubliceerd. Uitgangspunt De gemeente voert de participatie bij het omgevingsplan uit volgens het Participatieplan. 2.5. Inventarisatie Bij het opstellen van het wijzigingsbesluit voor het buitengebied wordt een inventarisatie van de huidige situatie uitgevoerd. Daarbij wordt in beeld gebracht hoe het huidige gebruik en de bebouwing zich verhouden tot de huidige planologische mogelijkheden. Daar waar deze afwijken wordt beoordeeld of de afwijking past binnen de omgevingsvisie en de regels die in het nieuwe omgevingsplan worden gesteld. Indien bebouwing en gebruik gelegaliseerd kunnen worden nemen we deze op in het omgevingsplan.
10
3. UITGANGSPUNTEN Voor het omgevingsplan Buren en wijzigingsbesluit deelgebied Buitengebied zijn vele keuzes te maken. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk instructieregels voor het omgevingsplan opgenomen. Het is aan gemeenten om invulling te geven aan deze instructieregels. De instructieregels moeten dan ook gezien worden als ‘opdrachten’ die de gemeenten meekrijgen bij het opstellen van een omgevingsplan. De instructieregels van het Bkl bepalen dat omgevingsplannen regels kunnen bevatten over bijvoorbeeld het bouwen en in stand houden van verschillende woningtypen (bijvoorbeeld sociale huur en -koopwoningen). In dit hoofdstuk beschrijven we de uitgangspunten voor de wijze waarop wij regels willen stellen in het omgevingsplan, deelgebied buitengebied. In paragraaf 3.1 starten we met de indeling in deelgebieden. Vervolgens maken we de stap naar paragraaf 3.2 tot en met 3.5 waarin we per activiteit en thema de uitgangspunten voor het wijzigen van het omgevingsplan hebben beschreven. 3.1. Van omgevingsvisie naar omgevingsplan: deelgebieden In de omgevingsvisie zijn op basis van de ontstaansgeschiedenis van het landschap verschillende deelgebieden onderscheiden: Uiterwaarden. Oeverwallen van de Lek en Nederrijn. Komgebieden. Stroomruggen. Oeverwallen van de Linge. Dorpen.
Voor deze deelgebieden zijn in de omgevingsvisie richtinggevende uitspraken gedaan die betrekking hebben op gewenste functies, uitbreidingsmogelijkheden van functies en de te beschermen kwaliteiten. Op basis hiervan worden regels in het omgevingsplan uitgewerkt. De doelen en ambities voor de oeverwallen en stroomruggen komen overeen. Daarom wordt ervoor gekozen deze als één gebiedstype in het omgevingsplan te onderscheiden. Binnen het deelgebied buitengebied leidt dat tot onderscheid in de volgende gebieden: Uiterwaarden (beige). Oeverwallen en stroomruggen (geel). Komgebieden (blauw). In het buitengebied zijn ook een aantal bebouwingsconcentraties. Uitgangspunt is dat hiervoor zoveel mogelijk dezelfde regels en normen worden gehanteerd als in de dorpskernen. Deze worden opgenomen in het gebiedstype woongebied.
Figuur 3 - gebiedstypen deelgebied buitengebied
11
3.2. Gebruiksactiviteiten 3.2.1.Algemeen Het gebruik van gronden en bouwwerken wordt in het omgevingsplan geregeld onder activiteiten met gebruiksruimte. Het Rijk en de provincie geven ons in het Bkl en de provinciale omgevingsverordening instructies voor het regelen van het gebruik en de gebruiksruimte (de binnen een gebied aanwezige juridische ruimte voor activiteiten in de fysieke leefomgeving). Het is aan gemeenten te voldoen aan, rekening te houden met of invulling te geven aan deze instructieregels. De instructieregels moeten dan ook gezien worden als ‘opdrachten’ die wij meekrijgen bij het opstellen van een omgevingsplan. De regels gaan bijvoorbeeld over het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid en het milieu. Zo zijn er regels opgenomen over geluidsnormen voor geluidgevoelige gebouwen (bijvoorbeeld woningen), waarmee een gezond woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Die normen kunnen van invloed zijn op het ontwikkelen en toelaten van woningen op bepaalde locaties, maar ook op het toelaten van bijvoorbeeld bedrijven in die omgeving van woningen. De gebruiksruimte voor activiteiten wordt in paragraaf 3.5 uitgewerkt. In deze paragraaf stellen we de ruimtelijke uitgangspunten voor het gebruik van gronden en bouwwerken.
