Statenvoorstel Tussenbalans Regionale Energie Strategieën provincie Utrecht.pdf
Tekst van het document
STATENVOORSTEL
Aan Provinciale Staten
Tussenbalans Regionale Energie Strategieën provincie Utrecht 05-07-2022 UTSP-279699493-31870 Robin Hoenkamp PS2022MM46
ONDERWERP
DATUM DOCUMENTNUMMER VAN NUMMER PS
TELEFOONNUMMER E-MAILADRES
DOMEIN/OPGAVE TEAM PORTEFEUILLEHOUDER
+31628918807 robin.hoenkamp@provincieutrecht.nl SLO PL1 Van Essen
COMMISSIE BIJLAGEN
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Tussenbalans Regionale Energiestrategieën provincie Utrecht Begrippenkader NP RES Overzicht coalitieakkoorden Monitoringsrapportage RES U16 Informatiebrief RES Foodvalley Voortgangsrapportage IJkmoment 1 Amersfoort Voortgangsrapportage IJkmoment 2 Amersfoort Potentiële onderzoeksgebieden windenergie Provincie Utrecht Bosch & van Rijn Brief Tussenbalans: a. U16 b. Amersfoort c. Foodvalley
Gevraagd besluit: 1.
De Tussenbalans Regionale Energie Strategieën provincie Utrecht vast te stellen;
2.
Vast te stellen dat er met de huidige voortgang in de uitvoering van de drie Utrechtse RES’en onvoldoende perspectief is dat de boden tijdig worden gehaald en aanvullende inzet van de Utrechtse RES-partners daarom noodzakelijk is;
3.
De provinciale aanvullende inzet te richten op de realisatie van bestaande zoekgebieden in de RES’en 1.0 én het in beeld brengen van nieuwe windlocaties. Daarbij te streven naar de realisatie van tenminste 1 TWh grootschalige windenergie op land in de provincie Utrecht in 2030;
4.
Gedeputeerde Staten op te dragen om gemeenten aan te moedigen en te ondersteunen om voor 1 december 2022 bestaande windplannen te concretiseren en tot aanvullende windlocaties te komen en hen, waar nodig, te helpen bij het starten van ruimtelijke procedures voor alle in de RES’en opgenomen zoeklocaties;
5.
Gedeputeerde Staten op te dragen om begin 2023 een voortgangsrapportage op te stellen, waarin inzicht wordt gegeven of het totaal aan windlocaties voldoende is om 1 TWh te realiseren in 2030;
6.
Indien bij deze voortgangsrapportage onvoldoende opwek voor wind is toegevoegd, te starten met een projectbesluit- of inpassingsplanprocedure. Hierin nauw overleg met in elk geval de gemeenten, netbeheerder, waterschappen en RES-regio’s te zoeken en middels een planMER op een transparante wijze tot een selectie te komen van locaties met speciale aandacht voor: Kwaliteit leefomgeving, in het bijzonder beperken van geluidshinder; Ecologie, met specifiek aandacht voor risico op slachtoffers van vogels en vleermuizen; Landschap, waarbij wordt aangesloten bij de denkrichtingen in de RES’en zoals opwek bij hoofdinfrastructuur en vanuit een regionaal, gemeentegrens overstijgend perspectief; Aansluitbaarheid op en efficiënte benutting van het elektriciteitsnet.
7.
Gedeputeerde Staten op te dragen om bij de mogelijke planvorming te streven naar 50% lokaal eigendom;
8.
Gedeputeerde Staten op te dragen om, indien besloten wordt tot inzet van het instrument projectbesluit, Provinciale Staten daarbij te betrekken conform de 'Werkwijze programma's en projectbesluiten'.
Inleiding: Aanleiding In het nationaal Klimaatakkoord is afgesproken de uitstoot van broeikasgassen met 49% te beperken. Inmiddels geldt een ambitie van 55% vermindering in Europees verband welke is opgenomen in het coalitieakkoord van het huidig kabinet met een streven naar 60% vermindering. De provincies en gemeenten hebben zich aan de afspraken uit het Klimaatakkoord verbonden. Eén van de afspraken om de doelen uit het Klimaatakkoord te behalen, is het opwekken van landelijk tenminste 35 TWh duurzame elektriciteit op land in 2030 door middel van grootschalige zonne- en windenergie. In de Omgevingsvisie is de ambitie vastgelegd om in 2030 minimaal 55% van het elektriciteitsgebruik in de provincie Utrecht op te wekken uit hernieuwbare bronnen op het eigen grondgebied. Om deze afgesproken opwekcapaciteit op land te realiseren hebben 30 regio’s in het kader van de Regionale Energie Strategie (RES) een bod gedaan voor het aandeel dat zij voor deze 35 TWh leveren. In de afgelopen jaren hebben wij samen met de drie regio’s in de provincie gewerkt aan een proces waarin de regio’s zich hebben gecommitteerd aan een opwek van grootschalige duurzame elektriciteit van in totaal 3,05 TWh.
