RV 1164730 bijlage Afwegingskader grootschalige duurzame elektriciteit
Tekst van het document
Afwegingskader voor het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit
Gemeente Bunschoten
1
Inhoud Samenvatting ................................................................................................................................... 3 1. Inleiding........................................................................................................................................ 4 1.1.
Klimaatakkoord ..................................................................................................................... 4
1.2.
Regionale Energie Strategie .................................................................................................. 4
1.3.
Lokaal afwegingskader.......................................................................................................... 4
1.4.
Opgave en ambitie gemeente Bunschoten ............................................................................ 6
2. Uitgangspunten ............................................................................................................................ 9 2.1.
Ruimtelijke uitgangspunten .................................................................................................. 9
2.2.
Wettelijke uitgangspunten .................................................................................................. 11
2.3.
Elektriciteitsnetwerk ............................................................................................................ 16
2.4.
Maatschappelijke uitgangspunten ...................................................................................... 17
2.5.
Financiële uitgangspunten .................................................................................................. 18
3. Gebiedstabellen ......................................................................................................................... 21 3.1.
Gebiedstabel voor zonnevelden .......................................................................................... 21
3.2.
Gebiedstabel voor windturbines .......................................................................................... 23
4. Randvoorwaarden ...................................................................................................................... 25 4.1.
Landschappelijke inpassing ................................................................................................. 25
4.2.
Maatschappelijke betrokkenheid ........................................................................................ 25
4.3.
Financiële participatie ......................................................................................................... 26
4.4.
Procedure ............................................................................................................................ 26
2
Samenvatting Voor u ligt het ‘Afwegingkader grootschalige duurzame elektriciteit’, dat gemaakt is in opdracht van de gemeente Bunschoten en gaat over de inpassing van zonne- en windenergie. Dit document is in samenwerking met inwoners, stakeholders en ambtenaren tot stand gekomen. Gezamenlijk hebben we gekeken naar de ambitie en opgave van de gemeente en hoe die het beste vorm gegeven kan worden. Daarin is gekeken onder welke voorwaarden er binnen de gemeente zonne- en windenergie opgewekt mag worden en welke plekken er aangewezen kunnen worden als onderzoekslocaties. De gemeente Bunschoten moet net zoals andere gemeenten bepalen hoe wordt bijgedragen aan de nationale klimaatdoelstelling. Daarom maakt de gemeente Bunschoten deel uit van de RES regio Amersfoort en kijkt zij zelf naar de manier waarop de gemeente hieraan kan bijdragen en onder welke voorwaarden. Tijdens het proces werd duidelijk dat inwoners maar ook de gemeente zeer strek hechten aan het open landschap en de landschappelijke kenmerken. Dat maakt dat daar in dit afwegingskader sterk rekening mee gehouden is. Naast deze bevinding werd duidelijk dat inwoners en stakeholders willen voorkomen dat er veel windturbines in de gemeente Bunschoten komen. Ook is aangegeven dat voor de opwek van elektriciteit gekeken wordt naar zonne-energie.
In gezamenlijkheid is een kansenkaart tot stand gekomen met drie onderzoekslocaties. Twee voor zonnevelden en één voor kleine windturbines. Naast deze kansenkaart is er ook een potentiekaart gemaakt waarop te zien is waar zonne- en windenergie mogelijk is als er alleen naar wet- en regelgeving gekeken wordt. De gemeente Bunschoten heeft uiteindelijk gekozen voor de volgende strategie, de stappen kunt u volgordelijk lezen: • • • •
Het vormgeven van de afspraken uit de RES Regio Amersfoort. De locaties van de kansenkaart onderzoeken en waar mogelijk uitvoeren. De locatie ten oosten van Bunschoten op de potentiekaart onderzoeken. Het herijken van het afwegingskader.
Parallel wordt er bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente onderzocht of zonne- en/of windenergie meegenomen kunnen worden in de ontwikkelopgave. Denk hierbij aan woningbouw of het realiseren van bedrijventerreinen.
3
1. Inleiding In de inleiding wordt de context geschetst van het afwegingskader voor het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit.
1.1.
Klimaatakkoord
Het klimaat verandert. De opwarming van de aarde kan worden verminderd door de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Hiervoor zijn drastische maatregelen nodig. In 2015 hebben 195 landen het Klimaatverdrag van Parijs gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het beperken van de gemiddelde temperatuur op aarde tot ruim onder de 2 graden Celsius. Het Nationale Klimaatakkoord is de uitwerking van de afspraken die in Parijs zijn gemaakt. In het Klimaatakkoord is opgenomen dat Nederland in 2030 49% CO2-reductie moet hebben gerealiseerd ten opzichte van 1990. De Rijksoverheid heeft met allerlei partijen afspraken gemaakt over hoe Nederland deze doelen gaat behalen. Er zijn vijf klimaattafels voor verschillende sectoren geïntroduceerd, die allen een eigen opgave kennen: ‘elektriciteit’, ‘gebouwde omgeving’, ‘industrie’, ‘landbouw en landgebruik’ en ‘mobiliteit’.
1.2.
Regionale Energie Strategie
Het Rijk heeft Nederland onderverdeeld in 30 regio’s, die elk een Regionale Energiestrategie (RES) moeten opstellen. Gemeente Bunschoten maakt deel uit van de RES-regio Amersfoort, waarin wordt samengewerkt met de provincie Utrecht, waterschap Vallei & Veluwe, netbeheerder Stedin en de gemeenten Amersfoort, Baarn, Eemnes, Leusden, Soest en Woudenberg. De RES gaat over wat we regionaal (willen) opwekken aan grootschalige duurzame elektriciteit op land, de regionale warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de benodigde energie-infrastructuur daarvoor. Op het gebied van grootschalige duurzame elektriciteit op land heeft het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) de doelstelling 35 Terra Wattuur (TWh) op te wekken in 2030. Het Rijk gaat op dit moment enkel van zonne- en windenergie uit, omdat dit bewezen technieken zijn die op korte termijn op grote schaal kunnen worden ingezet. Op termijn kunnen andere technieken, zoals energie uit oppervlaktewater, een rol gaan spelen. Deze technieken zijn nu nog onvoldoende ontwikkeld om grootschalig ingezet te kunnen worden. Hierop wachten maakt dat het steeds moeilijker wordt de doelstelling voor 2030 te halen, vandaar dat voorlopig ingezet wordt op zonneen windenergie. De RES-regio Amersfoort geeft in de Concept RES aan 0,5 TWh te willen bijdragen aan de landelijke doelstelling.
In de RES 1.0 zijn de in de Concept RES gemaakte plannen verder uitgewerkt en is meer inzicht verkregen in de kansrijkheid en haalbaarheid van verschillende gebieden. Om samen met belanghebbenden de (on)mogelijkheden voor zonnevelden en windturbines in kaart te brengen, is regionaal afgesproken per gemeente een afwegingskader op te stellen.
1.3.
Lokaal afwegingskader
Het afwegingskader schept duidelijkheid over de voorwaarden waaronder de gemeente grootschalige zon- en windprojecten wil toestaan. Deze voorwaarden kunnen ruimtelijk, technisch en financieel van aard zijn, maar gaan ook over wat we als gemeente maatschappelijk acceptabel 4
vinden. Hiermee nemen we zelf de regie op ontwikkelingen binnen onze gemeente. Het afwegingskader geeft duidelijkheid aan de volgende partijen: • • •
Aan initiatiefnemers die lokaal duurzame elektriciteit willen opwekken. Aan de gemeente om deze initiatieven te beoordelen op hun ruimtelijke inpasbaarheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid. Aan inwoners en andere belanghebbenden over de gebieden waar mogelijk zon- en/of windprojecten worden gerealiseerd.