3.2.2.Afwijkingsregels Het huidige bestemmingsplan buitengebied en zijn herzieningen stelt regels voor gebruik in verschillende bestemmingen. Wij streven ernaar om in het omgevingsplan zoveel mogelijk te werken met algemene regels voor activiteiten die gemeentebreed gelden. Uiteraard kunnen normen en beoordelingsregels voor vergunningen wel variëren binnen de verschillende gebieden in onze gemeente. In de huidige bestemmingsplannen zijn de regels vaak in detail uitgewerkt en geven weinig mogelijkheden voor verandering of ontwikkeling. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn per perceel strak begrensd. Daar staat tegenover dat voor veel situaties weer afwijkingsmogelijkheden met voorwaarden in het bestemmingsplan zijn opgenomen. De opgenomen afwijkingsmogelijkheden sluiten vaak niet aan bij de praktijk van de aanvragen. En veel aanvragen blijken ook niet aan de voorwaarden bij de afwijkingsmogelijkheid te kunnen voldoen. Het toetsen van afwijkingen is veel werk voor vergunningverleners en er worden extra leges berekend. In het omgevingsplan streven we naar ruimere generieke regels die ruimte bieden voor normale verandering van gebruiks- en bouwactiviteiten bij bedrijven, woningen en andere functies. Daarentegen willen we minder afwijkingsregels opnemen. Dit betekent dat het kader ruimer wordt en aanvragen makkelijker kunnen worden toegekend.
Om buiten het kader te treden is maatwerk nodig en kan altijd een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden verleend of het omgevingsplan kan worden gewijzigd als een aanvraag past binnen de doelen en ambities van onze omgevingsvisie. Uitgangspunt Daar waar mogelijk worden de kaders voor gebruiksactiviteiten verruimd door het opnemen van zoveel mogelijk algemene regels en indien noodzakelijk wordt een vergunningsplicht opgenomen. Deze vergunningsplicht wordt indien mogelijk vereenvoudigd.
3.2.3.Wijzigingsbevoegdheid De wijzigingsbevoegdheden zoals we die kennen onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vervallen onder de Omgevingswet. Het is wel mogelijk om een wijzigingsbevoegdheid te ‘vertalen’ naar een vergunningsplicht. In het plan regelen we in eerste instantie het bestaande gebruik en bieden we geen mogelijkheden voor wijziging van gebruik. Wel creëren we meer flexibiliteit door het algemener regelen van de huidige gebruiksactiviteiten (op hoofdcategorieën). Ook willen we flexibiliteit toevoegen aan bestaande hoofdactiviteiten door meer nevenfuncties toe te staan, vooral bij agrarische bedrijven. Uitgangspunten Gebruiksactiviteiten worden zoveel mogelijk algemeen geregeld. Bestaande hoofdactiviteiten mogen worden verbreed door het toestaan van nevenfuncties, vooral bij agrarische bedrijven. Op basis van deze uitgangspunten zijn de uitgangspunten voor de specifieke gebruiksactiviteiten voor de huidige functies bepaald. 12
3.2.4. Landschappelijke kwaliteit In de omgevingsvisie hebben wij onszelf ten doel gesteld om de kwaliteiten van het voor onze gemeente zo typische rivierenlandschap te bewaren. Voor onze inwoners en bezoekers willen we de samenhang en beleving van het landschap vergroten. We streven naar een aantrekkelijk landschap waar natuur aanwezig is en dat een grote ruimtelijke kwaliteit heeft. Door de vraag naar ruimte voor verschillende ruimtelijke functies, zoals wonen, infrastructuur en energie, komt het cultuurlandschappelijke karakter van de gemeente onder druk te staan. Bezien vanuit deze vraag is het een uitdaging om natuurgebieden en cultuurlandschappen te beschermen en te versterken. Hiervoor hebben wij in de omgevingsvisie per deelgebied en landschapstype verschillende kwaliteiten vastgesteld. Ook is per deelgebied aangegeven welke kwetsbaarheden er bestaan. Uitgangspunt Wij kiezen voor het bewaren van ons typische rivierenlandschap in al haar verscheidenheid. We zetten de tijd niet stil en geven ook ruimte aan (economische) dynamiek, maar deze dynamiek moet passen bij de kenmerken van het landschap en hier waar mogelijk aan bijdragen. We nemen in het omgevingsplan regels op om landschap, natuur en cultuurhistorische waarden te beschermen. 3.2.5. Feitelijke situatie De huidige bestemmingsplannen zijn vaak gedateerd. Het bestemmingsplan Buitengebied dateert van 2009.
Dat betekent dat de feitelijke en planologische situatie niet altijd meer met elkaar in overeenstemming zijn. Zo zijn bijvoorbeeld diverse agrarische bedrijven gestopt en is alleen nog maar een woonfunctie aanwezig terwijl nog wel een agrarisch bouwvlak aanwezig is. Maar ook reguliere bedrijven kunnen hun activiteiten hebben gestaakt. In het omgevingsplan willen we de situatie vastleggen zoals die feitelijk bestaat, voor zover deze legaal of te legaliseren is. Waar al geruime tijd geen gebruik is gemaakt van planologische mogelijkheden zullen deze niet meer worden opgenomen. Het kan dan gaan om een bouwvlak waar niet gebouwd is en dat bijvoorbeeld gewoon in gebruik is als grasland of akker. Bij wonen kan het gaan om gronden die wel in de woonbestemming zijn opgenomen, maar bijvoorbeeld in agrarisch gebruik zijn. Door het feitelijke bestemmen beschermen we de bestaande kwaliteit van de landschappen tegen ongewenste ontwikkelingen en houden we grip op functies. Uitgangspunt Het omgevingsplan sluit aan op de bestaande feitelijke situatie voor zover deze legaal of te legaliseren is. Functies die al geruime tijd niet worden uitgeoefend worden niet meer opgenomen in het plan.
