Verordening Sociaal Domein 2025 was wordt versie Definitief.pdf
Tekst van het document
gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten. gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt. hulp: ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, of schuldhulp verlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs. hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening: • Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening. • Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling of bijzondere bijstand. • Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden. • Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. inkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. interne werkbegeleiding: 49
Verordening sociaal domein
Door een collega geboden dagelijks werkbegeleiding, aan een inwoner behorende tot de doelgroep uit de Participatiewet, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek.
inwoner: de persoon die een direct belang heeft bij een besluit van de gemeente (artikel 1:2, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Als de inwoner een hulpvraag heeft die nog niet heeft geleid tot een verzoek om een besluit te nemen of tot feitelijk handelen door de gemeente, dan wordt met inwoner bedoeld: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente is ingeschreven, of, als het gaat om hulp op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ: degene die woonplaats heeft in de gemeente, volgens de regels van artikel 10, lid 1 en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. jobcoaching: Door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk. jongere: de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener- en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie.
Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft. kindpakket: een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering, omdat meer mensen de kosten kunnen delen. levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. leverancier: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling. medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt. overige voorzieningen:
50
Verordening sociaal domein
Voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’. Peildatum: Datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt.
persoonlijke ondersteuning bij werk: Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging.
persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan. Zie artikel 2.3.2. Wmo 2015 voor meer details waaraan een persoonlijk plan moet voldoen Artikel 4.1.2. van de Jeugdwet:
‘’……..biedt de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling als eerste de mogelijkheid om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Het voorgaande is niet van toepassing op de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of die de voogdij uitoefent in het geval dat de ouders ontheven of ontzet zijn uit het ouderlijk gezag.’’
pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen.
51
Verordening sociaal domein
plan van aanpak : een plan van aanpak dat de gemeente opstelt, waar in de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van een loonwaardevaststelling op de werkplek professional: iemand die beroepsmatig hulp verleent en voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn. referteperiode: Periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. respijtverblijf: respijtzorg betreft een specifieke vorm van ondersteuning ter ontlasting van de mantelzorger, waarbij ondersteuning wordt versterkt aan de mantelzorger op grond van (dreigende) overbelasting. De belangrijkste afweging bij het toekennen van respijtzorg betreft het concrete resultaat dat bestaat uit het duurzaam uitstellen of voorkomen van de noodzaak om duurdere/zwaardere ondersteuning in te zetten. samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering.
uitkeringsgerechtigde: persoon die een uitkering heeft ingevolge de Participatiewet, de Ioaw: (Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers), de Iow (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen) of de Ioaz (Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen). uitkeringsnorm: de voor de inwoner in zijn situatie maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. vermogen: totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. voorziening: hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb, geldbedrag of een combinatie daarvan. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie. werknemer: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de Participatiewet met wie de werkgever een dienstvetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is.
wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet. 52
Verordening sociaal domein
Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Wmo-hulp: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. woning: hoofdverblijf. WTOS Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. WSF 2000 Wet Studiefinanciering. zorgarrangement: om zo goed mogelijk maatwerk te kunnen bieden, wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een zorgarrangement. Het zorgarrangement bestaat uit modules die specifiek betrekking hebben op de aard van de noodzakelijke begeleiding en het bijbehorend toezicht. In de beleidsregel Beschermd Wonen gemeente Bunschoten 2019 wordt een uitgebreide toelichting gegeven op de zorgarrangementen.
