RV 1166041 Voorstel adviesrecht raad bij afwijking omgevingsplan
Tekst van het document
Raadsvoorstel Nummer 1166041 - Voorstel adviesrecht raad bij afwijking omgevingsplan Aan de commissie: Ruimte Portefeuillehouder: H. van Barneveld Beleidskader: Omgevingswet Opmerkingen griffie: Team: Omgevingsontwikkeling Ambtenaar: Hans Reijnen Telefoonnummer: 033 - 299 1411 E-mailadres: h.reijnen@bunschoten.nl Datum raadsvergadering: 10 februari 2022 Aanvullende stukken 1. Titel: Bijlagen digitaal beschikbaar: Ter inzage: 2. Titel: Bijlagen digitaal beschikbaar: Ter inzage: 3. Titel: Bijlagen digitaal beschikbaar: Ter inzage: Voorstel 1. Stem in met het bepalen van de gevallen waarin u als raad wilt adviseren (met instemming); 2. Stem in met het bepalen van de gevallen waarin het college de bevoegdheid heeft het Omgevingsplan te wijzigen; 3. Stem in met het bepalen van de gevallen waarin participatie door de initiatiefnemer verplicht wordt gesteld; 4. Stem in met het van toepassing verklaren van de openbare uitgebreide voorbereidingsprocedure van afd. 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; 5. Bepaal dat dit besluit in werking treedt met ingang van de dag waarop de Omgevingswet in werking treedt. Inleiding De komst van de Omgevingswet brengt een groot aantal veranderingen met zich mee.
Vooruitlopend op het inwerking treden van het nieuwe stelsel moet de gemeenteraad meerdere besluiten nemen. Vanwege de onderlinge samenhang ervan, leggen we drie van die besluiten in één voorstel aan u voor. Dit betreft de volgende onderwerpen: 1. het bepalen van de gevallen waarin u als raad wilt adviseren (met instemming); 2. het bepalen van de gevallen waarin het college de bevoegdheid heeft het Omgevingsplan te wijzigen. 3. het bepalen van de gevallen waarin participatie door de initiatiefnemer verplicht wordt gesteld. Daarnaast bespreken we in dit voorstel ook (4.) wanneer aan de orde kan zijn om de openbare uitgebreide voorbereidingsprocedure van afd. 3.4. Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing te verklaren. In dat geval kan de procedure maximaal 26 weken duren in plaats van de normale 8 weken. Het van toepassing verklaren van de uitgebreide procedure is weliswaar een collegebevoegdheid, maar er is een samenhang met de hierboven genoemde drie besluiten. Vandaar dat we het ook in dit document bespreken. We bespreken nu achtereenvolgens de hiervoor genoemde vier onderdelen. Het voorstel sluit af met de gevraagde besluiten.
1. Het aanwijzen van gevallen van buitenplanse initiatieven waarin de gemeenteraad een (bindend) advies uitbrengt. Huidige situatie: verklaring van geen bedenkingen Voor activiteiten in strijd met het bestemmingsplan (‘buitenplanse activiteiten’) kan de gemeenteraad in de huidige situatie, dus voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, beslissen dat er ‘geen bedenkingen’ zijn, via een zogenoemde ‘verklaring van geen bedenkingen’. Het is ook mogelijk om een lijst vast te stellen met categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen hoeft te worden afgegeven. Uw raad heeft dit gedaan bij besluit van 9 december 2010. Bij initiatieven die voldoen aan die lijst kan het college dus zelfstandig vergunningen afgeven. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow), vooralsnog per 1 juli 2022, wordt de situatie precies omgekeerd. Dan wijst de gemeenteraad gevallen aan waarin een advies nodig is van de raad om af te wijken van het Omgevingsplan. Voor de niet-aangewezen gevallen is er geen adviesrecht en is het college zonder meer bevoegd te beslissen op de vergunningaanvraag. Dit adviesrecht kan uitsluitend aan de orde zijn bij activiteiten die niet in overeenstemming zijn met het omgevingsplan (buitenplanse Omgevingsplanactiviteit).