3.3. Agrarische activiteiten In de omgevingsvisie zijn voor het buitengebied de volgende keuzen gemaakt: Ruimte voor een sterke internationaal concurrerende landbouw binnen de randvoorwaarden van het landschap. Ruimte voor nieuwe functies (vrijkomende bebouwing) in het landelijke gebied. We koppelen nieuwe dynamiek aan investeringen in kwaliteit. We kiezen voor een zonering om het landschap sterk en herkenbaar te houden. Specifieke ontwikkelingsgebieden voor meer intensieve vormen van recreatie en niet grondgebonden vormen van fruit- en laanboomteelt. Leidend in onze keuzes is: Dat we (op de oeverwallen) gronden van topkwaliteit hebben, die we duurzaam willen kunnen inzetten voor fruit- en laanboomteelt. Dat we oog hebben voor moderne ontwikkelingen binnen deze sectoren, die onze bedrijven concurrerender maken op de wereldmarkt. We hebben het dan over bedrijfsmatige activiteiten als koelen en verwerken van producten en het gebruik van (niet grondgebonden) teeltondersteunende voorzieningen. Dat de oeverwallen ook veel andere functies en belangen kennen en een fraai en hooggewaardeerd landschap, waarmee de ontwikkeling van de landbouw moet worden afgestemd. 13
Dat we verwachten dat er bedrijven doorgroeien in niet grondgebonden teelten. Aanvullend verwachten we dat het vrachtverkeer bij grotere bedrijven verder toeneemt. Als standpunt nemen we in dat het zonde is om op een landschappelijk waardevolle plek met een goede ondergrond niet grondgebonden activiteiten uit te voeren.
In ons buitengebied vinden verschillende typen agrarische activiteiten plaats. Binnen het bestemmingsplan buitengebied en haar herzieningen zijn regels gesteld voor deze agrarische activiteiten. Binnen het bestemmingsplan buitengebied zijn melkveehouderijen, fruitteeltbedrijven, laanboomteelt, (intensieve) veehouderijen en glastuinbouw toegestaan. Voor het omgevingsplan met deelgebied buitengebied willen we om invulling te geven aan de omgevingsvisie, maar ook rekening houdend met jurisprudentie met betrekking tot stikstof en gebruik van bestrijdingsmiddelen terug naar de volgende categorisering van agrarische activiteiten: Grondgebonden landbouw o grondgebonden veehouderijen; o akkerbouw; o fruit- en laanboomteelt. Niet grondgebonden landbouw o intensieve veehouderijen; o glastuinbouw; o containerteelt. 3.3.1.Grondgebonden landbouw In de omgevingsvisie is opgenomen dat we ruimte willen bieden voor een sterke internationaal concurrerende landbouw binnen de randvoorwaarden van het landschap. Onze speerpunten binnen de landbouw zijn de ontwikkeling van de fruitteelt, laanboomteelt en melkveehouderij, omdat we hierin onderscheidend zijn op (inter)nationaal niveau en als beheerder van ons rivierenlandschap. Wij willen graag meer perspectief voor de grondgebonden melkveehouderij. Daarvoor is per bedrijf meer grond nodig.
We zien de komgebieden als ontwikkelgebieden waar de grondgebonden melkveehouderijen op een natuur inclusievere manier kunnen doorgroeien. We vinden het belangrijk dat onze fruit- en laanboomteeltbedrijven kunnen blijven produceren voor de wereldmarkt. Om concurrerend te kunnen blijven en als bedrijf te kunnen groeien, willen we de bedrijven die dat nodig hebben de ruimte geven. En dat vraagt om keuzes. Leidend in onze keuzes is: Dat we (op de oeverwallen) gronden van topkwaliteit hebben, die we duurzaam willen kunnen inzetten voor fruit- en laanboomteelt. Dat we oog hebben voor moderne ontwikkelingen binnen deze sectoren, die onze bedrijven concurrerender maken op de wereldmarkt. We hebben het dan over bedrijfsmatige activiteiten als koelen en verwerken van producten en het gebruik van (niet grondgebonden) teeltondersteunende voorzieningen. Dat de oeverwallen ook veel andere functies en belangen kent en een fraai en hooggewaardeerd landschap, waarmee de ontwikkeling van de landbouw moet worden afgestemd. Dat we verwachten dat er bedrijven zullen doorgroeien in niet grondgebonden teelten. Aanvullend verwachten we dat het vrachtverkeer bij grotere bedrijven verder toeneemt. Als standpunt nemen we in dat het zonde is om op een landschappelijk waardevolle plek met een goede ondergrond niet grondgebonden activiteiten uit te voeren.