53
Verordening sociaal domein
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bunschoten van 12 december 2024,
Raadsgriffier Drs. E. Hoogstraten
Voorzitter mr. drs. B. Koelewijn
54
Verordening sociaal domein
Bijlage 1HHM Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022
Bijlage 2 Erkenningseisen Jobcoach 2023 ❖ erkenningseis 1: Op basis van voornemens, handelingen, antecedenten is er voor de gemeente geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van een aanbieder die een aanvraag tot erkenning als Jobcoachorganisatie doet, te twijfelen. A. is er sprake van een onherroepelijk vonnis of arrest of enig ander onherroepelijk rechterlijk oordeel dan wel een strafbeschikking van het Openbaar Ministerie jegens aanbieder volgens de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels of waarbij enige veroordeling is uitgesproken die relevant is voor de uitvoering van Jobcoaching; B. heeft aanbieder zich op enig moment op enigerlei wijze schuldig gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen die in verband met het doen van een aanvraag tot erkenning als Jobcoachorganisatie kunnen worden verlangd of heeft aanbieder de betreffende inlichtingen niet verstrekt c.q. geweigerd deze te verstrekken ❖ erkenningseis 2: Aanbieder staat als rechtspersoon ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. 55
Verordening sociaal domein
C. Een aanbieder dient ter bevestiging van zijn identiteit aan te tonen ingeschreven te zijn als rechtspersoon bij de Kamer van Koophandel. ❖ erkenningseis 3: Aanbieder voldoet aan een passende aansprakelijkheidsverzekering. D. Aanbieder beschikt over een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering waarbij aanbieder verzekerd is voor de aansprakelijkheid voor zaak- en personenschade door een verkeerde (be)handeling, een nalatigheid of een bedrijfsfout ❖ erkenningseis 4: Aanbieder borgt de kwaliteit van de Jobcoaching. E. Vakbekwaamheid personeel Aanbieder beschikt over vakbekwaam personeel dat de Jobcoaching uitvoert. Aanbieder maakt daarbij gebruik van personeel met welke een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten of van zelfstandige personen waarmee een overeenkomst tot opdracht is gesloten. Jobcoach is (nog) geen erkend beroep en voor het vak van Jobcoach bestaat (nog) geen reguliere vakopleiding. F. Eisen aan de vakbekwaamheid van het personeel: – de Jobcoach heeft een hboopleiding of hbo werk- en denkniveau; – de Jobcoach heeft een opleidingsmodule voor Jobcoach gevolgd of is in de praktijk binnen de organisatie opgeleid tot Jobcoach (in company training). Dit volgt uit de richtlijn vanuit de Beroepsvereniging Jobcoaches Nederland. ❖ erkenningseis 5: Aanbieder neemt de normen met betrekking tot privacy in acht. G.
De gemeenteambtenaar die jobcoaching doet krijgt – om de Jobcoaching te kunnen uitvoeren – toegang tot vertrouwelijke informatie over zowel de klant als de werkgever. De ambtenaar heeft bij de uitvoering van de Jobcoaching een geheimhoudingsplicht, die zijn grondslag vindt in artikel 65 van de Wet Suwi. Daarnaast is op de verwerking van de persoonsgegevens door gemeenteambtenaren in hun hoedanigheid van werknemers voor een bestuursorgaan dat verwerkingsverantwoordelijke is, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. De gemeenteambtenaar dient de geheimhoudingsplicht van artikel 65 Participatiewet, de bepalingen uit de AVG, alsmede de andere relevante wetgeving in het kader van de privacybescherming, strikt na te leven. H. De aanbieder krijgt – om de Jobcoaching te kunnen uitvoeren – toegang tot vertrouwelijke informatie over zowel de klant als de werkgever. Aanbieder heeft daarom bij de uitvoering van de Jobcoaching een geheimhoudingsplicht, die zijn grondslag vindt in artikel 74 van de Wet Suwi. Daarnaast is op de verwerking van de persoonsgegevens door aanbieder in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing.
Aanbieder dient de geheimhoudingsplicht van artikel 74 van de wet Suwi, de bepalingen uit de AVG, alsmede de andere relevante wetgeving in het kader van de privacybescherming, strikt na te leven.
56
Verordening sociaal domein
Bijlage 3: afwegingskader beoordelen eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere of zijn ouders en/of eigen kracht of gebruikelijke hulp Uitgangspunten jeugdwet 1. Ouders zijn verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Dit is geregeld in de artikelen 8.2 en 245 van boek 1 van het BW. 2. Ouders houden de regie over de opvoeding van hun kinderen (tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert). In de memorie van toelichting op de Jeugdwet staat dat wordt uitgegaan van de mogelijkheden en behoeften van de individuele jeugdigen en hun ouders, en dat hulp en ondersteuning aanvullend zijn aan wat ouders en jeugdigen zelf kunnen.
