Verordening Sociaal Domein 2025
Tekst van het document
In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welk momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd is.
collectief taxivervoer:
48
Verordening sociaal domein
vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd). eigen kracht: eigen kracht (Jeugdwet): De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) zelf of met behulp van het sociale netwerk om te voorzien in of bij te dragen aan het oplossen van opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen. eigen kracht (Wmo): het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen. effect: het resultaat of doel. financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. gebruikelijke hulp: Gebruikelijke hulp is de normale hulp, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen en/of huisgenoten elkaar geven.
gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten. gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt. hulp: ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, of schuldhulp verlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs. hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening: Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling of bijzondere bijstand. Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. inkomen: 49
Verordening sociaal domein
het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. interne werkbegeleiding: Door een collega geboden dagelijks werkbegeleiding, aan een inwoner behorende tot de doelgroep uit de Participatiewet, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek. inwoner: de persoon die een direct belang heeft bij een besluit van de gemeente (artikel 1:2, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Als de inwoner een hulpvraag heeft die nog niet heeft geleid tot een verzoek om een besluit te nemen of tot feitelijk handelen door de gemeente, dan wordt met inwoner bedoeld: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente is ingeschreven, of, als het gaat om hulp op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ: degene die woonplaats heeft in de gemeente, volgens de regels van artikel 10, lid 1 en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
jobcoaching: Door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk. jongere: de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft. kindpakket: een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering, omdat meer mensen de kosten kunnen delen. levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. leverancier: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling. medewerker: 50
Verordening sociaal domein
de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt. overige voorzieningen: Voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’. peildatum: Datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt. persoonlijke ondersteuning bij werk: Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd).
Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging. persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan. Zie artikel 2.3.2. Wmo 2015 voor meer details waaraan een persoonlijk plan moet voldoen Artikel 4.1.2. van de Jeugdwet:
‘’……..biedt de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling als eerste de mogelijkheid om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Het voorgaande is niet van toepassing op de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of die de voogdij uitoefent in het geval dat de ouders ontheven of ontzet zijn uit het ouderlijk gezag.’’
pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen. plan van aanpak : een plan van aanpak dat de gemeente opstelt, waar in de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van een loonwaardevaststelling op de werkplek professional: iemand die beroepsmatig hulp verleent en voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn. referteperiode: Periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. respijtverblijf:
51
Verordening sociaal domein
respijtzorg betreft een specifieke vorm van ondersteuning ter ontlasting van de mantelzorger, waarbij ondersteuning wordt versterkt aan de mantelzorger op grond van (dreigende) overbelasting. De belangrijkste afweging bij het toekennen van respijtzorg betreft het concrete resultaat dat bestaat uit het duurzaam uitstellen of voorkomen van de noodzaak om duurdere/zwaardere ondersteuning in te zetten. samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering. uitkeringsgerechtigde: persoon die een uitkering heeft ingevolge de Participatiewet, de Ioaw: (Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers), de Iow (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen) of de Ioaz (Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen). uitkeringsnorm: de voor de inwoner in zijn situatie maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. vermogen: totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
voorziening: hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb, geldbedrag of een combinatie daarvan. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie. werknemer: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de Participatiewet met wie de werkgever een dienstvetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is. wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet. Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Wmo-hulp: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. woning: hoofdverblijf. WTOS Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
52
Verordening sociaal domein
WSF 2000 Wet Studiefinanciering. zorgarrangement: om zo goed mogelijk maatwerk te kunnen bieden, wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een zorgarrangement. Het zorgarrangement bestaat uit modules die specifiek betrekking hebben op de aard van de noodzakelijke begeleiding en het bijbehorend toezicht. In de beleidsregel Beschermd Wonen gemeente Bunschoten 2019 wordt een uitgebreide toelichting gegeven op de zorgarrangementen. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bunschoten van 12 december 2024,
Raadsgriffier Drs. E. Hoogstraten
Voorzitter mr. drs. B. Koelewijn
53
Verordening sociaal domein
Bijlage 1 HHM Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022
54
Verordening sociaal domein
Bijlage 2 Erkenningseisen Jobcoach 2023 erkenningseis 1: Op basis van voornemens, handelingen, antecedenten is er voor de gemeente geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van een aanbieder die een aanvraag tot erkenning als Jobcoachorganisatie doet, te twijfelen. A. is er sprake van een onherroepelijk vonnis of arrest of enig ander onherroepelijk rechterlijk oordeel dan wel een strafbeschikking van het Openbaar Ministerie jegens aanbieder volgens de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels of waarbij enige veroordeling is uitgesproken die relevant is voor de uitvoering van Jobcoaching; B. heeft aanbieder zich op enig moment op enigerlei wijze schuldig gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen die in verband met het doen van een aanvraag tot erkenning als Jobcoachorganisatie kunnen worden verlangd of heeft aanbieder de betreffende inlichtingen niet verstrekt c.q. geweigerd deze te verstrekken erkenningseis 2: Aanbieder staat als rechtspersoon ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. C. Een aanbieder dient ter bevestiging van zijn identiteit aan te tonen ingeschreven te zijn als rechtspersoon bij de Kamer van Koophandel. erkenningseis 3: Aanbieder voldoet aan een passende aansprakelijkheidsverzekering. D.