Regio Foodvalley ligt gedeeltelijk in Gelderland, waarmee het Utrechtse deel van de drie regio’s opgeteld 2,4 TWh omvat.1 Deze boden2 zijn vastgelegd in RES 1.0 welke op 30 juni (Foodvalley en regio Amersfoort) en 6 oktober 2021 (regio U16) door uw Staten en andere RES-partners (m.u.v. Montfoort) zijn vastgesteld. Realisatie van de boden is noodzakelijk voor het behalen van de provinciale doelstelling om minimaal 55% van het elektriciteitsgebruik in de provincie Utrecht op te wekken uit hernieuwbare bronnen. Aanvullend aan de realisatie van de 2,4 TWh in de RES’en is ook de groei van kleinschalig zon op dak nodig voor het behalen van de provinciale doelstelling. De groei van kleinschalig zon op dak ligt op koers. Om de 2,4 TWh opwek in de RES’en te realiseren, wordt grootschalig zon op dak gestimuleerd en dienen gemeenten omgevingsvergunningen te verlenen aan initiatiefnemers van een windof zonnepark. Om zeker te stellen dat de benodigde opwek in 2030 gerealiseerd is, moeten in het tijdspad van de RES de vergunningen uiterlijk 1 januari 2025 zijn afgegeven. Bij de vaststelling van RES 1.0 hebben uw Staten verzocht een tussenbalans op te stellen waarin inzicht wordt gegeven in de voortgang van de realisatie van de RES-boden. Hierbij zijn tevens verschillende moties ingediend, de voortgang daarvan is met de brief Stand van zaken uitvoering moties RES 1.0 aan u teruggekoppeld.
Met motie 49a ‘RES in balans’ heeft u een oproep gedaan om zoeklocaties voor windenergie versneld te onderzoeken en als provincie een regierol op te pakken en zich in te spannen voor een gebiedsgerichte evenwichtige verhouding tussen zonnepanelen en windmolens in de RES Amersfoort en Foodvalley. Dit is vervolgens op uw verzoek ook 1
Hier is uitgegaan van ongeveer 0,1 TWh, gebaseerd op de voornemens van de Utrechtse gemeenten, inclusief al aanwezige opwek en pijplijn. 2 De term ‘boden wordt in de RES gebruikt als meervoud van ‘bod’. Zoals ook bij vaststelling van RES 1.0 sluiten wij aan bij deze term.
2 van 11
toegezegd voor de RES U16. In motie 54 ‘provinciale dimensie in beeld’ vraagt u een om een coördinerende rol te nemen in gemeentegrens overstijgende plannen. Hiervoor zijn wij, op verzoek van en in samenwerking met betrokken gemeenten, voor energiecorridors langs de A28 en A12 procesaanpakken verder aan het uitwerken. Met motie 53 ‘draagvlak en jeugd’ heeft u verzocht te helpen bij het vergroten van draagvlak en jongeren te betrekken. Om gemeenten te helpen draagvlak te vergroten hebben we hen onder andere geholpen met het vormgeven van participatie door kennisuitwisseling, inzet experts en juridische checks. Ook is samen met Jong RES en de NMU een plan gemaakt voor het opzetten van lokale jongerengroepen die meedenken over energietransitie in zoveel mogelijk gemeenten. Tenslotte is met motie 94 ‘provincie als verbinder’ specifiek voor de U16 regio gevraagd een analyse te maken om te bezien of het gezamenlijke doel van 1,8 TWh binnen bereik is en hierbij o.a. te kijken naar de verhouding zon/wind. Hoofdlijnen uitkomsten Tussenbalans De Tussenbalans (zie bijlage) is, aan de hand van de monitoringsrapportages van de drie RES-regio’s en in overleg met deze regio's opgesteld. De Tussenbalans laat voor zon op dak een positieve groei zien.
Dit blijven we als provincie stimuleren door bijvoorbeeld het opstellen van een afwegingskader voor zon op dak om zo in kaart te brengen waar veel potentie is, rekening houdend met het elektriciteitsnet. In U16 bieden we hiervoor een ‘projectcoördinator zon op dak’ die gemeenten sinds enkele maanden gericht ondersteunt bij het benutten van grotere daken. Ook zal deze in de andere regio’s de geleerde lessen inbrengen. Dit zorgt voor meer inzicht in de exacte mogelijkheden per gebied, en draagt daarmee bij aan concretisering van het aandeel zon op dak in het RES-bod. De ontwikkeling van zon op land en met name wind op land blijft echter achter. Voor zonnevelden en windparken verkeert een grote meerderheid van de plannen nog in de onderzoeksfase en er zijn weinig ruimtelijke procedures gepland, laat staan op gang gekomen. Om een realistisch beeld te krijgen van welk aandeel van alle plannen ook daadwerkelijk in 2030 gerealiseerd is, is het stadium waarin plannen en projecten zich bevinden van belang. Het Nationaal Programma RES (NP RES) heeft daarom een methode ontwikkeld om inzichtelijk te maken hoe groot het deel van de plannen is dat realistisch gezien ook in 2030 verwezenlijkt is.
