RV 116821 bijlage Commentaarnota zienswijzen mei 2021
Tekst van het document
Commentaarnota op ingebrachte zienswijzen Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten het ontwerpbesluit Oostsingel/Garnalenweg ter inzage te leggen. Het ontwerpbesluit heeft van 24 december 2020 tot en met 3 februari 2021 ter inzage gelegen, overeenkomstig artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht. Naar aanleiding van het ontwerpbesluit zijn twee zienswijzen ingediend: 1. De besloten vennootschap Koelewijn Jacob van Jan B.V., gevestigd aan de Palingweg 1 in Bunschoten-Spakenburg, reclamant 1, bij brief van 26 januari 2021 2. De heer en mevrouw De Haas, wonende aan de Haringweeg 2 in BunschotenSpakenburg, reclamant 2, bij brief van 25 januari 2021 Reclamanten hebben zienswijzen ingediend over verschillende aspecten aangaande het ontwerpbesluit. Deze zienswijzen zullen hierna per aspect worden behandeld. Algemeen •
Reclamant 1 stelt in de punten 10 t/m 13 van de zienswijze dat de woningbouw niet in overeenstemming is met de eisen van een goede ruimtelijke ordening, omdat de woningen op minder dan 30 meter afstand zijn geprojecteerd van het bedrijf van reclamant 1. Daarmee wordt niet voldaan de richtafstanden in de VNG brochure.
Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2146) volgt dat de in de VNG-publicatie opgenomen afstanden indicatief zijn en dat hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. Dit brengt met zich dat het bevoegd gezag niet verplicht is om de richtafstanden uit de VNG-publicatie over te nemen. Indien het bevoegd gezag een kortere richtafstand hanteert, zal echter wel op een andere wijze gemotiveerd moeten worden dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen gewaarborgd is. Het enkele feit dus dat de richtafstand niet in acht wordt genomen, betekent dus niet dat sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening. Het feit dat het vigerende bestemmingsplan Zuidwenk 2012 woningbouw ter plaatse niet toestaat maakt dat evenmin anders. Om die reden wordt juist voor het project een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend. In de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag is onderbouwd dat van strijd met de goede ruimtelijke ordening geen sprake is. Voor de motivering dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening wordt verwezen naar deze ruimtelijke onderbouwing. •
Reclamant 2 stelt dat hij benadeeld wordt door plaatsing van afvalcontainers aan de overzijde van zijn huis. Reclamant 2 verzoekt het college om de containers elders te plaatsen.
Het bouwplan voorziet in de plaatsing van enkele ondergrondse containers. Deze containers zijn nauwelijks zichtbaar. De locatie is zorgvuldig gekozen: de containers staan op voldoende afstand
van de woning van reclamant 2 en vormen geen obstakel voor de in de grond aanwezige kabels en leidingen. Bovendien is de gekozen locatie goed bereikbaar voor de vuilniswagens. In overleg met aanvrager is gezocht naar een alternatieve locatie voor de containers, die buiten het zicht van de woning van reclamant 2 ligt. Onderstaande afbeelding geeft de alternatieve locatie voor de containers weer. Aangezien deze alternatieve locatie eveneens geschikt is, zullen de containers op deze alternatieve locatie worden geplaatst.
•
Reclamant 2 stelt dat als gevolg van het bouwplan enkele parkeerplaatsen komen te vervallen.
Het enkele feit dat er parkeerplaatsen verdwijnen als gevolg van het plan, maakt niet dat het plan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. In het bouwplan zijn voldoende parkeerplaatsen voorzien om de parkeerbehoefte van de woningen op te vangen. Daar komt bij dat het aantal parkeerplaatsen langs de Ansjovisweg zelfs licht zal toenemen. In de huidige situatie kunnen er theoretisch twaalf auto’s langs de Ansjovisweg parkeren. In de nieuwe situatie wordt het aantal parkeerplaatsen aan deze zijde van de Ansjovisweg vergroot tot vijftien parkeerplaatsen. Op onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie (linksonder) en de nieuwe situatie (rechtsonder) weergegeven.
2 van 12
Geluid •
Reclamant 1 stelt zich op het standpunt dat de woningen akoestisch niet inpasbaar zijn. Daarbij wijst reclamant 1 op een brief, waarin hij eerder zijn zorgen heeft geuit over (onder meer) het akoestisch onderzoek.