Aanbieder beschikt over een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering waarbij aanbieder verzekerd is voor de aansprakelijkheid voor zaak- en personenschade door een verkeerde (be)handeling, een nalatigheid of een bedrijfsfout erkenningseis 4: Aanbieder borgt de kwaliteit van de Jobcoaching. E. Vakbekwaamheid personeel Aanbieder beschikt over vakbekwaam personeel dat de Jobcoaching uitvoert. Aanbieder maakt daarbij gebruik van personeel met welke een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten of van zelfstandige personen waarmee een overeenkomst tot opdracht is gesloten. Jobcoach is (nog) geen erkend beroep en voor het vak van Jobcoach bestaat (nog) geen reguliere vakopleiding. F. Eisen aan de vakbekwaamheid van het personeel: – de Jobcoach heeft een hboopleiding of hbo werk- en denkniveau; – de Jobcoach heeft een opleidingsmodule voor Jobcoach gevolgd of is in de praktijk binnen de organisatie opgeleid tot Jobcoach (in company training). Dit volgt uit de richtlijn vanuit de Beroepsvereniging Jobcoaches Nederland. erkenningseis 5: Aanbieder neemt de normen met betrekking tot privacy in acht. G. De gemeenteambtenaar die jobcoaching doet krijgt – om de Jobcoaching te kunnen uitvoeren – toegang tot vertrouwelijke informatie over zowel de klant als de werkgever.
De ambtenaar heeft bij de uitvoering van de Jobcoaching een geheimhoudingsplicht, die zijn grondslag vindt in artikel 65 van de Wet Suwi. Daarnaast is op de verwerking van de persoonsgegevens door gemeenteambtenaren in hun hoedanigheid van werknemers voor een bestuursorgaan dat verwerkingsverantwoordelijke is, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. De gemeenteambtenaar dient de geheimhoudingsplicht van artikel 65 Participatiewet, de bepalingen uit de AVG, alsmede de andere relevante wetgeving in het kader van de privacybescherming, strikt na te leven. H. De aanbieder krijgt – om de Jobcoaching te kunnen uitvoeren – toegang tot vertrouwelijke informatie over zowel de klant als de werkgever. Aanbieder heeft daarom bij de uitvoering van de Jobcoaching een geheimhoudingsplicht, die zijn grondslag vindt in artikel 74 van de Wet Suwi. Daarnaast is op de verwerking van de persoonsgegevens door aanbieder in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, de Algemene verordening gegevensbescherming 55
Verordening sociaal domein
(AVG) van toepassing. Aanbieder dient de geheimhoudingsplicht van artikel 74 van de wet Suwi, de bepalingen uit de AVG, alsmede de andere relevante wetgeving in het kader van de privacybescherming, strikt na te leven.
Bijlage 3 Afwegingskader beoordelen eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere of zijn ouders en/of eigen kracht of gebruikelijke hulp Uitgangspunten Jeugdwet 1. Ouders zijn verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Dit is geregeld in de artikelen 8.2 en 245 van boek 1 van het BW. 2. Ouders houden de regie over de opvoeding van hun kinderen (tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert). In de memorie van toelichting op de Jeugdwet staat dat wordt uitgegaan van de mogelijkheden en behoeften van de individuele jeugdigen en hun ouders, en dat hulp en ondersteuning aanvullend zijn aan wat ouders en jeugdigen zelf kunnen. 3. Ook staat er dat ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op de eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelfstandig verder kunnen. 4. Het versterken van de eigen kracht kan ook met inzet van vrijwilligers en buurtgenoten worden gestimuleerd. 5. Dit afwegingskader heeft tot doel te bepalen wat de mogelijkheden van de individuele jeugdigen en hun ouders zijn en welke oplossingen ze in kunnen zetten vanuit hun eigen probleemoplossend vermogen. Het afwegingskader wordt ingezet bij stap 4 bij het beoordelen van een aanvraag (artikel 2.3.4.).