Het is een verzwaard adviesrecht, wat inhoudt dat het college verplicht is te beslissen met inachtneming van het advies van de gemeenteraad. Argumenten 1.1 Wettelijke regeling is nodig Onder de nieuwe Omgevingswet is het nodig dat hier een regeling voor wordt getroffen. De bestaande regeling uit 2010 vervalt met het in werking treden van de Omgevingswet en wanneer de gemeenteraad niets regelt dan hoeft het college van burgemeester en wethouders nooit naar de raad voor initiatieven (aanvragen omgevingsvergunning) die in strijd zijn met het omgevingsplan. Dat is geen wenselijke situatie, omdat de gemeenteraad daarmee in feite de controle loslaat over het beleid in de fysieke leefomgeving, meer dan nu het geval is, terwijl het bepalen van dat beleid nu juist een bevoegdheid is van de gemeenteraad. Daarom is het nodig dat de gemeenteraad een besluit neemt waarin de gevallen worden aangewezen waarover de raad (bindend) wil adviseren. Op basis van artikel 16.15a, lid b onder 1 is dit ook een wettelijke verplichting en wordt geadviseerd het besluit “Lijst met gevallen waarvoor advies van de gemeenteraad nodig is voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit” te koppelen aan de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
1.2 Beleidsneutrale omzetting ligt het meest voor de hand Het op 9 december 2010 genomen raadsbesluit over de categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist, is in de afgelopen 10 jaar goed werkbaar gebleken. Een beleidsneutrale omzetting naar de systematiek onder de Omgevingswet ligt daarmee voor hand. Dit sluit ook aan bij het Koersdocument Implementatie Omgevingswet, waarin is vastgelegd dat we uitgaan van wat we kennen en geleidelijk aan leren loslaten waar dat kan. Bovendien is daarin ook als ambitie opgenomen dat de huidige lijst van zaken waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen nodig is, als uitgangspunt zal gelden voor de bepaling van het adviesrecht (Koersdocument, p. 30). Doel van het opstellen van deze lijst is verder, en dat was het ook in 2010, om besluitvorming over ruimtelijke initiatieven sneller en overzichtelijker te laten verlopen. Het motto van de invoering van de Omgevingswet is ‘Eenvoudig beter’ en zal met dit voorstel tot uitdrukking moeten komen. Ook dat pleit voor een in beginsel beleidsneutrale omzetting. Beleidsneutrale omzetting ligt temeer voor de hand, nu advisering (met instemming) ook procedureel veel vraagt van de gemeenteraad. Ook in dat geval geldt immers het uitgangspunt dat binnen 8 weken op de aanvraag tot het verlenen van een vergunning moet worden beslist.
Deze termijn kan voor het uitbrengen van het advies met 4 weken worden verlengd, maar ook dan nog is deze termijn zeer krap. Dit kan gaan vereisen dat de raad vaker vergadert. Om praktische redenen pleit ook dit ervoor het adviesrecht te beperken tot die gevallen die echt een ruimtelijke impact hebben en daarmee voor de raad wezenlijk relevant zijn.
Voorstel In het kader van een beleidsneutrale omzetting van bestaand beleid naar nieuwe regelgeving, is ons voorstel om de huidige uitgangspunten over te nemen en alleen ‘andersom’ te formuleren, passend binnen de systematiek van de Omgevingswet. Dus in plaats van het aanwijzen van gevallen waarin geen verklaring van geen bedenkingen is vereist vragen wij uw raad nu om buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan te wijzen waarbij de gemeenteraad gebruik wil maken van zijn adviesbevoegdheid. “Controversiële” gevallen Er is één inhoudelijke aanvulling. Dat betreft de mogelijkheid dat gevallen die als “controversieel” worden aangemerkt worden opgenomen op de lijst voor het (bindend) advies. Het Koersdocument (p. 30) wijst als controversieel aan een initiatief: - dat niet past binnen het omgevingsplan; - dat geen “kruimelgeval” betreft (art. 4 bijlage 2 Bor “oud recht”); - waarbij er een maatschappelijk discussie over de wenselijkheid ontstaat, of - de kans op een maatschappelijke discussie over de wenselijkheid groot is; - dat het college zelf al als controversieel aanmerkt. Het college zal de gemeenteraad vroegtijdig informeren over initiatieven die mogelijk controversieel zijn. De raad kan op basis daarvan, al dan niet op voorstel van het college, besluiten om het initiatief toe te voegen aan de lijst advies met instemming.