Aanvrager heeft bij de aanvraag om omgevingsvergunning een akoestisch onderzoek van LBP | Sight gevoegd. In het akoestisch onderzoek wordt inzichtelijk gemaakt welke geluidsniveaus te verwachten zijn ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen. LBP | Sight heeft onderzoek ter plaatse verricht gedurende de nachtperiode. Aangezien deze periode maatgevend is voor de maximaal toegestane geluidsniveaus en er (met name aan het einde van de nachtperiode) veel activiteit plaatsvindt op het bedrijventerrein, geeft het onderzoek een representatief beeld van de maximale geluidsniveaus die ter plaatse van de woningen te verwachten zijn. Door Witteveen+Bos is onderzoek gedaan naar het verkeerslawaai op de wegen rond de nieuw te bouwen woningen, de piekgeluiden van de heftruckbewegingen en het geluid dat afkomstig is van het bedrijf van reclamant 1. Witteveen+Bos heeft onderzoek gedaan aan de hand van modelberekeningen en komt daarbij tot vergelijkbare conclusies als LBP | Sight. LBP | Sight stelt vast dat de geluidsniveaus ter plaatse van de woningen acceptabel zijn. In de aanvullende notitie van LBP | Sight van 12 mei 2021 wordt nader toegelicht op welke wijze het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen geborgd wordt. Voor twee van de drie woonblokken wordt (voor wat betreft de geluidsaspecten) voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-Brochure.
Om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen voor de woningen worden de kopgevels van de woningen (de naar de Ansjovisweg gekeerde gevels) voorzien van betere gevelgeluidwering (minimaal 28 dB), zodat het maximaal geluidniveau in de slaapvertrekken maximaal 40 dB(A) bedraagt. Ook zullen voornoemde gevels als dove gevel worden uitgevoerd. Met het treffen van deze maatregelen wordt voldoende geborgd dat de geluidswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit niet overschreden worden. Voor een nadere onderbouwing van de gemeten geluidsniveaus en de borging van een akoestisch goed woon- en leefklimaat verwijzen wij naar het akoestisch onderzoek van LBP | Sight bij de aanvraag, de aanvullende notitie van 12 mei 2021 en het onderzoek van Witteveen+Bos. •
Er is volgens reclamant 1 geen sprake van een gemengd gebied, maar van een rustige woonwijk.
In de VNG-brochure wordt het omgevingstype "gemengd gebied" als volgt omschreven: "Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend."
In het onderhavige geval is er sprake van een gebied waarin woon- en bedrijfsfuncties op korte afstand mogelijk worden gemaakt. Het plangebied grenst aan meerdere zijden rechtstreeks aan het bedrijventerrein Zuidwenk.
3 van 12
•
Er is geen sprake van een representatieve geluidsmeting, omdat slechts op één enkele ochtend is gemeten.
LBP | Sight heeft in de aanvullende notitie van 12 mei 2021 de bedrijfssituatie ten tijde van de verrichte metingen beschreven. Het college is van oordeel dat de geschetste bedrijfssituatie als een representatieve bedrijfssituatie kan worden beschouwd. Door reclamant 1 is geenszins onderbouwd waarom de beschreven activiteiten niet representatief zijn voor de bedrijfsvoering van reclamant 1. •
Volgens reclamant 1 is ook zonder nader onderzoek duidelijk dat geluidsoverlast te verwachten is ter plaatse van de woningen. Volgens reclamant 1 geldt een richtafstand van 100 meter, terwijl het college uitgaat van een richtafstand van 30 meter.
Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2146) volgt dat de in de VNG-publicatie opgenomen afstanden indicatief zijn en dat hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. Dit brengt met zich dat het bevoegd gezag niet verplicht is om de richtafstanden uit de VNG-publicatie over te nemen. Indien het bevoegd gezag een kortere richtafstand hanteert, zal echter wel op een andere wijze gemotiveerd moeten worden dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen gewaarborgd is. Reclamant 1 wijst op het feit dat zijn bedrijf in het akoestisch onderzoek ten onrechte is aangemerkt als een bedrijf in categorie 3.2. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, kwalificeert het bedrijf van reclamant 1 als een bedrijf in categorie 4.2. Dit verandert echter niets aan de conclusies van het akoestisch onderzoek: voor het bedrijf van reclamant 1 (een visverwerkingsbedrijf waar producten worden gerookt) geldt voor wat betreft geluid een richtafstand van 50 meter. In het akoestisch onderzoek is ervan uitgegaan van een richtafstand van 50 meter. •
Zelfs als het college de richtafstanden zou respecteren, kan een goed woon- en leefklimaat volgens reclamant 1 niet worden gegarandeerd.