Uitgangspunten Wmo De gemeente gaat na de vaststelling van de hulpvraag en beantwoording van de vraag welke problemen ondervonden worden bij zelfredzaamheid en participatie, na wat de eigen mogelijkheden van de aanvrager zijn en dat begint met de eigen kracht (artikel 2.3.2, lid 4 sub b). Als besloten wordt een maatwerkvoorziening toe te kennen, hoeft dat alleen maar voor zoverre gebruikelijke hulp daarin niet kan voorzien (art. 2.3.5, lid 3). Afwegingskader Om te bepalen of de jongere of zijn ouders in staat zijn om gebruik te maken van de eigen mogelijkheden (Jeugdwet), wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Betreft het een normale opvoeduitdaging, zoals beschreven door het NJi? 2. Beschikt één van beide ouders over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 3. Is één van beide ouders eventueel in staat om deze vaardigheden aan te leren? 4. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de gezins- en woonsituatie van de jongere en zijn ouder(s); c. de belastbaarheid van ouder(s). Als ouders en/of hulpverleners twijfelen, kan een objectief instrument ingezet worden om dit te beoordelen, zoals de opvoedingsbelastbaarheidsvragenlijst; d. de beschikbaarheid van ouder(s) en de intensiteit van de hulpvraag.
Door vraag 1 tot en met 3 in kaart brengen, krijgt de hulpverlener het antwoord op de vraag of één van beide ouders in staat is om de hulp te bieden. Vraag 4 brengt in kaart of het realistisch is om dit te vragen. Daarbij wordt de volgende afweging gemaakt: Punt a: Duurt de hulpvraag langer dan 6 maanden, uitgezonderd behandeling, dan wordt met ouders overlegd of zij voor deze duur in staat zijn om de hulp te bieden. Duurt de hulpvraag korter dan 6 maanden, dan gaat de gemeente ervan uit dat ouders de hulp zelf bieden. Punt b: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar dit niet kan doordat de gezins-woonsituatie van de ouders dit niet toelaten, kan de hulp niet daadwerkelijk geboden worden en kan er voor dit deel van de hulpvraag dus geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders.
56
Verordening sociaal domein
Punt c: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar er sprake is van overbelasting en ouders oorzaken van overbelasting zoveel mogelijk weggenomen hebben, kan voor dit deel van de hulpvraag geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders. Punt d: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar niet beschikbaar zijn voor de ondersteuning, dan verwacht de gemeente dat ouders het belang van hun kind voor het belang van een (werk)carrière stellen en bijvoorbeeld hun werktijden aanpassen, zorgverlof en andere soorten verlof inzetten, gebruik te maken van de Wet kinderopvang zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor andere kinderen. Is dit allemaal ingezet en blijft de beschikbaarheid van ouders onvoldoende, dan kan er voor dit deel van de hulvraag geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders. Om te bepalen of de jongeren of zijn ouders in staat zijn om gebruik te maken van hun eigen probleemoplossend vermogen (Jeugdwet) of een volwassen van eigen kracht (Wmo) wordt het volgende in kaart gebracht: 5. Is het sociaal netwerk in kaart gebracht? 6. Beschikt iemand in het sociale netwerk over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 7. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de intensiteit van de hulpvraag; c.
de bereidheid van het netwerk om de hulp te bieden; d. de belastbaarheid van het netwerk; e. de beschikbaarheid van het netwerk. 8. Kan de hulp door een vrijwilliger geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de intensiteit van de hulpvraag; c. de daadwerkelijke beschikbaarheid van een vrijwilliger. 9. Kan de hulp geboden worden door middel van een algemene voorziening. Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de intensiteit van de hulpvraag; c. de daadwerkelijke beschikbaarheid van de algemene voorziening. 10. Kan voor de benodigde hulp een aanvullende zorgverzekering afgesloten worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. Kan de hulpvraag uitgesteld worden tot ouders daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om een aanvullende zorgverzekering af te sluiten? b. Kan de inwoner een aanvullende zorgverzekering betalen? Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp (Wmo) is de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Om af te wegen of er sprake is van gebruikelijke hulp, wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Woont er nog iemand anders in hetzelfde huis? 2.