Als we deze methode toepassen op de RES’en, dan blijkt dat slechts 1,38 TWh van de 2,4 TWh met de huidige stand van de RES’en realistisch gehaald zal worden Zorgelijk hierbij is dat de balans zon-wind verder is verslechterd doordat meerdere windenergie initiatieven afgevallen zijn bij of na behandeling van de RES 1.0. De huidige verhouding vermogen zon-wind van alle plannen opgenomen in de RES, zonder toepassing van de methode NP RES, is ongeveer 90% zon -10% wind. Dit terwijl de optimale verhouding in een duurzaam toekomstig energiesysteem een gelijk vermogen zonne- en windenergie is. De Tussenbalans laat dus zien dat extra inzet van de RES-partners nodig is, met name voor windenergie. Vervolgstappen De komende periode is bepalend om de gemaakte afspraken te kunnen uitvoeren binnen het tijdspad van de RES. Hieronder schetsen wij een route met vervolgstappen die wij nodig achten voor het behalen van de doelstellingen zoals vastgelegd in de RES’en. De komende periode willen we samen met samenwerkingspartners in de drie RES-regio’s zorgen dat het aandeel windenergie vergroot wordt en lopende windplannen voortvarend naar een volgende fase worden gebracht. Planuitval treedt nu al op en het is dan ook cruciaal dat er voldoende extra locaties zijn om verder te onderzoeken.
In navolging van uw vraag in de motie 49A ‘RES in balans’ om zoeklocaties voor windenergie versneld te onderzoeken hebben wij aan de RES-tafels besproken of gemeenten zelf hierin het voortouw wilden nemen of dat het hun voorkeur had dat de provincie, als partner in de RES, deze rol op zich zou nemen. Alle drie de regio’s gaven de voorkeur dat de provincie hierin het voortouw zou nemen. Hierop hebben wij potentiële gebieden in beeld gebracht en deze aangeboden aan de RES-partners. Tevens hebben wij aangeboden om gemeenten de komende periode te ondersteunen bij het nader onderzoeken van deze gebieden. Deze gebieden zijn tot stand gekomen door eerst op grond van wettelijke beperkingen (zoals geluid en veiligheid) en de Interim Omgevingsverordening
3 van 11
(Natura 2000 en Ganzenrustgebieden) gebieden af te laten vallen. Vervolgens zijn de meer complexe gebieden voor windenergie buiten beschouwing gelaten. Het gaat hier om: • Natuur Netwerk Nederland (NNN), • weidevogelkerngebieden, • stiltegebieden (stille kern en bufferzone), en • rode en oranje zonering van de Hollandse Waterlinies uit het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies. Dit heeft geleid tot circa 70 potentiële onderzoeksgebieden welke zijn ingebracht in de RES’en om verder te onderzoeken. Dit overzicht van potentiële locaties is bedoeld als aanmoediging en inspiratie voor gemeenten. Initiatieven en projecten buiten deze locaties blijven mogelijk met toepassing van de Omgevingsverordening en geldende wet- en regelgeving. Het staat gemeenten dan ook vrij om plannen te vormen buiten deze door ons aangedragen locaties. In lijn met de geest van de Omgevingswet en de Omgevingsvisie, gaat onze voorkeur uit naar besluitvorming op gemeentelijk niveau. Dit past ook bij hoe het RES-proces ingericht is. Wij willen gemeenten dan ook de gelegenheid bieden en oproepen om planvorming en uitwerking van bestaande RES-locaties te versnellen en met aanvullende windlocaties te komen. Belangrijk daarbij is dat de grote steden, als grote/grootverbruiker, hun verantwoordelijkheid blijven nemen en zich inspannen om een zo groot mogelijke bijdrage in de opgave te realiseren.
Het is evident dat er ook locaties elders in de provincie noodzakelijk zijn. Wij gaan de komende periode samen met gemeenten en RES regio’s potentiële windgebieden onderzoeken en beoordelen waar voor hen kansen liggen. In lijn met motie 53 ‘draagvlak en jeugd’ willen wij de komende periode we gemeenten blijven ondersteunen in het creëren van draagvlak en zal door middel van het betrekken van jong RES ook het perspectief van jongere generaties ingebracht worden. Daarnaast gaan wij ook zelf door met onderzoek naar locaties die vanuit provinciaal perspectief ruimtelijk kansrijk zijn. Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met effect op leefomgeving (waaronder beperken geluidshinder), het behoud van natuurwaarden en ecologie (waaronder het risico op slachtoffers bij vogels en vleermuizen) en landschap. In aansluiting op de denkrichtingen in de RES’en wordt gezocht naar mogelijkheden langs hoofdinfrastructuur, rekening houdend met effecten op openheid van bijvoorbeeld weidelandschap. Hierbij kiezen we voor een bovenlokaal perspectief voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing, waarbij landschappelijke structuren prevaleren boven gemeentegrenzen. Windenergie is hierbij geen geïsoleerde ontwikkeling. Er wordt daarom ook rekening gehouden met de verschillende maatschappelijke opgaven die nu in het landelijk gebied spelen.
