Overzicht wijzigingen verordening sociaal domein 2026.docx
Tekst van het document
Overzicht wijzigingen verordening sociaal domein 2026 Oude tekst verordening Artikel 2.1.2 Procedure melding Na de melding kan de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling nemen. De gemeente bevestigt de melding per brief/email aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om binnen een week zelf een plan om te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).
Nieuwe tekst verordening Artikel 2.1.2 Procedure melding/aanvraag Na de melding/aanvraag kan de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling nemen. De gemeente bevestigt de melding/aanvraag per brief/email aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner, voor de Jeugdwet kan dit ook een vertrouwenspersoon zijn) en de mogelijkheid om binnen een week zelf een plan om te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).
Artikel 2.5.1 jeugdhulp via arts e.a. 1 De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. 2 De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. 3 Als de jongere of zijn ouders hierom verzoeken stuurt de gemeente een brief. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.
Artikel 2.5.1 jeugdhulp via arts e.a. 1. De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder, als de jeugdhulpaanbieder vindt dat het voor de jongere nodig is om jeugdhulp te krijgen. 2. De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. 3. Als de jongere of zijn ouders hierom verzoeken stuurt de gemeente een brief. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. 4. Jeugdhulp die is gegeven na
een verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts wordt niet door de gemeente betaald als deze hulp komt van een aanbieder zonder contract of subsidie van de gemeente. De gemeente betaalt deze hulp alleen als er voldaan is aan de voorwaarden voor een persoonsgebonden budget (pgb). Als de gemeente vergelijkbare hulp kan laten geven door een aanbieder waarmee zij wél een contract of subsidie heeft, dan kiest de gemeente daarvoor. 5. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en aan de afspraken die met de gemeente zijn gemaakt. Artikel 3.4.10 Loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers 1.Naast de wettelijke loonkostensubsidie kan de gemeente loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die een kwetsbare inwoner in dienst nemen. 2. De loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers bedraagt ten hoogste 50% van de loonkosten gedurende zes maanden met mogelijkheid tot verlenging met nog eens zes maanden. 3. Onder een kwetsbare werknemer kan worden verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indiensttreding gedurende zes maanden geen baan heeft kunnen behouden; b. geen startkwalificatie bezit; c. ouder is dan 50 jaar; d. alleenstaande ouder is; e. de Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst.
4.Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
Artikel 3.4.10 Loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers 1.Naast de wettelijke loonkostensubsidie kan de gemeente loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die een kwetsbare inwoner in dienst nemen. 2. De loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers bedraagt ten hoogste 50% van de loonkosten gedurende zes maanden met mogelijkheid tot verlenging met nog eens zes maanden. 3. Onder een kwetsbare werknemer kan worden verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indiensttreding gedurende zes maanden geen baan heeft kunnen behouden; b. geen startkwalificatie bezit; c. ouder is dan 50 jaar; d. alleenstaande ouder is; e. de Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst. 4.Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
5.De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de kwetsbare werknemer. De loonkostensubsidie wordt ook niet verstrekt als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kwetsbare werknemer ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.
5.De loonkostensubsidie wordt ook niet verstrekt als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kwetsbare werknemer ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.
Geen artikel
3.4.19.Subsidie voor het organiseren van scholing ter verbetering van basisvaardigheden (Taal op de werkvloer) 1. De gemeente kan een subsidie toekennen aan de werkgever voor het organiseren van scholing, met als doel de verbetering van basisvaardigheden van de werknemer. 2. De subsidie is bedoeld voor het organiseren van scholing ter verbetering van de basisvaardigheden, namelijk: a. Taalvaardighedenheden b. Rekenvaardigheden c. Digitale vaardigheden 3. Subsidie voor het organiseren van scholing ter verbetering van basisvaardigheden kan worden verleend als de scholing past bij de kaders in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs 4. De gemeente verleent de subsidie in de vorm van een terugbetaling, na betaling van de scholing door de werkgever.
