Verordening Sociaal Domein 2024 waswordt versie.docx
Tekst van het document
15.5 afstemming met andere vormen van hulp In het kader van het uitgangspunt 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur, wordt de hulp of begeleiding die door verschillende partijen gegeven wordt op elkaar afgestemd. En in samenspraak met het gezin vastgelegd in een verslag. De gemeente houdt oog op voorliggende wetten die verantwoordelijk zijn voor financiering van zorg. Indien er verschuiving plaatsvindt in de verantwoordelijke wet, ondersteunt gemeente de cliënt bij de aanvraag hiervan. Zorg kan worden gefinancierd uit: -Wet langdurige zorg: voortdurende, intensieve zorg, wanneer er sprake is van blijvende behoefte aan permanent toezicht vanwege een beperking. -Zorgverzekeringswet: problematiek die binnen de basisverzekering valt. Aanvullende verzekering is optioneel voor jeugdigejongere en ouders. -Wmo 2015: woningaanpassingen, vervoer om te kunnen participeren, hulpmiddelen die bijdragen aan zelfredzaamheid. -Onderwijswetten: ondersteuning gericht op het leerproces, behalen van onderwijsdoelen of helpen in onderwijsontwikkeling wordt bekostigd vanuit het onderwijs.
90
Verordening sociaal domein
15.6 Afstemming langdurige zorg Lid 1 overgang naar de WLZ Wanneer jeugdigejongeren levenslang en levensbreed zorg nodig hebben, vallen zij onder de Wet langdurige zorg (WLZ). De gemeente ondersteunt de jeugdigejongere en zijn ouders, zo nodig, bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat. Lid 2 Dit is gebaseerd op de Jeugdwet, artikel 1.2 eerste lid onderdeel C: ‘Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen: indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdigejongere in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdigejongere of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe’. Hierbij zal natuurlijk altijd het belang van het kind voorop staan. De jeugdigejongere mag nooit het slachtoffer mogen worden van onwillige ouders.
15.7
Veilig thuis
Dit artikel spreekt voor zich.
Hoofdstuk 16. wonen in een veilige en gezonde omgeving 16.1 uitgangspunten Dit artikel spreekt voor zich. 91
Verordening sociaal domein
16.2 zelfstandig en veilig wonen 16.2.1
geschikte woning
Woontechnische aanpassingen hebben betrekking op voorzieningen die de woning geschikt maken voor specifieke beperkingen. Denk hierbij aan trapliften en het wegnemen van drempels. Bouwtechnische aanpassingen zijn aanpassingen die ingrijpen op de constructie van de woning. Denk hierbij aan het verplaatsen van een steunmuur of veranderen van de dakconstructie. Deze aanpassingen zijn niet aan te merken als een Wmo voorziening.
16.2.2
een schone en leefbare woning
Dit artikel spreekt voor zich.
16.2.3
beschermd wonen
Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen indien de inwoner is aangewezen op ondersteuning in een beschermende woonomgeving (inclusief noodzakelijk verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Die kan betrekking hebben op onder meer het psychisch en psychosociaal functioneren of een psychiatrisch ziektebeeld en zich manifesteren op verschillende levensgebieden. Daarnaast is het zo dat de maatwerkvoorzieningen zoals ambulante begeleiding geen passende bijdrage kunnen bieden. Verder is beschermd wonen primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de inwoner er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (in de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de inwoner het PGB wenst te besteden aan een niet-gecontracteerde aanbieder. Het college stelt daarover nadere regels. Het kan zijn dat de inwoner, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook inwoners zijn die levenslang afhankelijk zijn van een beschermende woonomgeving.
Om zo goed mogelijk maatwerk te kunnen bieden, wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een zorgarrangement. Het college werkt nader uit wat onder zorgarrangementen wordt verstaan.
16.3 mantelzorg 16.3.1
ondersteuning mantelzorger
Dit artikel spreekt voor zich.
16.3.2
Mantelzorgwaardering
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening (andere voorziening), maatwerkvoorziening (hulp op maat) of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.
92
Verordening sociaal domein
Voor de mantelzorgwaardering wordt aangesloten bij de dag van de mantelzorg. De uitvoering wordt gedaan door welzijnsorganisatie ‘De Boei’. Er wordt op deze dag een activiteit georganiseerd voor mantelzorgers. Daarnaast wordt als blijk van waardering voor de mantelzorger een gift gegeven bestaande uit bon(nen). Om in aanmerking te komen voor de blijk van waardering voor de mantelzorger, dient de mantelzorger geregistreerd te staan bij de welzijnsorganisatie ‘De Boei’, die de mantelzorgondersteuning verzorgt. Registratie als mantelzorger vindt plaats wanneer men ten minste gemiddeld 8 u per week en drie maanden lang mantelzorg verleent.
