Toekomstplan sociaal ontwikkelbedrijf
Tekst van het document
Versterking van sociale samenhang Nieuwe collega’s uit andere doelgroepen brengen dynamiek en vitaliteit in de organisatie. Dat verhoogt het werkplezier van Wsw-medewerkers. Wsw’ers delen graag opgebouwde expertise in de begeleiding van nieuwe doelgroepen. Zo ontstaan waardevolle leerrelaties.
Aandachtspunten
Aandacht verdelen Door de instroom van nieuwe doelgroepen kunnen tijd, middelen en aandacht verschuiven. Zo krijgen de specifieke behoeften van de Wsw-doelgroep mogelijk minder prioriteit. Als de aandacht te veel verschuift naar nieuwe doelgroepen, voelen zij zich mogelijk minder centraal staan.
Keuzes in werksoorten Nieuwe
instroom
zorgt
voor
meer
diversiteit,
maar
kan
betekenen
dat
werksoorten worden aangepast aan de doorstroom- en ontwikkelbehoeften van nieuwe doelgroepen. Ook kunnen vertrouwde werkzaamheden verdwijnen of veranderen door de verbreding van werksoorten. Dat kan voor sommige Wsw’ers spanning opleveren. Daarom is het belangrijk om deze groep actief te betrekken bij het veranderproces en de implementatie. 25
Groepsdynamiek en werkklimaat bewaken Bij de samenstelling van groepen is er aandacht nodig voor de mix van doelgroepen. Het toevoegen van nieuwe doelgroepen kan invloed hebben op de groepsdynamiek en het werkklimaat. Leidinggevenden spelen hierbij een cruciale rol in het bewaken van de balans, het bevorderen van onderlinge samenwerking, het bevorderen van de sociale veiligheid en het behouden van een veilige werkomgeving.
3.4.2 Doelgroepen beschut werk en Banenafspraak Voor inwoners met een indicatie beschut werk en banenafspraak voorziet het toekomstplan in een passend vangnet. We betrekken werkgevers actiever bij de netwerkorganisatie, waardoor er meer draagvlak ontstaat en we duurzame plaatsingen realiseren. Kansen
Beschermde en veilige werkomgeving Het ontwikkelbedrijf biedt structuur, voorspelbaarheid en duidelijke begeleiding. Dit voorkomt dat mensen “uitvallen” wanneer regulier werk (nog) te veel vraagt. Er is ruimte om fouten te maken en in een aangepast tempo te leren.
Continuïteit en stabiliteit Het
sociaal
ontwikkelbedrijf
biedt
duurzame
werkplekken
zonder
hoge
prestatiedruk. Mensen met een indicatie Beschut werk of Banenafspraak weten dat ze niet “zomaar” hun werk kwijtraken. Dit biedt overzicht, routine en rust.
Leren en ontwikkelen met behoud van werk Mensen met een indicatie Beschut werk of Banenafspraak kunnen binnen het sociaal ontwikkelbedrijf zowel vakvaardigheden als werknemersvaardigheden leren. (bijv. op tijd komen, samenwerken, structuur houden).
Doorstroom én terugvaloptie Meer mensen met een indicatie Beschut werk of Banenafspraak hebben de kans om door te stromen naar regulier werk. Maar: als doorstroom niet lukt, hebben mensen altijd een veilige basis om op terug te vallen.
Een realistisch toekomstperspectief We stimuleren uitstroom naar regulier werk, maar erkennen dat dit voor veel mensen met een indicatie beschut werk niet haalbaar is. Voor deze groep blijft
26
beschut werk de meest duurzame oplossing. Slechts een klein deel stroomt door naar detachering of een regulier dienstverband. Aandachtspunten
Wachttijden Zonder voldoende opschaling, ontstaat er een tekort aan plekken. Dat leidt tot wachtlijsten of beperkte instroommogelijkheden. De implementatieagenda (zie hoofdstuk 5) houdt rekening met dit risico door uit te gaan van een snelle, maar realistische opschaling.
Meer complexiteit in de uitvoering De realisatie van meer beschut werk- en Banenafspraakplekken vraagt om intensieve begeleiding, coaching en maatwerk. Dat legt extra druk op de organisatie. Tegelijk zorgt de instroom voor meer massa, waardoor expertise efficiënter wordt ingezet en continuïteit toeneemt. De opgave is de juiste balans vinden.
Niet behalen van de ambities. Op basis van de huidige berekeningen zijn er geen investeringen in de basisdienstverlening of infrastructuur van RWA/Amfors nodig vanuit gemeenten. De berekeningen zijn gebaseerd op de ambities die beschreven staan in paragraaf 3.1.1. In principe zijn deze ambities goed haalbaar: er zijn voldoende mensen met een indicatie Beschut Werk of Banenafspraak met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Toch is er een risico dat de regio deze ambities niet behaalt. Dit is een risico omdat RWA/Amfors financieel afhankelijk is van de instroom. Essentieel is dat er voldoende indicaties gerealiseerd worden voor mensen die hier recht op hebben. En dat gemeenten en uitvoeringsorganisaties de doelgroep voldoende in beeld hebben of brengen en op het juiste moment doorverwijzen naar RWA/Amfors. De regio heeft hier aandacht voor in de implementatieagenda.
Complexiteit governancestructuur. Het is belangrijk om te onderzoeken hoe de huidige governance aansluit op de transitie van RWA/Amfors. En of het mogelijk is om de complexiteit binnen de governance te verminderen.
3.4.
Randvoorwaarden en risico’s
Met bouwsteen 2 krijgen meer inwoners uit beschut werk en de Banenafspraak toegang tot een werkplek die passend is. Zo vergroten we participatie en voldoen we aan wettelijke en maatschappelijke verplichtingen. Om dit haalbaar en uitvoerbaar te maken, moeten vier zaken op orde zijn: 27
Gemeenten zorgen voor voldoende instroom.
Werkgevers krijgen ondersteuning.
Structurele borging is geregeld.
RWA/Amfors moet de omslag maken naar een breed sociaal ontwikkelbedrijf.
Tegelijk vraagt de uitvoering om stevige samenwerking en duidelijke afspraken in de keten. Zonder die inzet ontstaan risico’s:
Kwetsbare groepen raken uit beeld Als de keten onvoldoende samenwerkt, of als er te veel nadruk ligt op uitstroom en kostendekking, bestaat het risico dat kwetsbare groepen juist minder goed worden bediend.
Versnippering of rolonduidelijkheid Zonder versterking van de samenwerking binnen het netwerk, kan versnippering of rolonduidelijkheid ontstaan, wat de effectiviteit van de ondersteuning beperkt. Een duidelijke positie voor RWA/Amfors is daarbij essentieel. Organisaties moeten actief doorverwijzen en samenwerken. Het model valt of staat met die samenwerking.
Onvoldoende structurele financiering voor infrastructuur RWA/Amfors De huidige infrastructuur van RWA/Amfors kan op termijn niet in stand worden gehouden met uitsluitend bijdragen vanuit de Participatiewet. Dit vraagt om verdere door ontwikkeling van de infrastructuur in de implementatieagenda.