Grondgebonden veehouderijen Vertaald naar het omgevingsplan betekent dit dat de bestaande veehouderijen altijd kunnen omschakelen naar andere (grondgebonden) agrarische activiteiten, zoals akkerbouw, fruit- of boomteelt. Grondgebonden veehouderijen krijgen binnen de bouwvlakken de mogelijkheid om uit te breiden. Voor het bepalen van het bouwvlak wordt maatwerk toegepast waarbij in eerste instantie het bestaande bouwvlak leidend is. Eventuele verdere uitbreiding buiten het bouwvlak wordt buitenplans afgewogen op basis van de omgevingsvisie en vereist een aparte wijziging van het omgevingsplan. Akkerbouw Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat geen specifieke instructieregels voor grondgebonden akkerbouw. In de omgevingsvisie en provinciale Omgevingsverordening is geen specifiek beleid opgenomen. Wel zijn er regels in de bruidsschat opgenomen voor deze activiteiten, die ongewijzigd van toepassing blijven. Grondgebonden akkerbouwbedrijven kunnen omschakelen naar bijvoorbeeld 14
laan- of fruitteelt, maar niet naar een veehouderijbedrijf. Voor de huidige mogelijkheid voor omschakelen naar een veehouderij op locaties waar geen veehouderij gevestigd is, kan de uitvoerbaarheid niet op voorhand aangetoond worden. Dit is afhankelijk van de specifieke bedrijfssituatie en of er bijvoorbeeld milieu- en natuurvergunningen verleend kunnen worden. Op basis van de omgevingsvisie is het mogelijk om mee te werken aan nieuwvestiging van een grondgebonden veehouderij, maar deze mogelijkheid nemen we nu niet op in het omgevingsplan. De grondgebonden akkerbouwbedrijven krijgen binnen de bouwvlakken de mogelijkheid om uit te breiden. Voor het bepalen van het bouwvlak wordt maatwerk toegepast waarbij in eerste instantie het bestaande bouwvlak leidend is. Eventuele verdere uitbreiding buiten het bouwvlak wordt buitenplans afgewogen op basis van de omgevingsvisie en vereist een aparte wijziging van het omgevingsplan. Fruit- en laanboomteelt Voor de fruit- en laanboomteeltbedrijven geldt hetzelfde als voor de akkerbouwbedrijven. Aanvullend geven we de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning als nevenactiviteit niet-grondgebonden teelt te starten. Het gaat dan onder meer om teelt in potten, containers al dan niet op teelttafels. De teelt moet aansluitend aan het bouwvlak plaatsvinden, tenzij de teelt in het landbouwontwikkelingsgebied plaatsvindt.
De voorwaarden waaraan een omgevingsvergunning voor niet-grondgebonden teelt moet voldoen zijn vastgelegd in het Advies niet-grondgebonden teelten. Uitgangspunten Grondgebonden veehouderijen kunnen omschakelen naar andere grondgebonden agrarische activiteiten (akkerbouw, fruit- of laanboomteelt). Omschakeling van een akkerbouw-, fruit- of boomteeltbedrijf naar veehouderij is niet mogelijk. Niet grondgebonden teelten zijn onder voorwaarden alleen als nevenactiviteit bij een grondgebonden bedrijf mogelijk.
3.3.2. Niet-grondgebonden landbouw De omgevingsvisie geeft aan dat gezien de landelijke ontwikkelingen rondom de veehouderij we niet willen dat het aantal niet-grondgebonden bedrijven in de veeteelt verder toeneemt, maar we willen bestaande bedrijven wel ruimte bieden voor ontwikkeling. Doorgroei van bedrijven gaat in onze visie hand in hand met het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Een bedrijf dat wil uitbreiden, dient een maatschappelijke tegenprestatie te leveren die de kwaliteit van de leefomgeving helpt verbeteren. Ruimte voor ontwikkeling is maatwerk. We hanteren daarvoor als gemeente het ‘plussenbeleid’. Voor niet grondgebonden teelten kiezen we ervoor om teelten, zoals pot- en containerteelt, kleinschalig en als nevenactiviteit toe te laten op of aansluitend aan het agrarisch bouwblok. Als voorwaarde geldt dat het bouwblok en de teeltondersteunende voorzieningen goed ingepast moeten worden. Voor bedrijven die willen doorgroeien in niet grondgebonden teelten en dus op een groter oppervlak gebruik willen maken van containerteelt, stellingenteelt of hoge tunnelkassen wijzen we een doorgroeigebied voor niet grondgebonden teelten aan. Intensieve veehouderij Naast de doelen en ambities die we hebben gesteld in de omgevingsvisie zijn er ook instructieregels vanuit de provincie Gelderland.