Aanvullend Ook los van een formeel (bindend) adviesrecht kan het college aanleiding zien om de raad te informeren over een initiatief, zowel binnenplans als buitenplans. Het college kan dan zelfs de gemeenteraad uitnodigen om eventuele wensen en bedenkingen kenbaar te maken. In voorkomende gevallen kan dit voor de raad aanleiding zijn om het initiatief toe te voegen aan de lijst van gevallen waarover de raad wil adviseren. Dit laatste kan uiteraard alleen als sprake is van een buitenplans initiatief. 2. Het bepalen van de gevallen waarin het college de bevoegdheid heeft het Omgevingsplan te wijzigen. In de situatie, zoals die in 2021 nog geldt, bestaat er vanuit de diverse bestemmingsplannen de mogelijkheid dat het college wijzigings- of uitwerkingsplannen kan vaststellen. In het stelsel van de Omgevingswet komt deze bevoegdheid te vervallen. Om praktische redenen en uit een oogpunt van slagvaardig handelen, is het wenselijk om ook onder de Omgevingswet een deel van de uitwerking in regels van het ruimtelijke beleid te delegeren aan het college. Die mogelijkheid biedt art. 2.8 van de Omgevingswet. Uw raad stelt op hoofdlijnen het ruimtelijk beleid vast, dat blijft, maar de specifieke uitwerking van bepaalde zaken kan worden gedelegeerd aan het college.
Dat betekent dat bijvoorbeeld ingeval van kleine afwijkingen van het omgevingsplan, of in gevallen waarin u de kaders al heeft vastgesteld, delegatie aan het college voor de hand ligt. Het college heeft dan in die aangewezen gevallen de bevoegdheid het omgevingsplan te wijzigen of op onderdelen vast te stellen. Argumenten 2.1 Bevordert slagvaardig handelen. Als de raad geen besluit zou nemen om op onderdelen de wijziging van het omgevingsplan te delegeren aan het college, dan betekent dit dat elke afwijking, hoe klein ook, aan de gemeenteraad zou moeten worden voorgelegd. Dat is onwenselijk en zou ook tot een onnodige vertraging van het proces leiden, De raad bestuurt op hoofdlijnen, niet op details, en bovendien is het overbodig, want dubbelop, de raad nogmaals een besluit te laten nemen over een onderwerp waarover zij de kaders al helder heeft vastgesteld. Het is zelfs mogelijk dat de raad het college opdraagt om het omgevingsplan te wijzigen met inachtneming van de gestelde kaders. Specifiek stellen wij voor een en ander voor de volgende omschreven gevallen te regelen en daarbij dan nog nadere criteria te benoemen, waaraan zo’n verzoek dient te voldoen.
Voorstel Delegatie van de bevoegdheid tot het wijzigen of gedeeltelijk vaststellen van een omgevingsplan aan het college vindt plaats: a. als de gemeenteraad een transformatiegebied heeft aangewezen en daarvoor de kaders heeft vastgesteld; b. als gevolg van de aanwijzing van een beschermd stadsgezicht; c. bij wijzigingen van technische aard; d. bij wijzigingen die noodzakelijk zijn vanwege gewijzigde hogere wet- of regelgeving. e. bij plandelen/percelen waar op grond van de tot 1 juli 2022 geldende bestemmingsplannen een wijzigings-of uitwerkingsbevoegdheid voor het college is opgenomen; f. bij wijzigingen in de toelichting van het Omgevingsplan; g. voor het verwerken van een omgevingsvergunning nadat deze onherroepelijk in werking is getreden; h. in concreet door de gemeenteraad aan te wijzen gevallen, al dan niet op voordracht van het college. Criteria Voor elke wijziging van het omgevingsplan geldt dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat betekent dat een nieuwe ontwikkeling zoals opgenomen in deze lijst kan plaats vinden als deze positief bijdraagt aan de doelen voor de leefomgeving, zoals opgenomen in de gemeentelijke omgevingsvisie en er geen sprake is van: a. afbreuk van de stedenbouwkundige structuur; b. gevaar voor de verkeersveiligheid; c. verslechtering van de sociale veiligheid; d.