Hoe oud is deze persoon? Gaat het om huishoudelijke taken, dan verwacht de gemeente het volgende: - Een volwassen huisgenoot van 23 jaar en ouder kan, mits gezond, het huishouden helemaal overnemen. - Een volwassen huisgenoot tot 23 jaar kan de huishoudelijke taken voor 1 persoon overnemen: De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, schoonhouden van keuken en één slaapkamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. - Een jeugdige tot 5 jaar hoeft niet mee te helpen met het huishouden. - Een jeugdige van 5 tot 12 jaar helpt, als hij dat kan, mee met lichte huishoudelijke taken zoals opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien. 57
Verordening sociaal domein
-
Een jeugdige van 13 tot 18 jaar kan naast deze taken ook hun eigen kamer opruimen, stofzuigen en zijn eigen bed verschonen.
Gaat het om andere hulp? Dan wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Wat is de relatie tussen de huisgenoten? 2. Beschikt de huisgenoot over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 3. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: h. de duur van de hulpvraag; i. de intensiteit van de hulpvraag; j. de belastbaarheid van de huisgenoot; k. de beschikbaarheid van de huisgenoot. Daarbij verwacht de gemeente dat: - een levenspartner de volledige administratie overneemt; - een levenspartner ondersteunt bij het plannen en organiseren van de week. Overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen. Onderstaand overzicht, uit ‘Opgroeien en opvoeden’ van het NJi, is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt. Leeftijd
Belangrijkste milieus Gezin Opvang
Ontwikkelingstaken
Opvoedingsopgaven
Normale uitdagingen
• Veilige hechting; • Lichaamsbeheersing; • Exploratie & spelen; • Autonomie en individuatie.
• Voedingsproblemen; • Slaapproblemen; • Scheidingsangst; • Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Incidenteel huilen.
2–4 jaar
Gezin Buurt Opvang Media
4–6 jaar
Gezin Basisschool Opvang Verenigingen Mediaomgeving
• Representationele vaardigheid; • Taalvaardigheid en denkontwikkeling; • Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag); • Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; • Socialisatie; • Zelfredzaamheid; • Sekserol-identificatie • Schoolse vaardigheden; • Taal- en denkontwikkeling; • Executieve vaardigheden (zelfsturing); • Gezinsnormen eigen
• Soepele verzorging; • Sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind; • Letterlijk beschikbaar zijn; • Structuur bieden; • Ruimte geven voor exploitatie; • Spelen en praten; • Ontwikkeling stimuleren. • Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren); • Respect voor autonomie én grenzen stellen; • Bevorderen zelfsturing (impulscontrole). • Aanmoedigen sociaal gedrag; • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; •
• Niet gegronde angsten; • Ruzies met leeftijdgenoten; • Zindelijkheid; • Schoolweigering; • Gebrek zelfsturing.
0–2 jaar
• Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Koppigheid; • Driftbuien; • Agressie; • Ongehoorzaamheid; • Druk gedrag; • Niet zindelijk zijn; • Zeuren/driftbuien om beeldscherm-gebruik.
58
Verordening sociaal domein
6 – 12 jaar
Gezin Opvang School Verenigingen Peergroep Mediaomgeving
12 – 16 jaar
Gezin School Verenigingen Peergroep Mediaomgeving Werkkring
16 – 23 jaar
Gezin School Verenigingen Peergroep Internetgroep Werkkring
maken, houden aan regels; • Vriendschappen sluiten; • Ontwikkeling gewetensontwikkeling / schaamte- gevoelens; • Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen). • Vergroten zelfstandigheid; • Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen sociale media); • Schoolse vaardigheden; • Internet en sociale media vaardigheden; • Acceptatie door leeftijdgenoten; • Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen. • Emotionele en praktische zelfstandigheid; • Ontwikkeling waardensysteem; • Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader; • Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; • Seksualiteit; • Omgang met sociale media en gevaren onderkennen; • Onderwijs en beroepsvoorbereiding. • Overgang van jeugd naar volwassenheid; • Loskomen van ouderlijk gezag; • Ontwikkeling eigen waarden en normen; • Onafhankelijkheid; • Duurzame relaties aangaan.
Mediaopvoeding; • Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie); • Loslaten en vertrouwen geven. • Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); • Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten); • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; • Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties. • Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen; • Toezicht houden; • Emotionele beschikbaarheid; • Tolerantie voor experimenten; • leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen; • Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag. • Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; • Emotionele, financiële en praktische steun; • Eigen keuzes en beslissingen laten maken; • Accepteren seksuele keuzes.