Hoe is het afwegingskader tot stand gekomen? Het afwegingskader is opgesteld op basis van: •
• •
Technische analyse: welke plekken in Bunschoten zijn technisch geschikt om duurzame energie op te wekken? Denk hierbij aan geldende wet- en regelgeving die mogelijk belemmert, maar ook aan de mogelijkheden om aan te sluiten op het elektriciteitsnetwerk. Ruimtelijke visie: hoe passen zonnevelden en windturbines in het bestaande landschap, ook gezien andere (toekomstige) functies van het landschap? Participatie: hoe kijken inwoners naar mogelijke vormen van grootschalige duurzame elektriciteit in het bestaande landschap? Hiervoor zijn meedenkavonden met inwoners geweest, is een online enquête uitgezet en zijn digitale gesprekken geweest met inwoners en andere belanghebbenden.
Onderstaande afbeelding maakt inzichtelijk welke stappen worden gevolgd om van de opgave die er ligt te komen tot potentiële energieprojecten in Bunschoten. De technische, landschappelijke en maatschappelijke uitgangspunten worden in hoofdstuk 2 besproken.
Afbeelding 1: Stappen afwegingskader
Reikwijdte afwegingskader Zoals eerder aangegeven wordt bij het realiseren van de doelstelling voor grootschalige duurzame elektriciteit voorlopig uitgegaan van zonnepanelen op daken, zonnevelden en windturbines. Op het moment dat andere technieken haalbaar zijn, kan dit invloed hebben op het afwegingskader. De RES en het afwegingskader zijn geen statische documenten, de stukken worden periodiek aangepast, waarbij nieuwe ontwikkelingen worden meegenomen.
5
Grootschalige opwek van energie Het afwegingskader gaat nadrukkelijk over het grootschalig opwekken van energie uit zon en wind. Grootschalige opwek is opwek van elektriciteit voor de hele samenleving, en telt daarom mee met het bod van 0,5 TWh dat de RES-regio bij het Rijk inbrengt. Meegerekend met het RES-bod worden installaties van zonnepanelen op land vanaf 1 hectare (ca. 3.000 panelen), op grote daken met een minimaal vermogen van 15 kWp – oftewel 40 à 50 zonnepanelen – en een windturbine met een minimaal vermogen van 3 MW. Alles daaronder wordt als kleinschalig gezien en is primair voor het opwekken van energie voor eigen gebruik. De gemeente volgt hierbij het onderscheid tussen kleinschalige en grootschalige windturbines, zoals opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening (artikel 5.3 en 5.4). Kleinschalige opwek van energie In de afgelopen jaren zijn er vragen geweest van inwoners over de mogelijkheden voor kleinschalige opwek van energie. De gemeente wil ruimte bieden aan inwoners om een klein zonneveld of kleine windturbine te realiseren, mits deze op eigen terrein wordt gerealiseerd. Wat betreft de grootte worden de richtlijnen die vanuit de RES geformuleerd zijn aangehouden. Kleine zonnevelden zijn maximaal 1 hectare groot (ca. 3.000 panelen), kleine windturbines hebben een maximale ashoogte van 20 meter.
Voor de aanvraag van een kleinschalig energieproject wordt dezelfde procedure gevolgd als bij een aanvraag voor een grootschalig energieproject (zie hoofdstuk 4.4). Zonnepanelen op daken Daken worden zoveel mogelijk benut voor elektriciteitsopwekking. Zonnepanelen op daken zijn veelal vergunningsvrij. Alleen bij monumenten en binnen het beschermd dorpsgezicht gelden beperkingen.
1.4.
Opgave en ambitie gemeente Bunschoten
Onderstaande laat het energieverbruik van de gemeente Bunschoten zien. De gemeente Bunschoten zet zich in om – in lijn met de ambities uit het Klimaatakkoord – in 2030 49% CO2-reductie (t.o.v. 1990) te realiseren en in 2050 95% CO2-reductie (t.o.v. 1990).
Afbeelding 2: Energieverbruik van de gemeente Bunschoten
6
Strategie gemeente De gemeente wil bovenstaande ambitie realiseren door stapsgewijs gebieden open te stellen voor het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit. Als een bepaalde stap niet voldoende blijkt om de ambitie voor 2030 te halen, gaat de gemeente naar de volgende stap. Aan de stappen zit nog geen planning gekoppeld. •
•
•
•
Stap 1: RES Uitvoeren van de RES, wat inhoudt het stimuleren van zonnepanelen op bedrijfsdaken en het onderzoeken van mogelijkheden van zonnepanelen in de bermen en geluidsschermen langs de A1 (trede 3, zie hoofdstuk 2.1). Stap 2: Kansenkaart Stapsgewijs onderzoeken van mogelijkheden voor zonne- en windenergie op de locaties uit de kansenkaart. De drie locaties volgen uit de gesprekken die zijn gevoerd met o.a. ambtenaren, inwoners en raadsleden. Het zijn locaties langs de zogenoemde “rafelranden”: bedrijventerreinen en infrastructuur. o Stap 2a: Onderzoeken van mogelijkheden voor zonnevelden bij de toekomstige ontsluitingsweg (afbeelding 3, optie 3) en langs infrastructuur (A1). o Stap 2b: Onderzoeken van mogelijkheden voor duurzame energie bij het aanbiedstation en de Kronkels-Zuid (afbeelding 3, optie 1 en 2). Dit wordt onderzocht en uitgewerkt afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkelingen die op deze locaties plaatsvinden. Stap 3: Potentiekaart Uit de potentiekaart blijkt dat ten oosten van Bunschoten vanuit wet- en regelgeving geen aanvullende voorwaarden gelden. Als blijkt dat de stappen 1 en 2 onvoldoende hebben opgeleverd om de energieambities voor 2030 te halen, wordt onderzocht welke gebieden opengesteld kunnen worden voor zonnevelden. Het aantal hectares wordt in samenspraak met de raad bepaald op het moment dat we aan stap 3 toe zijn.
Stap 4: Herijking afwegingskader De locaties uit de RES 1.0, kansenkaart en potentiekaart zijn onderzocht en op basis daarvan wel/niet gerealiseerd. De voortgang wordt geëvalueerd en het afwegingskader waar nodig aangepast, in samenspraak met raad en andere belanghebbenden (natuurorganisaties, inwoners, etc.).
Parallel aan de uitvoering van bovenstaande stappen wordt bij nieuwe ontwikkelingen onderzocht of er mogelijkheden zijn om de ontwikkeling te combineren met de opwek van duurzame elektriciteit. Denk hierbij aan te ontwikkelen bedrijventerreinen, braakliggend terrein, etc. Daarbij ligt de voorkeur bij het benutten van mogelijkheden voor zon op daken. Vervolgens komen het benutten van mogelijkheden voor zonnevelden en het benutten van mogelijkheden voor windturbines in beeld. Gebieden worden niet automatisch opengesteld voor opwek, de gemeente merkt ze aan als potentiegebied en zal onderzoek verrichten of de potentie daadwerkelijk past in de ontwikkeling. Dit doet de gemeente op het moment dat het gebied in beeld komt voor ontwikkeling.
7
Afbeelding 3: Onderzoekslocaties zonne- en windenergie
8
2. Uitgangspunten In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke, wettelijke en maatschappelijke uitgangspunten voor duurzame elektriciteit besproken. Het gaat om richtinggevende principes, voorkeuren en aannames die de basis vormen voor concrete randvoorwaarden voor het opstellen en de beoordeling van initiatieven voor zonne- en windenergie.
2.1.
