20200929 Rapport Van Montfoort
Tekst van het document
JEUGDZORG B UREN ONDER DE LOEP O NDERZOEK NAAR DE OORZAKEN VAN HET TEKORT OP DE JEUGDZORG IN 2018 IN DE GEMEENTE B UREN
Woerden, 13 september 2019 Luci Torregrosa Jutta Verduin Sijko Wierenga
vanmontfoort.nl
Colofon © VanMontfoort In opdracht van Gemeente Buren
Woerden, 13 september 2019 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande toestemming van VanMontfoort. Bij overname is bronvermelding verplicht.
vanmontfoort.nl
2
Inhoudsopgave 1
Inleiding en achtergrond ....................................................................................................... 4
2
Bevindingen ............................................................................................................................ 5
2.1
Welke verwijzers zitten achter de categorie ‘onbekend’? ...................................................... 5
2.2
Wat zijn de belangrijkste trends? ........................................................................................... 8
2.3
Wie zijn de duurste zorgaanbieders en wat valt daarbij op? ............................................... 19
2.4
Wat zijn de duurste casussen en kan het goedkoper? ........................................................ 20
2.5
Bij langdurige jeugdhulp: is Wlz-bekostiging mogelijk? ....................................................... 20
2.6
Welk deel van het over 2018 geconstateerde tekort heeft betrekking op jeugdzorg die in 2017 is verleend? ................................................................................................................ 22
2.7
Wat zijn de verplichtingen over 1 januari en 1 juli 2019? .................................................... 24
3
Samenvatting en reflectie .................................................................................................... 26
3.1
Welke verwijzers zitten achter de categorie ‘onbekend’? .................................................... 26
3.2
Wat zijn de belangrijkste trends? ......................................................................................... 26
3.3
Wie zijn de duurste zorgaanbieders en wat valt daarbij op? ............................................... 27
3.4
Wat zijn de duurste casussen en kan het goedkoper? ........................................................ 28
3.5
Bij langdurige jeugdhulp: is Wlz-bekostiging mogelijk? ....................................................... 28
3.6
Welk deel van het over 2018 geconstateerde tekort heeft betrekking op jeugdzorg die in 2017 is verleend? ................................................................................................................ 29
3.7
Wat zijn de verplichtingen over 1 januari en 1 juli 2019? .................................................... 29
3.8
Overige punten .................................................................................................................... 29
4
Advies .................................................................................................................................... 31
4.1
Beleid ................................................................................................................................... 31
4.2
Sturing op de inhoud én budgetuitputting ............................................................................ 32
4.3
Organisatie .......................................................................................................................... 33
4.4
Welk budget is toereikend voor Buren? ............................................................................... 35
Bijlage I: verantwoording onderzoeksaanpak ............................................................................. 36 Bijlage II: gedetailleerde omschrijving berichtenverkeer ad 1. ................................................. 37 Bijlage III: tabellen ad 2. ................................................................................................................. 38 Bijlage IV: doorlopen stappen ad 6 .............................................................................................. 60 Bijlage V: begrippenlijst ad 7. ....................................................................................................... 61
vanmontfoort.nl
3
1
Inleiding en achtergrond
De gemeente Buren heeft over 2018 een tekort op de jeugdzorg geconstateerd van €1,2 miljoen. Op verzoek van de gemeente heeft Van Montfoort begin juni 2019 een QuickScan uitgevoerd om samen met de gemeente zichtbaar te maken waardoor dit tekort is veroorzaakt. De QuickScan heeft geen quick wins opgeleverd, in de zin dat de gemeente met een paar simpele maatregelen kan voorkómen dat in 2019 en de volgende jaren weer een tekort optreedt. De QuickScan heeft wél een aantal voorlopige constateringen opgeleverd: (1) er is weinig inzicht in het onderhanden werk, (2) de betrouwbaarheid van de cijfers is niet gegarandeerd, (3) het is onduidelijk wat de waarde is van de zorg die in 2018 is geleverd en (4) de gemeentelijke toegang is nog weinig ontwikkeld en onvoldoende stabiel. Daarom is Van Montfoort gevraagd om nader onderzoek te doen, zodat duidelijker wordt hoeveel budget daadwerkelijk voor jeugdzorg is ingezet, wat ervoor is gebeurd en of dat ook anders, wellicht goedkoper had gekund. Verder heeft de raadswerkgroep ‘jeugdzorg’ op 29 augustus 2019 Van Montfoort verzocht een advies te geven over het aan jeugdhulp te besteden budget en hoe de gemeente binnen dat budget goede jeugdzorg kan bieden. Leeswijzer De opbouw van dit rapport is als volgt: hoofdstuk 2 begint met de onderzoeksvragen. Vervolgens wordt per onderzoeksvraag ingegaan op de gebruikte methoden1 en onze bevindingen.
Hoofdstuk 3 bevat de samenvatting van deze bevindingen, de geconstateerde knelpunten en een nadere reflectie daarop. Tenslotte bevat hoofdstuk 4 het advies over de manier waarop de gemeente meer grip kan krijgen op de uitvoering van de jeugdzorg, aangevuld met het gevraagde advies over het budget en het bieden van goede jeugdzorg binnen dit budget. Om de leesbaarheid te vergroten, wordt in het rapport meerdere keren verwezen naar de bijlagen voor aanvullende informatie over bepaalde onderwerpen. Indien in de tekst verwezen wordt naar Stib (Sterk in de buurt) bedoelen wij hiermee de jeugdmedewerkers, tenzij in de tekst wordt gerefereerd naar een andere afdeling.
1
Een uitgebreide verantwoording van de onderzoeksmethoden staat in de bijlagen.
vanmontfoort.nl
4
2
Bevindingen
Het onderzoek naar de inzet van het budget voor de jeugdzorg heeft plaatsgevonden aan de hand van de volgende vragen: 1.
In de QuickScan bleek voor een bedrag van bijna één miljoen euro onduidelijk welke verwijzer achter de beschikking zit. Daarom is de eerste vraag: Welke verwijzers zitten er achter de categorie ‘onbekend’?
2.
Welke trends (soort hulp, aanbieder) zijn waarneembaar in verwijzingen door gemeentelijke toegang, huisartsen/andere medici en jeugdbeschermers?
3.
Wie zijn de 5 meest kostbare zorgaanbieders in 2018 en wat valt op?
4.
Wat zijn de 10 meest kostbare casussen en zijn er mogelijkheden daarop te besparen?
5.
Van de meerjarige hulp: is Wlz bekostiging mogelijk?
6.
Van de in 2018 betaalde facturen: in welk jaar is de hulp daadwerkelijk verleend?
7.
Wat is het (gespecificeerde) bedrag van de verplichtingen per 1 januari 2019 en per 1 juli 2019?
Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen is gebruik gemaakt van twee verschillende databronnen die de gemeente beschikbaar heeft gesteld: 1.
Het registratiesysteem van de gemeente (Aeolus).
2.
Het dashboard dat de regio aan de gemeenten beschikbaar stelt (INITI8)2.
Per onderzoeksvraag wordt kort uitgelegd van welke databron gebruik is gemaakt en hoe de bevindingen zijn gegenereerd. In Bijlage I staat een verdere toelichting op de gebruikte onderzoeksmethoden.
2.1
Welke verwijzers zitten achter de categorie ‘onbekend’?
Voor deze vraag is gebruik gemaakt van gegevens uit Aeolus. Zowel de toewijzingen uit 2018 (§ 2.1.1) als uit 2019 (§ 2.1.2) zijn onderzocht. De reden om ook toewijzingen uit 2019 te onderzoeken, is dat in de beginfase van het onderzoek bleek dat ook in 2019 de verwijzer niet altijd bekend is. Dit ondanks de verplichting per 1 januari 2019 om in het verzoek om toewijzing jeugdhulp via het berichtenverkeer, het veld met de verwijzer in te vullen. Een gedetailleerde omschrijving van de werking van het berichtenverkeer is opgenomen in Bijlage II. 2.1.1 Afgeronde toewijzingen 2018 Er is voor gekozen om niet alle verwijzers te achterhalen, maar slechts een deel. De selectie is als volgt gedaan: per jeugdzorgperceel is het gemiddelde toegewezen bedrag berekend van het totaal aantal toewijzingen dat in 2018 is afgerond en waarvan de verwijzer onbekend is. Alle toewijzingen waarvan het toegewezen bedrag hoger is dan het gemiddelde toegewezen bedrag zijn in het onderzoek meegenomen. In de laatste kolom van tabel 1 staat per perceel hoeveel toewijzingen
2
Belangrijk: hiervoor is gebruik gemaakt van de gegevens die in Initi8 worden geüpload, niet de gegevens die het dashboard presenteert.
vanmontfoort.nl
5
aan dit criterium voldoen. Deze zijn vervolgens onderzocht. In figuur 1 is per perceel af te lezen wie de onbekende verwijzers zijn.