Daarnaast zal in dit onderzoek aandacht besteed worden aan participatieprocessen die op gemeentelijk niveau reeds hebben plaatsgevonden en tot voorkeur voor bepaalde windlocaties hebben geleid. Dit proces zal dan ook in nauwe afstemming met in elk geval de gemeenten, netbeheerder, waterschappen en RES-regio’s plaatsvinden. Wij vragen gemeenten om uiterlijk 1 december 2022 middels een collegebesluit aan te geven wat hun planning in het tijdspad van de RES is voor het doorlopen van planologische procedures voor windlocaties. Dit geldt voor zowel windlocaties uit RES 1.0 waar nog geen ruimtelijke procedure voor is gestart, als voor aanvullende locaties, waarbij ook in eerste instantie gestart kan worden met meerdere zoekgebieden. Wij vragen hen ook daarbij aan te geven hoeveel opwek zij voorzien voor deze locaties. We gaan de komende tijd graag met de gemeenten in gesprek over de manier waarop wij hen hierbij kunnen ondersteunen. Zo zullen de samenwerkingsverbanden in de energiecorridors langs de A28 en A12, waarin wij momenteel in goede samenwerking met betrokken gemeenten het voortouw nemen, benut worden om de plannen en procedures voor energielandschappen langs deze corridors, inclusief de mogelijkheden voor windenergie te concretiseren. Dit hele proces wordt continu afgestemd op de het proces van de RES’en.
In de regio Foodvalley zal hierbij bijzondere aandacht zijn voor de samenhang tussen de Utrechtse en Gelderse gemeenten die samen één RES-regio vormen met één bod waar alle RES-partners hun bijdrage leveren. De
4 van 11
mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie in het Utrechtse deel van deze regio sluiten aan bij de samenwerking met aangrenzende gemeenten zoals langs de A12 en tussen Rhenen en Wageningen. Na 1 december stellen wij een voortgangsrapportage op en brengen wij in beeld of er op dat moment voldoende concrete windplannen zijn en daarmee zicht op het tijdig en realistisch halen van de RES-boden in alle drie de regio’s. Als dat niet het geval mocht zijn, dan brengen wij in beeld hoe we het instrument projectbesluit3 willen inzetten om te waarborgen dat de doelen gerealiseerd worden. Gezien de Tussenbalans is het hierbij alleen noodzakelijk in te zetten op windenergie. Begin 2023 informeren we uw Staten over de voortgangsrapportage en het vervolgproces. Indien uit de voortgangsrapportage blijkt dat bestaande en toegevoegde windplannen niet voldoende zijn om in 2030 1 TWh wind op land te realiseren en daarmee het realistisch en tijdig halen van de RESboden uit zicht dreigt te raken, dan voeren wij, in lijn met de ‘Werkwijze programma’s en projectbesluiten’, medio 2023 een startgesprek met uw Staten voor een (of meerdere) projectbesluit(en). In geval van meerdere projectbesluiten streven wij ernaar het proces tegelijk te starten.
Zoals ook te lezen in de Tussenbalans is de 1 TWh een balans tussen de gewenste optimale verhouding zon-wind op het elektriciteitsnet, welke idealiter 50-50 is, en algemene voorkeuren voor zon in de RES. Voorliggend voorstel zien wij als een pré-startgesprek, specifiek gericht op de inzet van het instrument projectbesluit voor windenergie in zijn algemeenheid. Als op basis van de voortgangsrapportage blijkt dat inzet van een projectbesluit aan de orde is, dan starten wij met de eerste stap behorende bij een planMER: het opstellen en publiceren van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Het uitvoeren van een planMER zorgt ervoor dat we een zeer uitgebreide, zorgvuldige en integrale afweging kunnen maken voor de meest geschikte locaties voor windenergie. Het direct starten van het voorwerk voor deze procedure is nodig om geen tijd te verliezen indien onvoldoende windplannen zijn toegevoegd, maar kan stopgezet worden indien het niet nodig blijkt. Het verder uitwerken van de planMER zullen wij in nauw overleg met gemeenten doen. Ook als wij de ruimtelijke procedure trekken, is het immers belangrijk om samen te werken met betrokken gemeenten. Daarnaast moeten verschillende plannen in de in de RES herijkt worden. Bijvoorbeeld omdat er gebieden concreter worden of nieuwe bijkomen.
