CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 1169190 bijlage Voortoets Natura2000 roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten 4-2-2022

Commissie Ruimte 20 april 2022, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1169190 Verzoek verklaring van geen bedenkingen aanvraag omgevingsvergunning roofvogels Groeneweg 245.259 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Voortoets Natura 2000

Roofvogel verblijf Groeneweg 24 te Bunschoten

In opdracht van: Gemeente Bunschoten 4 februari 2022

Colofon © 2022 Laneco / Gemeente Bunschoten Tekst en samenstelling: Ir. D. van Pijkeren Tweede lezer:

I. Brandsma bsc.

Met medewerking van: Projectnummer:

72.20.01

In opdracht van:

Gemeente Bunschoten

Wijze van citeren:

Van Pijkeren, D., 2022. Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg 24 te Bunschoten. Laneco, Ede.

Laneco is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging.

Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de hierboven aangegeven opdrachtgever en Laneco. Noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. Laneco is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Laneco. De opdrachtgever vrijwaart Laneco voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

INHOUD 1

INLEIDING .................................................................................................... 4

1.1 1.2 2

CONCLUSIE................................................................................................................................... 9

WET NATUURBESCHERMING ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING ......................................................... 10

TOETSING NATURA2000 .............................................................................. 11

4.1 4.2 4.3 4.4 5

iNLEIDING .................................................................................................................................... 7 wEIDEVOGELGEBIED PROVINCIE UTRECHT .......................................................................................... 7 wEIDEVOGELGEBIED PROVINCIE GELDERLAND..................................................................................... 8

WETTELIJK KADER NATURA2000 ................................................................. 10

3.1 4

GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN ................................................................................... 5

WEIDEVOGELGEBIEDEN ................................................................................. 7

2.1 2.2 2.3 2.4 3

AANLEIDING ................................................................................................................................. 4

ONDERZOEKSMETHODIEK .............................................................................................................. 11

mOGELIJKE EFFECTEN .................................................................................................................. 11 nATURA 2000-GEBIEDEN ............................................................................................................. 13 tOETSING NATURA2000 .............................................................................................................. 18

CONCLUSIE .................................................................................................. 20

5.1 5.2

CONCLUSIE EN SAMENVATTING ...................................................................................................... 20 CONSEQUENTIES ......................................................................................................................... 21

BIJLAGE 1

LITERATUURLIJST....................................................................... 22

1

INLEIDING 1.1 AANLEIDING Aan de Groeneweg 24 te Bunschoten bereid de gemeente Bunschoten een vergunning voor de realisatie van een roofvogelverblijf voor. De nieuwe eigenaar van dit perceel wil hier een roofvogelverblijf en valkeniersbedrijf vestigen, waarbij naast het houden van roofvogels ruimte moet zijn voor trainingen en demonstraties.

Afbeelding 1: Globale ligging (rode contouren) en huidige indeling van het plangebied (bron: PDOK Viewer, 2020). Voor een dergelijke ontwikkeling moet beoordeeld worden of het plan (al dan niet gelet op andere plannen of projecten) significante gevolgen kan hebben voor de omliggende Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden zijn gelegen op enige afstand van het plangebied. Echter, vanuit Natura 2000-gebieden gaat een externe werking. Dit houdt in dat projecten en handelingen die buiten het gebied plaatsvinden, ook getoetst dienen te worden of er sprake kan zijn van negatieve effecten op kwalificerende soorten en habitats voor het betreffende Natura 2000-gebied. Voor de voorgenomen ingreep is de stikstofdepositie met behulp van Aerius berekeningen nader bepaald. In die berekeningen is beoordeeld of er stikstofdepositie neerslaat op eventueel overbelaste habitats in de omliggende Natura 2000-gebieden. De berekeningen zijn uitgevoerd voor zowel de gebruiksfase, als de aanlegfase. Uit de berekeningen blijkt het volgende: Voor de gebruiksfase en de bouwfase is de uitkomst 0,00 mol N/ha/jr toename. Er is voor de gebruiksfase geen sprake van negatieve effecten vanwege stikstof. Het onderdeel stikstof is daarom buiten beschouwing gelaten in deze toetsing.