Perceel3
Totaal aantal afgeronde
Gemiddelde
toewijzingen 2018
toegewezen bedrag
Aantal toewijzingen
>
gemiddelde
Residentiele hulp4
8
€
47.836
8
Pleegzorg
15
€
15.654
15
Jeugd Ambulant
98
€
9.209
30
Jeugd GGZ
170
€
12.071
52
Tabel 1 – Onbekende verwijzers in afgeronde toewijzingen 2018.
50 45 40 Medisch specialist 35
Jeugdarts
30
Huisarts
25
GI
20
Gemeente
15
Geen
10
Overgangsrecht
5 0 Ambulant
Residentieel
Jeugd GGZ
Pleegzorg
Figuur 1 – Overzicht onbekende verwijzers in afgeronde toewijzingen 2018.
Figuur 1 toont een aantal uitschieters, de grootste in het perceel ‘Jeugd-GGZ’. De huisartsen blijken in dit perceel veruit de grootste onbekende verwijzer. De gemeente blijkt zelf de grootste onbekende verwijzer te zijn in het perceel ‘Ambulant’, gevolgd door de medisch specialist. Ook in het perceel ‘Residentieel’ is de gemeente de grootste onbekende verwijzer, al is het verschil met de andere verwijzers daar kleiner. In het perceel ‘Pleegzorg’ is geen duidelijke uitschieter. De GI verwijst net iets vaker dan de gemeente. Toelichting op de legenda Medisch specialist, jeugdarts, huisarts, GI Deze spreken voor zich. Gemeente Ouders kunnen zich wenden tot de gemeente om hulp. Jeugdmedewerkers van Stib gaan dan met ouders in gesprek en stellen al dan niet een gezinsplan op. Daaropvolgend wordt wel of niet een voorziening toegewezen. De gemeente is in deze dan zelf de verwijzer. 3 De casussen die vallen onder de percelen ‘Landelijke Inkoop jeugdzorg’ en ‘Jeugdbescherming drang en dwang’ zijn niet
in dit onderzoek meegenomen, omdat in die percelen de verwijzer in de meeste gevallen bekend is. 4 Omdat het totaal aantal toewijzingen voor de percelen ‘Residentiele hulp’ en ‘Pleegzorg’ relatief lager is dan de toewijzingen voor de percelen ‘Ambulant’ en ‘Jeugd GGZ’ is ervoor gekozen om alle toewijzingen van de eerste twee percelen mee te nemen in het onderzoek.
vanmontfoort.nl
6
Geen Met de categorie ‘’geen’’ wordt bedoeld dat er in die toewijzingen officieel geen verwijzer is. Het gaat in die toewijzingen om: -
Verhoging van inzet (meer uren) van een bestaande beschikking.
-
Beëindiging van een beschikking in verband met een contractwijziging. Bij een beëindiging is geen verwijzer betrokken.
-
De zorg is met een aantal dagen administratief verlengd (correctie op verzoek van de zorgaanbieder). Bij de eerste inzet is wel een verwijzer betrokken geweest.
Dergelijke zaken bespreekt de juridisch kwaliteitsmedewerker van de gemeente Buren met jeugdmedewerkers van Stib. De juridisch kwaliteitsmedewerker stelt vervolgens een rapportage op waarin wordt uitgelegd waarom ervoor gekozen is om de gevraagde hulp in te zetten. Bewijsstukken (e-mails e.d.) worden in het dossier bijgevoegd. Overgangsrecht De categorie ‘overgangsrecht’ is gecreëerd naar aanleiding van de transitie. Sinds 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de Jeugdzorg. ‘’In hoofdstuk 10 van de Jeugdwet is geregeld dat de rechten en verplichtingen die vóór 1 januari 2015 golden met betrekking tot verwijzingen en indicaties voor vormen van zorg of jeugdzorg en die vanaf 1 januari 2015 onder de Jeugdwet vallen, blijven gelden. Zij gelden dan jegens de gemeente waarbinnen de betreffende jeugdige zijn woonplaats in de zin van de Jeugdwet heeft. Dit overgangsrecht geldt tot 1 januari 2016. Als het een indicatiebesluit betreft waarin is vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg, dan eindigt het overgangsrecht niet per 1 januari 2016, maar geldt het voor de duur die is vastgesteld in het betreffende indicatiebesluit. In het uiterste geval kan dit betekenen dat de pleegzorg op basis van dat indicatiebesluit doorloopt tot het pleegkind 18 jaar wordt.’’ 5 Dit is de achtergrond voor het feit dat deze toewijzingen geen sprake van een verwijzer.
2.1.2 Toewijzingen 2019 Er is voor gekozen om de toewijzingen uit de eerste twee kwartalen van 2019 te onderzoeken. Vanwege het relatief kleine aantal toewijzingen uit 2019 zijn alle toewijzingen meegenomen in het onderzoek. In de onderstaande tabel is het aantal toewijzingen per perceel weergegeven.
Perceel
Gemiddelde toegewezen
Totaal aantal toewijzingen 2019
bedrag
Residentiele hulp
0
€
-
Pleegzorg6
1
€
1.889
Jeugd Ambulant
4
€
2.556
Jeugd GGZ
16
€
5.032
Tabel 2 – Onbekende verwijzers in toewijzingen t/m juni 2019.
5 VNG (2016) Factsheet: Continuïteit van jeugdhulp na afloop van het overgangsrecht per 2016. Zie:
https://vng.nl/factsheet-continuiteit-van-jeugdhulp-na-afloop-van-het-overgangsrecht-per2016#Jeugdhulp_in_2015_op_grond_van_het_overgangsrecht 6 Omdat het totaal aantal toewijzingen voor de percelen pleegzorg en jeugd ambulant relatief lager is dan de toewijzingen voor het perceel jeugd GGZ is ervoor gekozen om alle toewijzingen van de eerste twee percelen mee te nemen in het onderzoek.
vanmontfoort.nl
7
Net als in 2018, zijn ook in 2019 de huisartsen voor het perceel ‘Jeugd GZZ’ (vooralsnog) de meest voorkomende onbekende verwijzers (n=10), gevolgd door de medisch specialisten (n=3) en de jeugdartsen (n=2). De GI blijkt éénmaal de onbekende verwijzer te zijn. Ook in het perceel ‘Ambulant’ zijn de vier onbekende verwijzers een huisarts, een jeugdarts, een medisch specialist en een GI. In het perceel ‘Pleegzorg’ is de GI de enige onbekende verwijzer.
2.2
Wat zijn de belangrijkste trends?
De tweede vraag in dit onderzoek heeft betrekking op de trends in kosten, het aantal toewijzingen en de aanbieders over de periode 2017, 2018 en het eerste half jaar van 2019. Voor het trendonderzoek was het belangrijk om te weten in welk jaar de hulp is verleend. Dit is gelukt door gegevens uit verschillende informatiebestanden met elkaar te combineren (zie ook paragraaf 2.6). De resultaten staan in figuren weergegeven, de volledige gegevens zijn ook terug te vinden in Bijlage III. De ontwikkelingen over 2019 zijn gepresenteerd voor zover ze bekend waren op 31 juli 2019. 2.2.1 Ontwikkeling van de kosten per taakveld, productcategorie en product In de figuren 2, 3 en 4 is de kostenontwikkeling weergegeven over de periode van 2017, 2018 en het eerste half jaar van 2019. De kosten worden weergegeven per taakveld, productcategorie en product. Taakveld De taakvelden zijn ‘Geëscaleerde zorg 18- ‘7, ‘Landelijk Jeugd’8, en ‘Maatwerkdienstverlening 18‘9. De taakvelden zijn in beschikbare informatiebronnen niet gespecificeerd. Daarom is na overleg met de administratie van Stib een verdeling gemaakt, dit op basis van de productcategorieën die de gemeente hanteert. De verdeling is opgenomen in Bijlage III.
x 1.000
De kostenverdeling is weergegeven in figuur 2. € 5.000 € 4.000 € 3.000 € 2.000 € 1.000 €Geëscaleerde zorg 18-
2017
Landelijk Jeugd
2018
Maatwerkdienstverlening 18-
2019
Figuur 2 – Kostenontwikkeling per taakveld.
7
Tot dit taakveld behoren maatregelen gericht op de opvang en het verbeteren van de veiligheid van kinderen en jeugdigen 18-. Voor meer informatie, zie https://www.buren.nl/gemeente/taakvelden/geescaleerde-zorg-18-2/ 8 Dit taakveld heeft betrekking op de afname van specialistische jeugdzorg volgens een landelijke raamovereenkomst. Voor meer informatie, zie https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/landelijke-inkoop-jeugdzorg 9 Tot dit taakveld behoren vormen van jeugdhulp die door de gemeente als individuele (niet vrij toegankelijke) voorziening worden aangemerkt. Voor meer informatie, zie https://www.buren.nl/gemeente/taakvelden/maatwerkdienstverlening-18-2/
vanmontfoort.nl
8
De kosten hebben zich als volgt ontwikkeld: -
In 2017 is er voor €3.481.700,- aan kosten gemaakt voor toewijzingen die geregistreerd zijn als geleverd en betaald. Daarvan was €233.245,- voor ‘Geëscaleerde zorg 18-’. Voor ‘Landelijk Jeugd’ is in 2017 niets uitgegeven.