93
Verordening sociaal domein
Hoofdstuk 17.
de vorm van de hulp
17.1 hulp in natura
Dit artikel spreekt voor zich.
17.2 hulp in geld Dit artikel spreekt voor zich.
17.3 persoonsgebonden budget 17.3.1
voorwaarden
De gemeente kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1. van de Jeugdwet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van de gemeente worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de inwoner dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Het zevendederde lid onder a geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. Onder zevende lid onder K. inkomstenderving Uit jurisprudentie volgt dat in beginsel van ouders mag worden verwacht meer dan gebruikelijke hulp te verrichten voor hun kind, dus ook hulp die niet gebruikelijk is. Da geldt ook als een van ouders zijn of haar baan heeft opgezegd in verband met ondersteuning van het kind. Wel moet mogelijk worden uitgezocht of er sprake is van financiële zelfredzaamheid van de ouders. Onder zevende lid onder L. besteding in het buitenland Uit jurisprudentie volgt dat een pgb kan worden gebruikt om in een ander EU-lidstaat hulp in te kopen. Omdat onvoldoende controle op kwaliteit kan worden uitgeoefend gaat de gemeente hier erg terughoudend mee om.
Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als het om hulp gaat die al in Nederland wordt ingezet en waarbij het gaat om een voortzetting in het buitenland van maximaal 6 weken. Beschermd wonen is primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling (zie ook artikel 5.2.3 van deze verordening). Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de inwoner er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht of tenminste een overwegend deel van een etmaal en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de inwoner het PGB wenst te besteden aan een niet-gecontracteerde aanbieder. De gemeente stelt daarover nadere regels. Het kan zijn dat de inwoner, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook inwoners zijn die levenslang afhankelijk zijn van ondersteuning met noodzakelijk verblijf. Toelichting op formele pleegzorg (artikel 6.3.1.7.F) Pleegzorg is zorg voor kinderen tot 21 jaar die door omstandigheden korte of langere tijd niet thuis kunnen wonen. Deze kinderen worden opgenomen in een pleeggezin. Er is onderscheid tussen informele zorg voor elkaar en formele pleegzorg. 94
Verordening sociaal domein
Bij formele pleegzorg is er een verleningsbeschikking voor pleegzorg afgegeven en krijgen pleegouders begeleiding (of inzet jeugdhulp) en een pleegzorgvergoeding van de pleegzorgaanbieder. Dit staat beschreven in de wet. Om deze reden is er bij formele pleegzorg geen recht op een individuele voorziening.
17.3.2
Pgb door hulp bij personen uit het sociale netwerk
Dit artikel spreekt voor zich
6.3.3. hoogte en tarief pgb In dit artikel staat vermeld op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de hulp op maat. De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van de gemeente betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden.
Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod. De gemeente kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen hulp op maat al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door de gemeente ingekochte hulp in natura. Voor het beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb zal de inwoner die is aangewezen op hulp-op-maat een uitvoeringsplan pgb moeten opstellen. Hoewel de gemeente bij het beoordelen van de voorwaarden ook op grond van art. 2.3.6 van de wet kan vragen om een budgetplan, ontleent de gemeenteraad deze bevoegdheid naar analogie van de opdracht in art. 2.1.3, tweede lid onder c van de wet. Hiermee wordt gewaarborgd dat de hulp-op-maat die met het pgb wordt ingekocht van voldoende kwaliteit is.