• Ruzies, pesten; • Concentratie problemen; • Laag prestatieniveau; • Niet naar school willen; • Incidenteel stelen of vandalisme; • Overmatig gamen/ televisie/ Netflix; • Cyberpesten.
• Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; • Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; • Wisselend humeur; • Incidenteel spijbelen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten; • Overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer). • Stemmingswisselingen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten.
BRONVERMELDING Voor deze verordening is de modelverordening Sociaal Domein 2.0. van Stimulansz te Utrecht gebruikt. Als gemeente mogen wij deze modelverordening gratis gebruiken. Auteurs van de modelverordening zijn mr. Henk van Deutekom, mr Henk Kooistra, mr. Evelien Meester en drs. Annemieke Wildenburg, www.stimulansz.nl, info@stimulansz.nl © 2019 Stimulansz 59
Verordening sociaal domein
60
Toelichting verordening sociaal domein
Toelichting Omgekeerde Verordening Sociaal Domein gemeente Bunschoten
Versie januari 2025 61
Toelichting verordening sociaal domein
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1.
inleiding omgekeerde verordening......................................................3
1.1
waarom deze regels?................................................................................................ 3
1.2
uitgangspunten.......................................................................................................... 3
1.3
kernwaarden............................................................................................................. 3
1.4
artikel en wet............................................................................................................. 4
Hoofdstuk 2. 2.1
de hulpvraag........................................................................................5
Stap 1: melding bij de gemeente...............................................................................5
2.1.1
indienen hulpvraag............................................................................................5
2.1.2
procedure melding............................................................................................. 5
2.1.3
gegevens........................................................................................................... 6
2.2
Stap 2: gesprek na de melding..................................................................................6
2.2.1
uitnodiging voor gesprek...................................................................................6
2.2.2
doel en procedure gesprek................................................................................6
2.2.3
inhoud gesprek.................................................................................................. 6
2.2.4
verslag............................................................................................................... 6
2.3
Stap 3: aanvraag....................................................................................................... 7
2.3.1
aanvraag........................................................................................................... 7
2.3.2
aanvraag voor hulp-op-maat.............................................................................7
2.3.3
advisering.......................................................................................................... 7
2.3.4
beoordelen aanvraag.........................................................................................8
2.3.5
afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen..........8
2.3.6
beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp....................................................9
2.3.7
beslistermijn...................................................................................................... 9
2.4
Stap 4: beslissing...................................................................................................... 9
2.4.1
inhoud besluit.................................................................................................... 9
2.4.2
verval van recht............................................................................................... 10
2.5
uitzonderingen......................................................................................................... 10
2.5.1
jeugdhulp via arts e.a......................................................................................10
2.5.2
spoedeisende gevallen....................................................................................10
Hoofdstuk 3.
werk en participatie...........................................................................11
3.1
doelgroep................................................................................................................ 11
3.2
samenwerking......................................................................................................... 12
3.3
budget..................................................................................................................... 12
3.4
evenwichtige verdeling en evaluatie........................................................................12
3.4.1
sollicitatie activiteiten.......................................................................................13
3.4.2
scholing........................................................................................................... 13
3.4.3
nazorg............................................................................................................. 13
3.4.4
tegemoetkoming kinderopvang.......................................................................13
3.4.5
proefplaatsing.................................................................................................. 13
3.4.6
sociale activering............................................................................................. 14
3.4.7
participatieplaats............................................................................................. 14 62
Toelichting verordening sociaal domein
3.4.8
werkgeverssubsidie......................................................................................... 14
3.4.9
loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking..........................15
3.4.10
loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers............................................15
3.4.11
beschut werk................................................................................................... 15
3.4.12
persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen........................16
3.4.13
hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider..................16
3.4.14
ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening.............................17
3.4.15
ondersteuning bij een motorische handicap....................................................17
3.4.16
ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening...................18
3.4.17
ondersteuning bij werkplekaanpassingen........................................................18
3.4.18
ondersteuning bij een visuele handicap...........................................................18
3.5
tegenprestatie.......................................................................................................... 18
3.5.1
doel van de tegenprestatie..............................................................................18
3.5.2
duur en omvang tegenprestatie.......................................................................18
3.5.3
voorwaarden tegenprestatie............................................................................18
3.6
meedoen in de samenleving...................................................................................18
3.6.1
dagbesteding................................................................................................... 19
3.6.2
persoonlijke begeleiding..................................................................................19
3.6.3
rolstoel............................................................................................................. 19
3.6.4
contact met anderen.......................................................................................19
3.7
meedoen aan sportactiviteiten.................................................................................19
3.8
vervanging vervoermiddel of rolstoel.......................................................................19
Hoofdstuk 4.