-
In 2018 zijn de kosten voor toewijzingen gestegen naar €5.141.408,- (+48%). De grootste stijger hierin is het taakveld ‘Maatwerkdienstverlening 18-’ van €3.248.455,- naar €4.428.614,-. Dit jaar werd tevens €192.513,- uitgegeven voor ‘Landelijk Jeugd’ en €520.281,- voor ‘Geëscaleerde zorg 18-’.
-
In het eerste halfjaar van 2019 is €1.673.095,- geleverd en betaald, waarvan €1.509.897,voor ‘Maatwerkdienstverlening 18-’, €13.472,- voor ‘Landelijk Jeugd’ en €149.726,- voor ‘Geëscaleerde zorg’.
Hierbij valt op dat de kosten voor het taakveld ‘Maatwerkdienstverlening 18-’ sterk zijn toegenomen over de jaren heen. Productcategorie Gezien de grote spreiding van de kosten over de productcategorieën hebben wij ervoor gekozen om alleen de categorieën in figuur 3 mee te nemen die over de periode 2017-2019 gezamenlijk meer dan €100.000,- aan kosten hebben10. De gehele lijst met productcategorieën en de daarbij horende kosten zijn in Bijlage III opgenomen. Jeugdhulp ambulant Jeugd-ggz Jeugdhulp verblijf (excl. behandeling) Jeugdhulp verblijf (incl. behandeling) Jeugdbescherming Specialistische ggz Dagbehandeling Landelijk ingekochte zorg Generalistische basis-ggz ZV: ambulante jeugdhulp op locatie aanbieder Jeugdhulp crisis
€2019
€ 500 2018
€ 1.000 2017
€ 1.500
€ 2.000
x 1.000
Figuur 3 – Kostenontwikkeling per productcategorie11.
Er zijn een aantal in het oog springende kostenontwikkelingen: -
Jeugdhulp ambulant is de grootste post voor zowel 2017 (€1.341.705,-) als 2018 (€1.900.080,-).
-
De kosten voor de Jeugd-GGZ laten een sterke groei zien (2017: €20.212,-; 2018 €1.212.228,-), terwijl de Specialistische GGZ en Generalistische Basis-GGZ juist een sterke daling vertoont (S-GGZ: 2017: €528.716,-, 2018: € 10.071; Gen. Basis-GGZ, 2017: €158.179,-, 2018: €10.538,-). Ondanks nader onderzoek is onduidelijk gebleven in hoeverre er een oorzakelijk verband is tussen deze stijging resp. daling.
10 11
5% van het grootste gezamenlijke bedrag. ZV staat voor ‘zonder verblijf’.
vanmontfoort.nl
9
-
Jeugdhulp Crisis is van €14.936,- in 2017 gestegen naar €97.611,- in 2018. In 2019 zijn nog geen declaraties ontvangen.
-
Er is in 2018 meer landelijke zorg ingekocht (€192.513,-). Voor 2019 is er aan €13.472,gedeclareerd. In 2017 zijn er voor deze categorie geen kosten gemaakt.
-
Voor ‘Dagbehandeling’ zijn alleen in 2019 kosten gemaakt (€285.680,-). Dit kan het gevolg zijn van een hercodering van productcategorieën die per 1 januari 2019 is doorgevoerd. Er valt echter niet te herleiden onder welke productcategorie deze kosten in voorgaande jaren zouden zijn ondergebracht.
Producten Figuur 4 zoomt verder in op het niveau van producten, waarbij alleen de producten zijn meegenomen die aan hetzelfde criterium voldoen dat geldt voor productcategorieën (over de periode 2017-2019 gezamenlijk meer dan €100.000,- aan kosten). De gehele lijst met producten en de daarbij horende kosten zijn in Bijlage III opgenomen. Wij geven een toelichting over trends van andere producten indien deze opvallen.12 Over het verloop van de producten kan het volgende gezegd worden: -
In 2017 is voor 103 verschillende producten betaald.
-
In 2018 is voor 60 verschillende producten betaald, waarvan 20 nieuwe ten opzichte van 2017.
-
In het eerste half jaar van 2019 is voor 40 verschillende producten betaald. 54002 JGGZ Behandeling specialistisch 3R101 Residentieel in de wijk licht 5R101 Pleegzorg 2R202 Behandeling midden 2R103 Begeleiding zwaar 2R102 Begeleiding midden 3R203 (Besloten) 3 milieuvoorziening LVB 4 3R103 Residentieel in de wijk zwaar 2R302 Behandeling groep midden 48B01 OTS > 1 jaar 48B00 OTS < 1 jaar 54001 JGGZ Behandeling generalistisch 48B02 Voogdij 2R403 Dagbesteding groep zwaar 44A08 Gezinshuis; regulier 2R402 Dagbesteding groep midden 41A03 Jeugdhulpbehandeling Regulier Individueel 2R101 Begeleiding licht 3R202 Behandelgroep intensief L0123 Diagn., observ. & expl. behandeling 4 LVG 44A07 Pleegzorg 5R102 Pleegzorg met beperking €-
2019
€ 200
2018
2017
€ 400
€ 600
€ 800
€ 1.000
x 1.000
Figuur 4 - Kostenontwikkeling per product.
12 Er moet rekening gehouden worden met een hercodering van een aantal producten per 1 januari 2019 waardoor
producten onder twee verschillende codes in het systeem kunnen staan. Voor de meerderheid kunnen we niet met zekerheid zeggen dat de inhoud van het product onveranderd zijn gebleven. Daarom hebben wij ervoor gekozen om deze producten niet samen te voegen maar individueel mee te nemen. We zullen de gehercodeerde producten wel beschrijven in combinatie met de ‘oude’ codes.
vanmontfoort.nl
10
In figuur 4 vallen de volgende producten op: -
De stijging bij ‘JGGZ Behandeling specialistisch’ (2017: geen kosten; 2018: €875.000,-; 2019: meer dan €300.000,-).
-
De stijging bij ‘Begeleiding zwaar’ (2017: €171.883,-; 2018: €417.141,-).
-
De stijging bij ‘JGGZ Behandeling generalistisch’ (2017: geen kosten; 2018: €169.685,-; 2019: €37.596,-).
-
‘Diagnostiek, observatie en exploratieve behandeling’ heeft alleen over 2018 kosten van €133.314,-. In 2017 is het product niet gebruikt en voor 2019 zijn er nog geen kosten gedeclareerd.
Van de producten die in de figuur alleen kosten voor 2019 hebben, zijn er drie die in 2018 onder één of meer andere productnamen bekend waren: -
‘44A08 Gezinshuis regulier’ is het gehercodeerde product voor: ‘3R101 Residentieel in wijk licht’ en/of ‘3R102 Residentieel in wijk midden’.
-
‘41A03 Jeugdhulpbehandeling Regulier Individueel’ is het gehercodeerde product voor ‘2R201 Behandeling licht’ en/of ‘2R202 Behandeling midden’.
-
‘44A07 Pleegzorg’ is het gehercodeerde product voor ‘5R101 Pleegzorg’ en ‘5R102 Pleegzorg met een beperking’.
Van de producten die niet in het figuur zijn meegenomen, springen er een aantal uit: -
‘Beschermd wonen midden Jeugd’ (2017: €80.508,-; 2018 & 2019: geen kosten gedeclareerd);
-
‘JGGZ Diagnostiek’ (2017: geen kosten; 2018: €59.021,-);
-
‘Jeugdhulpbehandeling Specialistisch Individueel’ (2019: €74.239,-). Dit was voor de hercodering het product ‘2R205 Behandeling zwaar’ (2018: €13.168,-).
2.2.2 Ontwikkeling van het aantal toewijzingen per taakveld, productcategorie en product In de figuren 5, 6 en 7 staat het aantal toewijzingen over de periode van 2017, 2018 en het eerste half jaar van 2019 weergegeven per taakveld, productcategorie en product. Om tot het aantal toewijzingen te komen is er in de data gefilterd naar het aantal beschikkingen en niet op unieke cliënten. Een cliënt kan namelijk meerdere beschikkingen hebben (gehad). Taakveld Voor het beantwoorden van de vraag met betrekking tot de ontwikkeling in het aantal toewijzingen per taakveld wordt dezelfde indeling gehanteerd als voor de kostenontwikkeling per taakveld (paragraaf 3.2.1). Daaruit volgt figuur 5.
vanmontfoort.nl
11
8000 6000 4000 2000 0 Geëscaleerde zorg 18-
Landelijk Jeugd
2017
2018
Maatwerkdienstverlening 18-
2019
Figuur 5 – Ontwikkeling in aantal toewijzingen per taakveld.