LANECO 4

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

Voor overige effecten is in een quick scan flora en fauna (Groen Team, 2018) kort ingegaan op de situatie ter plaatse in relatie tot effecten op het Natura2000 gebied Arkemheen. Omdat inzake de ecologische effecten op het Natura2000 gebied zienswijzen zijn ingediend, is Laneco gevraagd uitgebreider in te gaan op dit onderdeel door het opstellen van een Voortoets. Verder wordt ook kort ingegaan op in de omgeving van het plangebied aanwezige provinciale weidevogelgebieden, die door

de provincies Gelderland en Utrecht zijn

aangewezen.

1.2 GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN Het plangebied ligt aan de Groeneweg 24 te Bunschoten, op ongeveer 400 meter afstand van de bebouwde kom. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere agrarische en voormalig agrarische erven aanwezig langs de Groeneweg. Op korte afstand aan de zuidzijde ligt de provinciale weg N806; de Nijkerkerweg. In de ruimere omgeving is sprake van uitgestrekte poldergebieden met weides en akkers, en een relatief dicht netwerk van sloten. Er is, behalve rond de erven, nauwelijks opgaande begroeiing aanwezig. Het plangebied zelf bestaat uit een voormalige nertsenfokkerij, die enkele jaren geleden is gesaneerd. Nu zijn alleen de bedrijfswoning en wat bedrijfsbebouwing aanwezig. De nieuwe eigenaar is voornemens op deze locatie een roofvogelverblijf met trainingsmogelijkheden en ruimte voor demonstraties te realiseren. De eigenaar wil hiervoor 41 roofvogels in 24 verschillende kooien houden op de locatie.

Afbeelding 2: Aantallen roofvogels en soorten (bron: Riede, Mol & Donkers, 2019).

LAN ECO Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

5

Afbeelding 3: Ligging plangebied rood omcirckeld (bron: Riede, Mol & Donkers, 2019).

LANECO 6

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

2

WEIDEVOGELGEBIEDEN 2.1 INLEIDING Provincies kunnen naast gebieden onder het Nederlands Natuurnetwerk, zoals behandeld in de Quick Scan Natuurwetgeving (Groen Team, 2018), ook gebieden aanwijzen als weidevogelgebied. De beschermingsstatus van dergelijke gebieden verschilt per provincie. In dit hoofdstuk worden voor de provincies Utrecht en Gelderland de geldende kaders, de ligging en eventuele juridische gevolgen behandeld.

2.2 WEIDEVOGELGEBIED PROVINCIE UTRECHT In 2012 is de Weidevogelvisie provincie Utrecht vastgesteld (Provincie Utrecht, 2012). Daarin werd geconstateerd dat de middelen voor het weidevogelbeheer te verspreid en niet effectief werden ingezet. Om dat te verbeteren, worden de middelen nu ingezet in de betere weidevogelgebieden; de zogenaamde weidevogelkerngebieden (afbeelding 4).

Afbeelding 4: Aangewezen weidevogelkerngebieden en weidevogelrandzones (bron: Provincie Utrecht, 2012).

LAN ECO Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

7

In Utrecht zijn deze Weidevogelkerngebieden gekoppeld aan stimuleringsmaateregelen via natuursubsidies. Er is alleen sprake van een beleidsmatige bescherming, en niet middels een bescherming vanuit de provinciale omgevingsverordening. De provincie vraagt bij gemeenten aandacht voor voorkomen of aanpassen van ruimtelijke ontwikkelingen die op deze gebieden van invloed zijn. Het plangebied ligt in de Utrechtse Weidevogelrandzone.

2.3 WEIDEVOGELGEBIED PROVINCIE GELDERLAND Weidevogelgebied in Gelderland betreft landbouwgebieden waar de provincie de eigenaren wil stimuleren om bij de bedrijfsvoering rekening te houden met weidevogels. In deze gebieden stelt de subsidies beschikbaar ten behoeve van weidevogelvriendelijk agrarisch beheer. De

weidevogelgebieden

(afbeelding

5)

maken

deel

uit

van

de

Groene

Ontwikkelingszone. De Groene Ontwikkelingszone bestaat uit terreinen die geen natuurbestemming hebben maar die vaak ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk. Het plangebied ligt op enkele honderden meters afstand van het Gelderse Weidevogelgebied.

400 m

Afbeelding 5: Locatie plangebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van het weidevogelgebied (lichtblauw gestreept) met bijbehorende afstand (zwarte pijl en tekst) (bron: Atlas Leefomgeving, 2020).