Deze instructieregels zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland. Hier relevant is paragraaf 5.7.5 - Veehouderij. Wij moeten invulling geven aan deze instructieregels. Dit is gebeurd door de vaststelling van het Plussenbeleid door de raad op 25 juni 2019. Het plussenbeleid heeft betrekking op uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijen in de gemeente. Uitbreiding betreft een nieuwe ontwikkeling die maatwerk vereist. Het omgevingsplan zal voorzien in een generieke regeling voor intensieve veehouderij, maar geen regeling voor uitbreiding. Hiervoor zal een aparte procedure moeten worden doorlopen. Artikel 4.48 in de provinciale verordening gaat over het tijdelijk verbod op nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderijen met als diersoort geiten. Bestaande geitenhouderijen mogen blijven bestaan, maar mogen niet uitbreiden. Andere veehouderijen mogen niet omschakelen naar een geitenhouderij of naar een veehouderijtak met geiten. Het nieuw vestigen van een geitenhouderij is verboden. Ook het tijdelijk in gebruik nemen van bouwwerken of gronden voor geiten is niet toegestaan. Bij het opstellen van een nieuw omgevingsplan is de gemeente verplicht uitvoering te geven aan het verbod op geitenhouderijen in haar omgevingsplan. 15
Op basis van onze omgevingsvisie en de provinciale Omgevingsverordening bepalen wij randvoorwaarden voor de omschakelingsmogelijkheden en nieuwvestiging van veehouderijen. Als gemeente willen we dat het aantal intensieve veehouderijen niet toeneemt. Omschakeling van akkerbouw, fruit- of laanboomteelt naar veehouderijen wordt daarom niet mogelijk gemaakt binnen het omgevingsplan. Omgekeerd kan een veehouderij altijd omschakelijken naar genoemde bedrijfstypen. Glastuinbouw De gemeente kent een beperkt aantal glastuinbouwbedrijven. Deze worden volgens de bestaande situatie opgenomen in het omgevingsplan. Containerteelt In de omgevingsvisie is een doorgroeigebied bepaald voor niet grondgebonden teelten. De begrenzing is indicatief aangegeven. In het omgevingsplan wordt de begrenzing van het doorgroeigebied vastgelegd. Vanuit de visie is niet bepaald onder welke voorwaarden de bedrijven in dit doorgroeigebied ontwikkeld worden. Binnen de zone willen we de vestiging en uitbreiding van deze functie koppelen aan een vergunningplicht. De vergunning kan vervolgens worden verleend op basis van de beleidsregels die in het Advies niet-grondgebonden teelten zijn opgenomen. De beleidsregels geven voorwaarden over verharding, landschap en natuur. Buiten het doorgroeigebied geldt dat er ook uitbreidingsmogelijkheden zijn voor niet grondgebonden teelten.
Deze worden gekoppeld aan het bouwvlak met maximale oppervlaktemaat. Ook hier geldt dat de omgevingsvergunning kan worden verleend als voldaan wordt aan de beleidsregel, met voorwaarden over oppervlakten, verharding, landschap en natuur. Uitgangpunten Een intensieve veehouderij mag omschakelen naar een andere grondgebonden agrarische activiteit. Omschakeling naar een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf is niet mogelijk. Een (intensieve) veehouderij mag niet omschakelen naar een geitenhouderij; Met een omgevingsvergunning zijn niet-grondgebonden teelten onder voorwaarden als nevenactiviteit mogelijk.
3.3.3. Nevenactiviteiten De omgevingsvisie zet in op een multifunctioneel buitengebied, met een hoofdrol voor de grondgebonden landbouw en een fraai en biodivers landschap. Om agrarische bedrijven meer kansen te bieden binnen die multifunctionaliteit en als alternatief voor een eenzijdige oriëntatie op de wereldmarkt willen we meer vormen van nevenactiviteiten mogelijk maken op bestaande agrarische bedrijven. De focus van de verbreding moet liggen in het verlengde van de huidige bedrijfsvoering, recreatie of zorg. Om verbreding of verduurzaming van een agrarisch bedrijf mogelijk te maken, willen we ook flexibeler met de omvang van het bouwvlak omgaan. Naast de doelen en ambities die we hebben gesteld in de Omgevingsvisie gelden er ook instructieregels vanuit de provincie. Deze instructieregels zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland. We kijken hiervoor naar afdeling 2.4 - Veehouderij. Deze instructieregels zijn regels die wij als gemeente moeten overnemen van de provincie. De provinciale regels voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven (niet alleen veehouderijen) komen met enkele voorwaarden. AFDELING 2.4 VEEHOUDERIJ Artikel 2.35 (nevenactiviteiten agrarische bedrijven in Agrarisch gebied) 1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het agrarisch gebied maakt een nevenactiviteit mogelijk onder de volgende voorwaarden: a.
er is sprake van verkoop van zelfgeteelde of -geproduceerde agrarische producten en op beperkte schaal aanverwante artikelen, eventueel aangevuld met agrarische producten afkomstig van bedrijven uit de omgeving; b. de nevenactiviteiten vormen geen belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 2. Het bestemmingsplan voorziet in een goede landschappelijke inpassing.