3. Ook staat er dat ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op de eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelfstandig verder kunnen. 4. Het versterken van de eigen kracht kan ook met inzet van vrijwilligers en buurtgenoten worden gestimuleerd. 5. Dit afwegingskader heeft tot doel te bepalen wat de mogelijkheden van de individuele jeugdigen en hun ouders zijn en welke oplossingen ze in kunnen zetten vanuit hun eigen probleemoplossend vermogen. Het afwegingskader wordt ingezet bij stap 4 bij het beoordelen van een aanvraag (artikel 2.3.4.). Uitgangspunten Wmo De gemeente gaat na de vaststelling van de hulpvraag en beantwoording van de vraag welke problemen ondervonden worden bij zelfredzaamheid en participatie, na wat de eigen mogelijkheden van de aanvrager zijn en dat begint met de eigen kracht (artikel 2.3.2, lid 4 sub b). Als besloten wordt een maatwerkvoorziening toe te kennen, hoeft dat alleen maar voor zoverre gebruikelijke hulp daarin niet kan voorzien (art. 2.3.5, lid 3). Afwegingskader Om te bepalen of de jongere of zijn ouders in staat zijn om gebruik te maken van de eigen mogelijkheden (Jeugdwet), wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Betreft het een normale opvoeduitdaging, zoals beschreven door het Nji? 2. Beschikt één van beide ouders over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 3.
Is één van beide ouders eventueel in staat om deze vaardigheden aan te leren? 4. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de gezins- en woonsituatie van de jongere en zijn ouder(s); c. de belastbaarheid van ouder(s). Als ouders en/of hulpverleners twijfelen, kan een objectief instrument ingezet worden om dit te beoordelen, zoals de opvoedingsbelastbaarheidsvragenlijst; d. de beschikbaarheid van ouder(s) en de intensiteit van de hulpvraag. Door vraag 1 tot en met 3 in kaart brengen, krijgt de hulpverlener het antwoord op de vraag of één van beide ouders in staat is om de hulp te bieden. Vraag 4 brengt in kaart of het realistisch is om dit te vragen. Daarbij wordt de volgende afweging gemaakt: Punt a: Duurt de hulpvraag langer dan 6 maanden, uitgezonderd behandeling, dan wordt met ouders overlegd of zij voor deze duur in staat zijn om de hulp te bieden. Duurt de hulpvraag korter dan 6 maanden, dan gaat de gemeente ervan uit dat ouders de hulp zelf bieden. Punt b: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar dit niet kan doordat de gezins-woonsituatie van de ouders dit niet toelaten, kan de hulp niet daadwerkelijk geboden worden en kan er voor dit deel van de hulpvraag dus geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders.
57
Verordening sociaal domein
Punt c: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar er sprake is van overbelasting en ouders oorzaken van overbelasting zoveel mogelijk weggenomen hebben, kan voor dit deel van de hulpvraag geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders. Punt d: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar niet beschikbaar zijn voor de ondersteuning, dan verwacht de gemeente dat ouders het belang van hun kind voor het belang van een (werk)carrière stellen en bijvoorbeeld hun werktijden aanpassen, zorgverlof en andere soorten verlof inzetten, gebruik te maken van de Wet kinderopvang zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor andere kinderen. Is dit allemaal ingezet en blijft de beschikbaarheid van ouders onvoldoende, dan kan er voor dit deel van de hulvraag geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders. Om te bepalen of de jongeren of zijn ouders in staat zijn om gebruik te maken van hun eigen probleemoplossend vermogen (Jeugdwet) of een volwassen van eigen kracht (Wmo) wordt het volgende in kaart gebracht: 5. Is het sociaal netwerk in kaart gebracht? 6. Beschikt iemand in het sociale netwerk over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 7. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de intensiteit van de hulpvraag; c.
de bereidheid van het netwerk om de hulp te bieden; d. de belastbaarheid van het netwerk; e. de beschikbaarheid van het netwerk. 8. Kan de hulp door een vrijwilliger geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de intensiteit van de hulpvraag; c. de daadwerkelijke beschikbaarheid van een vrijwilliger. 9. Kan de hulp geboden worden door middel van een algemene voorziening. Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de intensiteit van de hulpvraag; c. de daadwerkelijke beschikbaarheid van de algemene voorziening. 10. Kan voor de benodigde hulp een aanvullende zorgverzekering afgesloten worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. Kan de hulpvraag uitgesteld worden tot ouders daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om een aanvullende zorgverzekering af te sluiten? b. Kan de inwoner een aanvullende zorgverzekering betalen? Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp (Wmo) is de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Om af te wegen of er sprake is van gebruikelijke hulp, wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Woont er nog iemand anders in hetzelfde huis? 2.