28
Hoofdstuk 4: Bouwsteen 3 (modulair aanbod) In hoofdstuk 4 staat bouwsteen 3 centraal. In deze bouwsteen wordt de dienstverlening van RWA/Amfors verder verbreed. In dit hoofdstuk gaan we in op de inhoud van deze bouwsteen en verkennen we de aandachtspunten en financiële consequenties.
4.1Bouwsteen 3: nader te ontwikkelen modulair aanbod Bij bouwsteen 3 wordt modulair gewerkt. Het doel is om aanbod te ontwikkelen op basis van de behoeften van en meerwaarde voor inwoners. Dit doet RWA/Amfors samen met het netwerk van organisaties binnen de arbeidsmarktregio. Gemeenten kunnen individueel bepalen of ze meedoen aan de ontwikkeling en implementatie van een module. Op deze manier zorgen we ervoor dat er een (meer) flexibele schil aan aanbod is, volledig gericht op wat de inwoner nodig heeft. Dit is een doorgaand proces en wordt onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering van RWA/Amfors. De ontwikkeling van modules stopt dus niet als deze transitie is afgerond. De invulling van de modules is nu nog niet definitief. Vast staat wel dat het in deze bouwsteen gaat om ontwikkeltrajecten en eventuele aanvullende dienstverlening, en niet om betaalde dienstverbanden. We kiezen voor een lerende aanpak: modules worden stapsgewijs ontwikkeld en aangepast op basis van onder andere de behoefte van gemeenten en inwoners, signalen uit het netwerk en de haalbaarheid in de praktijk. Voordat een module daadwerkelijk start worden hierover duidelijke afspraken gemaakt. Elke module wordt geëvalueerd en kan worden toegevoegd aan de basisdienstverlening van RWA/Amfors, verlengd of afgebouwd.
Gemeenten en RWA/Amfors voeren gezamenlijk regie op dit proces aan de hand van de implementatieagenda. De implementatieagenda biedt de gemeenten en RWA/Amfors de structuur, het innovatieproces, de tijd en de middelen om de benodigde transformatie gefaseerd te realiseren. 4.2Waarom een modulair aanbod? Bouwsteen 3 richt zich op overige doelgroepen (buiten de doelgroepen in bouwsteen 2) uit de Participatiewet met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Denk aan jongeren uit VSO en PRO, schoolverlaters zonder startkwalificatie (vsv mbo 1-2), statushouders in de B1-route
of
Z-route,
multiproblematiek.
De
mensen
met
psychische
Participatiewet-doelgroep
kwetsbaarheid kent
een
en
inwoners
met
grote
diversiteit
aan
doelgroepen en ondersteuningsbehoeften. Met bouwsteen 3 wordt ingespeeld op deze diversiteit.
29
Door te verbreden naar een breed sociaal ontwikkelbedrijf kunnen we maatwerk bieden aan inwoners die (nog) niet direct kunnen instromen in betaald werk en voorkomen we dat zij tussen wal en schip vallen. Tegelijkertijd vergroot het de kans op participatie. De modules en ontwikkelpaden voor deze doelgroepen zijn nog niet uitgewerkt. Voor nu geven we een globale beschrijving van de verwachte effecten.
Meer perspectief voor een bredere doelgroep Dankzij de ontwikkeling van nieuwe modulaire trajecten krijgen inwoners de kans om stappen te zetten richting werk of maatschappelijke participatie. Naast de overige Participatiewet-doelgroepen kunnen inwoners in beschut werk en de Banenafspraak, én waar passend Wsw-medewerkers, gebruikmaken van ontwikkelpaden om zich verder te ontwikkelen.
Betere aansluiting op uiteenlopende behoeften Door basisvaardigheden, werknemersvaardigheden en vakvaardigheden te combineren, sluiten we beter aan op de verschillende ontwikkelbehoeften van deze doelgroepen.
Gerichte toeleiding naar kansrijke sectoren Via sectorale ontwikkelpaden – bijvoorbeeld in groen, schoonmaak en metaalelektro bereiden we inwoners voor op reguliere banen in sectoren met personeelstekorten.
Bredere maatschappelijke impact Deelname aan modulaire trajecten zorgt voor meer dagstructuur, zelfvertrouwen en sociale contacten. Dat heeft ook positieve effecten op andere levensgebieden, zoals gezondheid en schulden.
Flexibel inzetbaar voor gemeenten Ook gemeenten profiteren: de modules zijn flexibel inzetbaar en kunnen afgestemd worden op de lokale context en het aantal regiogemeenten.
4.3Welke modules zien we voor ons? 4.3.1 Modules die al in uitvoering zijn Op dit moment is naast het Wsw-aanbod van RWA/Amfors, ook sprake van incidentele inkoop door de gemeenten, binnen het kader van de Participatiewet. Dit zijn goede voorbeelden van modules in bouwsteen 3:
30
Trajectenbasis- en werknemersvaardigheden (ongeveer 50 deelnemers in 2025)
RWA/Amfors voert deze trajecten uit binnen het Arbeidsontwikkelcentrum (AOC) waar deelnemers basis- en werknemersvaardigheden oefenen in een aangepaste werkomgeving. Het doel is dat zij zich binnen zes maanden ontwikkelen naar betaald werk.
Jaartraject+ (ongeveer 40 deelnemers in 2025) Deze trajecten helpen inwoners die intensieve begeleiding nodig hebben om binnen een jaar de stap naar vrijwilligerswerk of betaald werk te kunnen zetten. De focus ligt op gedrag, houding, persoonlijke ontwikkeling en toekomstperspectief. Deelnemers oefenen met werknemersvaardigheden en het vermogen om in een klein team een zinvolle bijdrage te leveren.
4.3.2 Kansen voor nieuwe modules Naast de huidige pilots zien we kansen voor nieuwe modules binnen bouwsteen 3. Voor een deel van de Participatiewet-doelgroep, met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, zijn de mogelijkheden om (begeleid) te werken in de regio Amersfoort beperkt. Dit biedt ruimte om nieuwe modules te ontwikkelen, bijvoorbeeld op basis van behoeften die gemeenten hebben aangegeven:
Jongeren Sommige jongeren hebben ondersteuning nodig bij de overgang van school naar werk en het behoud van werk. Het gaat om jongeren voor wie een diploma of een baan niet vanzelfsprekend is, zoals leerlingen uit pro en vso, mbo-niveau 1 en 2 en voortijdig schoolverlaters. De regio werkt met het project Van school naar duurzaam werk aan begeleiding van deze groep. De huidige opgave biedt kansen om dit verder te versterken.
Personen met een psychische kwetsbaarheid Werk bevordert herstel, maar werkgevers nemen deze groep vaak minder snel aan door stigma en onwetendheid. Met het project Hoofdzaak Werk vergroot de regio de kansen op werk. De huidige opgave biedt ruimte om deze ondersteuning uit te breiden.