16
De provinciale omgevingsverordening biedt in artikel 2.35 veel mogelijkheid tot het toevoegen van nevenfuncties bij agrarische bedrijven. Het is mogelijk zelfgeteelde of zelfgeproduceerde agrarische producten te verkopen met op beperkte schaal aanverwante artikelen en eventueel aangevuld met agrarische producten afkomstig van bedrijven uit de omgeving. Het gaat erom dat er geen grootschalige detailhandel ontstaat. Verder zijn alle nevenactiviteiten toegestaan mits dit geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Voor iedere nevenactiviteit geldt dat de provincie een landschappelijke inpassing vereist. Uitgangspunten Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven worden mogelijk gemaakt voor de algemene categorieën: o toeristisch-recreatieve activiteiten (toegestaan-melding-vergunning); o maatschappelijke en zorg activiteiten (middels vergunning), en o het verwerken en verkopen van (eigen) producten (toestaan onder algemene regels). Er wordt geen onderscheid gemaakt per deelgebied in de ruimte die wordt geboden aan nevenactiviteiten.
3.4. Bedrijfsactiviteiten In de Omgevingsvisie wordt ruimte geboden aan nieuwe functies op vrijkomende erven. In het huidige bestemmingsplan buitengebied zijn bedrijfsactiviteiten momenteel nog zeer minutieus geregeld, alleen een specifiek bedrijf is toegestaan zoals aangeduid in het bestemmingsplan. Daar willen we als gemeente vanaf, want dit komt het hergebruik van bestaande erven niet ten goede. We gaan derhalve minder sturen op de functie zelf, maar stellen wel een grens. Bedrijfsactiviteiten worden meer algemeen toegestaan, waardoor bedrijven met een vergelijkbare gebruiksruimte maar andere functie ook mogelijk worden op die locaties. De gebruiksruimte wordt begrensd door normen voor onder andere geluid, geur en trillingen. Bedrijven in het buitengebied behouden de bouwmogelijkheden die ze ook in de huidige bestemmingsplannen hebben. Dat komt neer op de bestaande oppervlakte gebouwen met daarbij een percentage van deze oppervlakte als uitbreidingsruimte. Deze wordt als maximaal te bebouwen oppervlakte in m2 in het omgevingsplan opgenomen. Uitgangspunten De bedrijfsactiviteiten worden meer algemeen toegestaan, waardoor bedrijven met een vergelijkbare gebruiksruimte maar andere functie ook mogelijk worden op de bedrijfslocatie. De gebruiksruimte van bedrijfsactiviteiten wordt begrensd door normen voor o.a. geluid, geur en trillingen.
3.5. Detailhandelsactiviteiten De omgevingsvisie geeft aan dat de meeste vormen van detailhandel functies zijn met een grote gebruiksruimte, bijvoorbeeld door de grote verkeersaantrekkende werking. Deze functies zijn dan ook niet overal toegestaan. De meeste detailhandel in Buren is binnenstedelijk (in de dorpen) gevestigd. In het buitengebied komen over het algemeen alleen detailhandelsactiviteiten voor die vanwege specifieke ruimtelijke wensen niet binnenstedelijk gevestigd kunnen worden. Het beleid is dat detailhandel in de dorpen wordt geconcentreerd en daarom wordt detailhandel alleen op de bestaande locaties en specifiek geregeld. Vanwege de gebruiksruimte van bestaande detailhandelsfuncties worden deze niet overal toegestaan en daarmee niet veralgemeniseerd. De detailhandelsfuncties blijven deze specifiek geregeld. Alleen voor productie gebonden detailhandel als nevenactiviteit bij (agrarische) bedrijven komt een algemene regeling.
Uitgangspunten De bestaande detailhandel wordt specifiek geregeld. Bij bedrijven wordt aan de activiteit gerelateerde detailhandel toegestaan.
17
3.6. Horeca-activiteiten De omgevingsvisie zet in op een sterk aanbod aan voorzieningen voor de lange termijn, om zo de leefkwaliteit te versterken. Met sterke voorzieningen kiezen we voor voorzieningen, die laagdrempelig zijn en bijdragen aan de sociale cohesie enerzijds en voor hoogwaardige voorzieningen met een groot bereik anderzijds. Met dit speerpunt geven we aandacht aan de veranderende samenstelling van de bevolking en de veranderende wensen in de samenleving. Onze hoofdkeuze is dat we binnen het vermogen en de invloed van de gemeente voorzieningen laten mee veranderen met deze veranderingen in de samenleving. Gemeente breed sturen we op de kwaliteit en bereikbaarheid van voorzieningen. Horeca-activiteiten zijn momenteel nog specifiek geregeld in de bestemmingsplannen. Om uniformiteit aan te brengen in het omgevingsplan wordt gekozen voor het werken met categorieën van horecaactiviteiten. De staat van horeca-activiteiten voor het buitengebied is gedateerd en ook de huidige staat voor kernen sluit niet aan bij de praktijk. Er is behoefte van een nieuwe staat van horecaactiviteiten op basis van het huidige beleid. Dit biedt meer flexibiliteit om een andere horecazaak toe te laten zonder dat de impact op de omgeving vergroot wordt.