gezond en veilig opgroeien...............................................................20
4.1
uitgangspunten bij het bieden van hulp...................................................................21
4.2
preventieve maatregelen.........................................................................................22
4.3
hulp-op-maat........................................................................................................... 22
4.4
overgang van 18- naar 18+.....................................................................................22
4.5
afstemming met andere vormen van hulp...............................................................23
4.6
afstemming langdurige zorg....................................................................................23
4.7
veilig thuis............................................................................................................... 23
Hoofdstuk 5.
wonen in een veilige en gezonde omgeving.....................................23
5.1
Uitgangspunten....................................................................................................... 24
5.2
zelfstandig en veilig wonen.....................................................................................24
5.2.1
geschikte woning............................................................................................. 24
5.2.2
een schone en leefbare woning.......................................................................25
5.2.3
beschermd wonen........................................................................................... 25
5.3
mantelzorg.............................................................................................................. 25
5.3.1
ondersteuning mantelzorger............................................................................25
5.3.2
mantelzorgwaardering.....................................................................................25
Hoofdstuk 6.
de vorm van de hulp..........................................................................27
6.1
hulp in natura........................................................................................................... 27
6.2
hulp in geld.............................................................................................................. 27
63
Toelichting verordening sociaal domein
6.3
persoonsgebonden budget......................................................................................28
6.3.1
voorwaarden.................................................................................................... 28
6.3.2
pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk..........................................29
6.3.3
hoogte en tarief pgb......................................................................................... 29
6.3.4
verantwoording pgb......................................................................................... 30
6.3.5
opschorten pgb................................................................................................ 31
6.4
wat is de eigen bijdrage?......................................................................................... 31
Hoofdstuk 7. 7.1
inkomen en schulden........................................................................31
lokaal inkomensbeleid............................................................................................. 32
7.1.1
wat wil de gemeente?......................................................................................32
7.2
bijzondere bijstand.................................................................................................. 32
7.3
zorgkosten............................................................................................................... 33
7.4
individuele inkomenstoeslag...................................................................................33
7.4.1
indienen aanvraag individuele inkomenstoeslag.............................................33
7.4.2
doelgroep........................................................................................................ 33
7.4.3
hoogte van de toeslag.....................................................................................34
7.5
kinderen in Armoede............................................................................................... 34
7.5.1
doelgroep........................................................................................................ 34
7.5.2
inhoud kindpakket............................................................................................ 34
7.6
tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval....................................34
7.6.1
doelgroep........................................................................................................ 34
7.6.2
hoogte van de toeslag.....................................................................................35
7.7
schuldhulpverlening................................................................................................. 35
7.7.1
samenwerking en toegang..............................................................................35
7.7.2
schuldhulpverlening......................................................................................... 35
Hoofdstuk 8.
afspraken tussen inwoner en gemeente...........................................36
8.1
hoe gaan we met elkaar om?..................................................................................36
8.1.1
de rol van de gemeente...................................................................................36
8.1.2
de rol van de inwoner......................................................................................37
8.2
afspraken en verplichtingen over uitkeringen..........................................................37
8.2.1
afstemming op houding en gedrag van de inwoner.........................................37
8.2.2
afzien van verlaging......................................................................................... 38
8.2.3
ingangsdatum en periode verlaging.................................................................38
8.2.4
berekening verlaging.......................................................................................38
8.2.5
niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen................................................38
8.2.6
stoppen verlaging........................................................................................... 38
8.2.7
niet nakomen andere arbeidsverplichtingen....................................................38
8.2.8
te weinig besef van verantwoordelijkheid........................................................39
8.2.9
zeer ernstige misdragingen.............................................................................39
8.2.10
niet nakomen van andere verplichtingen.........................................................40
8.2.11
samenloop van gedragingen...........................................................................40
8.2.12
herhaling (recidive) van een gedraging...........................................................40
64
Toelichting verordening sociaal domein
8.3
terugvorderen uitkering........................................................................................... 40
8.3.1 8.4
terugvordering en incasso...............................................................................40 beëindigen en terugvorderen voorziening...............................................................40
8.4.1
beëindiging voorziening...................................................................................41
8.4.2
terugvordering voorziening..............................................................................41
8.5
hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?.......................41
8.5.1
controle............................................................................................................ 41
8.5.2
voorkomen van fraude.....................................................................................41
8.5.3
beleidsplan en beleidsverslag.........................................................................42
8.5.4
privacy............................................................................................................. 42
8.5.5
toezichthouders............................................................................................... 42
Hoofdstuk 9.