Statushouders en/of anderstaligen Taal en verplichte inburgering vormen knelpunten oor statushouders. Hierdoor combineren zij werk en inburgering niet altijd. De huidige opgave biedt kansen om werkplekken te creëren die taalontwikkeling stimuleren en flexibel aansluiten op inburgering.
4.4 Aandachtspunten
31
Vra biedt kansen, maar kent ook risico’s. Middels de monitoring en evaluatie houden we rekening met deze risico’s:
Afhankelijkheid van voldoende instroom Modules zijn alleen kostendekkend en duurzaam als genoeg inwoners deelnemen. Gemeenten spelen hierin een sleutelrol: zij moeten voldoende deelnemers aanleveren.
Complexiteit van doelgroepen Inwoners met multi-problematiek of psychische kwetsbaarheid vragen intensieve begeleiding en maatwerk. Dat vraagt om capaciteit, expertise en structurele middelen. Zonder deze randvoorwaarden bestaat het risico op vertraging of minder effectieve ondersteuning.
Gefaseerde opbouw RWA/Amfors maakt de omslag van Wsw-organisatie naar sociaal ontwikkelbedrijf. Deze verbreding vraagt eerst om een stevige basis in bouwsteen 2: duidelijke structuren, passende werksoorten en goede begeleiding. Pas als die basis staat, kan RWA/Amfors verantwoord doorgroeien naar een modulair aanbod binnen bouwsteen
3.
Een
te
snelle
invoering
van
modules
zonder
personele,
organisatorische en financiële borging brengt risico’s mee voor kwaliteit en continuïteit. Daarom kiezen we voor een gefaseerde aanpak: eerst stabiliteit, daarna verbreding.
Groepsdynamiek bewaken De samenstelling van groepen verandert regelmatig door de tijdelijke aard van de trajecten.
Dit
vraagt
om
bewuste
inzet
van
leidinggevende
om
de
groepsdynamiek positief te houden, ook wanneer deelnemers met uiteenlopende achtergronden of ontwikkelniveaus samenwerken.
Vraaggericht en zorgvuldig ontwikkelen Het is essentieel dat modules aansluiten op de vraag en ontwikkeling van onze inwoners. Daarom is het belangrijk dat er voldoende capaciteit en expertise is om passende modules te ontwikkelen. Het is daarnaast belangrijk dat modules zorgvuldig worden geïmplementeerd. Als laatste is van belang dat de vraag en behoefte van inwoners en samenwerking tussen partijen centraal staat in het te ontwikkelen proces om modules te ontwikkelen.
4.5 (Financiële) aandachtpunten bij nadere uitwerking
32
De implementatieagenda bevat verdere uitwerking van de beoogde kosten en baten van de transformatie van RWA/Amfors en de modules. De volgende elementen krijgen daar een plek:
Financiering: Er moeten in beginsel voldoende financiële middelen zijn voor structurele uitvoering van de module. Het is niet de bedoeling om experimenten of pilots uit te voeren waar geen op langere termijn geen middelen voor beschikbaar zijn.
Uniform: Gemeenten zijn vrij om wel of niet deel te nemen aan modules, maar modules zijn wel uniform voor alle regiogemeenten. Het is niet de bedoeling om verschillende modules op te zetten die zich richten op dezelfde doelgroep en dienstverlening, maar voor verschillende gemeenten.
Gelijke prijsstelling: De prijsstelling van een module (prijs per deelnemer) is voor iedere gemeente gelijk.
Duurzame
afspraken:
De
regiogemeenten
en
RWA/Amfors
maken
volumeafspraken bij iedere module, om te voorkomen dat modules worden ontwikkeld en voorbereid waar onvoldoende deelnemers voor zijn.
Aansluiting op en samenwerking met het netwerk: In ieder plan voor een module moet inzichtelijk worden gemaakt hoe de module gepositioneerd is binnen de ketensamenwerking, zowel op het terrein van de arbeidsmarkt, als (indien relevant) op andere terreinen (bijvoorbeeld de inburgeringsketen). En hoe RWA/Amfors samenwerkt met het netwerk om aanbod te realiseren.
Inclusiviteit: de dienstverlening binnen een module gaat uit van het principe ‘regulier doen, wat regulier kan’. Plaatsing en ontwikkeling bij een reguliere werkgever heeft altijd de voorkeur.
Concurrentie met andere voorzieningen: In plannen voor modules moet inzichtelijk worden gemaakt of en in welke mate de module concurreert met dienstverlening van andere partijen.
33
Hoofdstuk 5: Vervolg In dit hoofdstuk blikken we terug op de uitgangspunten en staan we stil bij de eerstvolgende opgave: het implementeren van het plan. We beschrijven waar we direct mee starten zodra de regio instemt met het toekomstplan, zoals het opstellen van een implementatieagenda en het uitvoeren van eerste acties. Ook gaan we in op de financiering van het plan. Tot slot sluiten we af met een samenvattende conclusie. 5.1.
Het plan in lijn met de uitgangspunten
Eerder in het toekomstplan beschreven we de vijf uitgangspunten voor de toekomst van het sociaal ontwikkelbedrijf die de gemeenten in fase A vaststelden: A) De behoefte en ontwikkelkansen van inwoners staan centraal. Het plan zet inwoners op de eerste plaats. Alle bouwstenen en modules zijn gericht op het vergroten van hun kansen op werk en maatschappelijke participatie. En daarmee ook de verbetering van andere aspecten van het leven, zoals welzijn, bestaanszekerheid, zingeving en zelfvertrouwen. De inzet op maatwerk en flexibiliteit zorgen ervoor dat niemand tussen wal en schip valt. Het aanbod sluit aan op de behoeften en mogelijkheden van inwoners.
Bouwsteen
2:
uitbreiding
van
dienstverlening
naar
betaalde
dienstverbanden voor de doelgroepen Beschut Werk en Banenafspraak. ‘Zo regulier mogelijk’ blijft het uitgangspunt.
Bouwsteen 3: ontwikkeling van modulair aanbod voor overige doelgroepen zoals jongeren, statushouders en mensen met psychische kwetsbaarheid.
Door
basisvaardigheden,
werknemersvaardigheden
en
vakvaardigheden
te
combineren, sluiten we beter aan op de verschillende ontwikkelbehoeften en talenten van deze doelgroepen. B) De regio Amersfoort ontwikkelt een breed sociaal ontwikkelbedrijf. Het plan beschrijft een gefaseerde transitie van RWA/Amfors naar een breed sociaal ontwikkelbedrijf:
Continueren van huidige Wsw-dienstverlening (Bouwsteen 1).
Uitbreiding naar nieuwe doelgroepen (Bouwsteen 2).
Ontwikkeling
van
modulaire
trajecten
voor
overige
doelgroepen
(Bouwsteen 3). De regiogemeenten bepalen gezamenlijk hoe breed het aanbod wordt, met ruimte voor maatwerk en opschaling. Deze aanpak geeft tijd, structuur en middelen om 34
een toekomstbestendig sociaal ontwikkelbedrijf op te bouwen dat aansluit bij de behoeften van de gemeenten en past binnen de Participatiewet. C) De partijen die mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt ondersteunen, vormen samen een netwerkorganisatie. Het sociaal ontwikkelbedrijf werkt niet alleen. Het plan positioneert RWA/Amfors als een sterke partner met een duidelijke meerwaarde in een netwerk van gemeenten,
werkgevers,
onderwijs
en
maatschappelijke
organisaties.