Allereerst valt op dat het aantal toewijzingen over de jaren heen sterk is gestegen: -
In 2017 zijn er in totaal 4052 toewijzingen afgegeven (Maatwerkdienstverlening 18-: 3717; Landelijk Jeugd; 0; Geëscaleerde zorg 18-: 335).
-
In 2018 is het totaal aantal toewijzingen gestegen naar 8158, een stijging van 101% (Maatwerkdienstverlening 18-: 7191; Landelijk Jeugd: 109; Geëscaleerde zorg 18-: 858).
-
In het eerste half jaar van 2019 zijn er in totaal 3130 toewijzingen afgegeven (Maatwerkdienstverlening 18-: 2879; Landelijk Jeugd: 12; Geëscaleerde zorg 18-: 239).
-
Hierbij gaat het in 2017 om 639 unieke cliënten, in 2018 om 764 en in het eerste halfjaar van 2019 om 488 cliënten.
Productcategorie Voor het aantal toewijzingen per productcategorie worden alleen de categorieën meegenomen die in de periode 2017-2019 gezamenlijk meer dan 17013 toewijzingen hebben. Indien de resterende categorieën een interessante ontwikkeling laten zien, lichten wij deze toe. De gehele lijst met productcategorieën en de daarbij horende aantallen zijn in Bijlage III opgenomen. Jeugdhulp ambulant Jeugd-ggz Jeugdbescherming Dagbehandeling Jeugdhulp verblijf (incl. behandeling) Jeugdhulp verblijf (excl. behandeling) Vervoerdiensten Kindergeneeskunde Generalistische basis-ggz Specialistische ggz ZV: ambulante jeugdhulp op locatie aanbieder
0
500 2019
1000
2018
1500
2000
2500
3000
3500
2017
Figuur 6 – Ontwikkeling in aantal toewijzingen per productcategorie.
13
5% van het grootste gezamenlijke aantal toewijzingen.
vanmontfoort.nl
12
In figuur 6 vallen de volgende productcategorieën op: -
‘Jeugd-GGZ’ kent de grootste stijging in het aantal toewijzingen (2017: 3; 2018: 2790; 2019: 1111). Daar tegenover staat dat (hoewel niet in het figuur) ‘Specialistische GGZ’ en ‘Generalistische basis-GGZ’ tussen 2017 en 2018 met ongeveer 170 toewijzingen zijn gezakt.
-
De stijging in ‘Jeugdhulp ambulant. (2017: 2376; 2018: 3289; 2019: 495).
-
Het aantal toewijzingen voor ‘Jeugdbescherming’ is tussen 2017 en 2018 met 542 toegenomen.
-
De categorie ‘Dagbehandeling’ is wederom alleen voor 2019 genoteerd met een aantal toewijzingen van 915.
-
Het aantal toewijzingen voor ‘Jeugdhulp verblijf’ (excl. behandeling) is in het eerste halfjaar van 2019 al meer dan het in de voorgaande jaren is geweest (2017: 207; 2018: 192; 2019: 289).
-
‘Ambulante jeugdhulp’ op locatie van de zorgaanbieder (excl. verblijf) bestond in 2017 uit 23 toewijzingen, in 2018 uit 147 toewijzingen en in 2019 uit 2 toewijzingen.
Product Wederom zijn in figuur 7 alleen producten meegenomen die in de periode 2017-2019 gezamenlijk meer dan 170 toewijzingen hebben. We beschrijven ook hier de gehercodeerde producten in combinatie met de ‘oude’ producten. De gehele lijst met producten en de daarbij horende aantallen zijn in Bijlage III opgenomen. Over het verloop van de producten kan het volgende gezegd worden: -
In 2017 zijn 103 verschillende producten ingezet.
-
In 2018 zijn 60 verschillende producten ingezet, waarvan 20 nieuwe ten opzichte van 2017.
-
In het eerste halfjaar van 2019 zijn 40 verschillende producten ingezet.
vanmontfoort.nl
13
2R202 Behandeling midden 54002 JGGZ Behandeling specialistisch 54001 JGGZ Behandeling generalistisch 2R102 Begeleiding midden 2R103 Begeleiding zwaar 5R101 Pleegzorg 2R302 Behandeling groep midden 41A03 Jeugdhulpbehandeling Regulier Individueel 2R402 Dagbesteding groep midden 48B02 Voogdij 48B01 OTS > 1 jaar 2R101 Begeleiding licht 48B00 OTS < 1 jaar 41A04 Jeugdhulpbehandeling Specialistisch Individueel 53A02 Consult op de polikliniek bij gedragsproblem 2R601 Vervoer zonder rolstoel 2R401 Dagbesteding groep licht 3R101 Residentieel in de wijk licht 44A07 Pleegzorg 4R511 EED Behandeling 54052 Behandeling GGZ Start Zorg (max 20 uur) 48B09 Bijzondere kosten aanvullende verzekering 45A53 Begeleiding Specialistisch Individueel
0 2019
200
2018
400
600
800 1000 1200 1400 1600
2017
Figuur 7 – Ontwikkeling in aantal toewijzingen per product.
In figuur 7 vallen de volgende producten op: -
‘Behandeling midden’ (2017: 1023; 2018: 1289; 2019: 10). Dit is tevens een van de gehercodeerde producten; in 2019 staan er 262 toewijzingen voor ‘41A04 Jeugdhulpbehandeling Specialistisch Individueel’ weergegeven.
-
‘JGGZ Behandeling specialistisch’ (2017: geen; 2018: 1.567; 2019: 581).
-
‘JGGZ Behandeling generalistisch’ (2017: geen; 2018: 769; 2019: 199).
-
‘Begeleiding zwaar’ (2017: 207; 2018: 446; 2019: 6). Daarbij is dit een van de gehercodeerde producten – in 2019 heeft het product ‘45A53 Begeleiding Specialistisch Individueel’ 175 toewijzingen.
-
‘Behandeling groep midden’ (2017: 104; 2018: 426). Dit is ook een van de gehercodeerde producten; in 2019 had het product ‘41A24 Jeugdhulpbehandeling Specialistisch Groep’ 145 toewijzingen.
-
Ondertoezichtstellingen; de stijging in ‘OTS < 1 jaar’ (2017: 69; 2018: 181; 2019: 44) en ‘OTS > 1 jaar’ (2017: 73; 2018: 209; 2019: 76).
-
Hetzelfde geldt voor ‘Voogdij’ (2017: 86; 2018: 201; 2019: 96).
-
Het product ‘Behandeling (Dyslexie)’ heeft in 2018 184 toewijzingen (2017: geen). In 2019 is dit er 1. Dit is echter een gehercodeerd product; ‘54051 Behandeling GGZ Ernstige Enkelvoudige Dyslexie behandeling’ heeft in 2019 112 toewijzingen.
-
In de figuur staat alleen nog het product ‘44A07 Pleegzorg’ als gehercodeerd product die in deze paragraaf nog niet benoemd is. Deze hoort ook hier bij ‘5R101 Pleegzorg’ en/of ‘5R102 Pleegzorg met beperking’.
vanmontfoort.nl
14
Van de producten die niet in het figuur zijn meegenomen, springen er een aantal uit: -
‘EED Diagnostiek (Dyslexie)’ is in 2018 134 keer toegewezen. Deze is gehercodeerd naar ‘54050 Behandeling GGZ Ernstige Enkelvoudige Dyslexie, diagnostiek’, waar in 2019 35 toewijzingen bij staan.
-
‘JGGZ Diagnostiek’ is in 2017 niet toegewezen, in 2018 109 keer. In 2019 staat er voor nu 1 toewijzing geregistreerd.
-
‘(Besloten) 3 milieuvoorziening LVB 4’ is in 2017 94 keer toegewezen, in 2018 is dit gedaald naar 23 keer. Voor 2019 is er nog geen toewijzing geregistreerd.
2.2.3 Ontwikkeling per aanbieder In figuren 8 en 9 staan per aanbieder de ontwikkeling in kosten en de ontwikkeling in aantal toewijzingen over de periode van 2017, 2018 en het eerste half jaar van 2019 weergegeven. Om tot de gegevens te komen is er in de data gefilterd naar het aantal beschikkingsnummers per onderdeel en niet op unieke cliënten per onderdeel. Een cliënt kan namelijk meerdere beschikkingen hebben (gehad). Over het verloop van aanbieders valt het volgende te zeggen: -
In 2017 is er gebruik gemaakt van 83 aanbieders; 9 van de 83 aanbieders zijn na 2017 niet meer ingezet. Dit is niet terug te leiden naar soort aanbieder. Twee aanbieders zijn in 2018 niet ingezet, maar in het eerste half jaar van 2019 weer wel;
-
In 2018 is er gebruik gemaakt van 106 aanbieders; 34 aanbieders zijn voor het eerst ingezet;
-
In het eerste half jaar van 2019 zijn 90 aanbieders ingezet, waarvan 89 die kosten hebben gedeclareerd. Eén aanbieder heeft wel 3 toewijzingen, maar nog geen kosten.