Door dit planMER in afstemming van de RES op te stellen, kan het ook een basis bieden voor herijking in plannen die binnen de RES plaatsvindt. Het beschreven tijdspad sluit zo goed aan op tijdslijn van de RES. Daarvoor moet namelijk op 1 juli 2023 een voortgangsdocument opgeleverd worden. Om op dat moment weer op schema te liggen moeten op korte termijn extra plannen toegevoegd worden. Onze voortgangsrapportage geeft zo ook inzicht in de noodzaak tot eventuele herijking van de RES. Over de recente verandering in het RES-proces waarin onderscheid gemaakt wordt tussen een voortgangsdocument en herijking wordt u binnenkort door ons verder geïnformeerd. Rijksnormen Momenteel werkt het Rijk aan het onderzoeken van afstandsnormen en nieuwe milieunormen voor windturbines. Door de Raad van State uitspraak inzake windpark Delfzijl Zuid- Uitbreiding (ECLI:NL:RVS:2021:1395) is het niet mogelijk om de normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid uit het Activiteitenbesluit van toepassing te verklaren op een windpark van 3 of meer turbines. In de tussentijd kunnen per project locatie-specifieke normen gesteld worden om aan te toetsen. De aangepaste Rijksnormen worden verwacht in 2023 en daarmee zullen ten tijde van een eventuele toetsing aan milieunormen voor een projectbesluit naar alle waarschijnlijkheid Rijksnormen beschikbaar zijn.
Afgezien van voldoen aan normen moeten windparken goed ingepast worden op locaties die daarvoor in de provincie geschikt zijn. Indien we gebruik moeten maken van een projectbesluit zal het beperken van geluidshinder voor omwonenden een belangrijk uitgangspunt zijn. Belang De realisatie van de boden die in RES 1.0 werden gedaan is van belang voor het behalen van het aandeel duurzame elektriciteit dat nodig is om de afspraken in het Klimaatakkoord, waar provincie, gemeenten en 3
Wij gaan ervan uit dat per 1 januari 2023 de Omgevingswet in werking treedt. Indien dit niet het geval is zal het ruimtelijk instrumentarium onder het huidige recht van toepassing blijven. Waar in dit document gesproken wordt van een projectbesluit, zal het in dat geval gaan om een inpassingsplan en zullen dan de daarvoor geldende procedures doorlopen moeten worden.
5 van 11
waterschappen zich allen aan hebben verbonden, na te komen en voor het behalen van ons doel uit de Omgevingsvisie . In de Omgevingsvisie is aangegeven dat wanneer binnen het tijdspad voor de RES’en in een gemeente de afgesproken doelen niet gehaald worden en logische locaties niet benut worden, de provincie bereid is het volledige instrumentarium uit de Omgevingswet in te zetten, teneinde voldoende duurzame energie opwek te realiseren. Deze Tussenbalans laat zien dat zonder aanvullende inzet op wind de doelen van de RES’en niet gehaald worden. Als partner in de RES heeft de provincie een belangrijke eigen verantwoordelijkheid om te sturen op het behalen van de doelstellingen. Daarom bevat dit statenvoorstel een route met vervolgstappen voor het behalen van de doelstellingen zoals vastgelegd in de RES’en, waarbij de eerste stap is om gemeenten te bewegen en ondersteunen om zelf bestaande en nieuwe plannen voor windlocaties tijdig te concretiseren en in procedure te brengen en daarna indien nodig ons ruimtelijk instrumentarium in te zetten. Concrete vraag Wij vragen uw Staten de Tussenbalans vast te stellen. Hieruit blijkt dat er onvoldoende perspectief is dat de boden van de drie Utrechtse RES’en tijdig worden gehaald en aanvullende inzet op wind noodzakelijk is.
Ook vragen we uw Staten ons opdracht te geven begin 2023 een voortgangsrapportage op te stellen, waarin inzicht wordt gegeven of er door gemeenten voldoende windlocaties zijn ingebracht om in 2030 1 TWh windenergie te kunnen realiseren, en indien dit niet het geval is, aan te geven met welke selectie van gebieden een projectbesluitprocedure gestart wordt. Juridische en andere relevante kaders: • Artikel 158 Provinciewet: GS zijn betrokken bij het opstellen van de RES’en. Zij handelen daarbij in overeenstemming van artikel 2 Klimaatwet; • Omgevingsvisie (PS 10 maart 2021), Interim Omgevingsverordening (PS 10 maart 2021) en Omgevingsverordening (PS 30 maart 2022); • Programmaplan Energietransitie 2020-2025 (Programmalijn 2 Duurzame energie) en de programmabegroting 2022 (Beleidsdoel 4.2); en • Elektriciteitswet (die gewijzigd wordt door de Omgevingswet) en de nieuwe Energiewet die naar verwachting 2023 inwerking treedt. Indien inzet van een ruimtelijk instrumentarium nodig blijkt, zijn op basis van Elektriciteitswet art 9.e en f provinciale staten bevoegd voor de planologische procedure voor opwek van installaties voor de opwek van windenergie tussen 5 en 100 MW. In art. 6.2 van het wetsvoorstel voor de nieuwe Energiewet, welke naar verwachting in 2023 in werking zal treden is een soortgelijke bepaling opgenomen.