Hoe oud is deze persoon? Gaat het om huishoudelijke taken, dan verwacht de gemeente het volgende: - Een volwassen huisgenoot van 23 jaar en ouder kan, mits gezond, het huishouden helemaal overnemen. - Een volwassen huisgenoot tot 23 jaar kan de huishoudelijke taken voor 1 persoon overnemen: De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:
58
Verordening sociaal domein
-
schoonhouden van sanitaire ruimte, schoonhouden van keuken en één slaapkamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Een jeugdige tot 5 jaar hoeft niet mee te helpen met het huishouden. Een jeugdige van 5 tot 12 jaar helpt, als hij dat kan, mee met lichte huishoudelijke taken zoals opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien. Een jeugdige van 13 tot 18 jaar kan naast deze taken ook hun eigen kamer opruimen, stofzuigen en zijn eigen bed verschonen.
Gaat het om andere hulp? Dan wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Wat is de relatie tussen de huisgenoten? 2. Beschikt de huisgenoot over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 3. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: h. de duur van de hulpvraag; i. de intensiteit van de hulpvraag; j. de belastbaarheid van de huisgenoot; k. de beschikbaarheid van de huisgenoot. Daarbij verwacht de gemeente dat: - een levenspartner de volledige administratie overneemt; - een levenspartner ondersteunt bij het plannen en organiseren van de week. Overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen. Onderstaand overzicht, uit ‘Opgroeien en opvoeden’ van het NJi, is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt. Leeftijd 0–2 jaar
2–4 jaar
Belangrijkste milieus • Gezin • Opvang
Ontwikkelingstaken
Opvoedingsopgaven
Normale uitdagingen
• Veilige hechting; • Lichaamsbeheersing; • Exploratie & spelen; • Autonomie en individuatie.
• Voedingsproblemen; • Slaapproblemen; • Scheidingsangst; • Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Incidenteel huilen.
• Gezin • Buurt • Opvang • Media
• Representationele vaardigheid; • Taalvaardigheid en denkontwikkeling; • Zelfsturing (enige mate kunnen
• Soepele verzorging; • Sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind; • Letterlijk beschikbaar zijn; • Structuur bieden; • Ruimte geven voor exploitatie; • Spelen en praten; • Ontwikkeling stimuleren. • Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren);
• Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Koppigheid; • Driftbuien; 59
Verordening sociaal domein
4–6 jaar
• Gezin • Basisschool • Opvang • Verenigingen • Mediaomgeving
6 – 12 jaar
• Gezin • Opvang • School • Verenigingen • Peergroep • Mediaomgeving
12 – 16 jaar
• Gezin • School • Verenigingen • Peergroep
beheersen van emoties en gedrag); • Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; • Socialisatie; • Zelfredzaamheid; • Sekserol-identificatie • Schoolse vaardigheden; • Taal- en denkontwikkeling; • Executieve vaardigheden (zelfsturing); • Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels; • Vriendschappen sluiten; • Ontwikkeling gewetensontwikkeling / schaamtegevoelens; • Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen). • Vergroten zelfstandigheid; • Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen sociale media); • Schoolse vaardigheden; • Internet en sociale media vaardigheden; • Acceptatie door leeftijdgenoten; • Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen.
• Emotionele en praktische zelfstandigheid;
• Respect voor autonomie én grenzen stellen; • Bevorderen zelfsturing (impulscontrole).
• Agressie; • Ongehoorzaamheid; • Druk gedrag; • Niet zindelijk zijn; • Zeuren/driftbuien om beeldschermgebruik.
• Aanmoedigen sociaal gedrag; • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; • Mediaopvoeding; • Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie); • Loslaten en vertrouwen geven.
• Niet gegronde angsten; • Ruzies met leeftijdgenoten; • Zindelijkheid; • Schoolweigering; • Gebrek zelfsturing.
• Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); • Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten); • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; • Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties. • Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen;
• Ruzies, pesten; • Concentratie problemen; • Laag prestatieniveau; • Niet naar school willen; • Incidenteel stelen of vandalisme; • Overmatig gamen/ televisie/ Netflix; • Cyberpesten.
• Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk;
60
Verordening sociaal domein
16 – 23 jaar
• Mediaomgeving • Werkkring
• Ontwikkeling waardensysteem; • Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader; • Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; • Seksualiteit; • Omgang met sociale media en gevaren onderkennen; • Onderwijs en beroepsvoorbereiding.
• Toezicht houden; • Emotionele beschikbaarheid; • Tolerantie voor experimenten; • leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen; • Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag.
• Gezin • School • Verenigingen • Peergroep • Internetgroep • Werkkring
• Overgang van jeugd naar volwassenheid; • Loskomen van ouderlijk gezag; • Ontwikkeling eigen waarden en normen; • Onafhankelijkheid; • Duurzame relaties aangaan.
• Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; • Emotionele, financiële en praktische steun; • Eigen keuzes en beslissingen laten maken; • Accepteren seksuele keuzes.
• Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; • Wisselend humeur; • Incidenteel spijbelen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten; • Overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer). • Stemmingswisselingen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten.
61
Verordening sociaal domein
BRONVERMELDING Voor deze verordening is de modelverordening Sociaal Domein 2.0. van Stimulansz te Utrecht gebruikt. Als gemeente mogen wij deze modelverordening gratis gebruiken. Auteurs van de modelverordening zijn mr. Henk van Deutekom, mr Henk Kooistra, mr. Evelien Meester en drs. Annemieke Wildenburg, www.stimulansz.nl, info@stimulansz.nl © 2019 Stimulansz
62
Toelichting Omgekeerde Verordening Sociaal Domein gemeente Bunschoten 2019
Versie januari 2025
Toelichting verordening sociaal domein
Inhoudsopgave Algemene toelichting...................................................................................................... 3 Artikelsgewijze toelichting .............................................................................................. 5
2
Toelichting verordening sociaal domein
ALGEMENE TOELICHTING Beleidskader Sociaal Domein De aanleiding voor deze verordening, is het beleidskader Sociaal Domein 2019 – 2022, die de raad op 1 november 2018 heeft vastgesteld. Daarmee zijn we de lijn ingezet om te streven naar meer integraliteit, zowel in beleidsontwikkeling als in beleidsuitvoering. Dit om verkokering tegen te gaan en de inwoners vanuit een totaal plaatje van dienst te kunnen zijn. Bij de gemeente Bunschoten betreft het de kanteling naar meer dienstverlenend werken vanuit zelfsturende teams. Maar ook vanuit de principes om inwoners zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk te laten zijn, in plaats van de verantwoordelijkheid bij de overheid te leggen. Daarnaast worden de ontwikkelingen van een verzorgingsstaat naar een participatieve samenleving - zowel lokaal als landelijk - meer en meer vormgegeven. Dit is een verandering ten opzichte van uitvoeren vóór de decentralisaties, waarin vooral gekeken werd waar de mensen recht op hebben. Het daaropvolgende Integraal beleidskader Sociaal Domein 2024-2027 is vastgesteld door de gemeenteraad in december 2023. Integraliteit is in dit beleidskader ook weer een belangrijk thema. Omgekeerd denken In deze verandering hoort ook het omgekeerd denken en “de omgekeerde toets”, waarbij we het gesprek aangaan met de inwoner over het doel van de vraag, in plaats van bespreken van een aanvraagformulier.
Met de omgekeerde toets kiest de gemeente uit een palet van wettelijke mogelijkheden, dwars door alle domeinen heen, en met maar één doel voor ogen: de inwoner zo goed mogelijk helpen. We denken mee met de inwoner over het effect dat hij wil bereiken en kijken of deze hulp-op-maat past binnen de doelstelling van de wetten van het sociaal domein. Vervolgens bekijken we welke voorzieningen we hebben om dit doel met en voor de inwoner te realiseren. Opdrachten gemeenteraad In deze verordening worden verschillende opdrachten aan de gemeenteraad vanuit de wetten vervuld. Hieronder zijn de opdrachten vanuit de verschillende wetten opgesomd. Jeugdwet, Wmo en Participatiewet De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop zij: a. in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen; b. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; c. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen; d. deel kunnen nemen aan periodiek overleg; e. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; f. Worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.