Ruimtelijke uitgangspunten
Landschap De gemeente Bunschoten is onderverdeeld in verschillende zones, op basis van verschil in ondergrond. Onderstaande afbeelding laat de verschillende gebieden zien. Elke zone heeft zijn eigen karakteristieken, kwaliteiten en opgaven. Of binnen een zone zonnevelden of windturbines geplaatst kunnen worden, hangt af van zaken als wettelijke geluids- en veiligheidsafstanden en provinciaal beleid rondom natuur.
Afbeelding 4: Landschappelijke zones gemeente Bunschoten
9
Regionale Energie Strategie Zoals in de inleiding aangegeven werkt gemeente Bunschoten in regionaal verband aan de Regionale Energie Strategie (RES). In de RES wordt aangegeven wat onze regio bijdraagt aan de landelijke doelstelling voor de opwek van 35 TWh grootschalige elektriciteit op land. De RES is een document dat blijvend meegroeit met de ontwikkelingen en primair werkt aan opgaven uit de klimaattafels ‘elektriciteit’ en ‘gebouwde omgeving’. RES 1.0 In de RES 1.0 zijn de in de Concept RES gemaakte plannen verder uitgewerkt en is meer inzicht verkregen in de kansrijkheid en haalbaarheid van verschillende gebieden. Op het grondgebied van gemeente Bunschoten zijn vanuit de RES 1.0 de volgende projecten voor grootschalige duurzame elektriciteit van toepassing (zie afbeelding 5): • • • • • •
Grootschalige zonnepanelen op daken van bedrijventerreinen en overheidsgebouwen (geclassificeerd als ‘richting uitvoering’ = trede 2) Grootschalige zonnepanelen op daken in het buitengebied (geclassificeerd als ‘onderzoeksfase’ = trede 3) Grootschalige zonnepanelen op overkapte parkeerterreinen (geclassificeerd als ‘onderzoeksfase’ = trede 3) Grootschalige zonnepanelen op geluidswallen en in bermgebieden langs de snelweg A1 (geclassificeerd als ‘onderzoeksfase’ = trede 3) Grootschalige zonnepanelen in bermen langs provinciale wegen (geclassificeerd als ‘verkenningsfase’ = trede 4) Grootschalige zonnepanelen bij dorpsranden (geclassificeerd als ‘verkenningsfase’ = trede 4)
Zonnepanelen op daken van bewoners worden niet als ‘grootschalige duurzame elektriciteit’ gezien en mogen daarom niet worden meegerekend in het RES-bod, maar zijn wel wenselijk vanuit de RES-regio Amersfoort.
Afbeelding 5: RES Regio Amersfoort
10
2.2.
Wettelijke uitgangspunten
Op basis van bestaande wet- en regelgeving, zijn er zones aan te wijzen die in potentie geschikt kunnen zijn voor het plaatsen van windturbines en zonnevelden.
Klimaatwet en Klimaatakkoord In de Klimaatwet is vastgelegd dat de Nederlandse CO2-uitstoot in 2030 met 49% en in 2050 met 95% verminderd moet zijn, beiden ten opzichte van 1990. De maatregelen die nodig zijn om deze doelen voor 2030 en 2050 te bereiken, staan in het Klimaatakkoord. Om in 2030 de CO2-uitstoot met 49% te hebben verlaagd, moet 70% van de elektriciteitsproductie voor 2030 fossielvrij worden gemaakt. In totaal gaat het om 91 TWh aan duurzaam opgewekte elektriciteit, waarbij de volgende drie doelstellingen voor 2030 zijn geformuleerd: • • •
Autonome groei van het kleinschalig opwekken van duurzame elektriciteit met zonnepanelen op daken van woningen, met 7 TWh. Opschaling van windturbines op zee naar 49 TWh (uitwerking door het Rijk); Opschaling van het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit op land naar 35 TWh (uitwerking binnen RES-regio’s).
Omgevingswet Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 in werking. Deze wet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Een onderdeel van de Omgevingswet is de omgevingsvisie. Dit is een integrale langetermijnvisie die over alle aspecten van onze leefomgeving gaat. Rijk, de provincie en de gemeente maken ieder een omgevingsvisie voor hun eigen gebied. In de omgevingsvisie wegen overheden de verschillende belangen van wonen, bedrijven, mobiliteit en energie ten opzichte van elkaar. Om die reden is dit afwegingskader ook afgestemd op de omgevingsvisie. Wanneer de Omgevingswet onverhoopt niet in werking treedt, dan blijft de bestaande wetgeving van kracht, waaronder de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Nationale omgevingsvisie (NOVI) De NOVI geeft een doorkijk naar 2050, het jaar waarin de uitstoot van CO2 95% lager moet zijn dan in 1990. De NOVI geeft richting aan de grote opgaven die de komende dertig jaar het aanzien van Nederland ingrijpend gaan veranderen en geeft twee richtinggevende kaders mee voor de RES op het gebied voor opwek van duurzame elektriciteit. Dit zijn: •
•
Voorkeur voor grootschalige clustering Grootschalige clustering van de productie van duurzame elektriciteit (door windturbines, eventueel in combinatie met zonnevelden). Hier ligt echter wel een expliciete afweging tegenover andere waarden, zoals landschappelijke kenmerken, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water en bodem en maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Voorwaarde is dat bewoners echt goed zijn betrokken, invloed hebben op het gebruik van en, waar dat kan, meeprofiteren in de opbrengsten. Het is belangrijk aandacht te besteden aan een natuurinclusief ontwerp en beheer bij duurzame energieprojecten om verstoring of aantasting van natuur en biodiversiteit zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast zijn er ook mogelijkheden natuur te versterken, door bijvoorbeeld onderwaternatuur te realiseren bij windprojecten op water. Voorkeursvolgorde voor zonnepanelen De afwegingprincipes van de NOVI leiden tot een voorkeur voor zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen. Het inpassen op daken en gevels draagt niet alleen bij aan het combineren van functies, ook heeft het doorgaans minder invloed op de kenmerken of identiteit van een gebied. Vanuit diezelfde principes hebben daarna onbenutte terreinen in 11
bebouwd gebied de voorkeur. Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, kan blijken dat locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval gaat de voorkeur uit naar het zoeken van slimme functiecombinaties. Provinciale omgevingsvisie (POVI) en (ontwerpversie) omgevingsverordening In de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, staat dat elke provincie een visie moet hebben voor de gehele fysieke leefomgeving: de provinciale omgevingsvisie. Om deze visie in de praktijk goed te laten werken, zijn er regels beschreven in de omgevingsverordening. Hier staat bijvoorbeeld in dat de provincie Utrecht Natura 2000-gebieden uitsluit voor de ontwikkeling van zon en wind. Niet alleen worden gebieden uitgesloten, er kunnen ook voorwaarden worden gesteld. Dit kan voor zowel losse gebieden als voor de gehele provincie. 1.
2.
3.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties voor Windenergie kan bestemmingen en regels bevatten die de realisatie van windturbines met een vermogen van 3 MW of meer toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1. de windturbines worden in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines opgesteld; en 2. er wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit voorzien. Wanneer een bestemmingsplan windturbines met een vermogen van minder dan 3 MW toestaat, wordt onderbouwd waarom windturbines met een vermogen van 3 MW of meer niet mogelijk zijn. Wanneer een bestemmingsplan een solitaire windturbine toestaat, wordt onderbouwd waarom meerdere windturbines niet mogelijk zijn en dat de energieopbrengst van die solitaire windturbine opweegt tegen de impact die een solitaire turbine heeft op de omgeving.
De motivering van een bestemmingsplan bevat: 1. 2. 3.
een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; een beeldkwaliteitsparagraaf; en: een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken.