Hierin is tevens bepaald dat het ruimtelijk instrument voor windenergie in die gevallen een projectbesluitprocedure is. De procedure voor een projectbesluit wordt vastgelegd in Omgevingswet afdeling 5.2. De samenwerking met provinciale staten bij een projectbesluit is in onze provincie vervolgens vastgelegd in de ‘Werkwijze programma’s en projectbesluiten’ (vastgesteld door uw Staten op 9 februari 2022). Argumentatie: Inzet ruimtelijk instrumentarium nodig voor realisatie 2,4 TWh in 2030 Als onderdeel van de Tussenbalans heeft u ons gevraagd om aan te geven of inzet van provinciale ruimtelijke instrumenten op specifieke locaties gewenst of noodzakelijk is. Zoals uit de Tussenbalans blijkt, wordt naar verwachting maar ongeveer de helft van de totale boden binnen de provincie op tijd gerealiseerd. Daarbij komt dat de doelstelling uit het klimaatakkoord nog verhoogd wordt van 49% naar 55% en het kabinet zelfs streeft naar 60% CO2 reductie. Om de doelstellingen te behalen, is het op korte termijn nodig meer ruimtelijke procedures te starten en te versnellen. In de RES-regio’s blijft het belangrijk elkaar op ieders verantwoordelijkheid aan te spreken. Als provincie kunnen wij hierin helpen door de urgentie duidelijk te maken en door in te zetten wat nodig is om de boden te realiseren.
De insteek van dit proces is dat gemeenten zelf de verantwoordelijkheid nemen om aanvullende locaties voor windenergie mogelijk te maken. De voortgangsrapportage laat zien of het zicht op realisatie van de doelen voldoende verbeterd is. Als dat niet het geval mocht zijn, dan brengen wij in beeld hoe en voor welke verder te
6 van 11
onderzoeken ruimtelijk kansrijke gebieden we het instrument projectbesluit willen inzetten om te waarborgen dat de doelen gerealiseerd worden. Inzet op windenergie is nodig Uit de Tussenbalans blijkt dat de plannen en projecten binnen de RES voor het grootste deel uit zonne-energie bestaan en windprojecten achterblijven. Naast zonne-energie is ook windenergie nodig voor het toekomstig energiesysteem. Op de momenten dat de zon niet schijnt moet ook energie beschikbaar zijn en daar kan windenergie in een groot deel van de tijd in voorzien. Doordat windenergie vaker beschikbaar is in Nederland, maakt deze vorm van energie ook veel efficiënter gebruik van de schaars beschikbare netcapaciteit. Windenergie kan door hogere vollasturen namelijk per aansluiting/kabel drie keer zoveel energie opwekken als zonne-energie. Windenergie heeft lagere maatschappelijke kosten voor de netinfrastructuur, maar daarnaast is de opwekking van hernieuwbare elektriciteit uit windenergie überhaupt goedkoper dan zonne-energie. De noodzaak van een betere verhouding wind-zon wordt in de RES 1.0 documenten van Amersfoort en U16 ook onderkend. De afkondiging van netcongestie vond na de vaststelling van RES 1.0 plaats, waardoor de urgentie van een efficiënt energiesysteem alleen maar groter is geworden. Daarnaast legt windenergie slechts een beperkt beslag op de schaarse ruimte.
Voor 1 TWh zonne-energie is namelijk grofweg 1000 hectare grond nodig. In de loop van het RES-proces is het aandeel windenergie steeds lager geworden. Bij RES 1.0 was alle windambitie bij elkaar nog goed voor 0,9 TWh. Een optimale verdeling volgens Netbeheer Nederland is een 50%50% verdeling van opgesteld vermogen zonne-energie en windenergie, wat zich vertaalt in een verhouding in opwek van grofweg 75% wind en 25% zon. Streven naar een verhouding van 50%-50% gaat te ver, omdat dit geen recht doet aan de algemene voorkeur voor zonne-energie die uit de RES’en blijkt. Om toch het elektriciteitsnet beter te benutten zien wij het als realistisch en noodzakelijk om te streven naar realisatie van te minste 1 TWh windenergie in 2030. Dit staat gelijk aan ongeveer 60 moderne windturbines. De wijze waarop berekend wordt in hoeverre de 1 TWh in 2030 gehaald wordt is als volgt: De (grotendeels nog relatief zachte) plannen voor windenergie die nu in de RES’en zitten tellen op tot 0,702 TWh. De windlocaties (zowel bestaand als nieuw toegevoegd) waar gemeenten zich de komende periode over buigen zullen voorzien worden van een planning conform het tijdspad van de RES én een collegebesluit. De NP RESsystematiek kent in dit geval 2 fasen: ‘voortraject’ en ‘RO procedure’.
