CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Sociaal Domein 2025 was wordt versie Definitief.pdf

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1217541 Verordening sociaal domein 202541.125 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

7.1.1. wat wil de gemeente? De gemeente legt in beleidsplannen vast hoe het beleid met betrekking tot lokaal inkomensbeleid voor een bepaalde periode er uit gaat zien. Dit zijn: - Beleidsplan Sociaal Domein; - Beleidsplan Armoede en Schulden 2020-2023. In deze beleidsplannen wordt beschreven wat voor de verschillende doelgroepen geregeld wordt.

7.2.

bijzondere bijstand

In de Participatiewet is zeer gedetailleerd vastgelegd wat de bijzondere bijstand inhoudt. De keuzes die in de Participatiewet gevraagd worden aan de gemeente, zijn vastgelegd in de Nadere regels Bijzondere Bijstand.

7.3.

zorgkosten

Al jaren heeft de gemeente een contract met Achmea Zilveren Kruis voor een collectieve gemeentelijke collectieve zorgverzekering. Door landelijke ontwikkelingen, bekijkt de gemeente nu jaarlijks wat de beste optie lijkt voor de meeste inwoners met een minimaal inkomen. Daarbij adviseert de gemeente de inwoner om vooral jaarlijks aan het eind van het jaar (november/december) de zorgverzekeringen te vergelijken op persoonlijke omstandigheden en mogelijke zorgkosten.

7.4.

individuele inkomenstoeslag

De hoogte van de bijstand wordt jaarlijks zo vastgesteld dat het genoeg is voor noodzakelijke kosten van bestaan én iets te reserveren voor onvoorziene omstandigheden. Toch kan de financiële positie van mensen, die langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen, onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Voor deze situatie is de individuele inkomenstoeslag in artikel 36 van de Participatiewet opgenomen. Om het recht op individuele inkomenstoeslag vast te stellen, wordt gekeken naar de Participatiewet en de regels in deze verordening. In artikel 36 van de Participatiewet is bepaald dat de inwoner: - minimaal 21 jaar moet zijn en niet ouder mag zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd 32

Toelichting verordening sociaal domein

- geen uitzicht heeft op inkomensverbetering - in de laatste 12 maanden geen individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen Daarnaast staat in de Participatiewet dat de artikelen , 43, 49 en 52 niet van toepassing zijn. Dit betekent dat: - de toeslag direct na aanvraag toegekend kan worden; - de toeslag niet als lening kan worden verstrekt als de inwoner met de toeslag schulden wil aflossen; - de toeslag niet als voorschot kan worden verstrekt. Uitvoeringsorganisatie BBS voert de individuele inkomenstoeslag uit voor de drie BBS gemeenten. Zij kunnen, met in achtneming van deze verordening, uitvoeringsregels opstellen. De uitvoeringsregels geven richtlijnen over hoe te handelen in specifieke situaties die niet in de verordening staan beschreven.

7.4.1. Indienen aanvraag individuele inkomenstoeslag Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier of digitaal zodra mogelijk. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.

7.4.2. doelgroep Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2023:1788) dat een gemeenteraad in de verordening mag aangeven wat zij onder een laag inkomen verstaat. In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag. De overweging bij lid 2 is dat bij studenten, die zich met hun studie voorbereiden op de beroepspraktijk op hoger niveau, geen sprake is van een gebrek aan zicht op inkomensverbetering. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet de gemeente rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: - de krachten en bekwaamheden van de persoon; en - de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Gekozen is voor een systematiek waarin sprake is van “geen zicht op inkomensverbetering’, indien voldaan wordt aan de inkomenseis. Er wordt dus teruggekeken. In het derde lid staat dat het recht op toeslag bij gehuwden of samenwonenden ontstaat als beiden aan alle voorwaarden voor toekenning voldoen.

Zie voor de uitzondering artikel 7.4.3, tweede lid.

7.4.3. hoogte van de toeslag In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. Voor echtparen is de hoogte vastgesteld op 3,2% van de voor gehuwden geldende bijstandsnorm, afgerond op hele euro’s naar boven. De hoogte van de toeslag voor een alleenstaande ouder is 90% van de toeslag voor gehuwden en de hoogte van de toeslag voor een alleenstaande is 70% van de toeslag 33

Toelichting verordening sociaal domein

voor gehuwden. Door voor deze vorm te kiezen blijft de verhouding gelijk als onder de oude regeling. Door uit te gaan van een percentage (3,2%) hoeft het bedrag van de toeslag niet jaarlijks aangepast te worden door een apart besluit. De bedragen volgen automatisch de aanpassingen van de normbedragen van de Participatiewet. Om een indruk te geven: momenteel (1 januari 2017) bedraagt 3,2% van de gehuwdennorm op jaarbasis inclusief vakantietoeslag een bedrag van € 540,-. Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand.

Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid. De peildatum is de datum waarop een inwoner de individuele inkomenstoeslag aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.

7.5.

kinderen in armoede

In het beleidsplan Armoede en schulden 2020-2023 is vastgelegd welke minimaregelingen de gemeente heeft. De minimaregelingen zijn in twee groepen verdeeld. Het kindpakket is een pakket aan minimaregelingen speciaal voor kinderen. Het volwassenenpakket is een pakket aan minimaregelingen waarop volwassenen aanspraak kunnen maken voor hunzelf of voor het gezin. We vinden het belangrijk dat kinderen kunnen meedoen. Meedoen met sporten, meedoen met kunst en cultuur, meedoen op school.