Toetsingsvoorwaarden in de provinciale Interm Omgevingsverordening De toetsingsvoorwaarden vanuit de provincie Utrecht voor de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden in weidevogelkerngebieden, Natuur Netwerk Nederland (NNN) en stiltegebieden staan beschreven in de Interim Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening wordt naar verwachting begin 2022 vastgesteld. De toetsingsvoorwaarden van stiltegebieden gelden alleen voor windturbines en niet voor zonnevelden, omdat zonnevelden geen tot nauwelijks geluid produceren.
Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) sluit aan bij en gaat op in de Omgevingswet. De Wnb beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet moet ervoor zorgen dat de verschillende planten- en diersoorten in de natuur blijven bestaan. Ook kwetsbare soorten mogen niet verdwijnen. De wet regelt de bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden en een door de provincies bepaald samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Dit garandeert een zorgvuldige afweging bij projecten die mogelijk gevolgen 12
hebben voor natuurgebieden. Voor gebieden in of nabij Natura 2000-gebied geldt dat onderzocht moet worden wat het significante effect is van een zon/windproject op planten- en diersoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Het bevoegd gezag kan liggen bij het Rijk of de provincie. Voor de gemeente Bunschoten geldt dat gebied E (zie paragraaf 2.1 voor gebiedsindeling) Natura 2000-gebied is. De provincie Utrecht sluit in de POVI zonnevelden en windturbines in Natura 2000gebied uit.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. •
•
•
Kerngebieden zijn nationale parken en andere natuurterreinen, landgoederen, bossen, grote wateren en waardevolle agrarische cultuurlandschappen die minimaal 250 hectare groot zijn. Natuurontwikkelingsgebieden zijn gebieden met goede mogelijkheden voor het ontwikkelen van natuurwaarden, van nationale en/of internationale betekenis. Zo zijn de groene contourgebieden in de provincie Utrecht natuurontwikkelingsgebieden. Verbindingszones zijn gebieden die kern- en natuurontwikkelingsgebieden als het ware aan elkaar knopen.
In de gemeente Bunschoten zijn geen Natuur Netwerk Nederland gebieden aanwezig.
Specifieke voorschriften windturbines Om een windturbine te kunnen plaatsen, moet aan verschillende wet- en regelgeving worden voldaan om de veiligheid en de leefbaarheid van de omgeving te beschermen. Zo zijn er regels ten aanzien van geluid, afstand tot kwetsbare objecten en slagschaduw. Hieronder beschrijven we de vigerende wet- en regelgeving. Mocht die regelgeving wijzigen, heeft dat uiteraard effect op de mogelijkheden voor windturbines in Bunschoten. A. Geluid Inwoners die in de omgeving van een windturbine wonen, kunnen hinder ervaren van het geluid van windturbines. Om die reden dient een windturbine afstand te houden tot woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen. Deze norm is vastgelegd in het Activiteitenbesluit, waarin staat dat bij geluidsgevoelige objecten gemiddeld maximaal 47 dB Lden en ’s nachts maximaal 41 dB Lden geluid mag worden geproduceerd. Ondanks dat geluid van windturbines minder luid is dan van andere bronnen (zoals verkeer en industrie), wordt dit geluid sneller als hinderlijk ervaren. De reden hiervan is het karakter van het geluid, en dan met name het zoeven en zwiepen van de wieken. Geluid kan leiden tot hinder, in het bijzonder tot verstoring van slaap. De gemeente Bunschoten hanteert bij het plaatsen van windturbines de WHO geluidsnormen. Daarnaast moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat.
De gemeente volgt hierbij het advies van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) en de GGD, die adviseren om de WHO-advieswaarden aan te houden: maximaal 45 dB Lden overdag en maximaal 40 dB Lden ’s nachts. Om een dergelijk geluidniveau te realiseren, moet meer afstand worden gehouden tussen windturbines en geluidsgevoelige gebouwen. Voor windturbines van 5,6 MW vertaalt de WHOnormering zich grofweg naar een afstand van 500 meter, die moet worden aangehouden tussen 13
windturbines en woningen. De afstand is meegenomen in afbeelding 6, om dit visueel inzichtelijk te maken. Of een mogelijke locatie voor windturbines voldoet aan de geluidsnorm moet per locatie met een akoestisch onderzoek worden bepaald, en vervolgens worden getoetst aan het Activiteitenbesluit (Wabo). De geluidsnorm is daarbij leidend, wat maakt dat de daadwerkelijke afstand die aangehouden dient te worden kan afwijken. B. Afstand tot objecten Omdat een windturbine risico’s met zich meebrengt voor de directe omgeving, zoals val- en werpgevaar, bestaan er minimale afstanden tussen windturbines en verschillende (beperkt) kwetsbare objecten. In het Handboek Risicozonering Windturbines (2014) zijn minimumafstanden opgenomen voor panden, hoogspanningsleidingen, buisleidingen, risicobronnen, spoorwegen, vaarwegen en hoofdwegen. Bij de plaatsing van een windturbine dient rekening te worden gehouden met de minimumafstand tot deze objecten. Daarnaast hanteert Rijkswaterstaat de beleidsregel dat er minstens vijftig meter afstand tussen een windturbine en een vaarweg moet worden aangehouden, om hinder van radarapparatuur te voorkomen. Ook kunnen windturbines, door hun hoogte en draaiende wieken, verstoring veroorzaken op de beelden van radarsystemen van radarstations van Defensie.
Op voorhand is niet te bepalen of een verstoring acceptabel is, daarom dient bij het realiseren van windturbines hoger dan 90 m NAP op verstoring getoetst te worden. C. Slagschaduw De ronddraaiende wieken van een windturbine werpen schaduw op de omgeving. Dat wordt ‘slagschaduw’ genoemd. De frequentie, intensiteit en duur van dergelijke slagschaduw bij een locatie bepalen de mate van hinder. In het Activiteitenbesluit (art. 3.14) en de Activiteitenregeling Milieubeheer (art. 3.12 en 3.13) staan daarom normen voor slagschaduw. Ter voorkoming van onacceptabele hinder van slagschaduw, zijn deze milieuregels leidend. In sommige situaties moet een windturbine bij wet voorzien zijn van een automatische stilstandvoorziening. Dit is het geval als de afstand tussen de windturbine en het gevoelige gebouw minder dan twaalfmaal de rotordiameter bedraagt en slagschaduw gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag kan optreden. D. Trillings-hinder Er zijn berichten dat inwoners trillingshinder ondervinden van het draaien van de windturbines. De gemeente Bunschoten wil hier rekening mee houden en vindt dat inwoners ten alle tijden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moeten hebben binnen de gemeente.
Wettelijke beperkingen voor windturbines en zonnevelden in kaart Afbeelding 6 laat de mogelijke zoekgebieden zien voor het plaatsen van windturbines, wanneer enkel wordt gekeken naar de geluids- en veiligheidseisen (conform de WHO-normen, zoals geadviseerd door de ORUD en de GGD) en provinciale voorwaarden. Hierbij wordt uitgegaan van bestaande bebouwing, wegen, buisleidingen en hoogspanningsleidingen. Onderstaande kaart laat niet zien of deze gebieden ook wenselijk zijn vanuit maatschappelijk en landschappelijk oogpunt. Ook de kansen en knelpunten in het bestaande elektriciteitsnetwerk zijn niet meegenomen in deze kaart.