Formeel is er dan nog geen spraken van een ‘RO procedure’, maar er kan zeker ook niet meer gesproken worden van een ‘voortraject’. Deze windlocaties zullen dan ook beschouwd worden als fase ‘RO procedure’ waarbij een realisatiegraad van 50% geldt en dus ook op die manier meetellen voor de realisatie van 1 TWh. Het streven naar de realisatie van 1 TWh windenergie in 2030, houdt dus in dat er voor meer dan 1 TWh aan RO procedures gestart moet worden. Hoeveel meer is afhankelijk van de fase waarin de plannen verkeren. Doelen en brede welvaart indicatoren: Dit statenvoorstel levert een wezenlijke bijdrage aan de doelen op het gebied van energietransitie. Het draagt bij aan het ruimtelijk mogelijk maken van groei van duurzame energie (Omgevingsvisie, par. 4.2.2). Het is in lijn met het doel van de Omgevingsvisie om in 2030 minimaal 55% van het elektriciteitsgebruik in de provincie Utrecht op te wekken uit hernieuwbare bronnen op het eigen grondgebied en uiterlijk in 2050 een CO2-neutrale provincie te zijn. Een toekomstbestendig energiesysteem met zonne- en windenergie is hiervoor noodzakelijk. Participatie: Participatie is en blijft een belangrijk onderdeel van de RES. Dit heeft verschillende vormen zoals reguliere stakeholder-overleggen en raadpleging door middel van een burgerforum.
Hierin zijn alle stakeholders inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners, netbeheerders en medeoverheden betrokken. De provincie biedt voorts al langer ondersteuning aan gemeenten om participatieprocessen vorm te geven met o.a. uitwisselingssessies, inzet van juridische expertise bij het vormgeven van participatiebeleid en de mogelijkheid om visualisatietools te gebruiken. Daar bovenop kunnen gemeenten sinds het najaar 2021 gebruik maken van aanvullende ondersteuning bij het vormgeven van participatieprocessen. Voorbeelden van deze nieuwe ondersteuning zijn een bijdrage aan de organisatie van een excursie voor raadsleden over de RES, inzet van experts op het gebied van financiële participatie en het meedenken bij de opzet van burgerpanels en/of burgerfora.
7 van 11
In de Uitvoeringsverordening Subsidies Energietransitie provincie Utrecht (USET) is de mogelijkheid opgenomen voor gemeenten om 50% cofinanciering aan te vragen voor participatietrajecten in zoekgebieden voor zonne- en windenergie Een uitgebreidere toelichting over verdere participatie is te vinden in de bijlage ‘Tussenbalans’. Financiële consequenties: De kosten voor het nader onderzoeken van de potentiële onderzoeksgebieden en het uitvoeren van een planMER kunnen gedekt worden uit de bestaande middelen die beschikbaar zijn in de Programmabegroting 2022 voor programma 4 (beleidsdoel 4.2). De kosten die gemoeid zijn met een procedure voor een projectbesluit worden momenteel in kaart gebracht. In dat kader is het uitgangspunt dat we als provincie de voor het project toerekenbare kosten verhalen op de initiatiefnemer van het windproject. Vervolg: Na behandeling van dit voorstel door uw Staten informeren wij de gemeenten per brief over dit besluit. Op 6 juli 2022, na het vaststellen van dit statenvoorstel in ons college hebben wij hen ook per brief geïnformeerd over de Tussenbalans en opgeroepen tot extra inzet op windenergie en aangeboden hierbij te ondersteunen.
Ook zijn op 6 juli alle gemeenten uitgenodigd om hen mondeling een nadere toelichting te geven en de urgentie, het belang aan te geven en onze ondersteuning aan te bieden en het gesprek aan te gaan over het vervolgproces. Op 22, 23 en 24 juni zijn de Tussenbalans en vervolgstappen om te komen tot realisatie van ons gezamenlijke bod aan de bestuurlijke RES-tafels van de drie regio’s besproken. De komende periode werken wij samen met gemeenten aan het verder aanvullen en concretiseren van planvorming voor windlocaties. Dit doen wij zowel in RES-verband als één op één met alle gemeenten. Na 1 december 2022 stellen we op basis van de aangevulde locaties en actuele stand van zaken een voortgangsrapportage op. Daarnaast anticiperen wij op de mogelijke inzet van een projectbesluit door de eerste stap in het proces van een projectbesluit voor te bereiden. Dit doen wij onder andere door op basis van het eerste overzicht van potentiële onderzoeksgebieden een zorgvuldige afweging te maken van welke locaties ruimtelijk kansrijk zijn en gemeenten en andere partners worden hier nauw bij betrokken. Begin 2023 worden uw Staten middels een statenbrief geïnformeerd over de voortgangsrapportage. Indien er onvoldoende windlocaties zijn toegevoegd om in 2030 1 TWh te realiseren, kondigen wij een startgesprek voor de projectbesluitprocedure aan.
Hierbij brengen wij in beeld welke selectie van gebieden ruimtelijk kansrijk is. Op basis van de voortgangsrapportage zullen wij bij de noodzaak tot inzet van een projectbesluit een planMER procedure starten, met als eerste stap de publicatie van de Notitie Reikwijdte en detailniveau. Deze eerste stap is nodig om de start van een projectbesluitprocedure voor te bereiden. Wanneer een provinciaal projectbesluit noodzakelijk blijkt, volgt – na de verkiezingen voor Provinciale Staten – het startgesprek zoals opgenomen in de procedure conform de door uw Staten vastgelegde kaders in ‘Werkwijze programma's en projectbesluiten’.