Zoals hierboven reeds is beschreven, volgt uit het akoestisch onderzoek en de aanvullende notitie van 12 mei 2021 dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen kan worden gegarandeerd. Omdat ten aanzien van bouwblok 3 niet voldaan wordt aan de richtafstanden van de VNG-brochure, is in het akoestisch onderzoek gemotiveerd op welke wijze een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. •
De geluidsproductie wordt in het akoestisch onderzoek van aanvrager onderschat. De conclusie dat het maximale geluidsniveau in de nachtperiode niet meer dan 65 dB(A) bedraagt, is onvoldoende onderbouwd.
Naar het oordeel van het college geeft het akoestisch onderzoek een representatief beeld van de bedrijfssituatie van reclamant 1. Op basis van de verrichte metingen is inzichtelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering van reclamant 1 tot een maximaal geluidsniveau van 60 dB(A) leidt. Als gevolg van activiteiten buiten de inrichting ontstaat een maximaal geluidsniveau van 65 dB(A). Excessen zijn hierin niet meegenomen, omdat deze geen onderdeel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie van reclamant 1. Daar komt bij dat door Witteveen+Bos aanvullend onderzoek is gedaan naar de piekgeluiden 4 van 12
Zoals hierboven reeds is toegelicht, worden maatregelen getroffen om een (akoestisch) goed woon- en leefklimaat te waarborgen. De kopgevels van de woningen van blok 2 en 3 worden voorzien van betere gevelgeluidwering (28 dB), zodat het maximaal geluidniveau in de slaapvertrekken maximaal 40 dB(A) bedraagt. Ook zullen voornoemde gevels als dove gevel worden uitgevoerd. Dit brengt met zich dat deze gevels niet beschouwd worden als een gevel in de zin van artikel 1 Wgh en als bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit. Gelet hierop hoeft voor de maximale geluidsniveaus op de gevel niet getoetst te worden aan de geluidsnormen zoals opgenomen in artikel 2.17 e.v. van het Activiteitenbesluit. Door de aan te brengen gevelgeluidwering van maximaal 28 dB worden de wettelijke binnenwaarden geborgd. Met het treffen van voornoemde maatregelen worden de geluidsniveaus niet onderschat. Het enkele feit dat incidentele gebeurtenissen niet zijn verdisconteerd in de representatieve geluidssituatie, maakt niet dat geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. •
Reclamant 1 wijst er verder op dat indirecte hinder in het geheel niet is meegenomen in het geluidsonderzoek en dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar alle (mobiele en stationaire) geluidsbronnen van het bedrijf van reclamant 1. Gelet hierop is de conclusie dat langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de gevels van de woningen voldoet aan de grenswaarde van 40 dB(A) voorbarig.
Zoals hierboven reeds is opgemerkt, geeft het akoestisch onderzoek naar het oordeel van het college een representatief beeld van de bedrijfssituatie van reclamant 1. Alle relevante geluidsbronnen zijn verdisconteerd in het onderzoek. Voor zover reclamant 1 wijst op het geluid dat afkomstig is van de heftrucks, merkt het college op dat Witteveen+Bos onderzoek heeft gedaan naar het verkeerslawaai op de Ansjovisweg. In dit onderzoek is tevens beoordeeld welke geluidsniveaus afkomstig zijn van de heftrucks. Door Witteveen+Bos is erop gewezen dat de piekgeluiden als gevolg van de heftruckbewegingen kunnen worden ondervangen door de op de Ansjovisweg georiënteerde gevels als dove gevels uit te voeren, mits de binnenwaarden van de woningen wel afdoende geborgd zijn. •
Reclamant 2 vreest dat hij beperkt zal worden in zijn bedrijfsvoering.