LANECO 8

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

In het beheerplan Natura 2000 is in het kader van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) uitgewerkt wat de instandhoudingsdoelstelling voor weidevogels in het gebied Arkemheen is. Vanuit de GNN gebieden gaat, anders dan bij Natura2000, geen externe werking. Ingrepen buiten deze gebieden behoeven daarmee niet getoetst te worden op effecten op aangewezen waarden binnen deze gebieden. Effecten op weidevogels binnen Arkemheen zijn daarom niet uitgebreid getoetst. Hieronder wordt de situatie echter kort uitgewerkt om te laten zien wat de effecten bij een toetsing zouden zijn. Over het algemeen wordt een afstand van 400 meter als verstoringsafstand als gevolg van menselijke aanwezigheid aangehouden (Krijgsveld et al., 2008). De afstand tot de polder Arkemheen is 400 meter. Een nabijgelegen erf ligt echter 200 meter dichterbij het gebied, waardoor de huidige verstoring als gevolg van menselijke aanwezigheid al verder het gebied in reikt. Ook door het opvliegen van roofvogels in het plangebied is daarom geen toename van effecten te verwachten op weidevogels in het onder de GNN aangewezen gebied.

2.4 CONCLUSIE Het plangebied ligt in de Weidevogelrandzone van de Utrechtse Weidevogelkerngebieden. Ook ligt het plangebied op enkele honderden meters verwijderd van Gelderse Weidevogelgebieden. In beide provincies hebben deze gebieden een beleidsmatige status, waarbij door subsidie wordt gepoogd de weidevogelstand te behouden en verbeteren. De gebieden hebben geen juridische status ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie Utrecht vraagt bij gemeenten aandacht voor voorkomen of aanpassen van ruimtelijke ontwikkelingen die op deze gebieden van invloed zijn.

LAN ECO Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

9

3

WETTELIJK KADER NATURA2000 3.1 WET NATUURBESCHERMING ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van Natura 2000. De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het is verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met het beheer van het gebied dient een habitattoets te worden verricht: •

Een habitattoets moet worden uitgevoerd, te starten met een oriëntatiefase of voortoets (afbeelding 6). In deze fase dient te worden nagegaan welke effecten als gevolg van de activiteit te verwachten zijn. Deze effecten dienen te worden bekeken in relatie tot de kwetsbaarheid van de beschermde waarden. In de oriëntatiefase mogen geen externe compenserende en mitigerende maatregelen worden betrokken die geen directe relatie houden met het plan. Volgt uit de oriëntatiefase de conclusie dat er zeker geen sprake is van een negatief effect, dan hoeft geen vergunning te worden aangevraagd.

•

Is er mogelijk wel een negatief effect, maar is er zeker geen sprake van een significant negatief effect. Per 1 januari 2020 (en met uitleg van de afdeling later in januari) bestaat geen vergunningplicht meer voor projecten zonder significante gevolgen op Natura2000 door een wijziging in artikel 2.7 van de WNB.

•

Als er kans is op een significant negatief effect dient een passende beoordeling te worden gemaakt. Gedeputeerde Staten kunnen een vergunning alleen verlenen als:

LANECO 10

•

Alternatieve oplossingen voor het project ontbreken;

•

Er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang;

•

De initiatiefnemer vooraf en tijdig compensatiemaatregelen treft.

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

4

TOETSING NATURA2000 4.1 ONDERZOEKSMETHODIEK Op basis van een literatuurstudie en de onderzoeken in het kader van het bestemmingsplan is onderzocht of (significante) effecten te verwachten zijn op nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen realisatie van het een roofvogelverblijf aan de Groeneweg te Bunschoten. Voor deze Habitattoets is verder gebruik gemaakt van de actuele begrenzingskaarten van het gebied, het Natura 2000-aanwijzingsbesluit en het beheerplan van de ter zake doende gebieden. Eventuele effecten die optreden als gevolg van de ingreep zijn vervolgens middels de effectindicator getoetst aan de instandhoudingsdoelen van de aangewezen waarden.