Kostenontwikkeling Gezien de grote hoeveelheid aanbieders en de uiteenlopende spreiding van de kosten hebben wij ervoor gekozen om alleen de aanbieders in figuur 8 mee te nemen die over de periode 2017-2019 gezamenlijk meer dan €100.000,-14 aan kosten hebben. De gehele lijst met aanbieders en de daar bijhorende kosten zijn in Bijlage III opgenomen. We geven een toelichting over trends van andere aanbieders indien deze interessant zijn om te vermelden.
14
5% van het grootste gezamenlijke bedrag.
vanmontfoort.nl
15
Stichting Entrea Stichting Pluryn Groep Karakter kinder- en jeugdpsychiatrie Stichting 's Heeren Loo Zorggroep Jeugdbescherming Gelderland Pro Persona Stichting de Driestroom Opdidakt B.V. C&S Herstelcentrum Syndion Praktijk Speltherapie Tiel William Schrikker Jeugdbescherming Cooperatie Boer en Zorg Gezinshuis Dromen Durven Delen De Hondsberg - Koraal Stichting Lindenhout Perspectief Psychologenpraktijk VOF Zorgboerderij de Pluimshoeve Timon William Schrikker Pleegzorg
€2019
€ 300 2018
€ 600
€ 900
2017
€ 1.200 x 1.000
Figuur 8 – Kostenontwikkeling per aanbieder.
In figuur 8 vallen de volgende aanbieders op: -
De aanbieder met de meeste kosten over de jaren is Stichting Entrea (2017: €721.581,-; 2018: €1.047.259,-; 2019: €282.932,-).
-
Het verschil met de tweede aanbieder, Stichting Pluryn Groep, is groot; het duurste jaar voor Pluryn is 2018 met een bedrag van €470.058,-.
-
De gemaakte kosten door Karakter kinder- en jeugdpsychiatrie zijn in 2018 sterk gestegen ten opzichte van 2017 (van €159.539,- naar €416.130,-). Ook de kosten voor het eerste jaar van 2019 zijn inmiddels hoger dan het hele jaar van 2017 (€196.518,-).
-
Vanaf 2018 wordt er, naast Jeugdbescherming Gelderland, ook gebruik gemaakt van de jeugdbescherming die uitgevoerd wordt door de William Schrikker Stichting (€122.998,-).
-
Een uitschieter is de Hondsberg van de Koraal Groep; in 2018 kosten van €133.314,- voor 1 toewijzing. Hierover wordt in paragraaf 3.3. meer uitgelegd.
-
Wat opvalt is dat van de 20 weergegeven aanbieders de kosten voor alle aanbieders, op 3 na, hoger zijn in 2018 dan in 2017.
Van de aanbieders die niet in het figuur zijn meegenomen, springen er een aantal uit: -
Het gebruik van Seys Centra is in 2018 sterk toegenomen; van €15.882,- naar €78.501,-. In 2019 is pas €82,- betaald.
-
Ook de jeugdbescherming en -reclassering van het Leger des Heils is sinds 2018 ingezet; €47.380,- voor dat jaar, en voor 2019 is er €20.960,- uitbetaald.
vanmontfoort.nl
16
Ontwikkeling in het aantal toewijzingen Gezien de grote hoeveelheid aanbieders en de uiteenlopende spreiding van de aantallen hebben wij ervoor gekozen om alleen de aanbieders in figuur 9 mee te nemen die over de periode 20172019 gezamenlijk meer dan 9715 keer zijn toegewezen. De gehele lijst met aanbieders en de daarbij horende aantallen zijn in Bijlage III opgenomen. We geven een toelichting over trends van andere aanbieders indien deze interessant zijn om te vermelden.
Stichting Entrea Stichting 's Heeren Loo Zorggroep Karakter kinder- en jeugdpsychiatrie Stichting Pluryn Groep Jeugdbescherming Gelderland Opdidakt B.V. Cooperatie Boer en Zorg Praktijk Speltherapie Tiel Pro Persona William Schrikker Jeugdbescherming Vol in Beweging Boba Levensloopbegeleiding Zorgboerderij de Pluimshoeve Praktijk Samen met Marjolein Rivierenland Ziekenhuis Syndion Perspectief Psychologenpraktijk VOF MB Kinder- en Jeugdpsychologie Expertisecentrum Uniek BV Seys Centra PMT bij Pascal Kids Quest Leger des Heils (Jeugdbescherming en reclassering) Educatieve zorgboerderij Landelijk Leven Timon
0 2019
150 2018
300
450
600
750
900
2017
Figuur 9 – Ontwikkeling in aantallen per aanbieder.
In de figuur vallen de volgende aanbieders op: -
Wederom staat Stichting Entrea bovenaan (2017: 591; 2018: 847; 2019: 496).
-
De aantallen voor Stichting ’s Heeren Loo Zorggroep nemen daarentegen af (2017: 882; 2018: 687; 2019: 212).
-
De grootste stijger is Karakter kinder- en jeugdpsychiatrie (2017: 40; 2018: 747; 2019: 304).
-
Ook Stichting Pluryn Groep is sterk gestegen over 2017 en 2018; van 156 naar 587. In 2019 zijn er tot nu toe 290 toewijzingen.
-
Opdidakt B.V. is van 41 toewijzingen in 2017 gestegen naar 430 toewijzingen in 2018. Het aantal in 2019 is 211. Pro Persona kent een dergelijke stijging; van 44 naar 322. Voor 2019 zijn er tot nu toe 90.
-
De jeugdbescherming van de William Schrikker Stichting (2017: geen; 2018: 372; 2019: 80) en het Leger des Heils (2017: geen; 2018: 78; 2019: 32).
-
Seys Centra valt op doordat er in 2017 13 toewijzingen zijn geregistreerd, in 2018 een stijging kent naar 147 toewijzingen, maar voor 2019 tot nu toe nog maar 1 toewijzing is afgegeven.
15
5% van het grootste gezamenlijke aantal toewijzingen.
vanmontfoort.nl
17
Van de aanbieders die niet in het figuur zijn meegenomen, springen er een aantal uit: -
In 2018 is het gebruik van psychologen- en pedagogische praktijken toegenomen. Enkele voorbeelden van stijgers zijn Aalsterveld Psychologen (2017: 2; 2018: 71; 2019: 20), Pedagogische Praktijk Tiel (2017: 5; 2018: 61; 2019: 8), Kindercoach Rivierenland (2017: geen; 2018: 46; 2018: 28) en Pedagogische praktijk de Bron (2017: 9; 2018: 45; 2019: 19).
-
Ook het gebruik van kinderboerderijen is toegenomen. Zo worden Coöperatie Boer en Zorg, Zorgboerderij de Pluimshoeve over de jaren consistent gebruikt, maar voor Educatieve zorgboerderij Landelijk Leven is het aantal toewijzingen gestegen (2017: 15; 2018: 44; 2019: 44). Voor Zorgboerderij Kei is het aantal toewijzingen van 19 in 2017 naar 54 in 2018 gestegen (2019: 17).
2.2.4 Vergelijking met andere gemeenten en landelijke cijfers Er is getracht een vergelijking te maken tussen de gemeente Buren, de gemeenten uit de regio Rivierenlanden en landelijke cijfers. Gebleken is dat het voor een realistische vergelijking met andere gemeenten noodzakelijk is om toegang te hebben tot de zorgadministraties van deze gemeenten. Dit was niet realiseerbaar binnen de gestelde tijd en het beschikbare budget. Om met landelijke cijfers een betekenisvolle vergelijking te doen, is het noodzakelijk om gemiddelden te hebben op kosten en aantallen per taakveld, productcategorie en producten, en dan voor gemeenten die enigszins vergelijkbaar zijn met Buren, qua inwoneraantal en ligging. Helaas zijn deze tot op heden nog niet bekend. Wel beschikbaar is een benchmarkanalyse, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport16. In deze analyse is voor 26 gemeenten gekeken naar de volumeontwikkeling in de jeugdhulp, de aanvragen in het Fonds Tekortgemeenten en een analyse van beleid en uitvoering van de Jeugdwet. In de benchmarkanalyse komt naar voren dat de toename van de kosten voor sommige productgroepen en producten in lijn is met de ontwikkeling in Buren. Een voorbeeld hiervan is de GGZ; voor veel gemeenten geldt dat ze een toename zien in het aantal gezinnen dat te maken heeft met (complexe) GGZ-problematiek.