Dit sluit aan bij de Omgevingsvisie waar wij het voorzieningen aanbod in de gemeente op peil willen houden en laten mee veranderen met deze veranderingen in de samenleving. Het in stand houden van het voorzieningenaanbod is geen gegeven. Uitgangspunt We werken een nieuwe staat van horeca-activiteiten uit.
3.7. Maatschappelijke activiteiten Ook de maatschappelijke activiteiten zijn momenteel nog specifiek geregeld. Deze willen we ook veralgemeniseren in verschillende categorieën, vooruitblikkend naar het bijvoegen van deelgebied kernen in het omgevingsplan. Dit doen we door aan te sluiten bij de effecten op de fysieke leefomgeving van een maatschappelijke activiteit, meer dan door te sturen op functie zelf. Ook hier geldt dat wij voorzieningen willen behouden en laten mee veranderen met de veranderingen in de samenleving. Het veralgemeniseren in verschillende categorieën sluit daarbij aan.
Uitgangspunt We werken categorieën van maatschappelijke activiteiten uit.
3.8. Woonactiviteiten De huidige bestemmingsplannen hebben als uitgangspunt dat een woning voor één huishouden is bestemd. Dat betekent dat verkameren, dat wil zeggen het opsplitsen van een woning in meerdere zelfstandige of onzelfstandige eenheden, niet is toegestaan. Dit uitgangspunt is bekrachtig in het Beleidskader huisvesting arbeidsmigranten dat op 23 april 2024 door de raad is vastgesteld. In het omgevingsplan wordt dit ook vastgelegd. Het huidige bestemmingsplan Buitengebied 2009 geeft de mogelijkheid een monument te splitsen. In het omgevingsplan wordt deze regeling overgenomen en uitgebreid naar de mogelijkheid om alle woningen te splitsen. In het buitengebied komen vaak grote panden voor en voor zover de inhoud niet wordt vergroot bestaat geen bezwaar tegen splitsing. Omdat de gemeente streeft naar betaalbare woningen is splitsing naar meerdere woningen denkbaar, immers een kleinere woning is eerder een betaalbare woning. Wel wordt een ondergrens van 250 m3 per woning aangehouden en geldt de voorwaarde dat één van de gesplitste woningen door de oorspronkelijke eigenaar wordt bewoond. Uitgangspunten Verkameren van woningen in zelfstandige of onzelfstandige wooneenheden is niet mogelijk.
In het omgevingsplan wordt het splitsen van woningen mogelijk mits de gesplitste woningen een minimale inhoud van 250 m3 hebben en de inhoud van het oorspronkelijke pand niet wordt vergroot.
18
3.9. Aanlegactiviteiten In de omgevingsvisie kiezen we voor het bewaren van ons typische rivierenlandschap in al haar verscheidenheid. We zetten de tijd niet stil en geven ook ruimte aan (economische) dynamiek, maar deze dynamiek moet passen bij de kenmerken van het landschap en hier waar mogelijk aan bijdragen. Het bewaren van ons landschap gaat niet vanzelf, het heeft aandacht nodig en nieuwe impulsen. Daarom is de basis van onze visie op het landschap: werken aan kwaliteit. Zo zetten we in op het verfraaien van het landschap, het verbinden van natuurgebieden, vasthouden van water en beschermen van ons erfgoed. Met werken aan kwaliteit dragen we bij aan een duurzame toekomst en een aantrekkelijk buitengebied. De omgevingsvergunningen die voor aanlegactiviteiten zijn opgenomen in het huidige bestemmingsplan zijn ingestoken om de fysieke leefomgeving te beschermen bij bepaalde ingrepen. Het gaat dan om bijvoorbeeld ingrepen als het rooien van bomen of graven in de grond of dempen van watergangen. De regels behorende bij aanlegactiviteiten zijn allen vervat in een vergunningenstelsel en beschermen de fysieke leefomgeving op de thema’s: archeologie, leidingen, waterkeringen, landschap. Om dit vergunningenstelsel begrijpelijk te houden voor de burger en behapbaar vanuit het ambtelijk apparaat is de insteek om het aanlegvergunningenstelsel klein en beperkt te houden.
Het stelsel dient als vangnet om ongewenste activiteiten met negatieve invloed op de fysieke leefomgeving tegen te kunnen gaan. Afhankelijk van de omvang en invloed van verschillende werken wordt een differentiatie gemaakt tussen vergunningsvrije, meldingsplichtige en vergunningsplichtige aanlegactiviteiten.