4.2 MOGELIJKE EFFECTEN 4.2.1 Directe effecten Directe effecten als gevolg van de ingreep zijn niet te verwachten. De locatie ligt buiten het Natura 2000-gebied, op 400 meter afstand van het dichtstbijzijnde gebied. 4.2.2 Indirecte effecten In het plangebied zal sprake zijn van het oprichten van een roofvogelverblijf. De locatie ligt op korte afstand van bestaande erven, waar agrarische activiteiten plaatsvinden. Hiervan uit gaat ook verstoring uit als indirect effect (licht, geluid, trillingen). Stikstof Voor de voorgenomen ingreep is de stikstofdepositie met behulp van Aerius berekeningen nader bepaald en gerapporteerd. Deze berekening is door een andere partij uitgevoerd en gerapporteerd. In die berekeningen is beoordeeld of er stikstofdepositie neerslaat op eventueel overbelaste habitats in de omliggende Natura 2000-gebieden. De berekeningen zijn uitgevoerd voor zowel de gebruiksfase, als de aanlegfase. Uit de berekeningen blijkt het volgende: Voor de gebruiksfase en de bouwfase is de uitkomst 0,00 mol N/ha/jr toename. Er is voor de gebruiksfase geen sprake van negatieve effecten vanwege stikstof. Het onderdeel stikstof is daarom verder buiten beschouwing gelaten in deze toetsing. Andere vormen van indirecte effecten In het plangebied wordt een roofvogelverblijf en valkeniersbedrijf gerealiseerd.

De locatie ligt in het buitengebied van Bunschoten, op kort afstand van de bebouwde kom. De effecten bouwactiviteiten zijn vooral lokaal van aard en zullen naar verwachting

LAN ECO Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

11

wegvallen tegen de omgevingsgeluiden van omliggende bedrijven en erven. Het gaat dan vooral om geluid, licht en menselijke aanwezigheid. De volgende verstoringsfactoren kunnen aan de orde zijn in en nabij Natura 2000gebieden: 1 - Oppervlakteverlies 2 - Versnippering 3 - Verzuring door stikstof uit de lucht 4 - Vermesting door stikstof uit de lucht 5 - Verzoeting 6 - Verzilting 7 - Verontreiniging 8 - Verdroging 9 - Vernatting 10 - Verandering stroomsnelheid 11 - Verandering overstromingsfrequentie 12 - Verandering dynamiek substraat 13 - Verstoring door geluid 14 - Verstoring door licht 15 - Verstoring door trilling 16 - Optische verstoring 17 - Verstoring door mechanische effecten 18 - Verandering in populatiedynamiek 19 - Bewuste verandering soortensamenstelling In dit geval betreffen de effecten alleen effecten als gevolg van geluid. Het is de verwachting dat tijdelijke verstoring als gevolg van bouwwerkzaamheden wegvallen als gevolg van al aanwezige verstoring van nabijgelegen erven en wegen. In de nieuwe situatie kan echter sprake zijn van verstorende effecten als gevolg van een concentratie aan roofvogels op de locatie. Hierbij kunnen vooral het opvliegen van de dieren (optische verstoring) en de geluiden van de roofvogels (geluid) als bedreigend worden ervaren door wilde vogels. Verder kan sprake zijn van een toename van uitstoot van stikstof.

Dit is in een separaat onderzoek al onderzocht en gerapporteerd en wordt daarom alleen kort behandeld. Overige

verstoringsfactoren

worden

niet

voorzien

bij

de

realisatie

van

een

roofvogelverblijf.

LANECO 12

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

4.3 NATURA 2000-GEBIEDEN Het plangebied ligt nabij twee verschillende Natura 2000-gebieden (afbeelding 7). •

Het plangebied ligt op ongeveer 4,5 kilometer afstand van het Natura2000 gebied nummer 77 - Eemmeer & Gooimeer Zuidoever;

•

Het plangebied ligt op ongeveer 400 meter afstand van het Natura2000 gebied nummer 56 – Arkemheen.

4 km

400 m

Afbeelding 6: Locatie plangebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (lichtblauw) en de bijbehorende afstanden (zwarte pijlen en tekst). Ten oosten ligt het Natura 2000-gebied 'Arkemheen' en ten noordwesten ligt het Natura 2000-gebied 'Eemmeer & Gooimeer' (bron: Atlas Leefomgeving, 2020). Vanwege de effectafstand van de genoemde verstoringsfactoren, zijn geen effecten te verwachten over een afstand van 4,5 kilometer als gevolg van geluid en optische verstoring. Effecten op het gebied Eemmeer & Gooimeer Zuidoever worden daarom uitgesloten. Dit gebied wordt daarom verder niet behandeld.