Adviesraad Sociaal Domein..............................................................43
9.1
inspraak van inwoners............................................................................................. 43
9.2
Adviesraad Sociaal Domein....................................................................................43
9.3
taken en bevoegdheden Adviesraad Sociaal Domein.............................................44
9.4
budget, vergoeding en voorzieningen.....................................................................44
Hoofdstuk 10. kwaliteit en aanbesteding..................................................................45 10.1
kwaliteit................................................................................................................... 45
10.2
inkoop en aanbesteding..........................................................................................45
Hoofdstuk 11.
van oud naar nieuw..........................................................................46
11.1
uitvoeringsregels..................................................................................................... 46
11.2
intrekken oude verordeningen.................................................................................46
11.3
Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)...................................................46
11.4
overgangsrecht........................................................................................................ 46
11.5
ingangsdatum en naam........................................................................................... 47
Hoofdstuk 12.
begrippen.........................................................................................48 Bijlage 1 HHM Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022........................................................................................54 Bijlage 2 Erkenningseisen Jobcoach 2023.......................................55 Bijlage 3 Afwegingskader beoordelen eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere of zijn ouders en/of eigen kracht of gebruikelijke hulp........................................................................................................56 Algemene toelichting.........................................................................70 Algemene toelichting.........................................................................70 Artikelsgewijze toelichting.................................................................72 Artikelsgewijze toelichting.................................................................72 Hoofdstuk 1. inleiding toelichting............................................................................72 1.1
waarom deze regels?.............................................................................................. 72
1.2
uitgangspunten........................................................................................................ 72
1.3
kernwaarden............................................................................................................ 72
1.4
artikel en wet........................................................................................................... 72
Hoofdstuk 2. 2.1
de hulpvraag......................................................................................73
Stap 1: melding bij de gemeente.............................................................................73
65
Toelichting verordening sociaal domein
2.1.1
indienen hulpvraag.......................................................................................... 73
2.1.2
procedure melding........................................................................................... 73
2.1.3
gegevens......................................................................................................... 73
2.2
Stap 2: gesprek na de melding................................................................................74
2.2.1
uitnodiging voor gesprek.................................................................................74
2.2.2
doel en procedure gesprek..............................................................................74
2.2.3
inhoud gesprek................................................................................................ 74
2.2.4
verslag............................................................................................................. 74
2.3
Stap 3: aanvraag..................................................................................................... 75
2.3.1
aanvraag......................................................................................................... 75
2.3.2
aanvraag voor hulp-op-maat...........................................................................75
2.3.3
advisering........................................................................................................ 76
2.3.4
beoordelen aanvraag.......................................................................................76
2.3.5
afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen........76
2.3.6
beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp..................................................76
2.3.7
Beslistermijn.................................................................................................... 76
2.4
stap 4: beslissing..................................................................................................... 76
2.4.1
inhoud besluit.................................................................................................. 77
2.4.2
verval van recht............................................................................................... 77
2.5
uitzonderingen......................................................................................................... 77
2.5.1
jeugdhulp via arts e.a......................................................................................77
2.5.2
spoedeisende gevallen....................................................................................78
Hoofdstuk 3.
werk en participatie...........................................................................79
3.1
doelgroep................................................................................................................ 79
3.2
samenwerking......................................................................................................... 79
3.3
budget..................................................................................................................... 79
3.4
evenwichtige verdeling en evaluatie........................................................................79
3.4.1
sollicitatie activiteiten.......................................................................................81
3.4.2
scholing........................................................................................................... 81
3.4.3
nazorg............................................................................................................. 81
3.4.4
tegemoetkoming kinderopvang.......................................................................81
3.4.5
proefplaatsing.................................................................................................. 81
3.4.6
sociale activering............................................................................................. 82
3.4.7
participatieplaats............................................................................................. 82
3.4.8
werkgeverssubsidie......................................................................................... 83
3.4.9
loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking..........................84
3.4.10
loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers............................................84
3.4.11
beschut werk................................................................................................... 85
3.4.12
persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen........................85
3.4.13
hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider..................86
3.4.14
ondersteuning voor de inzet van een vervoersvoorziening..............................87
3.4.15
ondersteuning bij een motorische handicap....................................................88 66
Toelichting verordening sociaal domein
3.4.16
ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening...................88
3.4.17
ondersteuning bij werkplekaanpassingen........................................................88
3.4.18
ondersteuning bij een visuele handicap...........................................................88
3.5
tegenprestatie.......................................................................................................... 88
3.6
meedoen in de samenleving...................................................................................89
3.6.1
dagbesteding................................................................................................... 89
3.6.2
persoonlijke begeleiding..................................................................................89
3.6.3
rolstoel............................................................................................................. 89
3.6.4
contact met anderen........................................................................................89
3.7
meedoen aan sportactiviteiten.................................................................................90
3.8
vervanging vervoermiddel of rolstoel.......................................................................90
Hoofdstuk 4.