Ook is opgenomen dat de budgethouder verplicht is om gebruik te maken van de modelzorgovereenkomst van de Sociale verzekeringsbank (SVB). De modelzorgovereenkomsten van de SVB zijn ter bescherming van de budgethouders opgesteld. Door op te nemen dat de budgethouder hier gebruik van dient te maken wordt geborgd dat alle noodzakelijke gegevens in de overeenkomst worden opgenomen en dat de belangen van de budgethouder hiermee worden gediend. Toelichting op het 50% tarief voor informele hulp Een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB:2023:1580 d.d. 16-08-2023) heeft er voor gezorgd dat het minimumloon voor informele hulp is komen te vervallen. De Raad oordeelt dat de hoogte van het pgb-uurtarief voor individuele begeleiding door iemand uit het sociaal netwerk moet worden gekoppeld aan het hoogste periodieke loon volgens de Functie 95
Verordening sociaal domein
Waardering Gezondheidszorg 30 (FWG 30) van de cao Verpleeg-en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), inclusief vakantietoeslag en verlofuren. Speciaal voor de Wmo geldt ook: De CRvB heeft op 17 mei 2017 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak? id=ECLI:NL:CRVB:2017:1803) een uitspraak gedaan over verboden delegatie bij de Wmo. De raad stelt dat de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de hoogte van het pgb en het vaststellen van het pgb niet kan worden gedelegeerd aan de gemeente. De essentialia van het voorzieningenpakket dienen in de verordening te worden vastgelegd. Volgens de CRvB behoort de berekeningswijze van de hoogte van de pgb tarieven tot de essentialia. Op grond van deze uitspraak is lid 5 van artikel 6.3.2. toegevoegd. Bij de onderdelen a en b van lid 5 maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een persoon in dienst van een zorgaanbieder wordt een hoger tarief gehanteerd dan voor een zzp’er of een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Onder iemand uit het sociale netwerk worden in ieder geval bloed- of aanverwanten in eerste en tweede graad verstaan. Voor lichte of basale vormen ondersteuning wordt een lager tarief gehanteerd dan voor specialistische vormen van ondersteuning. Ook de opleiding van de persoon die de hulp levert kan een onderscheidend criterium zijn.
Daarbij is getracht een duidelijke relatie te leggen met het tarief voor vergelijkbare ondersteuning als deze door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder zou zijn geleverd. Het tarief wordt daarbij telkens bepaald op basis van het in de regio overeengekomen tarief voor hulp in natura. Daarnaast is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van de gemeente is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet).
Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). De hulp op maat die de aanvrager zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt” kan in bepaalde gevallen ook een tweedehands voorziening betreffen. Als dat zo is, dan worden de kostprijs en afschrijvingstermijn daarop gebaseerd. Beschermd Wonen: Het tarief voor het PGB Beschermd Wonen is gebaseerd op de tarieven zoals bepaald bij de inkoop van Zorg in Natura (ZIN) 2018. Het tarief is tot stand gekomen door middel van overleg met representatieve zorgaanbieders en vinden hun basis in de cao GGZ. De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd en het college stelt jaarlijks de tarieven vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. De indicatie voor beschermd wonen bestaat, naast de beschermende woonomgeving (het noodzakelijke verblijf) uit niveaus van bijbehorende noodzakelijke ondersteuning. Bij het stellen van de indicatie wordt bepaald waar de cliënt op is aangewezen. In het geval van overgangsrecht kan het oude tarief (75%) aan de orde zijn. Het kan dat de cliënt in aanmerking komt voor een PGB, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.
Wordt het PGB besteed aan een accommodatie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen (zie art. 28 van de nadere regel Wmo), dan kan het zijn dat de hoogte van het PGB als 96
Verordening sociaal domein
bedoeld in het eerste lid niet toereikend is. Voor die gevallen kan het college een aanvullende toeslag verstrekken in de vorm van een wooninitiatieventoeslag. Deze cliënten zijn doorgaans zelf kosten verschuldigd die te maken hebben met de beschermende woonomgeving, zoals woonkosten. Deze wooninitiatieventoeslag is bestemd voor kosten die gemaakt moeten worden voor het organiseren van de ondersteuning van PGB-houders, de gemeenschappelijke ruimte en infrastructuur in het kader van doelmatige ondersteuning. Contact met anderen: Bij de vergoeding voor een vervoersvoorziening op basis van een pgb bepaalt het college de maximum budgetten per vervoersmiddel. Bij aanpassingen van een auto (op basis van een pgb) geldt: 1. Voor noodzakelijke aanpassingen aan een eigen auto, die niet ouder is dan 3 jaar en de afschrijvingstermijn van de voorziening is ten minste vijf jaar, wordt een budget beschikbaar gesteld. 2. Voor het overzetten van noodzakelijke voorzieningen in de eigen auto naar een andere auto wordt ongeacht de leeftijd van de auto waarin de voorziening wordt geplaatst een budget beschikbaar gesteld, tenzij de voorziening niet langer als adequaat kan worden aangemerkt. 3. Het budget wordt verhoogd met de noodzakelijke kosten voor rij- en gewenningslessen.
6.3.4. verantwoording pgb Dit artikel spreekt voor zich.
6.3.5. opschorten pgb Dit artikel spreekt voor zich.