Zoals hierboven reeds uiteen is gezet, volgt uit het akoestisch onderzoek dat het geluidsniveau ter plaatse van de woningen aanvaardbaar is. De bedrijfsvoering van reclamant 2 leidt niet tot een overschrijding van de geluidsnormen ter plaatse van de woningen. LBP | Sight heeft daarnaast in een aanvullende notitie van 13 april 2021 beoordeeld of de bedrijfssituatie van reclamant 2 wordt beperkt. Uit deze notitie blijkt duidelijk dat de bedrijfsvoering van reclamant 2 niet wordt belemmerd door de realisatie van het bouwplan. Voor de motivering wordt verwezen naar de aanvullende notitie van LBP | Sight van 13 april 2021.
5 van 12
Geur •
Reclamant 1 stelt dat voor de beoordeling van het milieueffect ‘geur’ wordt aangesloten bij het rapport van LBP | Sight van 21 september 2018. De productiecapaciteit voor wat betreft de rokerij die daarin voor reclamant 1 als uitgangspunt is genomen, is evenwel te laag ingeschat: de inschatting betreft 10 ton per week volgens LBP, terwijl de huidige capaciteit 20-25 ton per week bedraagt en 30-50 ton per week gewenst is. De gegevens waarop LBP | Sight zich baseert zijn bovendien verouderd.
Het college merkt ten eerste op dat LBP | Sight het geuronderzoek van 21 september 2018 heeft geüpdatet in het onderzoek van LBP | Sight van 3 april 2019. Uit die rapportage volgt dat op basis van de beschikbare gegevens van de gemeente en de omgevingsdienst over reclamant 1 blijkt dat de productiecapaciteit van vis 500 ton per jaar bedraagt. Hiervan wordt circa 400 ton gerookt. Er is uitgegaan van 8 rookkamers: vijf traditioneel en drie geconditioneerd (met filter). Voor de berekeningen is ervan uitgegaan dat de capaciteit van traditionele rookkamers gelijk is aan die van geconditioneerde rookkamers (in werkelijkheid is de capaciteit van geconditioneerde rookkamers hoger). Er wordt dus 5/8*400 = 250 ton/jaar (5 ton/week) traditioneel gerookt en 3/8*400 = 150 ton/jaar (3 ton/week) geconditioneerd gerookt. Daarmee is een representatieve invulling gegeven van de huidige productiecapaciteit bij het bedrijf van reclamant 1. Dat sprake is van een productiecapaciteit van 20 tot 25 ton per week is door reclamant 1 verder niet aannemelijk gemaakt aan de hand van inzichtelijke gegevens. Uitgaande van de representatieve bedrijfssituatie met een productiecapaciteit 8 ton per week, maakt het onderzoek van LBP | Sight voldoende aannemelijk dat sprake is van een acceptabel geurhinderniveau bij de nieuwe woningen.
Bij deze productiecapaciteit is de geurblootstelling in het plangebied maximaal 0,32 ouE/m3 (een factor 8 beneden de grenswaarde voor woningen van 2,5 ouE/m3 voor het 98-percentiel). Uit het rapport van 3 april 2019 blijkt verder dat er bij de woningen in het plangebied (pas) geen sprake meer is van een acceptabel geurhinderniveau als de productiecapaciteit 36 ton per week bedraagt. Van een dergelijke productiecapaciteit is op dit moment geen sprake. Ook bij de gestelde feitelijke productiecapaciteit van 20-25 ton per week, zoals reclamant 1 stelt, is sprake van een acceptabel geurhinderniveau ter plaatse de woningen in het plangebied. De stelling van reclamant 1 dat de bedrijfssituatie, waarop de onderzoeken van LBP | Sight zijn gebaseerd, is verouderd omdat de laatste vergunning is vervallen op 1 januari 2008 door de inwerkingtreding van algemene regels, kan het college niet volgen. Het enkele feit dat de inrichting van reclamant 1 onder de werking van het Activiteitenbesluit is komen te vallen, maakt op zichzelf niet dat de werking van de inrichting als het gaat om de feitelijke productiecapaciteit sindsdien is gewijzigd. Reclamant 1 heeft ook geen meldingen als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit ingediend aan de hand waarvan kan worden beoordeeld dat sprake is van (bijvoorbeeld) een gewijzigde bedrijfsvoering of productiecapaciteit. •
LBP | Sight heeft in haar onderzoek ten onrechte aangesloten bij NeR (B5) voor het bepalen van een acceptabel geurhinderniveau. Deze regeling is alleen toepassing op vlees en niet op vis.