4.1 uitgangspunten bij het bieden van hulp
4.1 uitgangspunten bij het bieden van hulp lid 1 t/m 6 zijn gelijk gebleven 7
Hulp-op-maat wordt alleen toegekend als verwacht wordt dat de inzet van de hulp-opmaat doeltreffend is. Hulp-opmaat is doeltreffend als het echt bijdraagt aan het oplossen van
8
4.3 hulp-op-maat 1 Indien de hulpvraag niet met vrij toegankelijke hulp en begeleiding vanuit het Sociaal Team kan worden opgelost, kan de gemeente de volgende hulp–op–maat aanbieden: a. een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling. Pleegzorg of gezinshuis heeft hierbij de voorkeur; b. ambulante specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; c. crisiszorg; d. ernstige dyslexiezorg (ED); e. vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdhulp wordt geboden; f. dagbesteding; g. respijtzorg. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts
de hulpvraag en er een bewezen effectieve interventie ingezet wordt als deze beschikbaar is. Hulp-op-maat mag nooit ingezet worden voor een bewezen niet effectieve interventie. Er is sprake van bewezen effectieve interventie als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut, of; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden, of; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);
4.3 hulp-op-maat 1 Indien de hulpvraag niet met vrij toegankelijke hulp en begeleiding vanuit het Sociaal Team kan worden opgelost, kan de gemeente de volgende hulp–op–maat aanbieden: a. een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling. Pleegzorg of gezinshuis heeft hierbij de voorkeur; b. ambulante specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; c. crisiszorg; d. ernstige dyslexiezorg (ED), tot 13 jaar; e. vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdhulp wordt geboden; f. dagbesteding; g. respijtzorg. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een
nodig of een besluit van de gemeente.
medisch specialist of een jeugdarts nodig of een besluit van de gemeente. 2 Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de EDspecialist van het Samenwerkingsverband de Eem op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. 3 Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind naar en van de jeugdhulp. Hierbij wordt twee keer brengen en halen gezien als de eigen mogelijkheden van ouders. Het college verstrekt de vervoersvoorziening alleen als het echt nodig blijkt. Het college kijkt per situatie of het gezin zelf voor het vervoer kan zorgen. Dit is onderdeel van het onderzoek, zie hoofdstuk 2. Als er een andere passende voorziening is waarbij geen vervoer nodig is, krijgt die voorrang op een voorziening waarvoor wél vervoer nodig is.
6.3.1 voorwaarden 1 In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmohulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan. 2 De gemeente kent een pgb toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. 3 Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner kan motiveren waarom een pgb de voorkeur heeft boven hulpop-maat. De inwoner moet motiveren waarom hulp-op-maat door de gemeente voorgestelde aanbieder niet
6.3.1 voorwaarden 1 In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmohulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan. 2 De gemeente kent een pgb toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. Deze taken zijn in ieder geval: a. een duidelijk beeld hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online)
passend is. 4 Een pgb voor beschermd wonen is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan: • De bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden. • De bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappelijke ruimte hebben voor gezamenlijke activiteiten. 5 Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm. 6 Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag bij het pgb. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgbadministratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgbadministratie; d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); e. een eenmalige uitkering; f. kosten voor scholing of lidmaatschappen. 7 De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. b.
Voor activiteiten die normaal door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: i. (sociale) activiteiten
3
4
weten te vinden; c. in staat zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d. voldoende vaardig zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; e. in staat zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat zijn om afspraken te maken en vast te leggen om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j. voldoende kennis hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner motiveert waarom zij de hulp-op-maat die de gemeente aanbiedt niet passend vindt.
Een pgb voor beschermd wonen is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan: De bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden. De bewoners hebben in de accommodatie een
ondernemen met de inwoner; ii. het doen van boodschappen; iii. lichte huishoudelijke taken; iv. eenvoudige hulp bij administratie; v. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met artsen; vi. vervoer naar afspraken met artsen. c. Het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer. d. Uit het door de inwoner ingediende pgbplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. e. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgbbeheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener. f. Er sprake is van formele pleegzorg. g. Er sprake is van crisishulp/crisisopvang/spoedeisende zorg. h. Het een minderjarige betreft die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen of een jongere die is opgenomen in een gesloten accommodatie. i. Er sprake is van bezwaren van overwegende aard. Ter beoordeling daarvan kan het college nadere gegevens inwinnen of van de aanvrager verlangen, waaronder een verklaring omtrent het gedrag (VOG) of diploma’s van de te kiezen zorgverlener. j. De gemeente heeft eerder toepassing gegeven aan artikel 8.1.4 eerste lid, onderdeel a, d en e van de Jeugdwet. k. Een pgb wordt gebruikt om inkomen aan te vullen of om inkomstenderving op te vangen. l. het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland.