De bruikbaarheid van deze benchmarkanalyse voor de gemeente Buren is echter beperkt, omdat ze alleen de trendontwikkelingen bekijkt voor de periode 2015-2017. Als laatste hebben wij Buren vergeleken op het aantal kinderbeschermingsmaatregelen, aangezien deze cijfers landelijk goed worden gemonitord17. Landelijk is over 2017 en 2018 een daling te zien in voogdij (-15%), en een kleine stijging in het aantal OTS’en (+4%) 18. De gemeente Buren
16
Peeters, C., Batterink, M., Schumacher, G. & Tazelaar, P. (2019) Benchmarkanalyse uitgaven jeugdhulp in 26 gemeenten. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Zie: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2019/04/24/benchmarkanalyse-uitgavenjeugdhulp-in-26-gemeenten/benchmarkanalyse-uitgaven-jeugdhulp-in-26-gemeenten.pdf 17 CBS (2019). Zie: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82974NED/table?dl=1E27F 18 CBS maakt gebruik van de term ‘ingezette trajecten’, ook zij hanteren hierin het criterium dat een unieke cliënt meerdere toewijzingen, dan wel trajecten, kan hebben.
vanmontfoort.nl
18
daarentegen heeft een flinke stijging voor de maatregelen; voogdij stijgt met 134% en OTS stijgt met 175%19.
2.3
Wie zijn de duurste zorgaanbieders en wat valt daarbij op? 20
In paragraaf 2.2.3 is de ontwikkeling in de totale gemiddelde kosten per aanbieder reeds weergegeven. In onderstaande tabel 3 zijn de vijf meest kostbare zorgaanbieders uit 2018 opgenomen. Per zorgaanbieder is het totale betaalde bedrag weergegeven met daaronder uitsplitsingen per product. In de tabel zijn de producten opgenomen waarvoor, ten opzichte van de anderen, relatief hoge bedragen zijn betaald. Aanbieder 1. Stichting Entrea 2R103 Begeleiding zwaar 5R101 Pleegzorg 3R101 Residentieel in de wijk licht 2R302 Behandeling groep midden
2. Stichting Pluryn Groep 3R203 (Besloten) 3 milieuvoorziening LVB 2R103 Begeleiding zwaar 3R101 Residentieel in de wijk licht 2R202 Behandeling midden 3R202 Behandelgroep intensief 2R302 Behandeling groep midden
3. Karakter Kind- en jeugdpsychiatrie
€
Betaald bedrag 1.047.259
€ € € €
275.733 273.176 254.909 138.796
€
470.058
€ € € € € €
180.070 96.464 57.754 48.615 46.794 36.897
€
416.130
€
416.130
4. Stichting ’s Heeren Loo Zorggroep
€
361.633
2R202 Behandeling midden 2R403 Dagbesteding groep zwaar 3R103 Residentieel in de wijk zwaar 2R101 Begeleiding licht 2R402 Dagbesteding groep midden
€ € € € €
125.092 103.894 46.691 36.023 28.465
€
235.654
€
222.254
54002 JGGZ Behandeling specialistisch
5. Pro Persona 54002 JGGZ Behandeling specialistisch Tabel 3 - Top 5 meest kostbare zorgaanbieders 2018.
Stichting Entrea is veruit de duurste zorgaanbieder in 2018. De producten waar het meeste geld voor is betaald zijn ‘Begeleiding zwaar’, ‘Pleegzorg’ en ‘Residentieel in de wijk licht’. De op een na duurst betaalde zorgaanbieder is Stichting Pluryn Groep. De verschillen tussen de overige zorgaanbieders in de top 5 zijn veel kleiner. Entrea en Pluryn leveren beide de producten ‘Begeleiding zwaar’ en ‘Residentieel in de wijk licht’. Wat opvalt is dat er voor deze producten veel grotere bedragen zijn uitgekeerd aan Entrea dan aan
19
Er wordt in de landelijke data geen onderscheid gemaakt in de duur van OTS-maatregelen, in tegenstelling tot de gemeente Buren, dat geen onderscheidt maakt in de duur van voogdij-maatregelen. Daarom wordt er naar de gemiddelde stijging gekeken. 20 Deze vraag is tijdens de uitvoering van het onderzoek in overleg met de gemeente toegevoegd.
vanmontfoort.nl
19
Pluryn. Voor het product ‘Residentieel in de wijk licht’ kan dit mogelijk verklaard worden doordat Pluryn geen gezinshuizen heeft (gezinshuizen vallen onder deze productcode) en Entrea wel. Daarnaast blijkt uit Aeolus dat de producten ‘’Residentieel in de wijk licht’ en ‘Begeleiding zwaar’ door Entrea vaak gezamenlijk in casussen worden ingezet. Navraag heeft opgeleverd dat de regio hierover afspraken met Entrea heeft gemaakt. Deze staan echter niet op papier.
2.4
Wat zijn de duurste casussen en kan het goedkoper?
De gemeente heeft in 2018 in totaal €1.060.097,- betaald voor de top 10 meest kostbare casussen. Vier van deze casussen zijn bekend bij Stib, omdat de gemeente zelf de verwijzer is. In de overige zes casussen is er betrokkenheid vanuit de jeugdbescherming en is de gemeente inhoudelijk niet op de hoogte van de situatie van deze cliënten. Jeugdbeschermers hebben de wettelijke bevoegdheid om zelf jeugdhulp in te zetten. Dit leidt er in de praktijk toe dat de gemeente weinig tot geen weet heeft van de uitvoering en de kostenontwikkeling. Wel stuurt de GI een bepaling jeugdhulp met hierin de NAW-gegevens en gegevens over de te leveren zorg naar de gemeente die volgens het woonplaatsbeginsel verantwoordelijk is21. Als gevolg van de bepalingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) hebben wij geen gegevens over de betreffende casussen op kunnen halen bij de jeugdbescherming. De beantwoording van deze onderzoeksvraag beperkt zich dan ook tot de vier casussen die bekend zijn bij Stib. De betrokken jeugd-medewerkers van Stib hebben ons van de benodigde geanonimiseerde informatie voorzien om op basis van de inhoud te concluderen of een goedkoper (passend) alternatief mogelijk is. In al deze vier casussen is onze conclusie dat er geen passend, goedkoper alternatief mogelijk is.
2.5
Bij langdurige jeugdhulp: is Wlz-bekostiging mogelijk?
2.5.1 Toelichting op de Wet langdurige zorg (Wlz) Jeugdigen met een blijvende 24-uurs zorgbehoefte, zorg in de nabijheid of permanent toezicht, die (voornamelijk) wordt veroorzaakt door een verstandelijke of lichamelijke beperking kunnen een indicatie krijgen voor zorg uit de Wlz. Bij jeugdigen spelen in de praktijk een aantal factoren die het lastig kunnen maken om te bepalen of zij daadwerkelijk in aanmerking komen voor zorg uit de Wlz. Zo is het vanwege de leeftijd soms moeilijk te beoordelen in hoeverre sprake zal zijn van een ‘blijvende’ behoefte aan 24-uurs zorg. Verder is het bij meervoudige problematiek soms lastig te beoordelen of de 24-uurs zorg vooral voortvloeit uit (bijvoorbeeld) de verstandelijke of lichamelijke beperking of uit de psychische beperking. Wanneer de blijvende behoefte aan 24-uurs zorg (voornamelijk) veroorzaakt wordt door een psychische stoornis krijgen jeugdigen geen toegang tot de Wlz.22 Dit valt onder de Jeugdwet.
21
https://www.zorginregiohartvanbrabant.nl/jeugdhulp-2/stappenplan-resultaatgericht/stap-7/aanvraag-en-toewijzing/
22 Tielen, N. (2019) Jeugdigen met een psychische beperking en de Wlz. Zie: https://www.schulinck.nl/opinie-sociaal-
domein-jeugd-jeugdigen-met-een-psychische-beperking-en-de-wlz
vanmontfoort.nl
20
2.5.2 Aanpak en resultaten Om te achterhalen of financiering vanuit de Wlz mogelijk is in zaken waar voor meerdere jaren hulp is toegewezen, is een overzicht gemaakt van actieve casussen waarbij de hulp door de gemeente aan de jeugdhulporganisatie is toegewezen voor minimaal twee jaar. Er is geen filter aangebracht in de begin- en/of einddatum van de toegewezen producten. In totaal zijn er 33 jeugdigen die op dit moment hulp krijgen die gefinancierd wordt vanuit de Jeugdwet en die voor minimaal twee jaar is toegewezen. Wij hebben ons in dit onderzoek beperkt tot jeugdigen die op dit moment gebruik maken van residentiele jeugdhulp (waaronder gezinshuizen).23 De pleegzorgcasussen zijn gescand om vast te stellen of nader onderzoek gewenst is. In totaal zijn 25 casussen onderzocht. Het aantal casussen is als volgt verdeeld: -
Residentiele jeugdhulp (n=6)
-
Pleegzorg (n=19)
Residentiële jeugdhulp In de zes casussen die vallen onder het perceel residentiële jeugdhulp zijn de jeugdigen allen woonachtig in een gezinshuis. In vier van de casussen is er ook sprake van voogdij, berustend bij een GI, waarbij de toewijzingen zijn afgegeven tot het 18e levensjaar. In de overige twee casussen is de gemeente de verwijzer en dus inhoudelijk betrokken. In de vier casussen waar de jeugdbescherming betrokken is, is het aan de jeugdbeschermer om na te gaan of de jeugdige in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie. Vanwege de bepalingen van de AVG hebben wij niet bij de jeugdbescherming kunnen achterhalen of in deze casussen is gecontroleerd of de jeugdigen aanspraak maken op een Wlz-indicatie. In casussen waarbij Stib betrokken is, controleren de regiehouders of een jeugdige in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie. Het wonen in een gezinshuis wordt bekostigd vanuit de Wlz of jeugdwet. Jeugdigen met een Wlzindicatie mogen alleen geplaatst worden in gezinshuizen van een Wlz-erkende zorgaanbieder. Zorgaanbieders die zorg willen aanbieden die onder de Wlz valt, hebben een WTZi-toelating nodig om een Wlz-erkende zorgaanbieder te worden.