6 van 12
Het college stelt voorop dat het aan het bevoegd gezag is om vast te stellen wat een aanvaardbaar geurhinderniveau is. Van belang daarbij is dat de gemeente Bunschoten geen apart geurbeleid hanteert. Om die reden is aangesloten bij het acceptabel hinderniveau dat in andere gemeenten gehanteerd wordt voor het roken van vis. Daartoe wordt aansluiting gezocht bij de voormalige Bijzondere regeling B5 van de NeR (vleesverwerking). In deze regeling geldt voor het roken van vlees een acceptabel hinderniveau van 2,5 ouE/m3 als 98 percentiel. Dit houdt in dat gedurende 98% van de tijd de geurblootstelling niet hoger mag zijn dan 2,5 ouE/m3 ter hoogte van woningen. Dit niveau wordt onder meer in de gemeente Scheveningen gehanteerd, en is bij eerdere ruimtelijke procedures ook door de gemeente Bunschoten zelf toegepast. Dat de NeR B5 niet specifiek ziet op het roken van vis doet aan de keuze voor aansluiting bij deze bijzondere regeling niet af. Steun daarvoor ontleent het college daarbij aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 november 2008. Daaruit volgt dat het college een mate van beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder, en specifiek de keuze heeft om aan te sluiten bij normen uit de NeR (ECLI:NL:RVS:2008:BG5367).
Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 28 september 2011, die eveneens ging over de geurhinder afkomstig van een visrokerij in Bunschoten, dat de gemeenteraad destijds in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de geurgrenswaarde uit de Ner voor vleeswarenbereiding, aangezien in de NeR geen algemene geurgrenswaarden zijn bepaald voor visverwerkende bedrijven (ECLI:NL:RVS:2011:BT2794). De keuze voor een acceptabel hinderniveau van 2,5 ouE/m3 als 98 percentiel die daaruit voortvloeit heeft het college dus in redelijkheid kunnen hanteren als een maatstaf voor een acceptabel geurniveau. Dit houdt in dat gedurende 98% van de tijd de geurblootstelling niet hoger mag zijn dan 2,5 Europese geureenheden (ouE) per m3 ter hoogte van woningen. Uit het onderzoek van LBP | Sight blijkt dat aan die norm ruimschoots wordt voldaan. •
Reclamant 1 stelt dat LBP|Sight ten onrechte uit gaat van een emissie van 12,3 MouE/uur, wat mogelijk te laag is.
Het college merkt hierover op dat in het geuronderzoek deze emissiewaarde alleen is gehanteerd voor een geconditioneerde rookkamer. Voor het traditioneel roken wordt uitgegaan van een hoge waarde van 275 MouE/uur. Beide emissies worden opgeteld en met gemiddeld 1 uur per dag gemodelleerd voor het bepalen van de geurbelasting. Verder wordt door reclamant 1 niet concreet gemotiveerd op basis van welke informatie er sprake is van een te lage emissie. •
Reclamant 1 stelt dat andere belangrijke geurbronnen niet zijn meegenomen bij de beoordeling van de geurhinder ter plaatse van de woningen (cumulatie). Verder stelt reclamant 1 dat ook continue bronnen als opslag en verkoop van vis relevant zijn.
De stelling van Reclamant 1 dat andere relevante geurbronnen niet zouden zijn meegenomen in het onderzoek van LBP | Sight onderschrijft het college niet. Uit het onderzoek van LBP | Sight van 21 september 2018 en 3 april 2019 blijkt onder paragraaf 2.2 uitdrukkelijk dat andere geurbronnen eveneens zijn meegenomen in het kader van het bepalen van een acceptabel woon- en leefklimaat. De stelling dat deze bronnen onderschat zouden zijn wordt verder niet geconcretiseerd.