3
Toelichting verordening sociaal domein
Participatiewet De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot a. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid en de periode van de verlaging van de bijstand, bedoeld in artikel 18, vijfde en zesde lid; b. het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36, waarbij de regels in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen; c. het verlenen van een individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, waarbij de regels in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag; d. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid; e.
het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 10, eerste lid, waarbij de regels in ieder geval beschrijven onder welke voorwaarden welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor in de verordening te omschrijven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld; f. het opdragen van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c; g. de scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, waarbij in ieder geval wordt beschreven welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding; h. de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, waarbij in ieder geval wordt beschreven welke regels gelden voor de premie indien onbeloonde additionele werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a waarbij die regels voor de premie in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval; i.
het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artikel 10b; j. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; k. De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast omtrent de wijze waarop de gemeente uitvoering zal geven aan het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169). Wmo De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het volgende a. op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; b. op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; c. welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; d. ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; e. op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en f.
op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; g. ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar de gemeente ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
4
Toelichting verordening sociaal domein
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING inleiding toelichting In deze verordening komen de onderwerpen aan de orde uit de Jeugdwet, Wet maatschappelijk ondersteuning 2015, Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
1.1 waarom deze regels? Regels zijn er niet alleen omdat het vanuit een wet moet, maar ook om inwoners te informeren over wat wij als gemeente doen en wat wij van inwoners verwachten die een beroep op de gemeente doen.
1.2 uitgangspunten Dit artikel spreekt voor zich.
1.3 kernwaarden Dit artikel spreekt voor zich.
1.4 artikel en wet Dit artikel spreekt voor zich.
de hulpvraag 5
Toelichting verordening sociaal domein
2.1 Stap 1: melding bij de gemeente 2.1.1 indienen hulpvraag Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij de gemeente worden gedaan. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Het kader hiervoor heeft de gemeente vastgesteld in het Besluit Electronisch berichtenverkeer Bunschoten 2013. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.
2.1.2 procedure melding Zoals hier vermeld is cliëntondersteuning op grond van de wet voor de inwoner kosteloos. Gemeenten hebben hiermee de opdracht in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Ook is bij wet bepaald dat de gemeente de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. De eigen verantwoordelijkheid en kracht van de inwoner om een oplossing te vinden voor het probleem dat wordt voorgelegd, wordt bevestigd door de mogelijkheid voor de inwoner een persoonlijk plan in te dienen. Het persoonlijk plan is een belangrijk document in de fase van vraagverheldering en onderzoek, omdat daarin de inwoner zelf een beeld geeft van de relevante feiten en omstandigheden, van te ondernemen acties en van resultaten die bijdragen aan zijn participatie in de samenleving. Door het opstellen van een persoonlijk plan geeft de inwoner blijk van eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid.
Het persoonlijk plan biedt de inwoner de mogelijkheid zelf optimaal vorm te geven aan het pakket van maatregelen en voorzieningen om het probleem op te lossen. Het geeft een goede uitgangspositie voor het inzetten van de juiste en passende acties. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat de gemeente gehouden is, voor zover een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Het persoonlijk plan is nadrukkelijk aan de orde bij een aanvraag van een pgb en geeft inzicht in de keuze van een pgb boven verstrekking van hulp in natura. Op basis van de specificaties van het plan moet de hoogte van het budget op een zorgvuldige wijze kunnen worden vastgesteld.
2.1.3 gegevens De Wmo 2015 gaat uit van een “aantoonplicht” voor de aanvrager. Ook artikel 8.1.2 van de Jeugdwet wordt dit beschreven. In artikel 17 van de Participatiewet, artikel 6 van de Wgs en artikelen 13 van de IOAW en IOAZ wordt deze aantoonplicht “inlichtingenplicht” genoemd. Beide termen betekenen dat het aan de inwoner is om alle relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Vervolgens is het aan de medewerker(s) van de gemeente om de juistheid van deze feiten te verifiëren. Daarbij is in de Participatiewet, IOAW en IOAZ vastgelegd welke bronnen de gemeente mag raadplegen voor verificatie. Het spreekt vanzelf dat de inwoner door de medewerker(s) ondersteund wordt in het volledig en duidelijk presenteren van de relevante feiten en omstandigheden.