5
6
7
gemeenschappelijke ruimte hebben voor gezamenlijke activiteiten. Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm. Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag bij het pgb. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgbadministratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); e. een eenmalige uitkering; f. kosten voor scholing of lidmaatschappen. De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. b. Voor activiteiten die normaal door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: i. (sociale) activiteiten ondernemen met de inwoner; ii. het doen van boodschappen; iii. lichte huishoudelijke taken; iv. eenvoudige hulp bij administratie; v. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met artsen; vi. vervoer naar afspraken met artsen. c. Het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer. d. Uit het door de inwoner
e.
f.
g. h.
i.
j.
k.
ingediende pgbplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgbbeheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener. De beoogde pgb-beheerder is niet in staat om de taken goed uit te voeren, dit is onder andere in de volgende situaties 1°. schuldenproblematiek; 2°. ernstige verslavingsproblematiek; 3°. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; 4°. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 5°. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 6°. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; 7°. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; 8°. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag; Er sprake is van formele pleegzorg. Er sprake is van crisishulp/crisisopvang/spoedeis ende zorg. Het een minderjarige betreft die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen of een jongere die is opgenomen in een gesloten accommodatie. Er sprake is van bezwaren van overwegende aard. Ter beoordeling daarvan kan het college nadere gegevens inwinnen of van de aanvrager verlangen, waaronder een verklaring omtrent het gedrag (VOG) of diploma’s van de te kiezen zorgverlener. Als er twijfels zijn over de
integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de hulp. Dit is in ieder geval als in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag een of meer van de volgende situaties het geval is: a. De zorgverlener heeft fraude gepleegd, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te krijgen b. De zorgverlener is betrokken geweest bij strafbare feiten of heeft overtredingen begaan die de veiligheid en kwaliteit van de hulp in gevaar brengen c. De hulpverlener is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf d. Op basis van een Bibobtoets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. l. De gemeente heeft eerder toepassing gegeven aan artikel 8.1.4 eerste lid, onderdeel a, d en e van de Jeugdwet. m. Een pgb wordt gebruikt om inkomen aan te vullen of om inkomstenderving op te vangen. n. Het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland. 6.3.3 hoogte en tarief pgb 1 De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan pgb. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna de hoogte van het pgb vaststellen. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd. De rest van het artikel is hetzelfde
6.3.3 hoogte en tarief pgb 1 De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan pgb. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. Wat de inwoner met de hulp wil bereiken, hoe en wanneer de inwoner de voortgang beoordeelt. De inwoner legt uit hoe hij er voor zorgt dat de kwaliteit van de hulp-op-maat goed is. En de inwoner motiveert dat hij de taken die horen bij een pgb goed kan uitvoeren. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna de hoogte van het pgb
gebleven
8.2.11. samenloop van gedragingen 1 Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging, tenzij voor het gedrag al een bestuurlijke boete is opgelegd. Als al een bestuurlijke boete is opgelegd, wordt geen verlaging opgelegd. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort. 2 Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is na elkaar opgelegd. 3 Als er voor dezelfde gedraging de bijstand verlaagd kan worden én een boete op grond van de Wet inburgering 2021 opgelegd kan worden, wordt ervoor gekozen de bijstand te verlagen en geen boete op te leggen. Geen artikel
vaststellen. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd. De rest van het artikel is hetzelfde gebleven 8.2.11. samenloop van gedragingen 1 Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging, tenzij voor het gedrag al een bestuurlijke boete is opgelegd. Als al een bestuurlijke boete is opgelegd, wordt geen verlaging opgelegd. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort. 2 Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is na elkaar opgelegd.
8.2.13 Verplichtingen inburgering 1. De inburgeringsplichtige is verplicht om: a. Na de oproep te verschijnen bij de brede intake en hieraan mee te werken; en b. De afspraken in het PIP na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT. 2. De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en
Geen artikel
andere activiteiten van de gevolgde leerroute. 8.2.14 Handhaving verplichtingen bij de brede intake 1. Wanneer de inburgeringsplichtige na de eerste oproep voor de brede intake niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft de gemeente een schriftelijke waarschuwing. De gemeente wijst daarbij op de gevolgen voor de inburgeringsplichtige als hij of zij opnieuw niet verschijnt na een oproep of als hij of zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige opnieuw uit om te verschijnen binnen 2 weken. 2. Wanneer de inburgeringsplichtige na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt de gemeente de inburgeringsplichtige een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering. 3. Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeringsplichtige niet komt of onvoldoende meewerkt. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen 10 werkdagen schriftelijk kenbaar te maken. 4. De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt. 5.
De gemeente legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering als op basis van de reactie van de
Geen artikel
inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is. 6. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de boete rust op betrokkene. Als de gemeente op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt daarmee bij het opleggen van de boete rekening gehouden. 7. In de brief (beschikking) waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen 2 weken alsnog te verschijnen of mee te werken. Wanneer de inburgeringsplichtige hieraan niet voldoet, legt de gemeente weer een boete op met inachtneming van artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering. 8.2.15 Handhaving tijdens het inburgeringstraject 1. De gemeente legt een boete op als de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt. 2. De gemeente legt de asielstatushouder een boete op als hij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute. 3. Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven.
Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen vijf werkdagen schriftelijk kenbaar
Geen artikel
te maken. 4. Mede op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel zijn of haar schriftelijke zienswijze bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. Als er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid stemt de gemeente de hoogte van de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit inburgering. 5. De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt. 8.2.16 Samenhang handhaving Wet inburgering 2021 en de Participatiewet 1. Wanneer een inburgeringsplichtige een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet. Het gaat hierbij om verplichtingen en afspraken anders dan in het aanbod in de MAP. De gemeente legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de wet inburgering 2021 op. 2.
Wanneer een inburgeringsplichtige die een bijstandsuitkering ontvangt zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, legt de gemeente bij voorkeur een boete op grond van de wet inburgering 2021 op. 3. Bij de keuze tussen i)
handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en ii) handhaving op grond van de wet inburgering via een boete weegt de gemeente ook af welke wijze van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde effect, te weten het succesvol voltooien van het inburgeringstraject. 4. Wanneer een gedraging leidt tot een overtreding van de Participatiewet en artikel 18 of 18 b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om af te zien van verlaging van de bijstand, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete op grond van de wet inburgering 2021. 5. In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de wet wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet. 6. De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de wet inburgering 2021 aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5 procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag . Geen artikel
8.2.17 Verrekening boete wet inburgering met bijstandsuitkering 1.De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de wet inburgering 2021 aan de
Hoofdstuk 12
inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5 procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag . Hoofdstuk 12 MAP: module Arbeidsmarkt en Participatie PIP: Persoonlijk plan inburgering en participatie PVT: Participatieverklaringstraject Sociaal netwerk: het sociaal netwerk bestaat uit mensen zoals familie, vrienden, kennissen en bekenden. Mensen die belangrijk zijn voor de jeugdige of zijn ouders en meehelpen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouders.
TOELICHTING 3.4.10loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 3.4.10 geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 3.4.9. De in artikel 3.4.10 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld
3.4.10 loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers. Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 3.4.10 geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 3.4.9. De in artikel 3.4.10 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld
dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet). Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling.
dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet). Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling. Deze regeling kan ook tijdelijk gebruikt worden als aanvullende regeling voor mensen die geplaatst worden op een beschutte werkplek. Het gaat dan om maximaal drie jaar.
6.3.1
Verwijzingen naar de artikelen in overeenstemming gebracht met de voorgestelde aanpassingen aan het artikel. 7.4.2. Doelgroep
7.4.2.Doelgroep Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2023:1788) dat een gemeenteraad in de verordening mag aangeven wat zij onder een laag inkomen verstaat.
Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2023:1788) dat een gemeenteraad in de verordening mag aangeven wat zij onder een laag inkomen verstaat.
In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag.
In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie. In dit artikel wordt met inkomen bedoeld, inkomen zoals beschreven in artikel 32 en 33 van de Participatiewet. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag.
8.2.11 samenloop van gedragingen
8.2.11 Samenloop van gedragingen Verwijderd: Samenloop boete Wet inburgering 2021 en Participatiewet Het kan voorkomen dat er overlap is tussen verplichtingen opgelegd op grond van de Wet inburgering enerzijds en de Participatiewet anderzijds. Te denken valt aan het niet verschijnen bij de aangeboden inburgeringscursus. Of aan het niet deelnemen aan de module arbeidsmarkt en participatie. In dat
geval wordt zowel een verplichting uit het PIP niet nagekomen als de verplichting gebruik te maken van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Ook kan worden gedacht aan het niet voldoen aan de taaleis enerzijds en het niet binnen de driejaarstermijn succesvol afronden van de inburgeringscursus anderzijds. In die gevallen kan in theorie zowel de bijstand worden afgestemd als een boete op grond van de Wet inburgering worden opgelegd. Maar er is voorzien in een samenloopregeling in artikel 27 Wet inburgering 2021.Daarin is bepaald dat een boete achterwege blijft als voor dezelfde gedraging de bijstandsuitkering is verlaagd. Zolang de bijstandsuitkering nog niet is verlaagd, is dus toch een boete op grond van de Wet inburgering 2021 mogelijk. De samenloopregeling is daarom niet sluitend. De inburgeringsboete kan daarna in theorie worden gevolgd door een verlaging van de bijstandsuitkering. Een verlaging zal doorgaans niet worden opgelegd. Dit bijvoorbeeld omdat het tweemaal sanctioneren van dezelfde gedraging niet evenredig is. Om problemen met samenloop te voorkomen, is een aanvulling op de wettelijke samenloopregeling in deze verordening opgenomen.