aantasting van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden; e. aantasting van de cultuurhistorische en monumentale waarden; f. strijd met het gemeentelijk beleid; g. onaanvaardbare verslechtering van de milieusituatie; h. onaanvaardbare aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en i. bouwwerken moeten altijd voldoen aan de redelijke eisen van welstand tenzij een hogere beeldkwaliteit wordt gevraagd. 3. Het bepalen van de gevallen waarin participatie door de initiatiefnemer verplicht wordt gesteld; Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Het is niet nieuw. Nu al stimuleren we initiatiefnemers om bij voorgenomen bouw- of gebruiksinitiatieven met de buurt (omgeving/buren) in overleg te gaan. De Omgevingswet zet sterk in op participatie. De gedachte is dat dit zorgt voor meer draagvlak onder te nemen besluiten en minder formele bezwaar- en beroepsprocedures. Hoofdregel is dat participatie onder de Omgevingswet niet verplicht is voor de initiatiefnemer. Als deze wel aan participatie doet, dan dient hij of zij daarover verantwoording af te leggen. Welke inspanning is er gepleegd en wat was daarvan het resultaat? Voor activiteiten die afwijken van het Omgevingsplan (buitenplanse omgevingsactiviteit) kan de gemeenteraad gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht wordt gesteld (art. 16.55 lid 7 Ow).
Vervolgens rijst de vraag welke gevallen moeten worden aangewezen. Het is niet toegestaan om participatie verplicht te stellen in alle gevallen van buitenplanse initiatieven. De wet spreekt over het aanwijzen van categorieën van gevallen waarin participatie verplicht wordt gesteld. Er zijn meerdere mogelijkheden op om uit te kiezen: 1. Participatie bij buitenplanse initiatieven is niet verplicht; 2. Participatie bij buitenplanse initiatieven is vaak verplicht; 3. Participatie bij buitenplanse initiatieven is alleen bij uitzondering verplicht. Omdat ook een klein initiatief al een flinke impact op de omgeving kan hebben stellen wij voor om optie 2 te kiezen en participatie bij buitenplanse initiatieven dus vaak verplicht te stellen. Daarmee
geven we ook een helder signaal af. Je hoort namelijk gewoon met je buren en/of de omgeving in overleg te gaan bij een buitenplans initiatief. De vorm waarin de participatie moet plaatsvinden kan heel verschillend zijn. Bij een heel klein perceelsgebonden initiatief, zoals een uitbouw aan de achterzijde van de woning, kan het al voldoende zijn om je buren te informeren. Bij een groot initiatief met impact op het hele dorp moet een heel participatietraject worden ontworpen. In overleg met de initiatiefnemer bepalen we welke vorm van participatie is aangewezen. Leidend bij het maken van afspraken daarover is het participatiebeleid, dat ook door uw raad wordt vastgesteld. Dat beleid werken we uit in een inspiratiegids waarin concrete vormen van participatie worden aangereikt. Als participatie verplicht is, dan maakt de uitkomst ervan deel uit van de belangenafweging in het kader van de vergunningverlening. Normaliter berust die afweging bij het college. Als het initiatief valt in de lijst van zaken waarvoor u het recht van (bindend) advies heeft bedongen, dan berust de afweging (ook) bij uw raad. Argumenten 3.1 Participatie vergroot het draagvlak. Het spreekt vanzelf dat een plicht tot participatie alleen kan worden gelegd op initiatieven die niet in overeenstemming zijn met het omgevingsplan (buitenplanse Omgevingsplanactiviteit).
Als wel aan de voorwaarden van het omgevingsplan wordt voldaan, dan is de initiatiefnemer namelijk in beginsel al gerechtigd de voorgenomen activiteit uit te voeren. Participatie heeft dan feitelijk ook al plaatsgevonden, namelijk in het kader van de totstandkoming van het omgevingsplan. Overigens kan de gemeente ook bij een binnenplans initiatief de initiatiefnemer wel adviseren om met de omgeving in gesprek te gaan. Het kan immers evengoed bijdragen aan het vergroten van draagvlak en het voorkomen van procedures. De uitkomst ervan maakt dan echter geen deel uit van de formele afweging. Voorstel Als categorieën van gevallen waarin bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten participatie verplicht wordt gesteld worden aangewezen: a. het toevoegen van één of meer woningen binnen de bebouwde kom; b. het toevoegen of bouwen van één of meer woningen in het buitengebied, ook als sprake is van functieverandering; c. het vergroten van (bedrijfs)woningen buiten de bebouwde kom, waardoor deze groter worden dan 1000 m3; d. het oprichten, veranderen of uitbreiden van bedrijvigheid in een andere categorie dan het omgevingsplan toestaat, zowel in de bebouwde kom als op bedrijventerreinen; e. het oprichten, veranderen of uitbreiden van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; f. projecten ten behoeve van intensieve recreatie, inclusief de daarbij behorende voorzieningen; g.