7.5.1. doelgroep Met het kindpakket probeert de gemeente alle kinderen onder de 18 jaar te bereiken die afhankelijk zijn van het inkomen van hun ouders. Als het inkomen van de ouders niet toereikend is om de kinderen mee te laten doen aan sporten, kunst en cultuur en op school, heeft de gemeente mogelijkheden binnen het kindpakket. Daarbij zoekt de gemeente zo veel mogelijk naar mogelijkheden van de kracht van de samenleving en de basiszorginfrastructuur. Daarbij gelden de criteria van deze professionele organisaties. Over het algemeen houden deze organisaties 120% van de bijstandsnorm aan als criterium voor ontoereikend inkomen. Als gemeente hanteren wij voor ons beleid een lager percentage voor onder andere bijzondere bijstand, studietoeslag en individuele inkomenstoeslag.

7.5.2. inhoud kindpakket Dit artikel spreekt voor zich.

7.6.

tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval

De bevoegdheid om een tegemoetkoming meerkosten te verlenen vormt binnen de Wmo bij uitstek maatwerk in het individuele geval. Een forfaitaire tegemoetkoming kan meer op zijn 34

Toelichting verordening sociaal domein

plaats zijn dan het verstrekken van hulp in natura. De mogelijkheid van het verlenen van een tegemoetkoming meerkosten is verder begrensd tot een aantal kostensoorten. De verhuiskostenvergoeding wordt alleen verstrekt als de inwoner redelijkerwijs niet had kunnen zien aankomen dat een woningaanpassing nodig zou zijn en er onvoldoende financiële draagkracht is. De vergoeding vindt plaats op declaratiebasis tot een maximum als aangegeven in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. Tegemoetkoming voor meerkosten door extra afval is mogelijk als sprake is van specifieke problemen (waardoor bijvoorbeeld afval als stomamateriaal). Hiervoor geldt een forfaitaire vergoeding, zie hiervoor de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. Levenfasegebonden problematiek als incontinentie is voor deze vergoeding uitgesloten.

7.7.

schuldhulpverlening

In het Integrale beleidskader Sociaal Domein 2024-2027 is het beleid van de gemeente vastgelegd. Dit artikel beschrijft de verplichtingen van de gemeente als basis van dit beleidsplan.

7.7.1. samenwerking en toegang Dit artikel spreekt voor zich.

7.7.2. schuldhulpverlening Dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 8 8.1. 8.1.1.

afspraken tussen inwoner en gemeente

hoe gaan we met elkaar om? de rol van de gemeente

35

Toelichting verordening sociaal domein

De gemeente zoekt samen met de inwoner naar oplossingen. In lid 1 van dit artikel staat hoe de gemeente samen met de inwoner naar oplossingen zoekt. Als een inwoner verwacht dat de gemeente geld besteed aan de oplossing voor de inwoner, verwacht de gemeente dat de inwoner zich houdt aan de plichten bij deze oplossing. In het tweede lid is aangegeven dat de gemeente de inwoner goed moet informeren over de plichten en wat er gebeurt als een inwoner zich daar niet aan houdt.

8.1.2. de rol van de inwoner Dit artikel spreekt voor zich.

8.2.

afspraken en verplichtingen over uitkeringen

Als een inwoner zelf niet genoeg inkomen kan verdienen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft de inwoner recht op een uitkering. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om genoeg inkomen te krijgen om onafhankelijk te worden van de uitkering. In de Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt gedetailleerd beschreven hoe de gemeente moet handelen als een inwoner niet voldoet aan de plichten. Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een inwoner. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering.

Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol. Wanneer de gemeente tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet de gemeente af van een dergelijke verlaging. De gemeente moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. De gemeente kan dan ook van een verlaging afzien als de gemeente daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Afstemmen in de Participatiewet Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).

Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. De gemeente beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van inwoner aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. De herbeoordeling heeft slechts als doel vast te stellen of inwoner tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk

36

Toelichting verordening sociaal domein

heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen. Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als de inwoner daarom vraagt. Een verlaging op grond van de maatregelenverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat inwoner zich zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan inwoner hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: inwoner beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden.

Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd. In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd op grond van de verordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan inwoner hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. Afstemmen in de IOAW en de IOAZ Sinds 1 juli 2010 heeft de gemeente de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te weigeren als een inwoner de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening (artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ).

De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen. Niet verlenen van medewerking Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening. Schenden van de inlichtingenplicht De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ.

Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.

8.2.1. afstemming op houding en gedrag van de inwoner De gemeente moet bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de ernst van de gedraging, de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet de gemeente

37

Toelichting verordening sociaal domein

af van een verlaging. De gemeente geeft de inwoner daarom de kans zijn mening te geven over de gebeurtenis. Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een inwoner bezwaar en beroep indienen. Wat in het besluit moet worden vermeld, staat in de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien.

8.2.2. afzien van verlaging In dit artikel wordt beschreven wanneer de gemeente afziet van verlagen van de uitkering. Afzien van verlagen Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel 20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan de gemeente te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.

De gemeente kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer dan één of langer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden. De vervaltermijn is afhankelijk van de hoogte van de maatregel. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na één jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van € 340,- of minder kan worden opgelegd. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na vijf jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van meer dan € 340,- kan worden opgelegd. Deze verjaringstermijn laat overigens onverlet dat het vanuit het oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”) nastrevenswaardig wordt geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging. Afzien van verlagen in verband met dringende redenen Onder b is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de inwoner onaanvaardbare consequenties zouden optreden.

Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor inwoner en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering. Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen De Participatiewet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet de gemeente een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een inwoner en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14724034/1