LAN ECO Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

13

4.3.1 Arkemheen Het gebied Arkemheen bestaat uit twee laaggelegen, lege, open polders langs de Randmeren, de Putterpolder en de Nijkerkerpolder. Van oorsprong is het gebied een delta: laaglandbeken van de Veluwe en de Gelderse Vallei mondden hier uit in de voormalige Zuiderzee. Na de afsluiting daarvan werd het brakke gebied een zoetwaterdelta. Het agrarisch gebruik werd intensiever. Met de inpoldering van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland daalde de waterstand. De polders bestaan tegenwoordig uit, deels zilte, graslanden en enkele rietlandjes. Het gebied Arkemheen is aangewezen voor de aanwezigheid van

twee niet

broedvogelsoorten. De bescherming ziet op het leef/foerageergebied van deze soorten.

Afbeelding 7: Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Arkemheen (bron: Natura 2000, 2020). Verder is voor het gebied sprake van een complementair doel ten aanzien van: •

Soort H1134: Bittervoorn

Om na te gaan of effecten op kunnen treden wordt eerst gekeken naar het gedrag van de beide soorten ten aanzien van de in het Natura 2000-gebied beschermde onderdelen van het leefgebied; het foerageergebied. Kleine zwaan Het Arkemheen levert als foerageergebied één van de grootste relatieve bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. De soort is een overwinteraar, arriveert in oktober en vertrekt in februari/maart. Kleine zwanen gebruiken de natte graslanden van Arkemheen en Putterpolder om te foerageren, en slapen en drinken in de nabijgelegen randmeren. In het begin van het seizoen wordt in deze meren nog op waterplanten gefoerageerd; naarmate deze voedselbron uitgeput raakt wordt overgeschakeld op het achterliggende grasland. De kleine zwaan heeft een slechte landelijke staat van instandhouding. Voor deze soort is als doelstelling de instandhouding van de kwaliteit van het leefgebied en de populatie voor Arkemheen gesteld.

LANECO 14

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

Smient Het gebied Arkemheen heeft voor de smient vooral een functie als foerageergebied. De vogels rusten en slapen met name op het aangrenzende Nuldernauw dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Nederland heeft nauwelijks een belang als broedgebied, maar vooral als overwinteringsgebied in de periode november tot maart. De smient eet naast waterplanten en wortels ook grasvegetatie. De Smient heeft een positieve landelijke staat van instandhouding. Voor deze soort is als doelstelling de instandhouding van de kwaliteit van het leefgebied en de populatie voor Arkemheen gesteld. Weidevogels In het aanwijzingsbesluit wordt verder ingegaan op weidevogels: Het gebied voldoet niet voor opname van de watersnip. Gemiddeld zouden er 14 broedparen (1% van de landelijke broedpopulatie van de watersnip) in het gebied moeten zitten, om met een doelstelling te worden opgenomen. Over de periode 1999-2003 zijn geen aantallen van deze soort bekend, maar uit een recente telling is gebleken dat dit criterium niet wordt gehaald (12 broedparen in 2005). Ook de kemphaan wordt niet opgenomen omdat er geen aanwijzingen zijn dat de soort in voldoende mate in het gebied voorkomt. De grutto en tureluur voldoen niet aan het criterium dat de beschermde gebieden een wezenlijke bijdrage leveren (minstens 25% van de Nederlandse broedpopulatie) aan de bescherming van de soort.

Op grond hiervan behoeven voor deze soorten geen broedgebieden te worden aangewezen. Bittervoorn De bittervoorn is een kleine karperachtige met een kenmerkende fluoriserende streep op de flanken. De soort plant zich voor door eitjes te leggen in zwanemosselen. In Nederland komt de soort vrij breed verspreid in polders en randmeren voor. Samengevat Het leefgebied van bedoelde soorten, smient en kleine zwaan, bestaat in Arkemheen uit agrarische graslanden en open water (vooral sloten en vaarten) die gebruikt worden als foerageergebied en rustplaats. De bittervoorn komt alleen voor in water; wat op zeer ruime afstand van het plangebied ligt. Voor weidevogels is het Natura2000 gebied niet aangewezen.