7 van 12
Voor wat betreft de genoemde continue bronnen is van belang dat deze verwaarloosbaar klein zijn ten opzichte van de gehanteerde emissies voor het traditioneel roken. De geurbelasting wordt volledig door de (kortdurende) grootste emissiebronnen wordt bepaald. •
De aanbevolen richtafstand van 300 meter voor het aspect geur wordt overschreden zodat van een acceptabel woon- en leefklimaat niet kan worden gesproken. Het bouwplan is daarmee gesitueerd in het midden van geurhindercirkels
Reclamant 1 verwijst met dit onderdeel – zo begrijpt het college – wederom naar de punten zoals opgesomd in de punten 10 t/m 13 van de zienswijze, waarin naar voren is gebracht dat de indicatieve richtafstand van 300 meter zoals volgt uit die VNG-brochure wordt overschreden. Het college merkt daarover ten eerste op dat sprake is van een richtafstand van 200 meter voor het aspect geur gelet op het ‘gemengd gebied’ waarin het plangebied is gelegen. Daarbij merkt het college wel op dat op basis van het bestemmingsplan Zuidwenk er ter plaatse maximaal categorie 3.2 bedrijven zijn toegestaan. Niettemin is het juist dat de indicatieve richtafstand uit de VNG-brochure voor specifiek het bedrijf van reclamant 1 wordt overschreden (als categorie 4.2 bedrijf). Het enkele feit echter dat de richtafstand uit de VNG brochure wordt overschreden betekent volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (zie bijvoorbeeld ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2146) nog niet dat een ontwikkeling om die reden niet in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. Het betekent wel dat nader onderzoek is vereist voor in dit geval het aspect geur. Daartoe zijn ook de door LBP | Sight uitgevoerde onderzoeken verricht.
Uit die onderzoeken blijkt in dat verband dat het aspect geur (1) niet aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de weg staat bij de woningen en (2) dat het bedrijf van reclamant 1 ook niet onevenredig in de bedrijfsvoering wordt beperkt. •
Reclamant 1 stelt verder dat in het geuronderzoek van LBP | Sight geen rekening is met het 99,9 percentiel niveau aan geurhinder, hetgeen wel had gemoeten.
Anders dan reclamant 1 stelt is in het rapport van 3 april 2019 van LBP | Sight ook het 99,9percentiel niveau aan geurhinder betrokken. Het 99,9 percentiel is qua blootstelling hoger dan de richtwaarde die in het onderzoek als uitgangspunt wordt genomen. Evenwel merkt het college dat niet aan als een belemmering voor een goed woon- en leefklimaat vanwege de beperkte duur hiervan (8,76 uur/jaar), de relatief lage 98 percentiel blootstelling in het plangebied en het afwezig zijn van klachten in de omgeving. Bovendien is in Bunschoten, waar van oudsher vis gerookt wordt, enige vorm van geurwaarneming van het rookproces altijd ook kenmerkend geweest voor de omgeving. Dit beeld wordt ook bevestigd in een recente enquête die gehouden is in het kader van de nieuwe omgevingsvisie: een ruime meerderheid van de respondenten geeft aan dat de geur van de ondernemende industrie (bijvoorbeeld van koek en vis) hoort bij het dorp BunschotenSpakenburg. Dit 99,9 percentiel niveau maakt derhalve niet dat sprake is van veelvuldig en langdurige geurhinder, op basis waarvan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegeven. •
Reclamant 1 stelt dat zij een verdere vergroting ambieert van het productievolume, naar 30-50 ton per week. Daarmee dient ook rekening te worden gehouden, hetgeen ten onrechte niet is gedaan.
8 van 12
Zoals hiervoor reeds is aangeven, is er bij de woningen in het plangebied (pas) geen sprake meer van een acceptabel geurhinderniveau als de productiecapaciteit 36 ton per week bedraagt. Van een dergelijke productiecapaciteit is op dit moment geen sprake. Als het gaat om de woningen in het plangebied is er dus geen beperking voor een verdere uitbreiding van de productiecapaciteit tot 36 ton per week tegen de achtergrond van het 98-percentiel geurniveau. Uit het rapport van LBP | Sight van 3 april 2019 volgt echter dat de bedrijfsvoering van reclamant 1 voor wat betreft het aspect geur al wordt beperkt door de bedrijfswoning aan de Haringweg 2 (op 45 meter van reclamant 1), omdat deze bedrijfswoning als een geurgevoelig object moet worden aangemerkt. Dit volgt uit paragraaf 4.2.2 van het onderzoek. In die paragraaf wordt toegelicht bij welke productiecapaciteit van reclamant 1 bij de bedrijfswoningen de geurblootstelling 5 ouE/m3 en/of bij de dichtstbijzijnde woning (de woningen in het plangebied) de geurblootstelling 2,5 ouE/m3 wordt bereikt. Dit treedt op bij een productiecapaciteit van 23 ton per week waarbij de rookluiken ca. 3 uur per dag open zijn. Bij deze capaciteit overschrijdt de geurblootstelling bij de bedrijfswoning op de Haringweg 2 de waarde van 5 ouE/m3, die voor een bedrijfswoning als acceptabel wordt geacht in het 98-percentieel geurniveau.