6.4. wat is de eigen bijdrage? Als hoofdregel geldt binnen de Wmo dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In tegenstelling tot de Wmo 2007 biedt de Wmo 2015 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing (in natura of als pgb) wordt verleend voor een minderjarige. Voor de hoogte van de bijdrage wordt vanzelfsprekend aansluiting gezocht bij het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Welke voorzieningen bij verordening worden aangewezen moet worden opgenomen in de verordening (derde lid). De gemeente kan in de verordening voorts aangeven voor welke maatwerkvoorzieningen en voor welke algemene voorzieningen geen eigen bijdrage wordt gevraagd. Op grond van artikel 2.1.4, derde lid, van de wet wijst de gemeente bij verordening algemene voorzieningen aan die onder de maximale eigen bijdrage vallen. Waaronder in ieder geval die algemene voorzieningen moeten worden aangewezen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener. Met hulpverleningsrelatie wordt hier bedoeld dat de kenmerken “band, “doel” en taakopdracht” aanwezig zijn waarbij er een betrokkenheidaspect is tussen de cliënt en de hulpverlener waarbij continuïteit van die band van waarde is.
Dit aspect en belang wordt voor de maatwerkvoorzieningen bijvoorbeeld gereflecteerd door artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo 2015 (niet telkens een ander gezicht). De arbeidsverhouding op basis waarvan de maatschappelijkeondersteuning wordt verstrekt brengt in de regel werkgevers- en opdrachtgeververplichtingen met zich mee. Onder “duurzaam” wordt over het algemeen verstaan langer dan 6 maanden en algemene voorzieningen waarop de cliënt, vanwege de aard van de beperkingen, langdurige een beroep zou moeten doen. Op grond van artikel 2.1.4a, derde lid, van de wet kan de gemeente in de verordening bepalen dat het (collectief) vervoer zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de
97
Verordening sociaal domein
vorm van een algemene voorziening niet onder de maximale eigen bijdrage wordt gebracht. De gemeente mag voor deze voorziening zelf een eigen bijdrage bepalen. De gemeente dient in de verordening aan te geven hoe de hoogte van de kostprijs van de maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening tot stand komt. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en deze mogen kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening, uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. Het is dus van belang – om een passende bijdrage te kunnen leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van een cliënt – dat een algemene voorziening financieel toegankelijk is voor de cliënt.
In individuele gevallen is het mogelijk dat dit niet het geval is ondanks de geldende kortingsregeling (bijvoorbeeld vanwege schulden of andere hoge kosten). In dat geval is verwijzing naar de bijzondere bijstand niet mogelijk en komt de cliënt – als de ondersteuning noodzakelijk is – in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Beschermd wonen (in natura, intramuraal) en maatschappelijke opvang vallen buiten het abonnementstarief. Hiervoor blijven de huidige inkomensafhankelijke eigen bijdragesystematieken bestaan. Het pgb voor beschermd wonen (met wooncomponent) komt onder dezelfde systematiek te vallen als Beschermd wonen in natura. De bijdrage in kosten voor hulp op maat (maatwerkvoorziening) mag niet meer bedragen dan de kostprijs. Wanneer sprake is van een product vallen de maandelijkse kosten en onderhoudskosten ook onder de kostprijs. De inwoner betaalt dus niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de hulp op maat (maatwerkvoorziening). De kostprijs van het pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. Voor de algemene voorziening huiselijke hulp voor mantelzorgers, bedoeld om mantelzorgers te ondersteunen, draagt de gemeente maximaal 1,5 uur per week bij. Voor de overige uren is de bijdrage van de inwoner gelijk aan de kostprijs van de aanbieder.
98
Verordening sociaal domein
Hoofdstuk 7. inkomen en schulden 7.1. lokaal inkomensbeleid Voor de komst van de Participatiewet was lokaal inkomensbeleid mogelijk waarbij bepaalde doelgroepen een geldbedrag ontvingen. Met de komst van de Participatiewet is dit niet meer mogelijk, met uitzondering van: een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering een individuele inkomenstoeslag of studietoeslag aan groepen, mits vastgelegd in een verordening; maatschappelijke, culturele en sportieve activiteiten aan groepen conform artikel 57 van de Participatiewet, mits er een individuele toetsing is. Met individuele toetsing wordt bedoeld dat de gemeente moet kijken naar: 1. omstandigheden, 2. mogelijkheden en 3. middelen van de inwoner.
7.1.1.wat wil de gemeente? De gemeente legt in beleidsplannen vast hoe het beleid met betrekking tot lokaal inkomensbeleid voor een bepaalde periode er uit gaat zien. Dit zijn: - Beleidsplan Sociaal Domein - Beleidsplan Armoede en Schulden 2020-2023 In deze beleidsplannen wordt beschreven wat voor de verschillende doelgroepen geregeld wordt.