Hiervoor moeten zij aan diverse wettelijke eisen voldoen die in de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) staan.24 In één van de twee casussen waarin de gemeente de verwijzer is, heeft de jeugdige (14 jaar) al een Wlz-indicatie voor onbepaalde tijd voor verblijf, vervoer en dagbesteding. Deze casus is vanuit het overgangsrecht overgegaan naar de gemeente. Er is toen niet inhoudelijk gecheckt of de jeugdige in aanmerking kon komen voor een Wlz-indicatie. In het onderzoek naar de verlenging van het verblijf in het gezinshuis concludeerde Stib dat deze jeugdige vanwege zijn problematiek mogelijk aanspraak kon maken op de Wlz. Stib heeft de betrokken zorgaanbieder gevraagd om een Wlz-indicatie aan te vragen. Toen bleek dat de jeugdige al sinds 1 januari 2017 een Wlzindicatie heeft.
23
In de offerte stond dat ook jeugdigen die gebruik maken van de landelijke inkoop jeugdhulp in deze onderzoekvraag meegenomen zouden worden. Echter, zijn er in dit perceel geen casussen waarin sprake is van meerjarige hulp. 24 Voor meer informatie, zie: https://www.wtzi.nl/
vanmontfoort.nl
21
Omdat de betrokken zorgaanbieder geen Wlz-erkende zorgaanbieder is, kan het gezinshuis waar de jeugdige woont niet vanuit de Wlz bekostigd worden. Er is vanuit de gemeente overwogen om in plaats van een gezinshuisindicatie een pleegzorgindicatie af te geven, omdat de jeugdige van origine als pleegkind in het gezin gekomen is.25 De gezinshuis moeder heeft ook pleegoudergezag. Volgens de zorgaanbieder kon de jeugdige zonder gezinshuisindicatie niet in het gezinshuis blijven wonen. Omdat de jeugdige al sinds hij vijf maanden oud is in het gezinshuis woont, is er in het belang van de jeugdige voor gekozen om het gezinshuis te bekostigen vanuit de jeugdwet. De jeugdige in de andere zaak waarin de gemeente de verwijzer is, komt niet in aanmerking voor een Wlz-indicatie. Dit is gecheckt door een jeugdteam medewerker. Pleegzorg Pleegzorg kan niet vanuit een Wlz-indicatie worden bekostigd, maar enkel vanuit de Jeugdwet. 26 In de pleegzorgcasussen zijn de toewijzingen grotendeels afgegeven tot het 18e levensjaar. Een enkeling is langer toegewezen, tot 21 of 23 jaar. In deze casussen geldt dat het perspectief voor het pleegkind op terugkeer naar de eigen ouders niet meer aanwezig is. Opmerking Een belemmering in het vaststellen van casussen die mogelijk in aanmerking komen voor de Wlz is de hercodering van de producten per 1 januari 2019.
Dit houdt in dat cliënten geregistreerd staan met een beschikking voor een van de gehercodeerde producten die op 31-12-2018 afloopt, en een nieuwe beschikking hebben die op 01-01-2019 van start gaat. Het gevolg hiervan is dat een aantal casussen niet in de selectie voor het dossieronderzoek is meegenomen, omdat deze buiten de filter (een beschikking voor minimaal 2 jaar) vielen. Wij hebben ervoor gekozen deze casussen niet mee te nemen, omdat het maken van de koppeling veel tijd gaat kosten. Om daarnaast met zekerheid te kunnen zeggen dat het daadwerkelijk gaat om voorzetting van dezelfde zorg, maar dan met een andere productomschrijving, is overeenstemming met de administratie van Stib noodzakelijk.
2.6
Welk deel van het over 2018 geconstateerde tekort heeft betrekking op jeugdzorg die in 2017 is verleend?27
Voor het beantwoorden van deze vraag zijn de betaalde facturen van 2018 nader onderzocht. De datum van data-extractie is 27 juni 2019. Het totaalbedrag van de 9.195 facturen dat in 2018 is betaald, is €6.444.878,-. Dit bedrag is iets hoger dan het bedrag van €6.392.455,- dat eerder aan de raad is gemeld. Het is niet helemaal te achterhalen waardoor dit verschil is veroorzaakt, omdat de criteria die destijds zijn gehanteerd niet terug te vinden zijn.
25
De pleegouders zijn een gezinshuis gestart. Voor meer informatie, zie: https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/pleegzorg 27 De precieze werkwijze om deze vraag te beantwoorden is als bijlage 4 opgenomen in dit rapport 26
vanmontfoort.nl
22
Het tekort over 2018 stijgt hierdoor ook van €1.209.211,- naar €1.261.634,-, een verschil van €52.423,-. Van alle 9.195 facturen is duidelijk geworden op welke zorgperiode de in 2018 uitbetaalde facturen betrekking hadden28. In 2018 zijn in totaal 1138 facturen betaald die betrekking hadden op zorg die in de jaren daarvoor, voornamelijk in 2017, is verleend. Daarvan zijn er 607 facturen binnengekomen in januari 2018. Wij gaan er vanuit dat het totaalbedrag van deze facturen (€622.235,-) nog is meegenomen in het gemelde tekort over 2017, hoewel niet meer te traceren is of dit daadwerkelijk is gebeurd. Er zijn in totaal 531 facturen na 31 januari 2018 betaald die betrekking hebben op zorg in voorgaande jaren. Het totaalbedrag hiervan is €591.811,-. Dit bedrag is meegenomen in het aan de raad gemelde tekort over 2018. Trekken we dit bedrag van het door ons berekende tekortbedrag van €1.261.634,- af, dan resteert een tekort over 2018 van €669.823,-. De 531 facturen zijn afkomstig van 38 aanbieders. In tabel 4 staat de top 5 organisaties die voor ruim 60% verantwoordelijk zijn voor te late facturatie. Organisatie 1. Karakter, kinder- en jeugdpsychiatrie 2. Jarabee, stichting voor jeugdzorg in Twente 3. Stichting Entrea 4. Jeugdbescherming Gelderland 5. Gerdie Nooijens BNTConsult
Aantal facturen
Totaalbedrag
Laatst verstuurde factuur
37
€
142.061
13-11-2018
14
€
74.325
9-4-2018
77
€
55.162
3-5-2018
63
€
45.077
29-11-2018
42
€
42.805
20-1-2019
Tabel 4 – Top 5 aanbieders met het grootste aandeel in achterstallige facturatie.
2.6.1 Aan de zorginstelling verstuurde facturen Tussen de factuurregels staan ook nota’s van de gemeente aan de zorginstelling. Deze nota’s hebben betrekking op bedragen die de gemeente van de aanbieders heeft teruggevorderd, omdat het voorschotbedrag dat aan de zorginstelling was overgemaakt te hoog was. In totaal gaat het om €419.653,-, waarvan €33.709,- staat aangegeven als zijnde nog niet terugbetaald. We zijn ervan uitgegaan dat deze facturen wel zijn meegenomen in de berekeningen voor het tekort op de Jeugdzorg. We hebben hiervan echter geen bevestiging kunnen krijgen. In tabel 5 staat de top 5 organisaties die hierin het grootste aandeel hebben.
Van slechts acht facturen (totaalwaarde €7.046,-) hebben wij navraag moeten doen bij de aanbieders omdat de factuurregel geen duidelijkheid verschafte. 28
vanmontfoort.nl
23
1. Stichting Pluryn Groep
30
€
159.860
€
159.860
Nog te ontvangen € -
2. Stichting 's Heeren Loo Zorggroep
201
€
112.065
€
107.668
€
4.398
3. Karakter 4. De Hondsberg - Koraal 5. Stichting Lindenhout
31 3 7
€ € €
64.813 25.487 17.330
€ € €
64.608 17.330
€ € €
205 25.487 -
Organisatie
Aantal facturen
Totaalbedrag
Al betaald
Tabel 5 – Top 5 aanbieders met het grootste aandeel creditfacturen.