14
Afbeelding 6: Mogelijkheden voor windturbines in de gemeente Bunschoten vanuit wettelijke uitgangspunten
Toelichting bij legenda: • •
•
Groene gebieden: windturbines zijn mogelijk volgens de gehanteerde wettelijke geluids- en veiligheidseisen. Er gelden geen aanvullende provinciale voorwaarden. Oranje gebieden: windturbines zijn mogelijk volgens de gehanteerde wettelijke geluids- en veiligheidseisen. Er zijn in deze gebieden aanvullende provinciale voorwaarden rondom natuur aanwezig. Het gaat om gebieden die zijn aangewezen als stilte- of weidevogelgebied of onderdeel zijn van het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Ook is gekeken waar vanuit de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voorwaarden gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals bij archeologische rijksmonumenten. Rode gebieden: hier zijn geen windturbines mogelijk wegens de gehanteerde veiligheids- en geluidsbeperkingen, met name vanwege de afstand tot de bebouwing. Daarnaast heeft de provincie Natura 2000-gebieden uitgesloten voor windturbines.
Afbeelding 7 laat de mogelijke zoekgebieden zien voor het plaatsen van zonnevelden, wanneer enkel wordt gekeken naar landelijke en provinciale voorwaarden. Er gelden geen veiligheids- en geluidsbeperkingen voor zonnevelden, maar wel vanuit natuurwetgeving.
15
Afbeelding 7: Mogelijkheden voor zonnevelden in de gemeente Bunschoten vanuit wettelijke uitgangspunten
Toelichting bij legenda: • •
•
2.3.
Groene gebieden: Geen aanvullende provinciale voorwaarden. Oranje gebieden: Aanvullende provinciale voorwaarden aanwezig en/of voorwaarden vanuit de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Daken binnen de oranje gebieden gelegen zijn groen. Rode gebieden: hier zijn geen zonnevelden mogelijk vanwege beperkingen vanuit provinciaal beleid.
Elektriciteitsnetwerk
De energietransitie resulteert in een meer decentrale energievoorziening. Dit houdt in dat er meer elektriciteit lokaal wordt opgewekt. Dit vraagt om aanpassingen in het elektriciteitsnetwerk. Op locaties waar elektriciteit wordt opgewekt moet deze ook worden aangesloten op het net. De bestaande kabels en netwerkstations hebben op korte termijn niet allemaal voldoende capaciteit om nieuwe windturbines en zonnevelden aan te sluiten. Daarnaast kan de ongelijktijdigheid van vraag naar en productie van elektriciteit door zon en wind leiden tot momenten met overschotten (veel opwek, weinig vraag) en momenten van tekorten (veel vraag in de avond of winter, windstil). Hierdoor wordt landelijk en regionaal gekeken naar manieren om elektriciteit op te slaan en vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. In de gemeente Bunschoten is Stedin de netbeheerder. Deze netbeheerder is ook betrokken bij de totstandkoming van dit afwegingskader. Zoals genoemd, zijn door de energietransitie de nodige aanpassingen in het elektriciteitsnetwerk vereist. Deze trajecten kosten tijd en geld. Daarom zijn niet alle locaties geschikt om op korte termijn te gebruiken voor het opwekken van elektriciteit. Tegelijkertijd zijn er op termijn zeker kansen om door gerichte investeringen van netbeheerders meer ruimte te bieden voor (innovatieve) energieprojecten op locaties waar nu nog onvoldoende 16
capaciteit is om energieprojecten op aan te sluiten. Bovendien zijn er mogelijkheden om een deel van de onregelmatigheden in de elektriciteitsproductie van windturbines en zonnevelden door elkaar te laten wegnemen. Immers: vaak waait het op een donkere dag en is het windstil bij stralend weer. Een stabiele duurzame elektriciteitsproductie kan beter worden gegarandeerd door het combineren van windturbines en zonnevelden op één plek. En door dit te doen, is ook vaak maar één aansluiting op het net nodig (cable pooling). Dat betekent, naast dat slimmer gebruik wordt gemaakt van (bestaande) infrastructuur en hiermee aanvullende (maatschappelijke) kosten voor netuitbreiding worden gedrukt, dat initiatiefnemers van dergelijke lokale energieprojecten minder gebruikerskosten hebben. De netbeheerder hanteert vuistregels bij de ontwikkeling van wind- en zonneprojecten. De afstand tussen een netstation en een windturbine of zonneveld moet niet te groot zijn, zodat het economisch rendabel is voor de aanvrager om een installatie aan te sluiten op het netwerk. De aanvrager is hierbij degene die een windturbine of zonneveld gaat ontwikkelen. Daarnaast moet er op korte termijn voldoende capaciteit op de kabels en het netwerkstation zijn, zodat wind- en zonneprojecten ook kunnen worden aangesloten.
Deze vuistregels worden door de gemeente meegenomen in de afweging welke zones tot 2030 en daarna worden opengesteld voor lokale energieprojecten.
2.4.
Maatschappelijke uitgangspunten
De gemeente vindt het belangrijk dat nieuwe initiatieven om grootschalig duurzame elektriciteit op te wekken binnen de gemeentegrenzen, kunnen rekenen op zoveel mogelijk maatschappelijke acceptatie. Juist daarom is dit afwegingskader gesproken met inwoners en is hun input meegenomen en afgewogen bij gemaakte keuzes. De gemeente Bunschoten realiseert zich dat het niet in alle gevallen mogelijk is dat alle inwoners het eens zijn met de keuzes die gemaakt worden, echter wil de gemeente wel dat het proces uitlegbaar en te volgen is voor inwoners.
De verschillende fases van een initiatief De gemeente heeft als doel om gezamenlijk met de initiatiefnemer en bewoners een keuze te maken voor de beste locaties voor windturbines en/of zonnevelden in het landschap, met oog voor mens en milieu. Om verbindingen te leggen met andere gemeentelijke ambities en opgaven, gaat de gemeente gedurende het proces actief het gesprek aan met de initiatiefnemer en betrokkenen. Er worden duidelijke afspraken gemaakt over de rol van de initiatiefnemer en de gemeente tijdens de verschillende fases van een initiatief. Er worden vier fases onderscheiden: •
•
• •
Verkenningsfase De fase waarin een initiatiefnemer verkent of het mogelijk is in een bepaald gebied duurzame elektriciteit grootschalig op te wekken. Planfase De fase waarin de specificaties van het energieproject worden bepaald, zoals exacte locatie, aantal, hoogte en opbrengsten. Realisatiefase De fase waarin het lokale energieproject daadwerkelijk wordt ontwikkeld. Exploitatiefase De fase waarin het lokale energieproject elektriciteit opwekt.
De betrokkenheid van bewoners start in de verkenningsfase. In overleg met de gemeente stelt de initiatiefnemer een participatieplan vast, waarin wordt toegelicht wie, wanneer en op welke wijze wordt geïnformeerd en betrokken bij het lokale energieproject. Het participatieplan dient een uitkomst te zijn van een gezamenlijk gesprek tussen gemeente, initiatiefnemer en inwoners. Wel 17
stelt de gemeente een aantal minimumeisen en uitgangspunten op die de initiatiefnemer in acht dient te nemen voor het informeren en betrekken van inwoners. Deze eisen staan nader beschreven in de onderstaande paragrafen en komen ook terug in het hoofdstuk over de randvoorwaarden.
De betrokkenheid van bewoners Er is een onderscheid te maken tussen de effecten die het opwekken van duurzame elektriciteit heeft op verschillende bewoners. Direct omwonenden Uitgangspunt is dat inwoners die in de directe omgeving van een windturbine of zonneveld wonen, intensief betrokken worden bij de totstandkoming ervan. Onder een direct omwonende vallen inwoners die de windturbine of zonneveld kunnen zien of redelijkerwijs kunnen horen. Bij twijfel geldt dat de gemeente iedere inwoner van de eigen gemeente of omliggende gemeenten die in een straal van tien keer de tiphoogte woont vanaf de windturbine, gemeten vanaf de meest dichtbij staande windturbine, tot de direct omwonenden rekent. Bij het bepalen van wie direct omwonenden zijn in het geval van zonnevelden, wordt als uitgangspunt een straal van 500 meter genomen, gemeten vanaf de buitenranden van het zonneveld. Acceptatiegebied De effecten van een windturbine of zonneveld beperken zich echter niet tot direct omwonenden. Naast direct omwonenden zijn er ook inwoners wiens belang niet rechtstreeks is betrokken bij de plaatsing van een windturbine en/of zonneveld in hun directe omgeving, maar ervaren zij wel effecten op hun leefomgeving. Dit zijn inwoners die binnen het acceptatiegebied wonen. Over het algemeen wordt voor een acceptatiegebied een wijk of dorp gekozen.