het realiseren van één of meer windmolens; h. het realiseren van zonnevelden; i. het opwekken en/of opslag van andere vormen van energie; j. het realiseren van maatschappelijke voorzieningen, zoals scholen, multifunctionele accommodaties, sportparken of sporthallen; k. het aanleggen en/of bouwen van infrastructurele kunstwerken; 4. Toepassing Uitgebreide Openbare Voorbereidingsprocedure De Omgevingswet bepaalt in artikel 16.65, lid 4 dat het bevoegd gezag afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing kan verklaren op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag is het college. Dit kan in de volgende situaties: a) als het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, en b) waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben
Argumenten 4.1
Het gaat om onderwerpen welke mogelijk een grotere ruimtelijke of maatschappelijke impact kunnen hebben. Dat zijn dus in feite dezelfde gevallen die mogelijk als controversieel worden aangemerkt. Daarom is het college voornemens om in beginsel in dergelijke gevallen de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing te verklaren. Ook in de andere gevallen waarin de gemeenteraad het recht van (bindend) advies heeft bedongen, zal het college bij voorkeur de uitgebreide procedure van toepassing verklaren. Dat besluit kan alleen worden genomen als in de desbetreffende situatie sprake is van de criteria als hierboven onder a. en b. geformuleerd. Daarvan zal, gelet op de inhoud van de lijst, over het algemeen sprake zijn. Als het bevoegd gezag de uitgebreide procedure van toepassing verklaard, dan dient het bevoegd gezag de initiatiefnemer hierover te informeren en hem de gelegenheid te bieden hiertegen een zienswijze in te dienen. Als de uitgebreide procedure wordt gevolgd, dan wordt eerst een ontwerp van het besluit ter inzage gelegd. Gedurende de periode van ter inzagelegging kunnen belanghebbenden een zienswijze indienen. Deze zienswijzen worden verwerkt in een zienswijzenota en kunnen aanleiding geven tot aanpassing van het ontwerpbesluit. Vervolgens wordt een definitief besluit genomen. 5.
Inwerkingtreding van dit besluit met ingang van de dag waarop de Omgevingswet in werking treedt. Argumenten 5.1 Dit loopt samen met de stelselwijziging in de ruimtelijke wetgeving Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt het huidige recht en de van toepassing verklaarde lokale regels. Omdat er sprake is van vervanging van de huidige ruimtelijke regelgeving c.a. door de Omgevingswet dienen aanvullende nieuwe lokale regels gelijktijdig in werking te treden. Kanttekening Uitgangspunt is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige praktijk, een zogeheten beleidsneutrale omzetting. Financiën Niet van toepassing Uitvoering De komende jaren zal geleidelijk duidelijk worden wat werkt en wat niet. Bij het inrichten van de instrumenten, zoals de omgevingsvisie, de omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan, kan duidelijk worden dat de nu genoemde besluiten moeten worden aangepast. Dit kan ook voortvloeien uit de praktijk van elke dag. Wij stellen u daarom voor de nu gekozen werkwijze 2 jaar na vaststelling van dit besluit te evalueren en op basis daarvan eventueel te besluiten tot bijstelling ervan. Communicatie Voor de bevolking gaat er met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veel veranderen.
Alhoewel we het afgelopen jaar al getracht hebben te gaan werken in de geest van de Omgevingswet en de initiatiefnemers van bouwplannen hier al mee geconfronteerd hebben, zal het nodig een verdere omslag vereisen om iedereen zo ver te krijgen. Goede communicatie is hier van wezenlijk belang. Daarbij zullen we onderscheid moeten maken naar diverse doelgroepen. Voor professionals is een andere communicatie nodig dan voor burgers die slechts een enkele maal in hun leven met het Omgevingsrecht te maken krijgen. In een apart strategisch communicatieplan is dit uitgewerkt.