In dat geval is sprake van een situatie waarbij reclamant 1 al is beperkt vanwege de eis in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit. Uit dat artikel volgt dat bij activiteiten met emissies naar de lucht geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Dat betekent dat de uitbreidingsmogelijkheden van reclamant 1 reeds zijn beperkt door de aanwezige bedrijfswoning op de Haringweg 2 vanwege het bepaalde in het Activiteitenbesluit en dat met het project beoogde woningen geen belemmering vormen voor zowel de huidige bedrijfsvoering als voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden.
Privacy •
Reclamant 2 vreest voor aantasting van zijn privacy. De bewoners van de hoogbouwwoningen hebben volgens reclamant 2 inkijk in zijn woning.
De afstand tussen de nieuw te bouwen woningen en de woning van reclamant 2 bedraagt ongeveer 38 meter. Van directe inkijk in de woning is geen sprake. Bovendien zorgen de aanwezige bomen in het straatprofiel ervoor dat het zicht op de woning van reclamant 2 enigszins wordt beperkt. Daar komt bij dat het vigerende bestemmingsplan mogelijkheden biedt om ter plaatse van de gronden waarop het bouwplan is voorzien bedrijfspanden en bedrijfswoningen te realiseren. Met onderhavige vergunning vindt geen verdergaande aantasting plaats dan reeds mogelijk is op grond van het bestemmingsplan.
9 van 12
•
Reclamant 2 stelt dat het uitzicht vanuit zijn woning wordt aangetast.
Het feit dat het uitzicht van reclamant 2 door de realisatie van het bouwplan zal wijzigen, maakt niet dat het plan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Van een onevenredige aantasting van het uitzicht is naar het oordeel van het college geen sprake. Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding heeft reclamant 2, ook na realisering van het bouwplan, een voldoende vrij uitzicht. Daar komt bij dat het vigerende bestemmingsplan mogelijkheden biedt om ter plaatse van de gronden waarop het bouwplan is voorzien bedrijfspanden en bedrijfswoningen te realiseren. Met onderhavige vergunning vindt geen verdergaande aantasting plaats dan reeds mogelijk is op grond van het bestemmingsplan.
Schaduw •
Reclamant 2 stelt dat realisering van het bouwplan leidt tot schaduwhinder in zijn tuin.
Door Bureau Bos is een bezonningsstudie opgesteld, waarin de effecten van het bouwplan voor de omgeving worden weergegeven. Uit deze studie blijkt dat als gevolg van het bouwplan geen onevenredige schaduwhinder ontstaat. Bovendien biedt het vigerende bestemmingsplan mogelijkheden om ter plaatse van de gronden waarop het bouwplan is voorzien bedrijfswoningen te realiseren. In de bezonningsstudie is inzichtelijk gemaakt dat het bestemmingsplan bebouwing toestaat die een vergelijkbare schaduwwerking met zich brengt. Voor een nadere toelichting verwijt het college naar de bezonningsstudie van Bureau Bos. 10 van 12
Verkeer •
Reclamant 1 stelt dat de afwikkeling van het verkeer vanuit het plangebied plaatsvindt op de Ansjovisweg. Dat is ook de weg waarop het vrachtverkeer vanuit de bedrijven op afwikkelt en de voertuigbewegingen van reclamant 1. Hiermee is ten onrecht geen rekening gehouden
In de huidige situatie ligt er ook al een uitrit aan de zijde van de Ansjovisweg. Daarnaast staat het huidige bestemmingsplan ook al functies toe die een zekere verkeersgeneratie meebrengen. Uit recente verkeerstellingen blijkt dat de verkeersintensiteit op de Ansjovisweg ter plaatse van het wegvak van reclamanten niet meer bedragen dan 1000 tot 1270 motorvoertuigen per etmaal (op werkdagen). Minder dan 3% van het verkeer bestaat uit zwaar (vracht)verkeer. Er is dus sprake van een weg met een relatief laag aantal verkeersbewegingen en weinig zwaar (vracht)verkeer. De voorziene uitritsituatie van het bouwplan is overzichtelijk. Reeds hierom is de vrees voor verkeershinder op de Ansjovisweg ongegrond. Bovendien kan het verkeer op het bedrijventerrein het gebied op verschillende manieren bereiken of verlaten via de zijstraten en de verschillende toegangen tot het gebied (via de Garnalenweg, Spieringweg en Botstraat). Wij verwachten dan ook dat het geen enkel probleem zijn zal om zowel het verkeer vanuit de bedrijven als het verkeer vanuit de nieuw te bouwen woningen op een veilige wijze af te wikkelen. •
Reclamant 2 stelt dat het plan leidt tot een toename van verkeersbewegingen (en daarmee tot meer verkeersgeluid).