Communicatie De gemeente vindt het belangrijk dat de omgeving van een toekomstig lokaal energieproject de mogelijkheid wordt geboden een actieve en betrokken rol te hebben in de verschillende fases. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor maken van een plan voor participatie, de gemeente beoordeelt dit aan de hand van een aantal minimale eisen.
2.5.
Financiële uitgangspunten
Zonnevelden en windturbines hebben een impact op de leefomgeving. Het is daarom belangrijk dat inwoners ook de voordelen ervaren van het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit in hun omgeving. Dit kan bijvoorbeeld door inwoners te laten delen in de opbrengst van en zeggenschap te geven over het initiatief. Dit heet financiële participatie, ook wel projectparticipatie genoemd. De gemeente wil dat iedereen de mogelijkheid heeft om daarin mee te doen, ongeacht financiële draagkracht. De initiatiefnemer bepaalt samen met direct betrokkenen en inwoners uit het acceptatiegebied welke vormen van financiële participatie het meest geschikt zijn voor het specifieke project. Wel is het uitgangspunt om direct omwonenden meer te laten meeprofiteren dan mensen die verder weg wonen. De afspraken die gemaakt worden omtrent financiële participatie moeten bij windturbines in lijn zijn met de gedragscode van de Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA) en bij zonnevelden met de gedragscode van Holland Solar. Er zijn verschillende vormen van financiële participatie mogelijk. De gemeente onderscheidt hierbij vier vormen: lokaal eigendom, een omgevingsfonds, een omwonendenregeling en sociale grondvergoedingen.
18
De initiatiefnemer dient in het projectvoorstel toe te lichten op welke wijze invulling wordt gegeven aan een of meerdere vormen van financiële participatie. Indien de initiatiefnemer in het projectvoorstel afwijkt van de voorkeuren en/of uitgangspunten van de gemeente, zoals toegelicht hieronder, dan dient de initiatiefnemer dit te verantwoorden in het projectvoorstel.
Lokaal eigendom De gemeente Bunschoten vindt het bij de ontwikkeling en exploitatie van lokale energieprojecten van groot belang dat partijen, inclusief de omgeving, op een gelijkwaardige manier samenwerken. Dit vertaalt zich in een evenwichtige eigendomsverdeling, waarbij de initiatiefnemer ernaar streeft om tenminste 51% lokaal eigendom (burgers en lokale bedrijven) te realiseren. Dit in lijn met de motie ‘Borging maximaal lokaal eigenaarschap en profijt’, die op 8 juli 2021 unaniem door de gemeenteraad van Bunschoten is aangenomen. De gemeente stelt 51% lokaal eigendom nadrukkelijk als streven, en niet als harde eis. Of 51% lokaal eigendom wordt behaald, is immers afhankelijk van de mate van interesse onder inwoners. De initiatiefnemer moet aantonen welke stappen zijn ondernomen om lokaal eigenaarschap te verwezenlijken in het project. Om te borgen dat de initiatiefnemer hiervoor voldoende mogelijkheden biedt, laat de gemeente, wanneer zij hier aanleiding toe ziet, een onafhankelijke toets op lokaal eigenaarschap uitvoeren. De initiatiefnemer dient hier medewerking aan te verlenen.
Zodra een lokaal energieproject uitsluitend tot doel heeft om duurzaam opgewekte elektriciteit te verkopen door dit terug te leveren aan het net, dan dient een onafhankelijke lokale organisatie (in de vorm van een stichting, vereniging of coöperatie) betrokken te zijn bij het energieproject om lokaal eigenaarschap te borgen. Alle inwoners van de gemeente Bunschoten moeten de mogelijkheid te hebben om lid te worden van deze organisatie, om zo in het project te participeren. Slechts in het geval dat elektriciteit duurzaam wordt opgewekt voor eigen gebruik, waarbij het overschot op het net wordt geleverd, mag de energie-installatie van een bedrijf of inwoner alleen zijn. De gemeente wil immers niet voorschrijven hoe een bedrijf of particulier zijn eigen stroom opwekt. Voordat er wordt gestart met de realisatiefase van het project, moeten inwoners uit het acceptatiegebied geïnformeerd zijn over de manier waarop er financiële participatie plaatsvindt tijdens de exploitatiefase en hoe zij hieraan kunnen meedoen. Onder lokaal eigendom verstaat de gemeente de opties ‘mede-eigenaarschap’ en ‘financiële deelneming’, zoals omschreven in de Participatiewaaier (2019)1. De gemeente Bunschoten heeft als voorwaarde dat de opbrengsten van lokale projecten ten goede komen voor de inwoners van de gemeente. Opbrengsten worden dus lokaal geherinvesteerd.
Omgevingsfonds Het is een voorwaarde van de gemeente Bunschoten dat de initiatiefnemer van een lokale windproject – coöperatief als niet-coöperatief – een omgevingsfonds opzet. Met een omgevingsfonds kunnen omwonenden die niet in staat zijn zelf te investeren, ook financieel participeren. De wijze waarop dit omgevingsfonds wordt beheerd en de wijze waarop besluitvorming geschiedt wat betreft de besteding van de opbrengsten, wordt opgenomen in het projectvoorstel.
Omwonendenregeling De gemeente vindt dat inwoners, die in de nabijheid wonen van een windturbine, recht hebben op een redelijke bewonersvergoeding. Dit kan gaan om het aanbieden van groene stroom met korting, korting op de energierekening of een andere (financiële) vergoeding. De inwoners die hiervoor in aanmerking komen worden middels maatwerk bepaald. Indien hierbij afgeweken wordt van de
1 https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2019/11/18/participatiewaaier
19
groep inwoners die als ‘direct omwonenden’ wordt gerekend, dan dient dit door de initiatiefnemer helder verantwoord te worden in het projectvoorstel. Voor het bepalen van de bewonersvergoeding voor inwoners wordt gebruik gemaakt van een rechtvaardige verdeelsleutel die door de initiatiefnemer, de gemeente en inwoners uit de nabije omgeving van een windturbine, transparant en gemeenschappelijk te worden vastgesteld. De initiatiefnemer dient in het projectvoorstel aan te geven op welke wijze deze vergoeding wordt bepaald.
Grondvergoedingen De gemeente wil voorkomen dat een initiatiefnemer een lokaal energieproject opzet met als startpunt zijn of haar eigen grondposities, en daarbij geen onderzoek meer verricht naar wat de beste locatie is voor een windturbine. Het is immers mogelijk dat percelen, die aangrenzend liggen aan de eigen grondposities, uiteindelijk een betere locatie blijken voor een lokaal energieproject. Om te voorkomen dat initiatieven worden ontwikkeld op niet optimale locaties, worden bij voorkeur voorafgaand aan de planfase afspraken gemaakt over het socialiseren van grondvergoedingen. Afspraken over het socialiseren van grondvergoedingen worden gemaakt met grondeigenaren die hun grond ter beschikking stellen voor de realisatie van een windturbine op eigen terrein én grondeigenaren die (waarschijnlijk) geen windturbine op hun terrein krijgen maar wel grond bezitten in de omgeving van de locatie, waar volgens de conceptplannen – opgesteld in de verkenningsfase van het energieproject – een windturbine wordt geplaatst. Deze afspraken worden vermeld en toegelicht in het projectvoorstel dat de initiatiefnemer indient bij de gemeente. Voor het bepalen van de sociale grondvergoedingen wordt gebruik gemaakt van een rechtvaardige verdeelsleutel die door de initiatiefnemer en grondeigenaren in het gebied transparant en gemeenschappelijk vastgesteld wordt.