De raad van de gemeente Bunschoten, Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 december 2021, nummer 1166041; Gelet op de Gemeentewet: Besluit 1. De volgende buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan te wijzen waarbij de gemeenteraad een recht van (bindend) advies toekomt, waarbij het college met inachtneming van dit advies dient te besluiten: a. Indien een (plan)-initiatief in strijd is met de door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsvisie, stedenbouwkundige visie, stedenbouwkundige randvoorwaarden, masterplan, gebiedsvisie, projectplan of daarmee gelijk te stellen ruimtelijk plan; b. De realisatie, verandering, vervanging of uitbreiding van woningen/woongebouwen binnen de bebouwde kom indien het gaat om meer dan 30 woningen of wooneenheden; c. De realisatie van maatschappelijke, educatieve, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport- en recreatieve activiteiten of voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, indien de maximale oppervlakte van de bebouwing (bebouwing omvat ook bouwwerken geen gebouw zijnde) meer bedraagt dan 1500 m2; d. De realisatie van functiewijzigingen van bestaande opstallen, de daaruit voortkomende bouwactiviteiten, alsmede de uitbreiding van bestaande functies op buurt- en wijkniveau waarbij het bruto vloeroppervlak van detailhandel na realisatie de 1500 m2 te boven gaat; e.
De realisatie van functiewijzigingen van bestaande opstallen, de daaruit voortkomende bouwactiviteiten, waarbij het gaat om 30 of meer wooneenheden; f. De realisatie van nieuwe werk- en detailhandelsvoorzieningen, zoals winkels, kantoren en bedrijven op buurt- en wijkniveau voor zover sprake is van een vergelijkbare omvang als genoemd onder d; g. Aanleg van nieuwe infrastructuur en ingrijpende aanpassing van bestaande lokale wegen waterinfrastructuur en, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, functiewijziging van structuurbepalende speel- en groenvoorzieningen; h. Als het initiatief (vermoedelijk) leidt tot een maatschappelijke discussie over de wenselijkheid, mits het geen “kruimelgeval” betreft volgens art 4, bijlage 2, Bor, naar oud recht; dit op voorstel van het college, of op initiatief van de gemeenteraad, na informatie van het college i. Indien de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage heeft gelegen en er meerdere zienswijzen zijn ingediend. 2. Het wijzigen of het vaststellen van delen van het omgevingsplan te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders voor de volgende gevallen: a. waarin de gemeenteraad een transformatiegebied heeft aangewezen en daarvoor de kaders heeft vastgesteld; b. als gevolg van de aanwijzing van een beschermd stadsgezicht; c. bij wijzigingen van technische aard; d.
bij wijzigingen die noodzakelijk zijn vanwege gewijzigde hogere wet- of regelgeving; e. bij plandelen/percelen waar op grond van de tot 1 juli 2022 geldende bestemmingsplannen een wijzigings-of uitwerkingsbevoegdheid voor het college is opgenomen; f. bij wijzigingen in de toelichting van het omgevingsplan; g. voor het verwerken van een omgevingsvergunning nadat deze onherroepelijk in werking is getreden; h. in concreet door de gemeenteraad aan te wijzen gevallen, al dan niet op voordracht van het college. 3. Te bepalen dat: Als categorieën van gevallen waarin bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten participatie verplicht wordt gesteld worden aangewezen: a. het toevoegen van één of meer woningen binnen de bebouwde kom;
b. het toevoegen of bouwen van één of meer woningen in het buitengebied, ook als sprake is van functieverandering; c. het vergroten van (bedrijfs)woningen buiten de bebouwde kom, waardoor deze groter worden dan 1000 m3; d. het oprichten, veranderen of uitbreiden van bedrijvigheid in een andere categorie dan het omgevingsplan toestaat, zowel in de bebouwde kom als op bedrijventerreinen; e. het oprichten, veranderen of uitbreiden van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; f. projecten ten behoeve van intensieve recreatie, inclusief de daarbij behorende voorzieningen; g. het realiseren van één of meer windmolens; h. het realiseren van zonnevelden; i. het opwekken en/of opslag van andere vormen van energie; j. het realiseren van maatschappelijke voorzieningen, zoals scholen, multifunctionele accommodaties, sportparken of sporthallen; k. het aanleggen en/of bouwen van infrastructurele kunstwerken; Als participatie verplicht is gesteld de uitgangspunten voor de uitvoering ervan in een concrete situatie worden bepaald op basis van het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid. 4.
Stem in met het voornemen van het college om in beginsel afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in de gevallen genoemd onder 1., wanneer het daarbij gaat om: a. een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, en b. een waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. 5. Te bepalen dat dit besluit in werking treedt met ingang van de dag waarop de Omgevingswet in werking treedt. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bunschoten van 10 februari 2022, Griffier Drs. E. Hoogstraten Voorzitter M. van de Groep