Zoals hierboven reeds is toegelicht, is de Ansjovisweg een relatief rustige weg. Een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen leidt niet tot onaanvaardbare verkeershinder. De nieuwe verkeerssituatie leidt dus niet tot strijd met de goede ruimtelijke ordening. Bovendien staat het vigerende bestemmingsplan bedrijfsfuncties toe die een toename van zwaar vrachtverkeer met zich brengen. Ten opzichte van hetgeen het bestemmingsplan reeds toestaat, leidt de omgevingsvergunning niet tot een toename van verkeershinder en -lawaai. •
Er is volgens reclamant 2 ten onrechte niet getoetst aan de Wet geluidhinder.
In dit geval hoeft niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. De wegen op het bedrijventerrein zijn 30 km/u wegen en er is geen sprake van een gezoneerd bedrijventerrein. De Wet geluidhinder is daarom niet van toepassing. Zoals hiervoor is opgemerkt, is door Witteveen+Bos wel aandacht besteed aan de gevolgen van het verkeerslawaai voor de te realiseren woningen. Door de naar de Ansjovisweg gekeerde gevels van blok 2 en 3 als dove gevels uit te voeren kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Externe veiligheid •
Reclamant 1 stelt dat het aspect externe veiligheid niet is getoetst in het kader van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Ondanks het feit dat het bedrijf van reclamant 1 niet valt onder het regime van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) had, vanwege het risico op ongewone voorvallen buiten de inrichting en de kortste afstand tot geplande woningbouw, een toetsing op dit punt niet had mogen ontbreken.
11 van 12
Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat aan het aspect externe veiligheid is getoetst. Daarbij is onder meer verwezen naar de toelichting bij het vigerende bestemmingsplan Zuidwenk 2012. Uit die toelichting volgt dat het aspect externe veiligheid geen aanleiding geeft om aan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van woningen in het plangebied te twijfelen. Zoals blijkt uit de toelichting bij het bestemmingsplan Zuidwenk bevinden er zich volgens de risicokaart van de provincie Utrecht op het bedrijventerrein Zuidwenk, behoudens het bedrijf Van de Groep & Zonen B.V. geen bedrijven die in het kader van externe veiligheid een belemmering vormen voor eventuele woningbouw. Conform de vigerende vergunning van het bedrijf Van de Groep & Zonen B.V. heeft de aanwezige ammoniak installatie een inhoud van maximaal 3.000 kg ammoniak. Bij deze hoeveelheid is er conform de Regeling externe veiligheid inrichtingen geen invloedsgebied van toepassing. Het groepsrisico hoeft om deze reden niet verantwoord te worden. Het gehele plangebied ligt overigens wel binnen het effectgebied van de ammoniakinstallatie van Van de Groep & Zonen B.V.. Conform het risicoregister bedraagt deze 165 meter voor de effectafstand 1% letaliteit en 1.330 meter voor gewonden en ziekenhuisopname binnen 24 uur. Gelet op het feit dat het bouwplan op meer dan 300 meter van het bedrijf Van de Groep & Zonen B.V.
is gelegen, bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de externe veiligheid aan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van woningen in de weg staat.
12 van 12