De verdeelsleutel wordt vastgesteld voordat de exacte locatie van het lokale energieproject is bepaald.
20
3. Gebiedstabellen In de gebiedstabellen voor zonnevelden en windturbines wordt per deelgebied informatie gegeven over de geschiktheid van het gebied, de geldende uitgangspunten, maatschappelijke voorkeuren en de openstelling van het deelgebied voor ontwikkelingen.
3.1.
Gebiedstabel voor zonnevelden
Naam gebied
Geschiktheid gebied
Ruimtelijke en wettelijke uitgangspunten
Maatschappelijke voorkeuren (participatie)
Openstelling gebied
Woonkern Bunschoten (A)
Rood
Woonkern ongeschikt voor zonnevelden. Wel actief inzetten op zon op daken van woningen, bedrijven en andere gebouwen
Zon op daken kan rekenen op draagvlak onder inwoners en andere belanghebbenden
Niet van toepassing
Oost Bunschoten (B)
Groen
Er gelden geen aanvullende voorwaarden voor zonnevelden
Terughoudendheid vanwege open landschap en Natura2000 polders gemeente Nijkerk
Mogelijkheden (zie hoofdstuk 1.4) onderzoeken voor 2030 (stap 2b en 3)
KronkelsZuid (C)
Groen
Ontwikkelgebied. Mogelijkheden voor duurzame elektriciteit worden in de planvorming onderzocht en afgewogen
Zon op bedrijfsdaken kan rekenen op draagvlak vanuit inwoners en andere belanghebbenden
Mogelijkheden (zie hoofdstuk 1.4) onderzoeken voor 2030 (stap 2b)
Eemdijk (D)
Rood
Woonkern ongeschikt voor zonnevelden. Wel actief inzetten op zon op daken van woningen, bedrijven en andere gebouwen
Zon op daken kan rekenen op draagvlak onder inwoners en andere belanghebbenden
Niet van toepassing
Natura 2000 (E)
Rood
De POVI sluit zonnevelden in
Ontwikkeling van zonnevelden in Natura2000 gebied wordt door inwoners
Uitgesloten
21
Natura 2000gebied uit
en belanghebbenden als onwenselijk gezien
Water (F)
Rood
Er gelden aanvullende voorwaarden
Zonnevelden in en op het Eemmeer stuit op weerstand bij zowel inwoners en natuurorganisaties als de lokale politiek (Amendement A1, raadsvergadering 8 juli 2021)
Uitgesloten
Infrastructuur (G)
Groen
Vanuit de RES wordt de potentie van zonnepanelen langs infrastructuur (A1, provinciale wegen) onderzocht
Zonnepanelen langs infrastructuur wordt door inwoners als meest kansrijk aangegeven. Ook de lokale politiek geeft aan kansen te zien (ontsluitingsweg, A1)
Mogelijkheden (zie hoofdstuk 1.4) onderzoeken voor 2030 (stap 1 en 2a)
Bunschoten Overig (H)
Rood
Dit gebied bestaat grotendeels uit weidevogelkernen stiltegebied. Bij de ontwikkeling van een zonneveld moet voldaan worden aan strikte (provinciale) voorwaarden
Zonnevelden in de Eempolder stuit op weerstand bij zowel inwoners en natuurorganisaties als de lokale politiek (Amendement A1, raadsvergadering 8 juli 2021). Wel is aangegeven de mogelijkheid voor zonnepanelen langs de A1 (betreft rand weidevogelkerngebied) te onderzoeken (zie deelgebied G)
Uitgesloten
22
3.2.
Gebiedstabel voor windturbines
Naam gebied
Geschiktheid gebied
Ruimtelijke en wettelijke uitgangspunten
Maatschappelijke voorkeuren (participatie)
Openstelling gebied
Woonkern Bunschoten (A)
Rood
Woonkern ongeschikt voor windturbines
Niet van toepassing
Uitgesloten
Oost Bunschoten (B)
Rood
Enige mogelijkheid die uit ruimtelijke en wettelijke uitgangspunten volgt wordt gezien als onwenselijk, vanwege solitaire opstelling midden in het gebied
Inwoners en andere betrokkenen vinden de ontwikkeling van windturbines in het gebied onwenselijk
Uitgesloten
KronkelsZuid (C)
Oranje
Uit ruimtelijke en wettelijke uitgangspunten volgt geen mogelijkheid voor windturbines in het gebied
De mogelijkheid om de ontwikkeling van de Kronkels-Zuid te combineren met kleine windturbines aan de rand van het bedrijventerrein wordt onderzocht in de planvorming
Mogelijkheden (zie hoofdstuk 1.4) onderzoeken voor 2030 (stap 2b)
Eemdijk (D)
Rood
Woonkern ongeschikt voor windturbines
Niet van toepassing
Uitgesloten
Natura2000 (E)
Rood
De POVI sluit windturbines in Natura 2000gebied uit
Ontwikkeling van windturbines in Natura2000 gebied wordt door inwoners en belanghebbenden als onwenselijk gezien
Uitgesloten
Water (F)
Rood
Enige mogelijkheid die volgt uit ruimtelijke en wettelijke uitgangspunten onwenselijk, vanwege solitaire opstelling midden in het gebied
Windturbines in het Eemmeer stuit op weerstand bij zowel inwoners en natuurorganisaties als de lokale politiek (Amendement A1, raadsvergadering 8 juli 2021)
Uitgesloten
23
Infrastructuur (G)
Rood
De mogelijkheden voor windturbines langs infrastructuur zijn zeer beperkt. Er gelden aanvullende voorwaarden in het oranje gearceerde gebied
Windturbines in de Eempolder stuit op weerstand bij zowel inwoners en natuurorganisaties als de lokale politiek (Amendement A1, raadsvergadering 8 juli 2021)
Uitgesloten
Bunschoten Overig (H)
Rood
De mogelijkheden voor windturbines langs infrastructuur zijn zeer beperkt. Er gelden aanvullende voorwaarden in het oranje gearceerde gebied
Windturbines in de Eempolder stuit op weerstand bij zowel inwoners en natuurorganisaties als de lokale politiek (Amendement A1, raadsvergadering 8 juli 2021)
Uitgesloten
24
4. Randvoorwaarden In de voorgaande hoofdstukken is uitvoerig stilgestaan bij de verschillende ruimtelijke, wettelijke en maatschappelijke uitgangspunten voor het plaatsen van windturbines en zonnevelden in de gemeente. Initiatiefnemers voor lokale energieprojecten kunnen op basis van het afwegingskader een principeverzoek indienen voor de beoogde ontwikkeling van een lokaal energieproject. In hoofdstuk 1.4 is beschreven hoe de gemeente stapsgewijs toewerkt naar het realiseren van winden/of zonneprojecten. Voorlopig wordt ingezet op het realiseren van de opgave die volgt uit de RES (stap 1) en het onderzoeken van de mogelijkheden voor zonnevelden langs infrastructuur (stap 2a). In stap 3 wordt gesproken over het (gedeeltelijk) openstellen van gebieden in Oost-Bunschoten voor zonnevelden. Op het moment dat de gemeente aan deze stap toe is wordt bepaald of de gemeente gebieden openstelt, en zo ja, wordt een bovengrens voor het aantal te realiseren hectares vastgesteld. Daarbij kan een gebied voor een bepaalde periode worden opengesteld en heeft de gemeente de mogelijkheid een prioritering aan te brengen. In dit hoofdstuk worden de voorwaarden beschreven waaraan een voorstel voor een zonneveld of windturbine moet voldoen.