2.6.2 Verschil factuurregels en kosten toewijzingen Het is ons opgevallen dat er een verschil is tussen de kosten die berekend zijn op basis van de factuurregels (€5.198.000,-) en de kosten die zijn berekend op basis van de toewijzingen (€5.141.108,-). Dit verschil kan de volgende mogelijke oorzaken hebben: -
Aeolus berekent de zorg op de dag nauwkeurig, aanbieders declareren zorg vaak in weken. Dit kan resulteren in afrondingsverschillen.
-
De beëindiging/intrekking van een toewijzing met terugwerkende kracht, terwijl er al een bedrag is gefactureerd.
-
Correcties, noodzakelijk in het geval van onterecht ingetrokken toewijzingen.
-
Facturen die onterecht zijn goedgekeurd.
-
Overige redenen (bijv. individuele afspraken, nieuwe tarieven waardoor het toewijzingsbedrag lager is geworden, etc.).
2.7
Wat zijn de verplichtingen over 1 januari en 1 juli 2019?
Wij hebben geconstateerd dat het vigerende bedrag van de verplichtingen reeds in de reguliere maandelijkse managementrapportages van Stib is opgenomen. We volstaan daarom met een overzicht van de verplichtingen per 22 augustus 2019, zie tabel 6. Soort
Klanten
Verstrekkingen
Regels
Waarde
Ambulant
223
482
486
€
3.206.750
Dyslexie
81
132
132
€
359.300
GGZ
248
384
384
€
3.890.582
Jeugdbescherming
42
102
102
€
475.417
Landelijk
42
50
50
€
132.264
Verblijf
30
87
90
€
2.596.557
Eindtotaal
666
1237
1244
€
10.660.869
Tabel 6 – Managementrapportage Stib29.
Voor het goed verstaan van deze tabel dient te worden vermeld dat deze verplichting is gebaseerd op het maximale bedrag en de maximale duur die op de beschikking staan. De gemeente heeft een beleid om – zoals dat heet – ruim te beschikken. De praktijk is dat veel beschikkingen niet
29 De begrippenlijst is terug te vinden in Bijlage V.
vanmontfoort.nl
24
volledig worden uitgeput. Dat neemt niet weg dat als een instelling het volledige bedrag factureert, er geen formele basis is om deze factuur niet te betalen. Een kort onderzoek bij enkele aanbieders heeft opgeleverd dat sommige aanbieders – waaronder Karakter – openstaan voor gesprekken over de verwachting van het uiteindelijke bedrag van de geleverde zorg.
vanmontfoort.nl
25
3
Samenvatting en reflectie
In dit hoofdstuk geven wij een samenvatting van de opbrengsten van het onderzoek en reflecteren wij op deze constateringen, dit opnieuw gestructureerd aan de hand van de onderzoeksvragen.
3.1
Welke verwijzers zitten achter de categorie ‘onbekend’?
Van alle onderzochte casussen waarvan de verwijzer onbekend was, bleek deze eenvoudig te achterhalen. Zorgaanbieders blijken wel degelijk de verwijzer te hebben vermeld. Echter, als gevolg van een systeemfout werd dit gegeven niet opgenomen in het gemeentelijke gegevensbestand. Hierdoor leek het alsof de verwijzer in meerdere toewijzingen onbekend was. De gemeente is inmiddels op de hoogte van de systeemfout. Systeemfouten zijn op zichzelf geen groot probleem. Belangrijker is de constatering dat het lijkt alsof deze situatie al minstens anderhalf jaar onopgemerkt is gebleven. Het maakt duidelijk dat de gemeente tot nu toe weinig werk heeft gemaakt van data-analyse en de interpretatie van de data, laat staan de sturing op inhoud en budgetuitputting.
3.2
Wat zijn de belangrijkste trends?
Wij zien als belangrijkste trends: -
Verdubbeling in het aantal toewijzingen over 2017 → 2018.
-
Halvering in het aantal producten over 2017 → 2018.
-
Stijging in de kosten bij enkele grote aanbieders.
-
Opschaling van lichtere naar zwaardere vormen van hulpverlening.
-
Stevige groei van het aantal toewijzingen per cliënt.
De verdubbeling van het aantal toewijzingen komt vooral voor rekening van de jeugd-GGZ en ambulante hulpverlening, en in mindere mate voor rekening van jeugdbeschermingsmaatregelen (OTS & voogdij) en dyslexie. De groei van de jeugd-GGZ en dyslexie-onderzoek/-behandeling is een landelijk fenomeen30. Veel huisartsen blijken in toenemende mate naar deze hulpverlening te verwijzen. De ervaring leert dat regelmatige afstemming tussen gemeente en huisartsen – en in mindere mate met scholen – kan bijdragen aan het keren van deze trend. Daarnaast blijkt dat de 10 minuten die een huisarts heeft om een diagnose te stellen niet toereikend zijn om psychische problemen van het kind zelf te onderscheiden van eventuele gezinsproblemen. Een zorgvuldige vraagverkenning, bijvoorbeeld van een medewerker van een lokaal team is soms aan te raden, niet alleen om sneller tot de juiste hulpverlening te komen, maar ook om de extra kosten van zorgstapeling te voorkómen.
30 Benchmarkanalyse (2019).
vanmontfoort.nl
26
De gemeente Buren kent een percentueel grote toename in toewijzingen voor de maatregelen, terwijl landelijk gezien de groei in het aantal maatregelen minder sterk is. Het kan de moeite waard zijn om terug te kijken naar de aanloop van een OTS. En dan met name of de vrijwillige hulp anders, misschien beter had gekund en in hoeverre de hulpverleners toegerust waren om ‘moeilijke gezinnen’ adequaat te begeleiden. Uiteraard stijgen de kosten wanneer het aantal toewijzingen stijgt, maar het valt op dat de kosten in verhouding over 2017 en 2018 minder sterk zijn gestegen dan het aantal toewijzingen. Het aantal aanbieders is daarbij wel gestegen. De grootste aanbieders (voor zowel hoogste kosten als meeste toewijzingen) over de periode 2017-2019 zijn Stichting Entrea, Stichting Pluryn Groep, Karakter kinder- en jeugdpsychiatrie, Stichting ’s Heeren Loo Zorggroep en Jeugdbescherming Gelderland. Hierover volgt meer in paragraaf 3.3. De opschaling van lichtere naar zwaardere vormen van hulpverlening is ook op landelijk niveau waarneembaar. Onze ervaring leert dat deze trend niet zonder meer verwijst naar een toename van complexiteit van de problemen in gezinnen en bij jeugdigen. Het kan ook wijzen op onzekerheid bij de verwijzer over wat er in een gezin aan de hand is, en dan maar voor de ‘veilige route’ kiezen en meteen ‘alles uit de kast halen’.
De remedie is hier om de vaardigheid van vraagverkenning bij lokale teams te vergroten. En als zonder extra contact met het gezin het probleem niet helder is te krijgen, te kiezen voor een kortdurende vorm van gezinsbegeleiding en er al doende achter komen wat er echt nodig is. De groei in het aantal toewijzingen per cliënt vraagt een nadere analyse op casusniveau, waarbij de inbreng van de ouders belangrijk is. Wij verwachten dat deze – overigens ook landelijk zichtbare trend – te keren is, als meer wordt geïnvesteerd in vraagverkenning (zie ook vorige alinea) én als vanuit de gemeente meer inhoudelijke sturing op casussen komt. Onze ervaring leert dat direct betrokken hulpverleners regelmatig met alternatieve perspectieven worden geconfronteerd, vooral het perspectief dat de gemeente niet verantwoordelijk is dat het altijd goed gaat in gezinnen, hoe graag we dat allemaal zouden willen. Een lokaal team kan voor dit alternatief perspectief zorgen.
3.3
Wie zijn de duurste zorgaanbieders en wat valt daarbij op?
Wij hebben geconstateerd dat de nummer één in de top 5, Stichting Entrea, met kop en schouders uitsteekt boven de andere vier zorgaanbieders. Opvallend zijn hierin de grote verschillen in uitbetalingen aan de op een na duurste zorgaanbieder, Stichting Pluryn Groep, voor dezelfde productsoorten, namelijk ‘Residentieel in de wijk licht’ en ‘Begeleiding zwaar’. Deze situatie zou het gevolg zijn van nadere afspraken tussen de regio en Entrea. Wij vinden het ongewenst dat de regio afspraken met Entrea maakt, waarvan de gemeente de financiële consequenties draagt. We hebben niet kunnen achterhalen of Buren bij deze gesprekken betrokken is geweest. Mocht dat zo zijn geweest, dan zouden de financiële consequenties direct meegenomen moeten worden in de begrotingen en de prognoses voor budgetuitputting.