Samenwerking is cruciaal voor:
Realisatie van beschutte werkplekken en Banenafspraak-banen.
Ontwikkeling van modulaire trajecten.
Ontwikkelpaden in samenwerking met werkgevers.
Betere
doorverwijzing
en
ketenafstemming
om
versnippering
te
voorkomen. Het netwerk zorgt gezamenlijk voor het beste aanbod op de juiste plek, dicht bij inwoners. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat RWA/Amfors aanbod samen met partners realiseert. Bijvoorbeeld in de vorm van detachering in de tweede bouwsteen of gezamenlijke modules in de derde bouwsteen. D) RWA/Amfors is, als sociaal ontwikkelbedrijf, onderdeel van de netwerkorganisatie. RWA/Amfors is als sociaal ontwikkelbedrijf onderdeel van de netwerkorganisatie en speelt een centrale rol in de uitvoering van de bouwstenen:
Actieve
samenwerking
Werkgeverservicepunt
met (hierna:
ketenpartners. WSP)
en
Met
bijvoorbeeld
Regionaal
het
Werkcentrum,
onderwijs, werkgevers).
Deelname aan regionale initiatieven die kansen voor inwoners vergroten.
Ontwikkeling modules gezamenlijk met ketenpartners.
Gemeenten blijven verantwoordelijk voor ondersteuning, maar RWA/Amfors regisseert de uitvoering en benut de kracht van het netwerk. E) Het toekomstig sociaal ontwikkelbedrijf zorgt ervoor dat RWA/Amfors financieel gezond is. Het plan realiseert een gefaseerde groei. Door de uitbreiding van dienstverlening in Bouwsteen 2 verbetert het exploitatieresultaat aanzienlijk ten opzichte van het enkel voortzetten (en dus afbouwen) van de Wsw. De structurele dekking komt uit loonkostensubsidies,
begeleidingsvergoedingen
en
omzet
uit
werkplekken.
Impulsgelden van het Rijk worden ingezet op de implementatieagenda, niet voor het opvangen van structurele tekorten. De implementatieagenda borgt financiële 35
grip door investeringen direct te koppelen aan maatschappelijke baten. Risico’s, zoals afhankelijkheid van voldoende instroom, worden actief gemonitord en beheerst
via
duidelijke
afspraken
en
intensieve
samenwerking
in
de
implementatieagenda.
5.2.
Wat is onze opgave nu?
Na de besluitvorming en afronding van het toekomstplan, starten we in 2026 met het opstellen van de implementatieagenda. Hierin komen de stappen te staan die de regio neemt om het toekomstplan gefaseerd te implementeren. In eerste instantie ligt de focus op de implementatie van bouwsteen 2. Denk aan het maken van gezamenlijke afspraken over doorverwijzing om het beoogde aantallen te halen. De snelheid waarin we dit doen hangt af van gefaseerde inrichting en randvoorwaarden, bijvoorbeeld de vaart waarin RWA/Amfors kan door ontwikkelen en juridische besluiten. De implementatie van bouwsteen 3 volgt na de implementatie van bouwsteen 2. De reden is dat een stevige basis binnen bouwsteen 2 essentieel is. Zoals in hoofdstuk 4 genoemd brengt een te snelle invoering van modules zonder personele, organisatorische en financiële borging brengt, risico’s mee voor kwaliteit en continuïteit. De implementatieagenda beschrijft daarnaast onder andere hoe we binnen de regio inzetten op:
Monitoring van de transitie naar een breed sociaal ontwikkelbedrijf, inclusief bijvoorbeeld de instroom;
Ontwikkeling, implementatie en evaluatie modules (bouwsteen 3);
Spelregels voor de inzet van het impulsbudget;
Door ontwikkeling en borging projectstructuur;
Netwerkstructuur uitwerken en opzetten;
Governance
herijken,
waaronder
het
aanpassen
van
de
huidige
Gemeenschappelijke Regeling. Aansluitend bij de lerende aanpak staan bovenstaande punten niet vast. We brengen gezamenlijk in beeld welke onderdelen nog toegevoegd moeten worden aan de implementatieagenda. 5.3.
Waar starten we mee?
Gelijktijdig met het schrijven van de implementatieagenda, starten we met de implementatie van bouwsteen 2. Belangrijke onderdelen zijn het aanhaken van werkgevers en de keten.
36
5.3.1 Aanhaken van werkgevers Het toekomstplan wil werkgevers nauwer betrekken bij het realiseren van passend werk voor inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt. Zij leveren een directe bijdrage aan de realisatie van werkplekken en ontwikkelpaden. Met het oog op diverse kansen laten we werkgevers tijdig aanhaken:
Breder kandidatenbestand: Werkgevers krijgen toegang tot meer geschikte kandidaten, ondersteund met begeleiding en scholing om vacatures te vervullen en personeelstekorten te verminderen.
Inzicht in ontwikkelpotentieel: Aanbod gericht op de ontwikkeling van een bredere doelgroep zoals het Arbeidsontwikkelcentrum en de Ontwikkelpaden (bouwsteen 3) geven werkgevers meer duidelijkheid en voorspelbaarheid over de vaardigheden en groeimogelijkheden van kandidaten.
Ondersteuning op de werkvloer: RWA/Amfors ondersteunt werkgevers actief. Jobcoaches en teamleiders begeleiden kandidaten op de werkvloer en adviseren werkgevers over werkprocessen. Dit verlaagt de drempel om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een kans te bieden.
Maatschappelijke meerwaarde: Deelname draagt bij aan inclusie en sociale duurzaamheid en versterkt de maatschappelijke reputatie van werkgevers.
Inclusief werk vraagt van werkgevers extra inzet en begeleiding. Tegelijkertijd weten veel werkgevers nog niet goed welke ondersteuning zij kunnen krijgen vanuit gemeenten, RWA/Amfors en het WSP. Door werkgevers actief te informeren over beschikbare ondersteuning – zoals jobcoaching en detacheringsconstructies – verlagen we drempels en vergroten we de kans op succesvolle plaatsingen.
5.3.2 Aanhaken van de keten De uitvoering van de bouwstenen in het toekomstplan raakt alle ketenpartners; gemeenten, UWV, onderwijsinstellingen, het Regionaal Werkcentrum (met als onderdeel het WSP) en maatschappelijke organisaties. De inrichting van het sociaal ontwikkelbedrijf als onderdeel van het netwerk versterkt de samenwerking in regio, wat zorgt voor meer integraliteit en minder versnippering in de ondersteuning. We investeren tijdig in het aanhaken van de keten:
Rol voor het WSP: Het WSP kan, als onderdeel van de trajecten, zijn expertise in arbeidsbemiddeling en werkgeversnetwerken beter benutten en integreren. Dit versterkt de samenwerking en vergroot de kans op duurzame uitstroom.