4.1. 1.
2.
3. 4. 5.
4.2. 1.
Landschappelijke inpassing De initiatiefnemer toont aan dat het energieproject zo goed mogelijk past in de omgeving waarin deze ontwikkeld wordt. Het energieproject sluit aan bij de maat en schaal van de omgeving; de initiatiefnemer overlegt met de gemeente over een goede inpassing. Het energieproject mag geen negatieve impact hebben op de omliggende natuur en biodiversiteit. Waar mogelijk wordt meerwaarde gecreëerd voor natuur en biodiversiteit. Initiatiefnemers betrekken experts en natuurorganisaties voor de invulling hiervan. De initiatiefnemer neemt een plan op voor het behoud van de bodemgesteldheid en levert het plangebied na afloop op in oorspronkelijke of verbeterde staat. Vanwege het open karakter van het landschap van de gemeente Bunschoten is ervoor gekozen om solitair geplaatste windturbines niet toe te staan. De gemeente kan een aanwijzing geven om een andere locatie te onderzoeken als dat voor een landschappelijke afweging beter zou zijn. Grondposities van de initiatiefnemer zijn voor de gemeente niet bepalend bij de uiteindelijke afweging.
Maatschappelijke betrokkenheid
De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het proces om inwoners te betrekken. De initiatiefnemer stelt, als onderdeel van het projectvoorstel, een participatieplan op waarin wordt verduidelijkt wie, wanneer en op welke wijze geïnformeerd en betrokken wordt bij het lokale energieproject. De gemeente stelt een aantal minimumeisen: • In het projectvoorstel wordt helder verwoord wie voor het lokale energieproject worden beschouwd als direct omwonenden en wie als inwoners van het acceptatiegebied. • De betrokkenheid van inwoners start in de verkenningsfase van een lokaal energieproject, met een brief richting de direct omwonenden en inwoners van het acceptatiegebied.
25
•
2.
Een digitale en/of fysieke bijeenkomst voor direct omwonenden en inwoners uit het acceptatiegebied, waarin de initiatiefnemer de verschillende opties presenteert, voorafgaand aan het maken van de keuze die hierin wordt gemaakt. Ook worden inwoners geïnformeerd over de mogelijkheden die financiële participatie biedt. De bijeenkomsten zijn openbaar toegankelijk. • Een initiatiefnemer maakt een verslag van de bijeenkomsten en geeft aan wat met de input van de aanwezigen is gedaan. De initiatiefnemer houdt van de verkenningsfase tot de exploitatiefase van het lokale energieproject contact met de gemeente om ervoor te zorgen dat het participatieplan voldoende wordt uitgevoerd. Op deze manier wordt de kwaliteit van het participatietraject geborgd en kunnen de initiatiefnemer en de gemeente hun inspanningen afstemmen.
4.3. 1.
2.
3.
4.
5.
6.
4.4. 1.
Financiële participatie De initiatiefnemer maakt een voorstel voor de vorm van lokaal eigendom die past bij het project, het gebied en de voorkeuren van direct omwonenden en inwoners uit het acceptatiegebied. De gemeente vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk inwoners de mogelijkheid wordt geboden om mee te doen bij een lokaal energieproject, ongeacht hun financiële draagkracht. De opbrengsten van energieprojecten komen zoveel mogelijk ten goede van de (lokale) omgeving en omwonenden. De initiatiefnemer streeft ernaar dat minimaal 51% van het lokale energieproject in lokaal coöperatief eigendom komt. De initiatiefnemer moet aantonen welke stappen worden ondernomen om lokaal eigenaarschap te verwezenlijken in het project. Het is een voorwaarde van de gemeente Bunschoten dat de initiatiefnemer van een lokale windproject – coöperatief als niet-coöperatief – een omgevingsfonds opzet. De wijze waarop dit omgevingsfonds wordt beheerd en de wijze waarop besluitvorming geschiedt wat betreft de besteding van de opbrengsten, wordt opgenomen in het projectvoorstel. De gemeente vindt dat inwoners, die in de nabijheid wonen van een windturbine, recht hebben op een redelijke bewonersvergoeding. De inwoners die hiervoor in aanmerking komen worden middels maatwerk bepaald. De initiatiefnemer dient in het projectvoorstel aan te geven op welke wijze deze vergoeding wordt bepaald.
Voor het bepalen van de sociale grondvergoedingen wordt gebruik gemaakt van een rechtvaardige verdeelsleutel die door de initiatiefnemer en grondeigenaren in het gebied transparant en gemeenschappelijk vastgesteld wordt. De verdeelsleutel wordt vastgesteld voordat de exacte locatie van het lokale energieproject is bepaald. Gemaakte afspraken over financiële participatie worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst bij de vergunningverlening;
Procedure Om uiteindelijk tot een omgevingsvergunning te komen worden de volgende stappen gevolgd: • Verkennend gesprek: eerste gesprek waarin de plannen worden gedeeld en de (on)mogelijkheden worden besproken. • Vooroverleg: bespreken van vragen en aandachtspunten, gericht op het indienen van een principeverzoek. • Indienen principeverzoek: het principeverzoek moet vergezeld gaan met een projectvoorstel. Wanneer wordt afgeweken van de randvoorwaarden zoals door de gemeente gesteld, wordt dit beargumenteerd in het projectvoorstel.
26
•
2.
3. 4.
5.
Beoordeling principeverzoek: de gemeente beoordeelt het voorstel in overleg met ambtenaren vanuit verschillende disciplines, waarbij o.a. wordt gekeken naar de landschappelijke inpassing, het creëren van meerwaarde voor de omgeving (mens en milieu) en participatie. Waar nodig wint de gemeente advies in. • Principebesluit college B&W: besluit over het wel of niet verlenen van medewerking aan het plan. Afhankelijk van de uitkomst kan een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Bij afwijking van het ruimtelijk beleid wordt de uitgebreide procedure gevolgd. • Beoordeling omgevingsvergunning: de raad wordt betrokken en een besluit voorgelegd. Een aanvraag voor een kleinschalig initiatief (zie hoofdstuk 1.3) wordt afgehandeld via het college. Een initiatief achter een projectvoorstel bestaat uit een consortium van minimaal: • Grondeigenaren die bereid zijn de grondposities beschikbaar te stellen die nodig zijn voor het betreffende initiatief. • Eén of meer ontwikkelaars voor een zonneveld of windturbine. • Eén of meer corporaties, verenigingen of stichtingen (in oprichting) die in staat zijn om zowel lokaal eigendom als zeggenschap over de energieproductie door met name inwoners van de gemeente te realiseren. Voorafgaand aan het indienen van het projectvoorstel, wordt de kostenafwikkeling met betrekking tot het project vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
Zodra er voldoende projectvoorstellen zijn ingediend om de ambitie voor duurzame elektriciteit te realiseren, worden nieuwe projectvoorstellen niet beoordeeld. Pas als blijkt dat een reeds ingediend project toch niet doorgaat of gerealiseerd kan worden, dan wordt op volgorde van ontvangst een nog niet in behandeling genomen projectvoorstel alsnog in behandeling genomen. Voor de initiatiefnemer geldt een opruimplicht van de energie-installatie aan het einde van de exploitatie van het lokale energieproject. Deze verplichting wordt vastgelegd in de anterieure overeenkomst bij de vergunningverlening.
27