LAN ECO Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

15

4.3.2 Soortbeschrijving met verstoringsafstanden Bittervoorn Omdat de bittervoorn strikt watergebonden is, zijn geen indirecte effecten op deze soort te verwachten als gevolg van de ingreep. Kleine zwaan Cygnus colombianus (niet-broedend) Soortbeschrijving (Bron: Krijgsveld et-al, 2008): De kleine zwaan was vroeger een voedselspecialist, die in de jaren vijftig vooral foerageerde op fonteinkruid langs de randen van het IJsselmeer en het Lauwersmeer. Nu is het dier meer een cultuurvolger die na het consumeren van de fonteinkruiden in de voorwinter, overschakelt op wintergranen, suikerbieten of aardappelen. Daarnaast foerageren ze op graslanden. In de loop van de winter worden de graslandgebieden steeds belangrijker, omdat de oogstresten in de meeste akkerbouwgebieden worden ondergeploegd. Vanaf 1994 zijn de aantallen in de randmeren enorm toegenomen, hetgeen waarschijnlijk samenhangt met het herstel van de kranswiervelden. Bij strenge vorst nemen de aantallen langs de Randmeren sterk af, terwijl de aantallen in het Deltagebied dan vaak toenemen. Wanneer strenge vorst samenvalt met hoge waterstanden neemt het belang van het rivierengebied toe. De slaapplaatsen bestaan uit open zoete of zoute wateren of zand- en modderbanken die op enkele tientallen kilometers van het foerageergebied kunnen liggen.

Onderzochte verstoringseffecten kleine zwaan Kleine en wilde zwanen zochten het smalle en onverstoorde deel van het Veluwemeer op wanneer op het brede open gedeelte gekitesurft werd. Opvliegafstand voor de kitesurfers was ca. 300 m. Optimaal gebruik van foerageervelden met fonteinkruid kan worden beperkt door overlappend gebiedsgebruik door windsurfers, die ook ’s winters op dagen met veel wind actief kunnen zijn op de Nederlandse wateren (bv. Veluwemeer, Speelmansplaten. In Japan varieerden vastgestelde vluchtafstanden voor een naderende motorboot (van de onderzoekers) tussen 60 en 225 m. Op water foeragerende en ook rustende kleine zwanen zijn gevoelig voor verstoring. Op graslanden is de verstoringsafstand mogelijk kleiner. Habitatgevoeligheid: Gemiddeld (graslanden) tot groot (open wateren). Meest negatieve effect van: Waterrecreatie, wandelaars (langs oevers). Er zijn voor deze soort geen studies bekend van vluchtgedrag als gevolg van de aanwezigheid van roofvogels. Er is daarom gerekend met de verstoringsfactor mens; die naar verwachting ongeveer gelijkwaardig verstorend werkt als de aanwezigheid van roofvogels. In het geval van zwanen zal de verstoring van mensen zelfs minder zijn dan bij roofvogels omdat deze dieren minder gevoelig zijn voor predatie door roofvogels, en daarmee minder gevoelig voor verstoring. De verstoringsreacties per activiteit

LANECO 16

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

verschillen

sterk.

Daarom

is

uitgegaan

van

de

gemiddelde

onderzochte

verstoringsafstand bij eenden zoals weergegeven in tabel 1. Smient Anas penelope (niet-broedend) Soortbeschrijving (Bron: Krijgsveld et-al, 2008): De smient is het hele jaar door in Nederland aanwezig. Echter van oktober tot maart overwinteren grote aantallen dieren in Nederland. Het merendeel houdt zich op in de kuststrook en in de natte veenweidegebieden van Noord-Holland en Friesland. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de polders van Zuid-Holland en Utrecht, de randen van het IJsselmeer, Markermeer en de grote rivieren. In het najaar wordt vooral langs de kust gefoerageerd op zeesla, kweldergrassen en zeekraal. In de loop van de winter wordt meer en meer gefoerageerd in natte graslanden en neemt het belang van de binnendijkse gebieden en het rivierengebied toe. Vooral in strenge winters verblijft een groot deel in het Deltagebied. De soort maakt overdag gebruik van open water en ondergelopen graslanden om te rusten, maar in rustige gebieden wordt ook overdag gefoerageerd. Onderzochte verstoringseffecten Smient: In