Voldoende instroom: Het succes van dit plan is afhankelijk van de instroom. Er zijn voldoende mensen met een indicatie Beschut Werk en Banenafspraak. Gemeenten en uitvoeringsorganisaties hebben echter een verantwoordelijkheid om deze doelgroep in beeld te brengen en door te verwijzen.
37
Samen aanbod creëren: Een samenwerking benut elkaars krachten. Daarom is het belangrijk dat het netwerk samen aanbod creëert. Een voorbeeld is gezamenlijke modules.
Aansluiting van het onderwijs: Onderwijsinstellingen kunnen aansluiten bij de ontwikkelpaden, waardoor inwoners toegang krijgen tot aanvullende scholing en certificering.
Efficiëntere
ondersteuning
door
betere
samenwerking:
Door
betere
samenwerking en afstemming — zoals voorzien in het toekomstplan — voorkomen we overlap in dienstverlening. Zo kunnen we de ondersteuning efficiënter inrichten. Het succes van de ketensamenwerking hangt af van de bereidheid en capaciteit van alle partners om samen te werken, de inzet daadwerkelijk op elkaar af te stemmen en samen aanbod te creëren. De netwerkorganisatie vraagt om voortdurende investering in governance, afstemming en gezamenlijke besluitvorming. Als die afspraken ontbreken, leidt
de
samenwerking
mogelijk
juist
tot
vertraging
of
misverstanden.
In
de
implementatieagenda houden we rekening met deze risico’s. 5.4.
Financiering van de transitie
Gemeenten krijgen voor de transformatie van sociaal ontwikkelbedrijven extra middelen van het Rijk. Die middelen worden ‘Impulsgelden’ genoemd. Deze zijn incidenteel en bedoeld om de transformatie te faciliteren, niet om structurele uitvoering binnen het kader van de Wsw en/of de Participatiewet (of eventuele tekorten daarbinnen) mee te financieren. We verbinden de Impulsgelden aan de implementatieagenda, zodat deze incidentele
gelden
ingezet
worden
op
de
realisatie
van
positieve
structurele
maatschappelijke en financiële effecten. De implementatieagenda levert daarmee ook de plannings-,
monitorings-
en
verantwoordingscyclus
voor
de
besteding
van
de
impulsgelden. Onderstaande tabel brengt de hoogte van de impulsbudgetten in beeld in de periode 2025 tot en met 2034. Deze impulsbudgetten worden gereserveerd voor dit plan.
2025
2026
2027
2028
2029
2030
Impuls- € 582.339 € 524.105 € 524.105 € 524.105 € 524.105 € budgett en
38
524.105
2031
2032
2033
2034
€ 479.181 € 479.181 € 479.181 € 329.437
Ook in 2024 ontvingen de gemeenten in de regio Amersfoort middelen voor de inrichting van het sociaal ontwikkelbedrijf. De Rijksoverheid keerde deze middelen uit als onderdeel van de Wsw-bijdrage. Het gaat om een totaalbedrag van € 583.000. Incidentele uitgaven Een begroting van de kosten voor de transitie is onderdeel van de implementatieagenda. Het gaat in elk geval om kosten voor:
Het opzetten van modules en ontwikkelpaden binnen RWA/Amfors en met samenwerkingspartners;
Het opzetten van de netwerksamenwerking;
Het stimuleren van de samenwerking tussen RWA/Amfors en de gemeenten.
Het eventueel opvangen van incidentele tegenvallers tijdens de transitie;
De
tijdelijke
inhuur
van
arbeidskracht
door
RWA/Amfors
om
specifieke
werksoorten/units te behouden;
De tijdelijke inhuur van capaciteit ten behoeve van de opzet en uitvoering van de implementatieagenda (zoals een projectleider, inhoudelijke expertise, etc.).
5.5.
Conclusie
Inwoners krijgen meer kansen op maatschappelijke participatie. Hiermee zetten we in op meer participatie, zelfredzaamheid, participatie, welzijn, zelfvertrouwen en sociale interactie voor deze inwoners. Dit doen we door inwoners perspectief te bieden en een werkplek die past. Werkgevers profiteren van een stevige infrastructuur om inclusief werk te realiseren. Voor de ketenpartners ontstaat een sterker samenwerkingsverband met minder versnippering en betere benutting van expertise. Tegelijkertijd brengt het plan risico’s met zich mee. De druk op beschutte werkplekken neemt toe en de samenwerking, governance en betrokkenheid van werkgevers vragen om blijvende investering. Al met al is de impact positief: het toekomstplan legt een robuuste basis voor een inclusieve, toekomstbestendige sociale infrastructuur in de regio Amersfoort.
5.5.1
Algemene opbrengsten Inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt krijgen meer kansen om zich te ontwikkelen. Ze werken aan basisvaardigheden, werknemersvaardigheden en vakvaardigheden. Dit vergroot de kans op werk of zinvolle dagbesteding. Maar het zorgt ook voor effecten op andere levensgebieden, zoals het welzijn, de bestaanszekerheid, sociale interactie en het zelfvertrouwen.
Werkgevers profiteren van een grotere groep potentiële werknemers en krijgen ondersteuning om inclusieve werkplekken te realiseren.
39
Ketenpartners werken intensiever samen. RWA/Amfors bouwt samen met gemeenten, UWV, onderwijs en WSP aan een integrale aanpak.
Ontwikkelpaden vormen een samenhangend en toegankelijk instrument voor verschillende doelgroepen: Wsw, beschut werk, Banenafspraak en andere inwoners uit de Participatiewet. Deze paden versterken de doorlopende leerlijn van ontwikkeling naar werk. Ze bieden duidelijkheid en kansen voor zowel inwoners als werkgevers.
5.5.2
Randvoorwaarden Het succes van de uitvoering is afhankelijk van voldoende instroom van inwoners vanuit de gemeenten. Zonder deze instroom halen we de doelen niet en komt de financiële gezondheid van RWA/Amfors onder druk te staan. Het uitgangspunt ‘eerst regulier’ blijft leidend in de regio. We verwachten dat er genoeg inwoners zijn die nog niet regulier geplaatst kunnen worden
Dit plan gaat uit van de inzet van participatiemiddelen door gemeenten. Op dit moment zijn deze middelen niet geoormerkt. De verwachting is dat het Rijk deze op termijn wél oormerkt. Tot die tijd is het noodzakelijk dat gemeenten de middelen inzetten voor deze transitie.
Voor duurzame resultaten is opschaling noodzakelijk wanneer het aantal inwoners groeit. Dat kost tijd en vraagt om extra middelen.
Heldere afspraken over rollen, taken en financiering binnen de keten zijn cruciaal. Zo ondersteunen we inwoners optimaal en voorkomen we doublures.