6
Toelichting verordening sociaal domein
2.2 Stap 2: gesprek na de melding 2.2.1 uitnodiging voor gesprek Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Het kan bijvoorbeeld om een inwoner gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.
2.2.2 doel en procedure gesprek Artikel spreekt voor zich.
2.2.3 inhoud gesprek Voor een zorgvuldig onderzoek zal veelal sprake zijn van enige vorm van persoonlijk contact met de inwoner of een vertegenwoordiger van de inwoner, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de inwoner en zijn situatie verkregen kan worden. Daarom moet het onderzoek plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij. Verder is belangrijk dat het gesprek met de inwoner wordt gevoerd door deskundigen (namens de gemeente). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de inwoner thuis plaats. Indien het over hulp op maat voor een geschikte woning gaat, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.
2.2.4 verslag Dit artikel borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de inwoner een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor hulp op maat. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de inwoner. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de inwoner van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van hulp op maat noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de inwoner overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat de gemeente en de inwoner dit plan ondertekenen.
Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de inwoner nog nadere informatie moet aanleveren of dat de inwoner onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is snelle levering van het verslag niet mogelijk. Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in lid 5 van 2.2.4. de mogelijkheid opgenomen om een door de inwoner ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.
7
Toelichting verordening sociaal domein
2.3 Stap 3: aanvraag 2.3.1 aanvraag In de Awb, de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ worden regels gegeven omtrent de aanvraag. De verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier de gemeente), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Voor de Wmo en Jeugdwet geldt dat een aanvraag ook een ondertekend plan van aanpak kan zijn overeenkomstig met artikel 2.2.4. lid 5.
2.3.2 aanvraag voor hulp-op-maat Voor de Wmo en de Jeugdwet kan naast de inwoner ook een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de inwoner die een melding kan doen. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. In dit artikel worden een aantal begrippen genoemd: gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen. In de Verordening wordt consequent gesproken over andere voorzieningen als het geen hulpop-maat betreft. De Wmo 2015 noemt dit een algemene voorziening.
Volgens de Wmo 2015 is een algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Een algemene voorziening is laagdrempelig en zonder toegangsbesluit beschikbaar voor alle inwoners van Bunschoten. Bij algemene voorzieningen kan gedacht worden aan: boodschappendiensten van bijvoorbeeld supermarkten, pools voor rolstoelen en scootmobielen, en klussendiensten voor bijvoorbeeld kleine woningaanpassingen. Deze en andere algemene voorzieningen komen, met of zónder gemeentelijke inmenging, voor steeds meer personen beschikbaar. Een algemene voorziening is per definitie geen individuele voorziening en de wettelijke regels rond eigen bijdragen gelden niet. De gemeente kan wel een eigen bijdrage rekenen voor een algemene voorziening die bij verordening is ingesteld. Er is regelmatig verwarring tussen de begrippen algemene voorziening en een algemeen gebruikelijke voorziening. En hoe een algemene voorziening zich verhoudt tot algemeen gebruikelijke voorzieningen, collectieve voorzieningen en hulp-op-maat. Hieronder worden ter verduidelijking de verschillen uitgelegd. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo en komen daarom niet voor verstrekking in aanmerking.
Ook niet als sprake is van een laag inkomen, in dat geval is de Participatiewet voorliggend. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voor iedereen bereikbaar en behoren dus tot hetgeen inwoners zelf kunnen regelen (eigen kracht). Een voorziening is dus algemeen gebruikelijk als deze: 8
Toelichting verordening sociaal domein
• • • •
niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
Collectieve voorzieningen Collectieve voorzieningen zijn algemene voorzieningen die individueel worden verstrekt, maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Een collectieve voorziening wordt ingezet op basis van de vraag. Een voorbeeld is de regiotaxi. Onder de Wmo 2015 vallen collectieve voorzieningen onder het begrip algemene voorziening.