Uitgangspunt Voor aanlegactiviteiten gaan we uit van een differentie naar vergunningsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten. De mate van regulering is afhankelijk van de mogelijke impact van de activiteiten op de waarden van landschap, bodem, cultuurhistorie en natuurwaarden.
3.10. Bouwactiviteiten De regels in het omgevingsplan gaan expliciet over de ruimtelijke bouwactiviteit. De technische bouwactiviteiten zijn geregeld in het Bbl. In het Bbl staan de regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloop-werkzaamheden. Het Bbl regelt activiteiten bijna volledig. Daarnaast heeft het Bbl beperkte mogelijkheden voor maatwerkregels of maatwerkvoorschriften. De technische aspecten van bouwactiviteiten worden daarmee afgedekt door het Bbl. Daarnaast mag de gemeente ruimtelijke voorwaarden stellen aan bouwactiviteiten in het omgevingsplan. Regels in het omgevingsplan over ruimtelijke bouwactiviteiten bepalen of een bouwwerk op een locatie gebouwd mag worden en zo ja, onder welke randvoorwaarden (bijvoorbeeld bouwhoogte of bouwvlak). Tevens regelt het omgevingsplan het toegestane gebruik van een bouwwerk, bijvoorbeeld wonen. In het omgevingsplan moeten wij de onderstaande regels zoals we die nu kennen voor ruimtelijke bouwactiviteiten integreren en op elkaar afstemmen: de regels uit de vigerende bestemmingsplannen; de regels voor bouwactiviteiten uit de bruidsschat; welstandsnota 2021; beleidsregels bestemmingsplanafwijkingen.
Kleine windmolens De gemeenteraad heeft op 25 april 2023 een beleid voor kleine windmolens vastgesteld. De mogelijkheid om kleine windmolens tot een tiphoogte van 25 meter te realiseren wordt opgenomen in de regels van het omgevingsplan. Een kleine windmolen wordt vergunningplichtig zodat getoetst kan worden aan de uitgangspunten van het beleidskader en aspecten van externe veiligheid. 19
Uitgangspunten We hanteren de bouwvlakmethodiek vergelijkbaar met de huidige bestemmingsplannen. Hoofdgebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd. In de vigerende bestemmingsplan zijn agrarische hulpgebouwen binnenplans te realiseren. In het omgevingsplan staan we agrarische hulpgebouwen buiten een bouwvlak niet langer binnenplans toe. Dat houdt in dat de realisatie van agrarische hulpgebouwen alleen met een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden mogelijk gemaakt. Daar waar dat mogelijk is en alleen bouwregels met gesloten normen (bijvoorbeeld maximale bouwhoogte) worden opgenomen, hanteren we geen vergunningplicht maar nemen we om zicht te houden op bouwactiviteiten wel een meldingsplicht op. Daar waar getoetst wordt op welstand en dit een kwalitatieve beoordeling is (geen sneltoetscriteria die als gesloten norm kunnen worden opgenomen) wordt een vergunningplicht gehanteerd. De huidige Beleidsregels bestemmingsplanafwijkingen (kruimelgevallen beleid) worden zoveel mogelijk geïntegreerd in de regels voor vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken zoals we die nu kennen en deze opgenomen zijn in de bruidsschat. De bouw van een kleine windmolen wordt met een omgevingsvergunning mogelijk gemaakt.
3.11. Gebruiksruimte van activiteiten Het omgevingsplan kent een bredere reikwijdte dan we dat van het bestemmingsplan kennen. Een aantal milieu gerelateerde regels zijn niet meer op rijksniveau geregeld. Voor de betreffende regels is het aan de gemeente te bepalen op welke wijze deze regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Het Bkl geeft voor deze thema’s wel instructies wat we moeten en mogen regelen. Binnen de kaders van deze instructies zijn de uitgangspunten voor d volgende thema’s bepaald: Geluid. Trillingen. Geur. Bodem. Luchtkwaliteit. Externe veiligheid. Spuitzones. Lichthinder. De omgevingsvisie zet in op een gezonde leefomgeving om (sociale en fysieke) gezondheidsklachten te verminderen, de gezondheidszorg binnen onze gemeente goed te houden, de groeiende groep ouderen langer in een goede gezondheid te laten leven en in te spelen op veranderingen in het klimaat. We willen op allerlei gezondheidsaspecten graag minimaal op het landelijk gemiddelde scoren en liefst daarboven. En daar ligt onze opgave. We willen vol inzetten op het stimuleren van gezond gedrag, zodat de groeiende groep ouderen langer fit, in goede gezondheid en zelfstandig kunnen leven. De langere droge en warme periodes, die we als gevolg van klimaatverandering steeds vaker zullen meemaken geeft gezondheidsrisico’s bij een aantal doelgroepen.