5.5.3 Samenvattend De implementatie van het toekomstplan biedt inwoners meer ontwikkelkansen, versterkt de inclusieve arbeidsmarkt en biedt nieuwe mogelijkheden voor werkgevers. De ontwikkelpaden spelen hierin een centrale rol. Ze zorgen voor een betere aansluiting tussen inwoners, werkgevers en ketenpartners. Tegelijkertijd vraagt dit om gezamenlijke verantwoordelijkheid en blijvende inzet van gemeenten, RWA/Amfors en ketenpartners.
40
Bijlagen Bijlage 1: Aannames rekenmodel De berekeningen voor de tweede bouwsteen bestaat uit verschillende variabelen. Binnen deze variabelen zijn aannames gedaan. Deze aannames zijn in de meeste gevallen gebaseerd op landelijke gemiddelden. Dit onderdeel gaat in op de variabelen en geeft een toelichting op de aannames. Variabelen De variabelen bij de berekeningen in dit plan staan in onderstaande tabellen. De bovenliggende aannames bij deze tabellen zijn:
De realisatie van plaatsingen van inwoners met een indicatie beschut werk stijgt van 29% naar 91% van de taakstelling.
De regio haar aandeel in het ’10.000 banen’ plan van het Rijk in 2030 behaalt.
Onderstaande tabel maakt een onderscheid tussen de doelgroep met een indicatie Beschut Werk en de doelgroep met een indicatie Banenafspraak: Variabelen
Beschut Werk Banenafspraa k Ondersteuning € 9.515 N.v.t. Interne jobcoach voor 3 jaar N.v.t. € 3.738 Aanvulling salarissom voor 3 80% 60% jaar tot Gemiddelde loonwaarde 40% 60% Gemiddeld werkuren per 28 28 week Aandeel reguliere 20% 0% werkgevers Aandeel alleenstaand 70% 70% Onderstaande tabel geeft weer met welke bedragen in dit plan wordt gerekend: Variabelen Minimumloon op basis van een 36urige werkweek Gemiddeld salaris Beschut Werk Bijstandsuitkering alleenstaande Bijstandsuitkering gezin
Rekenbedragen € 36.392 per jaar € 1.747 per maand € 1.369 per maand € 1.956 per maand
Aannames onder de variabelen De belangrijke aannames onder deze variabelen zijn:
De realisatie van plaatsingen van inwoners met een indicatie beschut werk stijgt van 29% naar 91% van de taakstelling.
41
Het landelijk gemiddelde is het behalen van 91% van de taakstelling. De regio wil ten minste dit landelijke gemiddelde behalen. Experts van de experttafel bevestigen dat de doelgroep met een indicatie Beschut Werk groot genoeg is om dit streven te behalen. De opgave is met name de cultuuromslag in de uitvoering. Het behalen van de taakstelling heeft de voorkeur. Met oog op de haalbaarheid en het realisme kiest de regio echter nu voor 91%.
De regio behaalt haar aandeel in het ’10.000 banen’ plan van het Rijk in 2030. Experts van de experttafel bevestigen dat de doelgroep met een indicatie Banenafspraak groot genoeg is om dit streven te behalen. De opgave is met name de cultuuromslag in de uitvoering.
80% van de inwoners met een indicatie Beschut Werk hebben een plek bij RWA/Amfors nodig, en de overige 20% kan direct terecht bij een reguliere werkgever. Een belangrijk onderliggend uitgangspunt is dat we inwoners blijven begeleiden naar reguliere werkgevers, tenzij dit (nog) niet haalbaar is voor een inwoner. Met een aandeel van 20% zit de regio boven het landelijke gemiddelde van 4%. De ambitie van de regio is echter om zoveel mogelijk inwoners te begeleiden naar een reguliere werkgever.
Alle extra plaatsingen vanuit de Banenafspraak hebben een plek bij RWA/Amfors nodig. Het doel van het Rijk is om de 10.000 banen binnen sociaal ontwikkelbedrijven te realiseren, voor inwoners die (nog) niet bij een reguliere werkgever terecht kunnen. Deze werkplekken zijn gericht op de groep met een grote stand tot de arbeidsmarkt.
De doelgroepen Beschut Werk en Banenafspraak zijn over de werkvormen verdeeld. Voor deze verdeling hanteert de regio landelijke gemiddelden, op basis van sectorinformatie van brancheorganisatie Cedris.
De gemiddelde loonwaarden van 40% voor inwoners met een indicatie Beschut Werk en 60% voor inwoners met een indicatie Banenafspraak. Voor de loonwaarden sluit de regio aan op de landelijke gemiddelden van de Rijksoverheid. Voor de loonwaarde van inwoners met een indicatie Beschut Werk gaat de regio uit van een hogere loonwaarde dan landelijk vastgesteld. Dit sluit aan op de ambitie van de regio om deze doelgroep te ontwikkelen en daarmee de loonwaarde te verhogen.
42
Als deze loonwaarden in de praktijk lager liggen, heeft dit een beperkte invloed op de berekeningen in dit toekomstplan. Paragraaf 5.5. brengt de invloed verder in beeld.
Van de realisaties heeft 50% een bijstandsuitkering en daarvan is 70% alleenstaand. Het toekomstplan gaat uit van een aandeel van 50% in de bijstand, omdat er verschillende groepen zijn met een indicatie Beschut Werk of Banenafspraak die geen recht hebben op een bijstandsuitkering. Voorbeelden zijn groepen met een Wajong-uitkering en de VSO/Pro-groep. Van de groep met een bijstandsuitkering stromen vaak de alleenstaanden uit. De drempel voor hen om uit te stromen is lager. Met een dienstverband van 28 uur verdienen zij een inkomen waarmee het recht op bijstand vervalt. Voor gezinnen ligt dit op een dienstverband van ongeveer 32 uur. Het aantal bijstandsuitkeringen, inclusief alleenstaanden, hebben een invloed op de berekeningen in dit toekomstplan. Elke extra realisatie met een bijstandsuitkering betekent een extra besparing voor gemeenten.
Het gemiddeld aantal werkuren per week is 28. Voor
dit
aantal
hanteert
de
regio
landelijke
sectorinformatie van brancheorganisatie Cedris.
43
gemiddelden,
op
basis
van
44
Bijlage 2: Financiële effecten bouwsteen 2 per gemeente Bijlage 2 laat per gemeente zien wat bouwsteen 2 financieel betekent. Hieronder volgt een toelichting op de tabellen. Algemene toelichting Deze doorrekening bevat alleen een doorrekening van de financiële effecten van bouwsteen 2, per gemeente, tot en met 2030. De financiële effecten van aanvullende initiatieven, bijvoorbeeld als onderdeel van bouwsteen 3, zijn niet meegenomen. Dat betekent dat de financiële effecten mogelijk veranderen bij het toevoegen van nieuw aanbod binnen RWA/Amfors. Toelichting per onderdeel van de tabel Beschikbare middelen
C2. Rijksbijdrage beschut werk: Gemeenten ontvangen van het Rijk een structurele bijdrage voor inwoners met een indicatie Beschut werk. Deze bijdrage is gekoppeld aan de taakstelling van het Rijk.