2.3.3 advisering Vanuit de Jeugdwet is de gemeente verplicht om te waarborgen dat een medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die hiervoor nodig is. De gemeente waarborgt dit door middel van het inzetten van SKJ-geregistreerde, NVO of NIP geregistreerde beroepskrachten. Dit wordt naar aanleiding van recente jurisprudentie nu ook vastgesteld in de verordening. De gemeente kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de inwoner en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo, artikel 17, tweede lid van de Participatiewet, artikel 7 van de Wgs en artikelen 13, tweede lid van de IOAZ en IOAW is een medewerkingsplicht opgenomen. De inwoner is verplicht aan de gemeente desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
2.3.4 beoordelen aanvraag Dit artikel spreekt voor zich.
2.3.5 afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Dit artikel spreekt voor zich.
2.3.6 beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp Dit artikel spreekt voor zich.
2.3.7 Beslistermijn De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4A, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet heeft plaatsgevonden.
2.4 Stap 4: beslissing 2.4.1 inhoud besluit
9
Toelichting verordening sociaal domein
INHOUD BESLUIT AANVRAAG VANUIT DE WMO Uitgangspunt van de Wmo is dat de inwoner een hulp in natura krijgt. Indien gewenst door de inwoner bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget. In het tweede lid onder a, en derde lid, onder a wordt vastgelegd waarvoor het is bedoeld, door bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ te noemen en niet ‘een scootmobiel’. Tweede lid, onder b, en derde lid, onder c: onder ‘wanneer de hulp ingaat en hoelang de hulp duurt’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Onder welke verplichtingen er voor hulp gelden, wordt binnen de Wmo in ieder geval verstaan dat een inwoner wordt geïnformeerd als sprake is van een te betalen bijdrage. Dit is uitsluitend ter informatie aan de inwoner. De gemeente neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening (hulp op maat) dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd wordt door het CAK.
2.4.2 verval van recht Dit artikel spreekt voor zich.
2.5 uitzonderingen 2.5.1 jeugdhulp via arts e.a. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jongere of zijn ouder precies nodig heeft. Een jongere kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.
Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente.
Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en 10
Toelichting verordening sociaal domein
rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis(voorheen advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) Tenslotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.
Deze toegang is al in de Jeugdwet geregeld en komt niet terug in deze verordening.
2.5.2 spoedeisende gevallen In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. De gemeente is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.
11
Toelichting verordening sociaal domein
werk en participatie De gemeente heeft in de Participatiewet de opdracht gekregen om bij verordening regels te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.
3.1 doelgroep In artikel 10 van de Participatiewet is bepaald dat personen uit de doelgroep aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de verordening. De personen uit de doelgroep staan beschreven in artikel 7, lid 1 onder a van de Participatiewet: 1. personen die algemene bijstand ontvangen; 2. personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend; 3. personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Participatiewet; 4. personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet; 5. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); 6. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en 7. niet-uitkeringsgerechtigden.
Voor inwoners met een uitkering is het verplicht om ondersteuning van de gemeente te accepteren. De ondersteuning wordt vastgelegd in een plan van aanpak.
3.2 samenwerking Dit artikel spreekt voor zich.
3.3 budget Dit artikel spreekt voor zich.
3.4 evenwichtige verdeling en evaluatie De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement, het leren van vaardigheden, het vergaren van kennis, of het opdoen van werkervaring. De ondersteuning kan ook eenvoudigweg bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties. Zorgtaken
12
Toelichting verordening sociaal domein
Bij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar wordt rekening gehouden met de zorgtaken die ze hebben. Alleenstaande ouders kunnen op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde re-integratie-activiteiten. Mantelzorg is geen reden voor ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Wel houdt de gemeente rekening met de omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten voor kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte, adequate oplossingen zijn. Dit is ter beoordeling van het college Weigeringsgronden Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is.
Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Beëindigingsgronden Het vijfde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3.4 vijfde lid. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend.
Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 14-092006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Afstemming Het zesde lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, het beste instrument tegen de laagste kosten verstrekt. Zijn er meerdere passende opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt. Het zesde lid geeft ons regionale uitgangspunt bij het inzetten van voorzieningen weer; het beste instrument tegen de laagste kosten. Het zesde lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein.