CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 1169190 bijlage -Quickscan vogelpark

Commissie Ruimte 20 april 2022, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1169190 Verzoek verklaring van geen bedenkingen aanvraag omgevingsvergunning roofvogels Groeneweg 246.118 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICK SCAN NATUURWETGEVING inrichting met realisatie vogelkooien Settels Roofvogelpark te Bunschoten

Moordrecht, 11 juli 2018 in opdracht van Bureau Riede, Mol & Donkers

GROENTEAM Adviescentrum voor Natuurontwikkeling, Landschapsplanning en Groenontwerp Burg. Brandtstraat 1 - 2841 XA Moordrecht - telefoon 0653-77.61.70 - email Groenteam@groenteam.nl

2

Quick Scan in het kader van de natuurwetgeving vanwege terreininrichting inclusief de bouw vogelkooien Settels Roofvogelpark Bunschoten

foto voorpagina: in te richten huisperceel

Voor gewaarmerkte rapportage, contact opnemen met GroenTeam

onderzoek en rapportage ing. J. Oosterbaan

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

3

INHOUDSOPGAVE

pagina

1 INLEIDING 1.1 Situering en ingreep .......................................................................................... 4 1.2 Natuurtoets als instrument ................................................................................. 5 1.3 Onderzoeksplan ................................................................................................ 9 2 BRONNENONDERZOEK SOORTEN 2.1 Vaatplanten ..................................................................................................... 11 2.2 Zoogdieren ...................................................................................................... 11 2.3 Broedvogels ..................................................................................................... 12 2.4 Amfibieën en reptielen ..................................................................................... 13 2.5 Vissen .............................................................................................................. 14 2.6 Ongewervelde soorten ..................................................................................... 14 2.7 Conclusies uit beschikbare gegevens .............................................................. 15 3 LOCATIEONDERZOEK 3.1 Context vigerende regelgeving gebiedsbescherming ........................................

16 3.2 Verkenning werkgebied en habitatbevindingen ................................................. 16 4 SAMENVATTENDE CONCLUSIES ....................................................................... 21 GERAADPLEEGDE LITERATUUR ............................................................................ 22 GEBRUIKTE TERMEN EN AFKORTINGEN .............................................................. 23

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

4

1

INLEIDING

1.1

Situering en ingreep

Situering plangebied De werklocatie betreft een agrarisch perceel in de Oosterpolder oostelijk van de bebouwde kom van Bunschoten, aan de Groeneweg (zie figuren 1 & 2). Figuur 1, situering werklocatie

Voorgenomen ingreep De ruimtelijke ingreep omvat terreininrichting in samenhang met de bouw van een caroussel aan vogelkooien (zie figuur 3 volgende bladzijde). Deze ingreep vergen natuuronderzoek om mogelijke bedreiging van (verblijfplaatsen van) zwaarder beschermde soorten flora en fauna vast te stellen (zie ook ‘overige wettelijke verplichtingen’ blz.9). Bij eventuele aanwezigheid en bovendien bedreiging van zwaarder beschermde flora of fauna dient vervolgens een ontheffing te worden aangevraagd, dit alles volgens de Wet natuurbescherming (Wnb).

Beschermingsregiems en wettelijk belang Met betrekking tot toetsing van mogelijke effecten op flora en fauna is in de Wnb onderscheid gemaakt in drie beschermingsregiems: dat van de ‘Vogelrichtlijn’, van de ‘Habitatrichtlijn’ en van ‘andere soorten’ (zie ook ‘wettelijke kaders’ volgende bladzijde). Bij eventuele aanvraag van ontheffing vanwege bedreiging van ontheffingsplichtige soorten is onder meer bepalend of er een wettelijk belang van toepassing is dat is opgenomen in het betreffende beschermingsregiem, zoals ‘het belang van de Volksgezondheid’ (voor soorten van de Vogelrichtlijn), een ‘andere dwingende reden van groot openbaar belang’ (voor soorten van de Habitatrichtlijn) of ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden’ (voor ‘andere soorten’ zoals aangegeven in de Bijlage van de Wnb). Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

5

Figuur 2, werklocatie met aanduiding bouwlocatie kooien (zie ook figuur 3)

Figuur 3, inrichtings- en bouwplan

In beginsel wordt onder het belang ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling’ géén ontheffing afgegeven voor soorten van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, behalve indien de ecologische functionaliteit van de soort daarmee geheel niet wordt aangetast, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen (zie verder ‘ontheffingsplicht’ blz.8).

1.2

Natuurtoets als instrument

Doel en strekking natuuronderzoek Deze rapportage omvat een bureaustudie met een veldverkenning waarmee de ingreep wordt getoetst aan de regelgeving met betrekking tot soort- en gebiedsbescherming (zie ‘wettelijke kaders’) en een habitatbeoordeling op basis van een terreinbezoek. Zonder uitgebreid veldonderzoek staat dit bekend als een ‘Quick Scan’. Het onderzoek heeft tot doel inzicht te geven in de volgende vragen: Is er kans op noodzaak tot ontheffing van verbodsbepalingen van de Wnb? Is er naar verwachting een vergunning op grond van gebiedsbescherming nodig (Natura 2000 en/of het Natuurnetwerk Nederland/ NNN) ? Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

6

-

Is er nader veldonderzoek nodig en voor welke soorten planten en/of dieren ? Welke zijn de mogelijke consequenties vanuit de Wnb en het NNN ?

Deze rapportage vormt de aantoonbare bewijslast op naleving van die wetgeving (zie blz.9 'overige wettelijke verplichtingen'). Hiermee wordt onderbouwd met welke beschermde soorten rekening moet worden gehouden, van welke soorten effecten kunnen worden uitgesloten omdat ze er niet worden verwacht, welke soorten er niet zijn aangetroffen dan wel omdat de planingreep geen natuurschade aan die soorten met zich meebrengt. Het uitsluiten van gebruik door (of schade aan) de betreffende soorten 'op voorhand’ vergt een gedegen, controleerbare onderbouwing.

Wettelijke kaders en beschermingsregiems De regelgeving met betrekking tot natuur kent twee typen bescherming: 'soortbescherming' (Wnb) en 'gebiedsbescherming' (Wnb en het NNN). Soortbescherming is gericht op individuele soorten flora en fauna, waartoe in de Wnb onderscheid is gemaakt in beschermingsregiems m.b.t. ‘soorten van de Vogelrichtlijn’ (Wnb § 3.1), ‘soorten van de Habitatrichtlijn’ (Wnb § 3.2) en ‘andere soorten’ (Wnb § 3.3). Gebiedsbescherming is gericht op de specifieke habitat waartoe speciale begrensde gebieden zijn aangewezen, thans aangeduid met ‘Natura 2000’ dan wel gebieden die vallen onder regelgeving vanuit provinciaal natuurbeleid, waaronder het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). De regels van soort- en gebiedsbescherming sluiten elkaar niet uit, doch vullen elkaar aan. Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsluitend plaats indien beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming altijd vereist is, zowel binnen als buiten beschermde gebieden.

Soortbescherming De natuurwetgeving is in eerste lijn gericht op soortbescherming, dat wil zeggen bescherming van afzonderlijke soorten planten en dieren ‘in welke situatie dan ook’. Omdat deze wet alle soorten planten en dieren omvat, óók in Natura 2000-gebieden, wordt bij dit natuuronderzoek primair aangehaakt op de soortbescherming. Deze biedt bescherming aan planten en dieren tegen zogeheten 'natuurschade'. Binnen het beschermingskader wordt onderscheid gemaakt tussen: - het type ingreep (‘bestendig beheer’ of ‘ruimtelijke ontwikkeling en inrichting’); - planten en dieren uit verschillende beschermingsregiems (zie hierboven); - een aantal 'wettelijke belangen' (zoals eerder aangeduid). Met betrekking tot het doel van de voorgenomen ingreep wordt onderscheid gemaakt tussen beschermingsregiems en verschillende ‘wettelijke belangen’. Beschermingsregiems en ontheffingsnoodzaak De drie beschermingsregiems, ‘Vogelrichtlijn’, ‘Habitatrichtlijn’ en ‘andere soorten’, omvatten alle ‘zwaarder beschermde soorten’.

* De Vogelrichtlijn is van toepassing op alle inheemse vogels: bedreiging van vogels of verstoring van broedende vogels vergt in beginsel een ontheffing, waarbij het nest slechts tijdens het broedgebruik is beschermd, met uitzondering van een categorie ‘jaarrond beschermde nesten’ waarvan het nest, al of niet in gebruik, het gehele jaar rond beschermd is en bij bedreiging ontheffing vereist.

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

7

* De Habitatrichtlijn is van toepassing op een in Bijlage IV opgenomen lijst met soorten zoogdieren, reptielen, amfibieën, dagvlinders, libellen, vissen, vaatplanten, kevers en ‘overige ongewervelden’ (weekdieren). Voor deze soorten is bij verstoring of bedreiging, te allen tijde een ontheffing vereist. * De ‘andere soorten’ zoals opgenomen in de Bijlage van de Wnb omvat lijsten met soorten vaatplanten, zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers waarvan door de afzonderlijke provincies wordt bepaald welke soorten in aanmerking komen voor een vrijstelling dan wel welke soorten bij verstoring of bedreiging eveneens aanvraag van ontheffing vergen. Provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen Met betrekking tot de lijsten ‘andere soorten’ is er ten opzichte van de Ffw met betrekking tot kleine zoogdieren en amfibieën in de provincie Utrecht vooralsnog geen wijziging opgetreden ten opzichte van de oorspronkelijke landelijke vrijstellingen. Een deel van de zoogdieren en amfibiesoorten blijft dan ook ontheffingsplichtig. Echter voor in de Wnb opgenomen lijsten ‘andere soorten’ met betrekking tot een reeks vaatplanten en alle vissen, reptielen, dagvlinders, libellen en kevers geldt géén vrijstelling: deze soorten zijn dus, naast soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, eveneens alle ontheffingsplichtig.

Gedragscode Er wordt voorts van uitgegaan dat, vergelijkbaar met de situatie onder de Ffw, ook daarna de regels met betrekking tot gedragscodes van toepassing blijven. Aandacht vergt daarbij dat de nuancering tussen Tabel 2 en 3 in de Ffw ten behoeve van het onderscheid ‘bestendig beheer’ en ‘ruimtelijke ontwikkeling’ wat onder de Ffw een belangrijke basis voor de gedragscodes vormde, onder het regiem van de Wnb vervalt. Naar verwachting zullen in de komende periode de verschillende Gedragscodes nader worden afgestemd op de Wnb. Ontheffingsplicht Bij ontheffingsplichtige soorten is het van belang in hoeverre de ecologische functionaliteit wordt aangetast: * Onder de condities dat er mitigerende maatregelen (kunnen) worden genomen waarmee kan worden gegarandeerd dat de ecologische functionaliteit binnen het werkgebied op geen énkel moment achteruitgaat, óók niet tijdelijk, is er géén ontheffing nodig. Het achterwege blijven van effecten op de ecologische functionaliteit vergt afdoende onderbouwing, waarbij wordt aangegeven welke mitigerende maatregelen daarbij worden toegepast voor welke soorten. * Echter indien de bedoelde ecologische functionaliteit als gevolg van de ingreep niét met mitigatie kan worden gegarandeerd doch uitsluitend met compensatie, is voor de uitvoering daarvan eerst ontheffing vereist.

Voor soorten uit de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn dient bovendien te worden voldaan aan de specifiek in die richtlijnen opgenomen wettelijke belangen. Bij een ontheffingsaanvraag wordt daartoe getoetst aan drie criteria: 1) er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; 2) er is geen alternatief; 3) er is geen sprake van afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding: dit criterium is ook van toepassing voor ontheffingsplichtige ‘andere soorten’ uit de Wnb.

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

8

Gunstige staat van instandhouding als ontheffingsvoorwaarde Een ontheffing kan uitsluitend worden verkregen wanneer deze niet in het geding komt. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden staan in de Habitatrichtlijn genoemd: * uit populatie-dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat op lange termijn zal blijven, en . . . * het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en . . . * er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaat om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Wettelijke zorgplicht en bedreiging van individuele planten of dieren Naast de specifieke regelgeving ten aanzien van juridisch zwaarder beschermde soorten bestaat de algemene zorgplicht voor álle dieren, dus ook voor alle onbeschermde soorten (Wnb art. 3.10). Daartussen bestaat enige nuance: * Met betrekking tot juridisch zwaarder beschermde soorten dient absoluut te worden voorkómen dat individuen van betreffende soorten worden bedreigd (zie LNV 2005 en DR 2009).

* Voor beschermde soorten die vallen onder de provinciale vrijstelling en onbeschermde soorten ligt dat iets minder strikt: men dient bij uitvoering van ingrepen zodanige maatregelen te nemen dat verstoring of bedreiging van individuele dieren ‘zo veel als redelijkerwijs verwacht mag worden’, wordt voorkomen (LNV 2005).

Gebiedsbescherming Vergunning Natura 2000 De regelgeving met betrekking tot speciale beschermingszones in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn (resp. REG 1979 en REG 1992/1997), te weten met betrekking tot Natura 2000-gebieden, wordt in de Wnb op een met de voormalige Nbw vergelijkbare wijze gecontinueerd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Werkzaamheden binnen een Natura 2000-gebied welke effecten kunnen hebben op ‘aangewezen’ soorten vergen aanvraag van een vergunning. Ook voor gebieden 'buiten' een Natura 2000-gebied die een aanwijsbare ecologische functie voor de 'aangewezen soorten' uit dat Natura 2000-gebied hebben, kan onder sommige condities een vergunning vereist zijn ('externe werking', Wnb art. 2.7 & 2.8). Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Sinds 1 juli 2015 is met betrekking tot effecten op Natura 2000-gebieden vanuit de omgeving, bovendien de PAS in werking getreden. Hierin wordt voor Natura 2000-gebieden in de wijde omtrek een grenswaarde gesteld aan de te verwachten stikstofdepositie in dat Natura 2000-gebied door de uitvoering van het betreffende project (‘ontwikkelingsruimte’). De grenswaarde wisselt per Natura 2000-gebied. Als de grenswaarde bij uitvoering van een ruimtelijke ingreep zal worden overschreden, vergt dat een berekening van de overschrijding en op basis daarvan, aanvraag van een vergunning.

Ónder deze grenswaarde geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. Vergunning Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) Dit betreft eveneens bescherming van natuurwaarden binnen begrensde gebieden. Hiervoor hebben Rijk en Provincie samen spelregels ontwikkeld welke zijn vervat in de provinciale regelgeving. Hierbij is een 'nee-tenzij' beleid van toepassing, terwijl afhankelijk van de provinciale regelgeving daarop eveneens een ‘externe werking’ van toepassing kan zijn (geldt niet voor Utrecht). Werkzaamheden binnen het NNN (en deels Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

9

ook in gebieden met ‘externe werking’) vergen een provinciale vergunning, waarbij compensatie van eventueel verstoorde natuurwaarden wordt vereist. De actuele en potentiële waarden van het NNN zijn vastgesteld in de natuurdoelen voor dat gebied. De basis daarvoor ligt in de provinciale structuurvisie en de betreffende ‘Provinciale Ruimtelijke Verordening’.

Overige wettelijke verplichtingen Onderzoeksverplichting De Wnb en het provinciaal natuurbeleid verplichten om bij ruimtelijke ingrepen de mogelijk aanwezige zwaarder beschermde planten en dieren en de effecten daarop door de werkzaamheden, nader te onderzoeken. Dit om eventueel te verwachten natuurschade aan soorten te beoordelen en om dit te toetsen aan de beschermingsregels. Waar negatieve effecten op ontheffingsplichtige soorten kunnen worden verwacht vergt dit ook veldinventarisaties. Indien dergelijke soorten ook inderdaad door de werkzaamheden worden bedreigd of verstoord, vergt dat aanvraag van een ontheffing welke wordt beoordeeld door het daartoe bevoegde provinciale gezag. Wettelijke zorgplicht Dit geldt (ook) voor alle niet-ontheffingsplichtige en onbeschermde fauna. Indien door werkzaamheden individuele dieren of hun vaste verblijfplaatsen worden verstoord of bedreigd, vereist dat de uitvoerder voldoende zorg in acht moet nemen om die verstoring of bedreiging te voorkomen. Daarbij bestaat een ketenverantwoordelijkheid tussen initiatiefnemer en uitvoerder.

1.3

Onderzoeksplan

Met het onderzoek wordt stapsgewijs ingezoomd op de situatie en vastgesteld welke juridisch zwaarder beschermde soorten of verstoring daarvan, kunnen worden uitgesloten dan wel nadere veldinventarisatie vergen. Werkstap 1, analyse bestaande gegevens Als eerste wordt de situatie getoetst aan indicaties van de NDFF, aan de verspreiding van soorten op basis van reeds bekende biogeografische informatie uit verspreidingsatlassen, aan overige literatuur en andere beschikbare onderzoekingen. Die informatie is veelal niet compleet maar wel grotendeels indicerend. Op basis hiervan en de algemene habitat van de locatie, wordt vastgesteld welke juridisch zwaarder beschermde soorten mogelijk in dit gebied verwacht zouden kunnen worden, onafhankelijk van de aanwezige habitat, en welke juridisch zwaarder beschermde soorten op voorhand al kunnen worden uitgesloten. Met betrekking tot ‘uitsluitingen’ in het kader van de regelgeving wordt in de rapportage aandacht geschonken aan alle mogelijke soortgroepen van (beschermde) organismen. Voor sommige soortgroepen is dat niet méér dan slechts het aangeven waarom daarvan géén beschermde soorten op de locatie worden verwacht, dan wel waarom sommige soorten niet worden bedreigd of verstoord.

Werkstap 2, toetsing aan gebiedsbescherming Dit omvat regelgeving in het kader van de Wnb en van provinciaal gebiedenbeleid (Natura 2000 en NNN), waarbij wordt beoordeeld of er wellicht ook andere natuurregelgeving in het geding kan zijn. Ook het PAS wordt globaal getoetst.

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

10

Werkstap 3, habitatbeoordeling en eventueel veldonderzoek Naar aanleiding van het bovenstaande wordt een beoordeling gemaakt van de terreinkenmerken, de biotoop, de lokale habitat en van de ecologische betekenis van het effectieve werkgebied. In de conclusie wordt op basis van de nader beschreven habitat, vastgesteld welke zwaarder beschermde soorten (Wnb) en eventuele ‘aangewezen soorten’ (Wnb/ Natura 2000) voor de gegeven situatie zonder nadere veldinventarisatie kunnen worden uitgesloten, wat tevens geldt voor het al of niet van toepassing zijn van de ‘externe werking’ met betrekking tot ‘aangewezen soorten’ (Natura 2000 - Wnb § 3.2). Tot zover betreft dit onderzoek een ‘Quick Scan’: een bureaustudie met veldverkenning. Voor de zwaarder beschermde soorten die niét op basis van verspreiding en/of habitat voor bedreiging kunnen worden uitgesloten, dient een nader soortgericht veldonderzoek te worden uitgevoerd. Werkstap 4, eindconclusie en advies De rapportage wordt afgerond met een puntsgewijze samenvatting van conclusies en consequenties, met een eventuele toetsing van consequenties, de haalbaarheid van het plan, het advies welke soorten nadere veldinventarisatie vergen dan wel in hoeverre natuurschade op voorhand met mitigatie kan worden voorkomen.

Leeswijzer In de rapportage wordt de volgorde van de hierboven aangegeven onderzoeks- en onderbouwingsstappen aangehouden. Waar het voor de betreffende onderbouwing nodig is om informatieve kaders te schetsen, is dat in dit hoofdstuk beknopt aangegeven (zie blz. 4 t/m 10). Daarmee ontstaat de volgende opzet van de rapportage: * *

*

*

In hoofdstuk 1 zijn de uitgangssituatie, het voornemen, de hoofdlijnen van de regelgeving, de aanpak van het onderzoek en de opzet van de rapportage aangegeven. In Hoofdstuk 2 wordt op basis van beschikbare verspreidingsgegevens en recente gegevens uit de databank van de NDFF, de literatuurstudie met daaruit voortkomende conclusies uitgevoerd. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op vigerende gebiedsregelgeving (Wnb/ Natura 2000, PAS en NNN) en worden de bevindingen van de ecologische verkenning met beoordeling van de betreffende habitat beschreven, zo nodig aangevuld met de verslaglegging van een nadere veldonderzoek. In hoofdstuk 4 worden de voor de uitvoering relevante conclusies kort samengevat en wordt advies gegeven met betrekking tot mitigerende maatregelen. Voorts wordt advies gegeven met betrekking tot de gewenste nadere handelwijze.

De rapportage wordt beëindigd met lijsten van geraadpleegde literatuur en van gebruikte termen en afkortingen. ----------

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

11

2

BRONNENONDERZOEK SOORTEN

Het onderzoek dat in dit hoofdstuk per soortgroep wordt weergegeven omvat de toetsing van de locatie aan bronnen met reeds bestaande inventarisatie- en verspreidingsgegevens. Het is gericht op eventueel terreingebruik door juridisch zwaarder beschermde soorten (zie ‘soortbescherming’ blz.6-7) en indien voor het projectgebied relevant, op ‘aangewezen soorten’ (zie gebiedsbescherming blz.8). De gegevens waarop deze toetsing is gebaseerd, omvatten veelal een aanzienlijk groter gebied dan de onderzoekslocatie: naar aanleiding hiervan wordt in hoofdstuk 3 ingezoomd op de nader begrensde werklocatie. De gegevens uit de databank NDFF bieden een goede indicatie doch zijn niet geheel toegespitst op de werklocatie en vergen derhalve tenminste nog een aanvulling door een habitatbeoordeling op de locatie. Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatbeoordeling wordt vervolgens bepaald welke (zwaarder) beschermde soorten in het werkgebied wellicht kunnen worden verwacht en welke soorten in het kader van de Wnb aanvullende veldinventarisatie vergen om vast te stellen of ze alsnog van aanwezigheid kunnen worden uitgesloten, dan wel zullen moeten leiden tot aanvraag van ontheffing.

De eventuele noodzaak tot nadere inventarisatie wordt afgeleid uit de samenhang tussen beschikbare gegevens (dit hoofdstuk 2), de habitatbeoordeling van het te onderzoeken gebied (zie hoofdstuk 3) en de ‘soort’ ingreep (§ 1.1).

2.1

Vaatplanten

Beschikbare gegevens Uit de databank van de NDFF (2018, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het plangebied géén ontheffingsplichtige planten zijn geregistreerd (zie ook Floron 2011).

Conclusie Vaatplanten zijn met de werkzaamheden niet in het geding.

2.2

Zoogdieren

Beschikbare gegevens Uit de databank van de NDFF (2018, Quickscanhulp) blijkt dat vanaf de planlocatie binnen een straal van 1 km, 17 soorten zijn geregistreerd waaronder 3 vleermuissoorten. Ontheffingsplichtige grondgebonden zoogdieren zijn tot binnen een straal van 1 km niet geregistreerd.

Grondgebonden zoogdieren De registratie betreft uitsluitend een reeks beschermde ‘andere soorten’ waarop een provinciale vrijstelling van toepassing is. Het betreft de muizensoorten Bosmuis, Dwergmuis, Huisspitsmuis, Rosse woelmuis en Veldmuis, de martersoorten Bunzing, Hermelijn en Wezel en voorts Egel, Ree, Haas, Konijn, Vos en Woelrat (zie ook Broekhuizen

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

12

2016). Indien deze vrijgestelde soorten worden verstoord vergt dat toepassing van de wettelijke zorgplicht (zie blz.9). Binnen een straal van 5 km van de werklocatie zijn wél ontheffingsplichtige soorten geregistreerd, doch deze vergen alle een op de werklocatie afwezige habitat.

Vleermuizen Er zijn in deze omgeving 3 soorten vleermuizen geregistreerd: Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Laatvlieger. Rosse vleermuis zoekt zijn verblijfplaats uitsluitend in (oudere) bomen en Laatvlieger uitsluitend in bebouwing. De dwergvleermuizen kunnen in zowel gebouwen als bomen worden aangetroffen (zie ook Limpens 1997). Alle vleermuissoorten zijn vermeld in de Habitatrichtlijn Bijlage IV (zie § 3.1 Wnb) en zijn daarmee, indien door de werkzaamheden verstoring of bedreiging ontstaat, op voorhand ontheffingsplichtig. Vleermuisgebruik kan bestaan uit verblijfplaatsen in bomen, gebouwen of andere constructies. Door sommige soorten worden tevens lineaire structuren (zoals houtsingels, boomrijen, bosranden, watergangen, dijken of combinaties daarvan) gebruikt als geleiding/ sonaroriëntatie voor vaste vliegroutes (met name van dwergvleermuizen, Laatvlieger en Watervleermuis).

Conclusie zoogdieren * Grondgebonden soorten: Ontheffingsplichtige soorten zijn op de werklocatie uitgesloten op basis van verspreiding. Bij uitvoering is wel aandacht vereist voor mogelijk aanwezige ‘andere soorten’ waarop de wettelijke zorgplicht van toepassing is. * Vleermuizen: Voor zover er geen bomen worden gekapt of constructies worden aangetast, worden vleermuizen niet bedreigd.

2.3

Broedvogels

Beschikbare gegevens Uit de databank van de NDFF (2018, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied diverse vogels met een jaarrond beschermd nest zijn geregistreerd.

Jaarrond beschermde nesten De bij het NDFF geregistreerde soorten met een jaarrond beschermd nest betreffen voor deze locaties onder meer soorten die hoog in toppen van bomen nestelen, te weten Boomvalk, Buizerd, Havik, Ransuil, Roek, Steenuil en Sperwer. Met uitzondering van Steenuil gebruiken deze soorten ook nesten van bijvoorbeeld Zwarte kraai, of zelfs van Ekster. Steenuil maakt veelal gebruik van boomholten, waarvan oude knotwilgen favoriet zijn. In deze omgeving dient ook extra aandacht te worden besteed aan IJsvogel, waarvan het nest eveneens jaarrond beschermd is. Deze nestelt veelal in holen welke zijn gegraven in min of meer rechte oeverwanden. Tenslotte zijn ook soorten met een jaarrond nest geregistreerd die gebruik maken van bebouwing, zoals onder meer Huismus en Gierzwaluw.

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

13

Overige broedvogels Veelal zijn er in elk soort terrein ook andere broedende vogels te verwachten, waaronder in het onderhavige werkgebied ook watervogels in oeverzones of op het water (zie ook Hustings 2002) en nesten in struwelen en in te kappen bomen. Broedende vogels mogen onder géén enkele conditie worden verstoord (zie DR 2009). Onder die voorwaarde is echter voor de meeste broedvogelsoorten géén aanvullende veldinventarisatie vereist: dit is uitsluitend nodig op het moment dat werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd.

Conclusie broedvogels * Jaarrond beschermde nesten: Zolang er geen bomen worden gekapt en bebouwing wordt gesloopt zijn jaarrond beschermde nesten niet in het geding. * Broedende vogels: met betrekking tot overige broedende vogels dienen werkzaamheden die verstorend kunnen zijn, in beginsel buiten het broedseizoen plaats te vinden (aandacht voor watervogels langs sloten !).

2.4

Amfibieën en reptielen

Beschikbare gegevens Uit de databank van de NDFF (2018, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het werkgebied 2 beschermde soorten zijn geregistreerd, te weten Heikikker en Poelkikker, beide soorten van de Habitatrichtlijn (zie ook Creemers 2009; RAVON 63). Daarnaast zijn ‘andere soorten’ geregistreerd waarop een provinciale vrijstelling van toepassing is, te weten Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander.

Amfibieën Heikikker wordt vooral aangetroffen in veengebieden, moerassen en overstromingsgebieden. De voortplantingshabitat bestaat uit ondiep, zonbeschenen water met oevers die in het voorjaar zijn begroeid met een lage, wat schrale vegetatie. Buiten de voortplantingsperiode houdt de soort zich op in vochtige hoge, dichte vegetaties maar ook wel in loofbos, binnen een afstand van maximaal 300 meter van de voortplantingshabitat. Poelkikker vereist naast zonbeschenen open water, ook moerassige omstandigheden langs de oever met een rijke begroeiïng aan oever- en waterplanten. Na de voortplanting is de soort ook in een landhabitat met een rijke kruidenbegroeiïng te vinden. Voor zijn overwinteringshabitat kan de soort, vergelijkbaar met Rugstreeppad, grotere afstanden afleggen. Ringslang is gebonden aan waterrijke en amfibierijke habitat met tevens droge en vorstvrije mogelijkheden voor winterverblijf. Deze zijn vooral te vinden op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden veelal gemeden omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Met name de ontwikkeling van de eieren en de overwintering vormen in polders een probleem (Van der Lugt & Siebelink, 2003). Alle genoemde amfibiesoorten vergen voor hun voortplanting de beschikbaarheid van geschikt open water en een zonnige situatie.

Ook van de ‘andere soorten’ gebruiken enkele een deel van het jaar een landhabitat waarbij ze onder meer schuilplaatsen zoeken in takkenhopen, onder losliggende materialen of in bestaande holletjes van andere dieren.

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

14

Indien deze vrijgestelde soorten worden verstoord vergt dat toepassing van de wettelijke zorgplicht.

Reptielen Binnen een straal van 1 km van het werkgebied zijn géén reptielen geregistreerd, doch binnen een straal van 5 km wel Ringslang.

Conclusie amfibieën en reptielen * De werklocatie vergt controle op gebruiksmogelijkheden voor Heikikker, Poelkikker en Ringslang en indien aanwezig, nader veldonderzoek. * De overige soorten vergen toepassing van de wettelijke zorgplicht (zie blz.9).

2.5

Vissen

Beschikbare gegevens Uit de databank van de NDFF (2018, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het werkgebied géén ontheffingsplichtige vissen zijn geregistreerd (zie ook RAVON 63).

Conclusie vissen Ontheffingsplichtige soorten kunnen op basis van verspreiding op voorhand worden uitgesloten.

2.6

Ongewervelde soorten

Bij ongewervelde soorten moet men denken aan vlinders, libellen, sprinkhanen en andere ongewervelde soorten zoals mieren, kevers, weekdieren e.d. Onder deze groepen vallen eveneens beschermde soorten terwijl voor sommige soorten ook een ontheffingsplicht geldt. Juridisch zwaar beschermd zijn soorten uit de groepen libellen, dagvlinders en ‘overige ongewervelde soorten’ (waaronder ook waterorganismen).

Beschikbare gegevens Uit de databank van de NDFF (2018, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 5 km van het werkgebied géén ontheffingsplichtige soorten zijn geregistreerd (zie ook Bos 2006; Dijkstra 2002). Wel is in de omgeving het waterslakje Platte schijfhoren, eveneens van de Habitatrichtlijn, geregistreerd (zie Gmelig Meyling 2008; Boesveld 2011): echter aangezien de smalle slootjes gehandhaafd blijven en niet door werkzaamheden worden verstoord, komt deze soort niet in gevaar.

Conclusie ongewervelden Bedreiging van Platte schijfhoorn kan worden uitgesloten omdat de slootjes onaangetast blijven. Overige ongewervelden lunnen worden uitgesloten op basis van verspreiding.

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

15

2.7

Conclusies uit beschikbare gegevens

Volgens de databank van NDFF en verspreidingsgegevens blijkt dat in het werkgebied naast vrijgestelde ‘andere soorten’ mogelijk als ontheffingsplichtige soorten te verwachten zijn en mogelijk bedreigd kunnen worden: - Heikikker, Poelkikker en Ringslang; Indien werkzaamheden zullen worden verricht waarmee deze soorten kunnen worden bedreigd, vergen deze thans nadere controle van de werkzone om te beoordelen of er geschikte dan wel kansrijke verblijfplaatsen aanwezig zijn, in welk geval nader onderzoek (en mogelijk aanvraag van ontheffing) nodig is. Ook zijn er broedgevallen te verwachten van vogels in bomen of struiken welke tijdens het broeden moeten worden ontzien. Tenslotte zijn er vrijgestelde kleine zoogdieren en amfibieën in hun landhabitat te verwachten welke bij de uitvoering aandacht en toepassing van de wettelijke zorgplicht vergen. Andere ontheffingsplichtige soorten kunnen op basis van verspreiding en/of habitat, op voorhand worden uitgesloten. ----------

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

16

3

LOCATIEONDERZOEK

3.1

Context vigerende regelgeving gebiedsbescherming

Natura 2000 De werklocatie ligt ca.500 meter buiten de grens van Natura 2000-gebied Arkenheem. Dit gebied is met name aangewezen voor Kleine zwaan, Smient en Bittervoorn. In het werkgebied worden echter de slootjes niet aangetast zodat Bittervoorn er niet wordt bedreigd. Bovendien ligt het huisperceel waar werkzaamheden worden verricht direct aansluitend op een woning met erf (onrust) en bovendien op een ook iets hogere en drogere locatie, ongeschikt als mogelijk foerageergebied voor Kleine zwaan of Smient. Derhalve is de ‘externe werking Natura 200’ hier niet van toepassing. Figuur 4, Natura 2000-gebied Arkenheem

Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Voorts betreft de ingreep slechts de realisatie van roofvogelkooien. Daarbij is met betrekking tot de PAS géén toename van de stikstofuitstoot te verwachten zodat de grenswaarde voor omliggende Natura 2000-gebieden niet wordt bereikt. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De werklocatie maakt ook géén deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur): ook de aspecten van provinciale gebiedsbescherming zijn dus niet van toepassing.

3.2

Verkenning werkgebied en habitatbevindingen

Veldverkenning Het in te richten perceel betreft een huisperceel met voorheen kleine bewerkte perceeldelen (zie figuur 5). Thans bestaat het gehele huisperceel uit intensief gemaaid grasland (zie ook foto’s 1 t/m 3), als trainingsveld voor de roofvogels van de valkenier. Langs de zuidzijde van het perceel staan enkele laag geknotte wilgen langs het slootje (foto’s 1, 2 & 4). Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

17

Figuur 5, overzicht huisperceel met knotwilgen langs de zuidrand

Foto 1, overzicht intensief gemaaid huisperceel

Foto 2, trainingsveld voor roofvogels

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

18

Foto 3, voorste deel huisperceel, direct aansluitend op erfbebouwing

De begrenzing van het perceel bestaat deels uit zeer smalle slootjes met hoge slootkanten (foto’s 4, 5). Er is slechts een zeer smalle rand met helophyten, waarbij in de zomer soms bijna de gehele slootbreedte met Riet is begroeid (foto 6) terwijl in de zomer de wateroppervlak grotendeels begroeid is met Kroos en Kikkerbeet (foto’s 5 en 7). Foto 4, beeld vroeg voorjaar, met op de achtergrond Bunschoten

Foto 5 hoge slootkanten, nauwelijks helophytenzone

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

19

Foto 6, hoge slootkanten, slootje dicht gegroeid met riet

Foto 7, zomerbeeld: vrijwel gesloten oppervlaktegroei met Kroos en Kikkerbeet

Habitatbeoordeling per soortgroep Vaatplanten: ontheffingsplichtige soorten kunnen op basis van verspreiding geheel worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren: gezien de verspreiding (gegevens NDFF en atlassen) kunnen op de werklocatie uitsluitend enkele ‘andere soorten’ worden verwacht waarvoor een provinciale vrijstelling van toepassing is (zie § 2.2). Vleermuizen: gezien geen bomen worden gekapt en geen bebouwing wordt gesloopt is vleermuisgebruik geheel niet in het geding. Broedvogels: er zijn nergens op de werklocatie jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Amfibieën en reptielen: de oevers van de slootjes zijn hoog en droog, terwijl de slootjes in de voorplantingsperiode grotendeels met kroos en Kikkerbeet begroeid zijn en het wateroppervlak belommerd door rietgroei. Er is nauwelijks tot geen ondiepe helophytenzone langs de oevers aanwezig: deze habitat is zeer ongeschikt voor Heikikker welke hier dan ook kan worden uitgesloten. Over Poelkikker zou enige twijfel kunnen bestaan, echter de slootjes met oeverzones blijven geheel in tact zodat ten finale geheel geen bedreiging van amfibieën ontstaat.

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

20

Voor Ringslang vormen de slootjes met hun beperkte breedte, beperkte helophytenbegroeiing en beperkte geschiktheid voor amfibieën, geen geschikte jachthabitat. Vissen: deze kunnen op basis van verspreiding op voorhand worden uitgesloten (§ 2.5). Overige ongewervelde soorten: als leefgebied voor Platte schijfhoren zijn de slootjes te beperkt, met te geringe doorstroming, het ontbreken van drijvende waterplanten zoals Waterlelie of Plomp en te weelderige groei van Kroos en Kikkerbeet, ongeschikt. Bovendien blijven de slootjes ongestoord, zodat Platte schijfhoren geheel niet in het geding komt. Overige ongewervelden zijn verder uitgesloten op basis van verspreiding. De algemene habitat van de omgeving is vanwege het intensieve agrarische gebruik, in het algemeen ongeschikt voor de meeste ontheffingsplichtige soorten. ----------

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

21

4

SAMENVATTENDE CONCLUSIES

In samenhang tussen literatuuronderzoek, veldverkenning, habitatbeoordeling in relatie tot het soort werkzaamheden kunnen de volgende conclusies worden getrokken (zie ook habitatbeoordeling vorige bladzijden):

1) Vigerende regelgeving gebiedsbescherming * Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot de ‘externe werking’ Natura 2000 van toepassing (zie § 3.1). * Met betrekking tot PAS omvat de ingreep géén wijzigingen welke leiden tot toename van stikstofproductie (zie ook § 3.1). * Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland of van bijzondere weidevogelgebieden (zie § 3.1).

2) Uitsluiting ontheffingsplichtige soorten Deze kunnen op basis van verspreiding en/of habitatbeoordeling en –inspectie, of van het soort werkzaamheden, van effecten worden uitgesloten: vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, jaarrond beschermde nesten, Heikikker, Poelkikker, Ringslang, vissen en Platte schijfhoren (zie ook vorige bladzijden).

3) Algemene broedvogels Broedende vogels mogen tijdens het broeden niet worden verstoord. Dat kan worden bewerkstelligd door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen te verrichten, dan wel door voorafgaand aan werkzaamheden in het broedseizoen regelmatig controles uit te voeren en eventuele aangetroffen nesten te ontzien.

4) Zorgplicht overige, ‘vrijgestelde’ soorten (zie § 3.2) Met de werkzaamheden kunnen overal wellicht vrijgestelde kleine zoogdieren of amfibieën worden aangetroffen. Deze dienen te worden opgepakt en voorzichtig buiten de gevarenzone weer te worden weggezet. Met name in maart en juni moet rekening worden gehouden met mogelijk massale voortplanting van Gewone pad in de slootjes en daarmee tijdelijk massaal kleine padjes in de oeverzones. Deze zorgplicht is eveneens van toepassing op fauna welke niet is beschermd. ----------

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

22

GERAADPLEEGDE LITERATUUR Boesveld, A (2011), A. Gmeylig Meyling & R. de Bruyne, De Levende Natuur jg 112 nr. 3: Natuurbeheer, bescherming & biotoopeisen van Nederlandse slakken. Bos/ F. (2006), M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting. De Dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming. Nederlandse Fauna 7, Leiden. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland. Broekhuizen/ Sim (2016), Kamiel Spoelstra, Johan B.M. Thissen, Kees J. Canters en Jan C. Buys (redactie): Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Uitgever Naturalis Biodiversity Center en EIS-Nederland, Leiden. Creemers (2009) Raymond.C.M. en Jeroen J.C.W. van Delft (Ravon)/ redactie: De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal NatuurhistorischMuseum Naturalis, EIS-Nederland, Leiden. Dijkstra/ Klaas-Douwe B. (2002), Vincent J.Kalkman, Robert Ketelaar, Michiel J.T. van der Weide: De Nederlandse Libellen (Nederlandse Fauna 4). KNNV Uitgeverij. DR 2009. Wijziging beoordeling ontheffing Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen en aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Brief van de Dienst Regelingen, ffw2009.corr.046 van 25 augustus 2009, Ministerie van LNV (thans EZ). Floron 2011. Nieuwe atlas van de Nederlandse Flora. Stichting Floron/ KNNV Zeist. Gmelig Meyling, A.W. & A.

Boesveld (2008). Inhaalslag Verspreidingsonderzoek Mollusken van de Europese habitatrichtlijn. resultaten van het inventarisatiejaar 2007/ Platte schijfhoorn Anisus vorticulus. Stichting Anemoon, 30 juni 2008. Hustings/ Fred (2002) en Jan-Willem Vergeer. Atlas van de Nederlandse Broedvogels. Nederlandse Fauna 5. SOVON, Uitgeverij K.N.N.V. te Utrecht. Limpens/ H.J.G.A. (1997), K. Mostert en W. Bongers: Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. NDFF (2018). Quickscanhulp, registratie in samenwerking tussen Het Natuurloket, Gegevensautoriteit Natuur en Regelink, 2017. RAVON 63. Bijlage bij RAVON 63 jg 18 (4): Waarnemingenoverzicht 2015. ----------

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

23

GEBRUIKTE TERMEN EN AFKORTINGEN andere soorten (Wnb) eveneens beschermde soorten, niet behorend tot de soorten van Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn (Bijlage bij de Wet Natuurbescherming); externe werking Natura 2000 de geboden m.b.t. Natura 2000 zijn ook van kracht voor aangewezen faunasoorten buiten een als zodanig aangewezen gebied wanneer zij daar ook significant gebruik maken voor functies zoals foerage, dagverblijf of hoogwatervluchtplaatsen (bijv. vogels) of voor overwintering (bijv. vleermuizen); fauna dierlijke organismen waaronder zoogdieren, vissen, vogels, amfibieën, reptielen, insecten en andere ongewervelden; flora plantaardige organismen zoals houtgewassen, kruidachtige gewassen, grassen en waterplanten; foerageren naar voedsel zoeken, voedsel verzamelen; habitat typische woonomgeving van een bepaalde soort; Habitatrichtlijn, HR-soorten soorten planten of dieren welke zijn opgenomen in de verschillende Bijlagen van de Europese habitatrichtlijn: Bijlage IV: dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd; maaiveld al of niet begroeide bovenkant/ oppervlakte van het terrein; Nbw Natuurbeschermingswet, voormalige wet beschermde natuurgebieden (thans als Natura 2000-gebieden opgenomen in de Wnb); NDFF Nationale Databank Flora en Fauna; NNN Natuurnetwerk Nederland; ongewervelde soorten diersoorten zónder dan wel met een uitwendig

skelet, zoals weekdieren, kevers, mieren en insecten; ontheffing (Wnb) een in het kader van de soortbescherming aangegeven toestemming tot onder meer het verstoren of (per ongeluk, onvermijdelijk,) doden van beschermde dieren en/of vernietigen van beschermde planten en hun groeiplaats welke bescherming in de betreffende wet wordt geregeld; PAS Programmatische Aanpak Stikstof; populatie groep individuen van één soort die, levende in een bepaald gebied, een voortplantingseenheid vormen; RAVON Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland; soortgroep groep organismen van dezelfde klasse of ondersoort: vaatplanten, mossen, zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën, vissen, insecten (ondersoorten: vlinders, libellen enz.); ‘ter zake kundige’ (Ffw/ Wnb) een persoon die: * op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

24

zwaartepunt ecologie, en/of * als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, en/of * zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van soortbescherming en is aangesloten bij de daarvoor bestaande organisaties/ PGO’s zoals RAVON, VZZ, SOVON, FLORON enz. (bron: Ministerie van LNV/ EZ); vaste verblijfplaatsen (Ffw/ Wnb) zomer-, winter- of paarverblijfplaatsen, vaste migratie- en vliegroutes en cruciale foerageerplekken van vleermuizen; vaste voortplantingslocaties van amfibieën; vaste verblijfplaatsen van Kleine modderkruiper, e.d.; schuil- en broedplaatsen van vogels welke jaarlijks opnieuw als zodanig worden gebruikt; verspreidingsgegevens/ -onderzoek met steekproefonderzoek vastgestelde gebieden waar een bepaalde soort verwacht kan worden; Vogelrichtlijn, VR-soorten vogelsoorten die zijn opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn; volgens het Europese recht wijzen de lidstaten beschermingszones aan om voor alle aangewezen soorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermden om populaties van deze soorten in stand te kunnen houden; vrijstelling, provinciale (Wnb) een in het kader van Wnb geregelde provinciale toestemming tot onder meer het verstoren of (per ongeluk, onvermijdelijk,) doden van beschermde dieren en/of vernietigen van beschermde planten en hun groeiplaats, geregeld voor categorieën zoals aangegeven in de Bijlage

bij Wnb Onderdelen A & B; wettelijk belang (Wnb) in de natuurwetgeving zijn een aantal verschillende belangen opgenomen op basis waarvan het beschermingsregime met betrekking tot sooten van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, mede wordt genuanceerd; Wnb Wet Natuurbescherming welke vanaf 1 januari 2017 de beschermingskaders met juridische verboden, verplichtingen, voorwaarden en toestemmingen biedt voor (het omgaan met) flora en fauna; zorgplicht de in de wet vastgelegde plicht (art. 2) dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren (en dus niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is een algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Overigens geldt de zorgplicht ook voor planten (LNV 2005). ----------

Quick Scan natuurwetgeving – Settels Roofvogelpark te Bunschoten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11384061/1