waddengebieden

werden

bij

nadering

van

wandelaars

op

90

m

afstand

verstoringsreacties waargenomen. Bij verstoring door watersporters lag de verstoringsafstand rond de 100 m. Smienten vluchtten eerder voor surfplanken dan voor vissersschepen, zeil- of motorboten. Verstorende effecten door een kitesurf-evenement zijn vastgesteld in het najaar op het Grevelingenmeer. Van de aanwezige vogels verdween 100% uit het verstoorde gebied. Waargenomen vluchtafstand bedroeg minder dan 200 m. In een onderzoek naar vluchtgedrag van kolganzen en smienten bij vliegveld Eelde werd gevonden dat smienten niet opvlogen, ook niet groepen die direct onder de aanvliegroute zaten. Mogelijk probeert de soort om de energetische consequenties van verstoring te compenseren door ’s nachts te foerageren. Habitatgevoeligheid: Gemiddeld (graslanden) tot groot (open kustwateren). Verstoring kan mogelijk een effect hebben door beperking van de foerageertijd. Meest negatieve effect van: Waterrecreatie en landrecreatie langs oevers. Er zijn voor deze soort geen studies bekend van vluchtgedrag als gevolg van de aanwezigheid van roofvogels. Er is daarom gerekend met de verstoringsfactor mens; die naar verwachting ongeveer gelijkwaardig verstorend werkt als de aanwezigheid van roofvogels. De verstoringsreacties per activiteit verschillen sterk. Daarom is uitgegaan van de gemiddelde onderzochte verstoringsafstand bij eenden zoals weergegeven in tabel 1.

LAN ECO Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

17

4.4 TOETSING NATURA2000 In deze paragraaf wordt de realisatie van een roofvogelverblijf/valkeniersbedrijf getoetst aan de bovenstaande effecten. Daarbij zijn verschillende onderdelen apart getoetst. Gezien de plannen wordt de vestiging en aanwezigheid van roofvogels anders beoordeeld dan eventuele vliegbewegingen bij trainingen en demonstraties.

Tabel 1: Gemiddelde verstoringsafstanden voor verschillende soortgroepen (bron: Krijgsveld et al., 2008) In

de

bovenstaande

tabel

(tabel

1)

is

weergegeven

welke

gemiddelde

verstoringsafstanden er zijn geconstateerd bij gericht onderzoek (Krijgsveld et al., 2008) voor verschillende groepen. De kleine zwaan valt onder de groep ‘zwanen’, de smient onder de groep ‘eenden’. 4.4.1 Kleine zwaan De afstand tot het Natura 2000-gebied Arkemheen is 400 meter. Zwanen zijn minder gevoelig voor verstoring door roofvogels, omdat deze vogels te groot zijn om door nationaal voorkomende soorten gepredeerd te worden. De gemiddelde afstand voor een dier om ‘alert’ te reageren is 400 meter volgens het onderzoek. Dat is exact de afstand tot de grens van het gebied. Echter; de erven nabij het plangebied aan de overzijde van de Groeneweg komen gemeten vanaf de voorzijde van de woning bijna 200 meter dichterbij het Natura 2000-gebied, waardoor de bestaande verstoringsgrens al 200 meter verder het Natura 2000-gebied in valt. Effecten op de kleine zwaan worden daarom niet verwacht. 4.4.2 Smient De afstand tot het Natura 2000-gebied Arkemheen is 400 meter. Smienten zijn mogelijk gevoelig voor verstoring door roofvogels. De gemiddelde afstand voor een eendensoort om ‘alert’ te reageren is 575 meter volgens het onderzoek. Dat is meer dan de afstand tot de grens van het gebied. Echter, de erven nabij het plangebied aan de overzijde van

LANECO 18

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

de Groeneweg komen gemeten vanaf de voorzijde van de woning bijna 200 meter dichterbij het Natura 2000-gebied, waardoor de bestaande verstoringsgrens al 600 meter het Natura 2000-gebied in valt. Dit is in principe voldoende voor de gemiddelde afstand voor ‘alertheid’ bij eenden. Het gebruik als roofvogelverblijf zal gezien de lage locatie van de geluidsbron (roep) een minder groot effect hebben op de omgeving dan bijvoorbeeld vliegoefeningen en demonstraties. Het is de verwachting dat de verstoringafstand van het houden van roofvogels gelijk is aan het verstorende effect van mensen en bebouwing. De verwachting is dat de verstoringsafstand voor opvliegende dieren mede afhangt van de afbakening van het plangebied met bijvoorbeeld begroeiing. De verwachting is dat de verstoring van opvliegende dieren tot 100 meter verder kan komen dan de gemiddeld aangenomen afstand voor een soort. Een effect over 100 meter binnen het Natura 2000gebied kan daarmee niet worden uitgesloten. Dit effect is alleen van toepassing in de periode

november

tot

maart

wanneer

het

gebied

Arkemheen

fungeert

als

overwinteringsgebied voor deze soort. De gunstige staat van instandhouding van deze soort is landelijk gezien positief. De doelstelling van het gebied Arkemheen voor deze soort is het behouden van aantallen en kwaliteit van leefgebied. Daarmee is met zekerheid geen sprake van een significant effect. De aangewezen aantallen voor het Natura2000 gebied kunnen gezien de landelijke trend en de behoudsdoelstelling bij een effect nog worden gehaald.

LAN ECO Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

19

5

CONCLUSIE 5.1 CONCLUSIE EN SAMENVATTING Nabij Bunschoten is de gemeente Bunschoten voornemens medewerking te verlenen aan de realisatie van een roofvogelverblijf/valkeniersbedrijf met trainings- en demonstratiefaciliteiten. 5.1.1 Weidevogelgebied De locatie ligt in Weidevogelrandzone van de provincie Utrecht en op 400 meter afstand van Gelders Weidevogelgebied. De aanwijzingen zijn vooral beleidsmatig met stimuleringsmiddelen. De provincie vraagt bij gemeenten aandacht voor voorkomen of aanpassen van ruimtelijke ontwikkelingen die op deze gebieden van invloed zijn. Er zijn geen juridische consequenties bij een bestemmingsplanwijziging. 5.1.2 Natura2000 De locatie ligt op ongeveer 400 meter van het Natura 2000-gebied Arkemheen, dat is aangewezen voor de vogelsoorten wilde zwaan en smient. Dit onderzoek beschrijft eventuele effecten op deze vogelsoorten en de eventuele noodzaak voor een vergunning in het kader van het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming. Er blijken geen gerichte onderzoeksgegevens te zijn van effecten van de aanwezigheid van roofvogels op eenden en zwanen. Uit onderzoeksgegevens blijkt echter wel dat menselijke aanwezigheid en de aanwezigheid van erven, bebouwing en begroeiing wel effecten kunnen sorteren. De verstoringsafstanden verschillen daarbij per soort en per verstoringsactiviteit. In dit onderzoek is op basis van

de

aanname dat

de

verstoringsafstand toegepast kan worden voor smient en wilde zwaan op basis van de gemiddelde

verstoringsafstanden

(tabel

1),

als

gevolg

van

een

variatie

aan

verstoringstypen, ook hier van toepassing zal zijn. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen effecten van het houden van de roofvogels en effecten als gevolg van vliegbewegingen bij oefeningen en demonstraties. Voor de kleine zwaan zijn gezien de afstand en de beperkte gevoeligheid van deze soort voor predatie door roofvogels geen effect te verwachten. Voor de smient zijn effecten te verwachten als gevolg van het opvliegen van roofvogels (hogere oorsprong van geluid). Dit leidt tot een niet significant effect in het kader van Natura2000.

LANECO 20

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

5.2 CONSEQUENTIES Alleen voor de smient zijn effecten te verwachten als gevolg van het voorgenomen toekomstig gebruik als roofvogeldemonstratielocatie en trainingslocatie. Dit betreft een niet significant effect op het Natura2000 gebied. Per 1 januari 2020 (en met uitleg van de Afdeling later in januari) bestaat geen vergunningplicht meer voor projecten zonder significante gevolgen op Natura2000 door een wijziging in artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming.

LAN ECO Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

21

BIJLAGE 1 LITERATUURLIJST

Krijgsveld, K.L., Smits, R.R. & van der Winden, J. (2008). Verstoringsgevoeligheid van vogels.

Update

literatuurstudie

naar

de

reacties

van

vogels

op

recreatie.

Vogelbescherming Nederland, Zeist Provincie Gelderland, 2016, Beheerplan Natura 2000 gebied 56-Arkemheen Riede, Mol & Donkers (2019). Ruimtelijke onderbouwing Groeneweg 24, BunschotenSpakenburg. Boskoop, Nederland: Riede, Mol & Donkers Websites Atlas Leefomgeving (2020). Kaarten Natura 2000-gebieden en Weidevogelgebieden. Geraadpleegd december 2020 via https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten. Natura 2000 (2020). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd december 2020 via https://www.natura2000.nl/gebieden PDOK Viewer (2020). Geraadpleegd december 2020 via https://www.pdok.nl/viewer/. Provincie Gelderland (2018). Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Geraadpleegd december 2020

via

https://www.atlasleefomgeving.nl/omgevingsvisie-weidevogelgebieden-

provincie-gelderland.

LANECO 22

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Voortoets Natura 2000 Roofvogelverblijf Groeneweg Bunschoten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11378799/1