7.2. bijzondere bijstand In de Participatiewet is zeer gedetailleerd vastgelegd wat de bijzondere bijstand inhoudt. De keuzes die in de Participatiewet gevraagd worden aan de gemeente, zijn vastgelegd in de Nadere regels Bijzondere Bijstand.
7.3. zorgkosten Al jaren heeft de gemeente een contract met Achmea Zilveren Kruis voor een collectieve gemeentelijke collectieve zorgverzekering. Door landelijke ontwikkelingen, bekijkt de gemeente nu jaarlijks wat de beste optie lijkt voor de meeste inwoners met een minimaal inkomen. Daarbij adviseert de gemeente de inwoner om vooral jaarlijks aan het eind van het jaar (november/december) de zorgverzekeringen te vergelijken op persoonlijke omstandigheden en mogelijke zorgkosten.
7.4. Individuele inkomenstoeslag
De hoogte van de bijstand wordt jaarlijks zo vastgesteld dat het genoeg is voor noodzakelijke kosten van bestaan én iets te reserveren voor onvoorziene omstandigheden. Toch kan de financiële positie van mensen, die langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen, onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Voor deze situatie is de individuele inkomenstoeslag in artikel 36 van de Participatiewet opgenomen.
99
Verordening sociaal domein
Om het recht op individuele inkomenstoeslag vast te stellen, wordt gekeken naar de Participatiewet en de regels in deze verordening. In artikel 36 van de Participatiewet is bepaald dat de inwoner: - minimaal 21 jaar moet zijn en niet ouder mag zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd - geen uitzicht heeft op inkomensverbetering - in de laatste 12 maanden geen individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen Daarnaast staat in de Participatiewet dat de artikelen 12, 43, 49 en 52 niet van toepassing zijn. Dit betekent dat: - de onderhoudsplicht voor ouders voor hun kinderen tot 21 jaar niet geldt; - de toeslag direct na aanvraag toegekend kan worden - de toeslag niet als lening kan worden verstrekt als de inwoner met de toeslag schulden wil aflossen - de toeslag niet als voorschot kan worden verstrekt.
7.4.1. doelgroep In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 11500% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie, plus in die referteperiode maximaal het bedrag dat wettelijk vrijgelaten kan worden als inkomstenvrijlating in de wet, als bedoeld in artikel 31, lid 2 onder n (Per 1 januari 2017 bedraagt dit 6 maal € 200 is € 1.200 in totaal. Dit bedrag wijzigt bij iedere normwijziging van de bijstand.), r en y. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag. Centrale raad van beroep heeft geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2023:1788) dat een gemeenteraad in de verordening mag aangeven wat zij onder een laag inkomen verstaat. In het eerste lid onder b is ook bepaald dat er geen zicht mag zijn op een inkomensverbetering. Studenten worden hier expliciet uitgesloten van de individuele inkomenstoeslag. De overweging hierachter is dat bij studenten, die zich met hun studie voorbereiden op de beroepspraktijk op hoger niveau, geen sprake is van een gebrek aan zicht op inkomensverbetering. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet de gemeente rekening houden met de omstandigheden van de persoon.
In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: - de krachten en bekwaamheden van de persoon, en - de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Gekozen is voor een systematiek waarin sprake is van “geen zicht op inkomensverbetering’, indien voldaan wordt aan de inkomenseis. Er wordt dus teruggekeken. Verder is bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag de inwoner een zelfstandige huishouding moet hebben gevoerd tijdens de referteperiode. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor personen en huishoudens die door een gebrek aan inkomen geen mogelijkheden hebben te reserveren voor vervangingsuitgaven van duurzame gebruiksgoederen. Personen die geen zelfstandige huishouding voeren hebben in veel mindere mate te maken met vervangingsuitgaven. Op grond daarvan is in de verordening bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag er sprake moet zijn van het voeren van een zelfstandige huishouding. Van het voeren van een zelfstandige huishouding is geen sprake als de inwoner inwoont bij een of beide ouders of indien de inwoner langdurig verblijft in een AWBZ bekostigde verpleeginrichting. In het tweede lid staat dat het recht op toeslag bij gehuwden of samenwonenden ontstaat als beiden aan alle voorwaarden voor toekenning voldoen.
Zie voor de uitzondering artikel 7.4.2, tweede lid.
7.4.2. hoogte van de toeslag In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. Voor echtparen is de hoogte vastgesteld op 3,2% van de voor gehuwden geldende bijstandsnorm, afgerond op hele euro’s 100