gezond en veilig opgroeien...............................................................91
4.1
uitgangspunten bij het bieden van hulp...................................................................91
4.2
preventieve maatregelen.........................................................................................91
4.3
hulp-op-maat........................................................................................................... 91
4.4
overgang van 18- naar 18+.....................................................................................91
4.5
afstemming met andere vormen van hulp...............................................................91
4.6
afstemming langdurige zorg....................................................................................92
4.7
Veilig thuis............................................................................................................... 92
Hoofdstuk 5.
wonen in een veilige en gezonde omgeving.....................................93
5.1
uitgangspunten........................................................................................................ 93
5.2
zelfstandig en veilig wonen.....................................................................................93
5.2.1
geschikte woning............................................................................................. 93
5.2.2
een schone en leefbare woning.......................................................................93
5.2.3
beschermd wonen........................................................................................... 93
5.3
mantelzorg.............................................................................................................. 93
5.3.1
ondersteuning mantelzorger............................................................................93
5.3.2
Mantelzorgwaardering.....................................................................................94
Hoofdstuk 6.
de vorm van de hulp..........................................................................95
6.1
hulp in natura........................................................................................................... 95
6.2
hulp in geld.............................................................................................................. 95
6.3
persoonsgebonden budget......................................................................................95
6.3.1
voorwaarden.................................................................................................... 95
6.3.2
Pgb door hulp bij personen uit het sociale netwerk.........................................96
6.3.3.
hoogte en tarief pgb......................................................................................... 96
6.3.4.
verantwoording pgb......................................................................................... 98
6.3.5.
opschorten pgb................................................................................................ 98
6.4.
wat is de eigen bijdrage?......................................................................................... 98
Hoofdstuk 7. inkomen en schulden.................................................100 7.1.
lokaal inkomensbeleid........................................................................................... 100
7.1.1. 7.2.
wat wil de gemeente?....................................................................................100
bijzondere bijstand................................................................................................ 100
67
Toelichting verordening sociaal domein
7.3.
zorgkosten............................................................................................................. 100
7.4.
individuele inkomenstoeslag.................................................................................100
7.4.1.
Indienen aanvraag individuele inkomenstoeslag...........................................101
7.4.2.
doelgroep...................................................................................................... 101
7.4.3.
hoogte van de toeslag...................................................................................102
7.5.
kinderen in armoede.............................................................................................. 102
7.5.1.
doelgroep...................................................................................................... 102
7.5.2.
inhoud kindpakket.......................................................................................... 103
7.6.
tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval..................................103
7.7.
schuldhulpverlening............................................................................................... 103
7.7.1.
samenwerking en toegang............................................................................103
7.7.2.
schuldhulpverlening.......................................................................................103
Hoofdstuk 8. afspraken tussen inwoner en gemeente....................104 8.1.
hoe gaan we met elkaar om?................................................................................104
8.1.1.
de rol van de gemeente.................................................................................104
8.1.2.
de rol van de inwoner....................................................................................104
8.2.
afspraken en verplichtingen over uitkeringen........................................................104
8.2.1.
afstemming op houding en gedrag van de inwoner.......................................106
8.2.2.
afzien van verlaging.......................................................................................106
8.2.3.
ingangsdatum en periode verlaging...............................................................107
8.2.4.
berekening verlaging.....................................................................................108
8.2.5.
niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen..............................................108
8.2.6.
stoppen verlaging.......................................................................................... 109
8.2.7.
niet nakomen andere arbeidsverplichtingen..................................................110
8.2.8.
te weinig besef van verantwoordelijkheid......................................................110
8.2.9.
zeer ernstige misdragingen...........................................................................111
8.2.10.
niet nakomen van andere verplichtingen.......................................................111