8 van 11
Gedeputeerde Staten van Utrecht,
Voorzitter, mr. J.H. Oosters
Secretaris, mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen
9 van 11
Ontwerp-besluit
Besluit op 21‑09‑2022 tot vaststelling van Tussenbalans Regionale Energiestrategieën provincie Utrecht. Provinciale Staten van Utrecht; In vergadering bijeen op 21‑09‑2022. Op het voorstel van Gedeputeerde Staten van 05-07‑2022 met nummer UTSP-279699493-31604 , van afdeling SLO, team PL1. Overwegende dat: De provincie Utrecht, net als andere lokale overheden zich heeft gecommitteerd aan de doelstellingen zoals opgenomen in het Klimaatakkoord (zie PS-besluit van 6 november 2019 PS2019MM04); -
In de Provinciale Omgevingsvisie is opgenomen om in 2030 minimaal 55% van het elektriciteitsgebruik in de provincie Utrecht op te wekken uit hernieuwbare bronnen op het eigen grondgebied;
-
Provinciale Staten de Utrechtse Regionale Energie Strategieën 1.0 hebben vastgesteld en zich – samen met de gemeenteraden en de algemene besturen van de waterschappen – hebben verbonden aan het bod van 2,4 TWh duurzame opwek middels zonne- en windenergie;
-
In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat lokale overheden uiterlijk voor 1 januari 2025 de omgevingsvergunningen voor wind en zon hebben verleend;
-
Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten bij de besluitvorming over de RES 1.0 opdracht hebben gegeven tot het opstellen van een Tussenbalans, ten einde medio 2022 te bezien of de doelen uit Klimaatakkoord, RES’en en Omgevingsvisie voor 2030 gehaald worden;
-
Daarbij speciale aandacht gevraagd hebben voor een goede balans tussen Zon en Wind (M49A Motie RES in balans en motie 94 ‘provincie als verbinder’);
-
Een juiste verhouding zonne- en windenergie nodig is zodat de beschikbare netcapaciteit zo goed mogelijk kan worden benut, de maatschappelijke kosten voor de energietransitie zo laag mogelijk kunnen worden gehouden en de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk gebruikt kan worden.
10 van 11
Besluiten: 1.
De Tussenbalans Regionale Energie Strategieën provincie Utrecht vast te stellen;
2.
Vast te stellen dat er met de huidige voortgang in de uitvoering van de drie Utrechtse RES’en onvoldoende perspectief is dat de boden tijdig worden gehaald en aanvullende inzet van de Utrechtse RES-partners daarom noodzakelijk is;
3.
De provinciale aanvullende inzet te richten op de realisatie van bestaande zoekgebieden in de RES’en 1.0 én het in beeld brengen van nieuwe windlocaties. Daarbij te streven naar de realisatie van tenminste 1 TWh grootschalige windenergie op land in de provincie Utrecht in 2030;
4.
Gedeputeerde Staten op te dragen om gemeenten aan te moedigen en te ondersteunen om voor 1 december 2022 bestaande windplannen te concretiseren en tot aanvullende windlocaties te komen en hen, waar nodig, te helpen bij het starten van ruimtelijke procedures voor alle in de RES’en opgenomen zoeklocaties;
5.
Gedeputeerde Staten op te dragen om begin 2023 een voortgangsrapportage op te stellen, waarin inzicht wordt gegeven of het totaal aan windlocaties voldoende is om 1 TWh te realiseren in 2030;
6.
Indien bij deze voortgangsrapportage onvoldoende opwek voor wind is toegevoegd, te starten met een projectbesluit- of inpassingsplanprocedure. Hierin nauw overleg met in elk geval de gemeenten, netbeheerder, waterschappen en RES-regio’s te zoeken en middels een planMER op een transparante wijze tot een selectie te komen van locaties met speciale aandacht voor: Kwaliteit leefomgeving, in het bijzonder beperken van geluidshinder; Ecologie, met specifiek aandacht voor risico op slachtoffers van vogels en vleermuizen; Landschap, waarbij wordt aangesloten bij de denkrichtingen in de RES’en zoals opwek bij hoofdinfrastructuur en vanuit een regionaal, gemeentegrens overstijgend perspectief; Aansluitbaarheid op en efficiënte benutting van het elektriciteitsnet.
7.
Gedeputeerde Staten op te dragen om bij de mogelijke planvorming te streven naar 50% lokaal eigendom;
8.
Gedeputeerde Staten op te dragen om, indien besloten wordt tot inzet van het instrument projectbesluit, Provinciale Staten daarbij te betrekken conform de 'Werkwijze programma's en projectbesluiten'.
Voorzitter, mr. J.H. Oosters
Griffier, mr. C.A. Peters
11 van 11