C3. Rijksbijdrage sociale infrastructuur: Dit betreft de bijdrage van het Rijk aan het realiseren van de 10.000 Banenafspraak. De bijdrage per medewerker met indicatie Banenafspraak bedraagt € 3.634. Het budget is structureel en stijgt gekoppeld aan het aantal tot 2035.
B2. Begeleiding: Voor elke Nugger (een niet-uitkeringsgerechtigde) die met loonkostensubsidie aan het werk gaat, ontvangt de gemeente structureel € 7.335 voor
begeleiding.
Dit
geldt
voor
Nuggers
die
via
Beschut
werk
of
de
Banenafspraak instromen. De bron voor de bedragen is de Rekentool die Berenschot hiervoor heeft ontwikkeld en zijn gebaseerd op de Meicirculaire 2025. Voor de beschikbare middelen geldt dat zij op dit moment grotendeels niet zijn geoormerkt. Instroom (zie onderbouwing in hoofdstuk 2) Specifiek voor Beschut werk geldt dat Woudenberg nu al voldoet aan de taakstelling: drie inwoners met een advies Beschut werk zijn betaald aan de slag. Andere gemeenten moeten nog een inhaalslag maken. Inzet participatiemiddelen
Beschut werk: o
Structurele
jaarlijkse
dienstverband): € 9.515 45
ondersteuningsvergoeding
(ongeacht
omvang
o
Tijdelijke aanvulling (3 jaar) van de loonkostensubsidie tot 80% wettelijk minimumloon
Banenafspraak: o
Tijdelijk (3 jaar en aflopend) inzet jobcoach
o
Tijdelijke aanvulling (3 jaar) van de loonkostensubsidie tpt 60% wettelijk minimumloon
De bedragen zijn gekoppeld aan de aantallen instroom
Saldo Participatiebudget Dit betreft het saldo als alle door het Rijk beschikbaar gestelde middelen voor dit doel gereserveerd worden. Bij alle zes gemeenten is dit saldo positief.
Besparing bijstand De hoogte is afhankelijk van de grootte van de gemeente:
Wanneer > 40.000 (Soest en Amersfoort), dan is de besparing structureel, maar na 2 jaar nog 66,7%, omdat inwoner met loonkostensubsidie dan niet meer meetelt bij bepaling hoogte bijstandsbijdrage van het Rijk
Wanneer < 15.000 (Woudenberg), dan telt de besparing 2 jaar mee. Daarna wordt de bijstandsbijdrage van het Rijk voor dit bedrag gecorrigeerd
Wanneer 15.000 < x < 40.000 (Bunschoten, Baarn en Leusden), dan is er sprake van mengvorm. Gehanteerd bij de 3 gemeenten is inwonertal van 30.000, dan is de besparing structureel, maar bedraagt deze na 2 jaar nog 40% (in plaats van 66,7%
Totaal effect Dit betreft het saldo op het Participatiebudget plus de besparing op de bijstand. Bij alle gemeenten is sprake van een positief effect. Als gemeenten de Rijksmiddelen reserveren, leidt de gevraagde inzet niet tot extra kosten. Bij de huidige aannames ontstaat zelfs een besparing. Tabellen per gemeente
46
47
48
49
Bijlage 3: Second opinion en reflectie
Financiële toets De rekenmodellen zijn getest door het bureau Iroko. Iroko heeft (financiële) expertise op het gebied van de Wsw en Participatiewet. De toetsing door Iroko is als zeer nuttig ervaren. De toets Iroko toetste de rekenmodellen die de financiële consequenties in beeld brengen voor
RWA/Amfors;
De zes gemeenten.
Aanpassingen rekenmodel De toetsing leidde tot bevestiging van de gekozen insteek geleid en tot aanpassingen van de rekenmodellen op specifieke punten. De grootste aanpassing was dat we met landelijke gemiddeldes zijn gaan werken voor aannames. Voorbeelden zijn de instroomaantallen, de verdeling over de werksoorten en netto toegevoegde waardes per medewerker per werksoort. Ten aanzien van de vraag of de aantallen voor Beschut Werk en de Banenafspraak die gehanteerd worden realistisch zijn, is aangegeven dat deze aantallen er ruimschoots zijn. Maar dat de opgave vooral ligt bij de processen die nodig zijn om inwoners te plaatsen. Bijvoorbeeld het stellen van indicaties en de doorverwijzing vanuit partners. Er zijn geen adviezen die we niet overnamen. Het enige advies dat pas in een latere fase uitgewerkt gaat worden is om de vaste kosten toe te rekenen aan de nieuwe doelgroepen en daarmee een integraal kosten model te maken. Deze vervolgstap is onderdeel van de implementatieagenda.
Experttafel Het inhoudelijke model is besproken met experts van de VNG en Divosa. Dit zijn adviseurs met veel ervaring op het gebied van de Wsw, Participatiewet en sociaal ontwikkelbedrijven. In de sessie stond de vergelijking met en ervaringen uit andere sociaal ontwikkelbedrijven en het inhoudelijk meedenken over het plan voor Amersfoort centraal. We ervaarden dit als een nuttige sessie, met waardevolle input. Onderstaand volgen de belangrijkste adviezen van deze experts en de manier waarop wij deze meenemen:
50
Als je toch voor een modulair model kiest, zorg dan voor heldere afspraken op de lange termijn die bijdragen aan de haalbaarheid en levensvatbaarheid voor RWA/Amfors. De afspraken tussen de gemeenten en RWA/Amfors over de inzet van modules zijn onderdeel van de implementatieagenda. Deze afspraken moeten voldoen aan specifieke voorwaarden. Deze voorwaarden staan toegelicht in dit toekomstplan.
Het model is gericht op het ontwikkelen van medewerkers naar regulier werk. Hiervoor is op termijn een (nog) hoger volume aan instroom noodzakelijk. De huidige instroom is gebaseerd op een realistische en haalbare instroom voor RWA/Amfors. Het verstevigen van de tweede bouwsteen en implementatie van de derde bouwsteen biedt kansen om de instroom na de initiële implementatiefase te verhogen.
Voer het eerlijke gesprek met gemeenten (bestuurders) over hun visie, het bijbehorende kostenplaatje en de risico’s. Neem de opgave als uitgangspunt, en redeneer vanuit daar terug naar de praktische uitwerking en benodigdheden. Bestuurders worden in de besluitvorming over dit plan meegenomen in de meerwaarde en risico’s van dit plan. En de investering die nodig is op de lange termijn voor een houdbare infrastructuur voor RWA/Amfors.
Kijk bij de implementatiefase kritisch naar de cultuurverandering die nodig is voor de klantreis. Deze aanbeveling wordt meegenomen in de implementatieagenda.
51
Bijlage 4: Gevoeligheidsanalyse Er is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd op het gehanteerde rekenmodel, dat gebaseerd is op de Meerjarenbegroting van RWA/Amfors.
De gevoeligheidsanalyse is
uitgevoerd door telkens één of twee aannames aan te passen en dan het effect op het resultaat te bekijken. Gevoeligheid op aantallen Baseline
2026
Operationeel resultaat RWA/Amfors Subsidieresultaat RWA Exploitatieresultaat bouwsteen 1
62 -1.088 -1.026
-353 -403 -756
Resultaat nieuwe instroom Exploitatieresultaat bouwsteen 2
288 -738
Verschil tov baseline Taakstelling 100%, 80% bij RWA/Amfors Taakstelling 91%, 100% bij RWA/Amfors Taakstelling 100 en alles bij RWA/Amfors Taakstelling 100%, 94% bij RWA/Amfors Alleen beschut, geen banenafspraak Alleen banenafspraak, geen beschut Plaatsing beschut maar 60% Plaatsing beschut en banen maar 60% Plaatsing beschut maar 40% Plaatsing beschut en banen maar 40%
2027
2028
2029
2030
-660 94 -566
-1.149 372 -777
-1.797 625 -1.172
476 -280
638 72
778 1
969 -203
∆ 27 69
∆ 41 104
∆ 57 126
∆ 59 149
∆ 74 186
103 80 -13 -275 -69 -74 -137 -145
156 121 -59 -417 -104 -128 -209 -244
216 147 -135 -504 -126 -180 -252 -370
222 174 -184 -593 -148 -222 -296 -407
279 217 -223 -746 -186 -276 -373 -507
Financieel gezien hebben de aantallen beschut een grote impact op het model. De aantallen banenafspraak hebben echter maar een kleine financiële impact. Dat klopt ook met het feit dat de vergoedingen die RWA/Amfors ontvangt voor de banenafsprakers veel kleiner is.
Als de regio zou kiezen voor landelijke gemiddelden (toewerken naar taakstelling van 100% en dan 94% bij RWA/Amfors plaatsen, dan heeft dat een positief effect op het resultaat.
Als de aantallen beschut achterblijven ten opzichte van de uitgangspunten, dan heeft dat een grote negatieve impact. Op het resultaat. Het is van belang dat de gemeenten hier grote focus op hebben.
Gevoeligheid op werksoorten Baseline
52
2026
2027
2028
2029
2030
Operationeel resultaat RWA/Amfors Subsidieresultaat RWA Exploitatieresultaat bouwsteen 1
62 -1.088 -1.026
-353 -403 -756
-660 94 -566
-1.149 372 -777
-1.797 625 -1.172
Resultaat nieuwe instroom Exploitatieresultaat bouwsteen 2
288 -738
476 -280
638 72
778 1
969 -203
∆
∆
∆
∆
∆
-8
-24
-45
-63
-88
Verschil tov baseline Geen ontwikkeling in werksoort beschut
Mocht RWA/Amfors de nieuwe instroom niet weten te ontwikkelen naar een andere werksoort, dus bijvoorbeeld van beschermd intern naar werken op locatie, dan heeft dat maar een beperkt negatief financieel resultaat. Gevoeligheid voor omzetontwikkeling per werksoort Baseline 2026 Operationeel resultaat RWA/Amfors Subsidieresultaat RWA Exploitatieresultaat bouwsteen 1 Resultaat nieuwe instroom Exploitatieresultaat bouwsteen 2 Verschil tov baseline Geen ontwikkeling in omzet beschut Geen ontwikkeling in omzet banenafspraak Geen ontwikkeling in omzet beschut en banenafspraak
2027
2028
2029
2030
62 -1.088 -1.026
-353 -403 -756
-660 -1.149 -1.797 94 372 625 -566 -777 -1.172
288 -738
476 -280
638 72
778 1
969 -203
∆ -19 -7
∆ -52 -42
∆ -107 -107
∆ -182 -210
∆ -291 -366
-27
-95
-214
-392
-657
Als RWA/Amfors de ontwikkeling in omzet per werksoort niet maakt, dan heeft dit een behoorlijke negatieve impact op het resultaat. Het is van belang dat RWA/Amfors de acties die nodig zijn voor een hogere omzet per FTE, weet te bewerkstelligen. Hierbij moet gedacht worden aan ontwikkeling medewerkers, ontwikkeling in klantenbestand en ontwikkeling in werkprocessen.
53
Bijlage 5: Processtappen toekomstplan In oktober 2024 besloot de regio om te starten met de opgave ‘Impuls sociale infrastructuur en toekomst sociaal ontwikkelbedrijf’. Dit project bestaat uit vier fasen: A. Inventarisatie
sociale infrastructuur en uitgangspunten toekomst sociaal
ontwikkelbedrijf (november 2024 – mei 2025) B. Toekomstplan sociaal ontwikkelbedrijf (april 2025 – december 2025) C. Implementatieagenda toekomst sociaal ontwikkelbedrijf (2026) D. Implementatie (vanaf 2026) In fase A brachten we in de inventarisatie de sociale infrastructuur van de regio Amersfoort in kaart en onderzochten hoe deze kan worden versterkt voor verschillende doelgroepen. We bekeken ook de rol van RWA/Amfors en werkgevers. Dit leverde op:
Een brief over de start van de opgave;
Een regionale raadssessie op 12 juni 2025 over de sociale infrastructuur en uitgangspunten;
Een besluit van de gemeenteraden over de uitgangspunten, over de rol en positie van het toekomstige sociaal ontwikkelbedrijf in de sociale infrastructuur.
In fase B zijn de drie bouwstenen samen met gemeenten en RWA/Amfors verder ontwikkeld. Voorafgaand en tijdens het opstellen van het toekomstplan, waren verschillende regionale partijen betrokken via verschillende sessies:
Heisessie op 24 juni 2025 Beleidsmedewerkers en uitvoerders uit de regiogemeenten en RWA/Amfors bespraken de bouwstenen in het toekomstplan en namen hierover een ambtelijk besluit.
Toetsing aannames financieel model Het
gebruikte
rekenmodel
is
onafhankelijk
getoetst
door Iroko,
een
gespecialiseerd adviesbureau met veel ervaring op dit terrein.
Overleg uitvoeringsorganisaties op 10 september Met de uitvoeringsorganisaties stonden we stil bij de werkgeversbenadering. Via een werkvorm bepaalden we samen de gewenste rol van werkgevers en hoe we die kunnen realiseren.
Experttafel op 1 oktober Verschillende experts gaven advies over de inhoud en haalbaarheid van het plan.
54
Klankbordgroep inwonersperspectief in mei en oktober
Leden van Adviesraden Sociaal Domein en Cliëntenraden dachten mee over de uitgangspunten en bouwstenen. We informeerden over de voortgang en vroegen actief om input.
Sessie met financials op 16 oktober Financials en beleidsadviseurs vanuit de betrokken gemeenten bespraken de financiële gevolgen van de bouwstenen. De opgavegroep lichtte het model toe, inclusief parameters, Participatiegelden en BUIG.
Daarnaast is het toekomstplan uitgewerkt op basis van de uitgangspunten die zijn vastgesteld in fase A, landelijke trends, statistieken en breed gedragen onderzoeksresultaten. De basis is het onderzoeksrapport en de handreikingen van Berenschot. Dit maakt de inzet landelijk vergelijkbaar.
55