Geen artikel
8.2.14 Handhaving verplichting bij de brede intake Belangrijk bij de motivatie voor het opleggen van een boete in het kader van de Wet inburgering is: Zorgvuldig onderzoek - Verdiep in de individuele situatie van de inwoner is noodzakelijk Motivatie gebrek aan bereidheid: in het besluit moet aangetoond zijn dat er sprake is van een bewezen en aanhoudend gebrek aan bereidheid om te integreren. Bij de motivering is het belangrijk om in te gaan op de aard en de ernst van de
overtreding (zoals vereist in artikel 5:46 tweede lid, Awb) Een evenredige boete: De hoogte van de boete moet in verhouding staan tot de overtreding. Hierbij moet rekening gehouden zijn met de persoonlijke omstandigheden en de financiële draagkracht van de inwoner. Er is ruimte om bijzondere omstandigheden mee te wegen, bijvoorbeeld wanneer de boete in dat specifieke geval onevenredig zwaar uitpakt. Het is belangrijk om zeer terughoudend te zijn bij het opleggen van een boete bij ‘niet verschijnen brede intake’. De boete voor het niet verschijnen bij de brede intake (artikel 22 Wi2021) is vergelijkbaar met de boete van Duo die inmiddels als onrechtmatig is bestempeld. De reden is dat deze boete als ‘systematisch’ wordt gezien. Om deze reden wordt alleen in uitzonderlijke gevallen een boete opgelegd. Er moet dan zeer goed en individueel gemotiveerd zijn waarom er in die specifieke situatie sprake is van een bewezen en aanhoudend gebrek aan bereidheid tot integratie. Geen artikel
8.2.15 handhaving tijdens het inburgeringstraject Belangrijk bij de motivatie voor het opleggen van een boete in het kader van de Wet inburgering is: Zorgvuldig onderzoek - Verdiep in de individuele situatie van de inwoner is noodzakelijk Motivatie gebrek aan bereidheid: in het besluit moet aangetoond zijn dat er sprake is van een bewezen en aanhoudend gebrek aan bereidheid om te integreren. Bij de motivering is het belangrijk om in te gaan op de aard en de ernst van de overtreding (zoals vereist in artikel 5:46 tweede lid, Awb) Een evenredige boete: De hoogte van de boete moet in verhouding staan tot de
overtreding. Hierbij moet rekening gehouden zijn met de persoonlijke omstandigheden en de financiële draagkracht van de inwoner. Er is ruimte om bijzondere omstandigheden mee te wegen, bijvoorbeeld wanneer de boete in dat specifieke geval onevenredig zwaar uitpakt. 8.2.16 Samenhang handhaving Wet inburgering 2021 en Participatiewet Op grond van het PIP als bedoeld in artikel 15 Wet inburgering 2021 rusten er verplichtingen op een inburgeringsplichtige. Op grond van de Participatiewet rusten er verplichtingen op inburgeringsplichtigen met een bijstandsuitkering. Deze verplichtingen kunnen overlappen. Voor inburgeringsplichtigen met een bijstandsuitkering is een samenloopregeling opgenomen in artikel 27 Wet inburgering 2021. In een situatie waarin sanctionering voor dezelfde gedraging via zowel de Participatiewet als de Wet inburgering 2021 mogelijk is, is een inburgeringsboete niet langer mogelijk als de bijstand eenmaal is verlaagd op grond van artikel 18 of 18b Participatiewet. Zolang de bijstandsuitkering in die situatie niet is verlaagd, kan het college nog wel een boete op grond van de Wet inburgering 2021 opleggen.
Die inburgeringsboete kan dan daarna nog worden gevolgd door een verlaging van de bijstandsuitkering, al zij het wel zo dat er diverse redenen zijn waarom er na een inburgeringsboete doorgaans geen maatregel meer zal volgen (het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4 lid 2 Awb; het afstemmingsbeginsel als bedoeld in artikel 18b lid 7 Participatiewet). Dit artikel geeft duiding aan wanneer het college handhaaft op grond van de
Participatie-wet en wanneer zij handhaaft op grond van de wet. Hiermee wordt dubbele handhaving voor dezelfde gedraging voorkomen. Dit artikel stelt vast dat activiteiten die voor bijstandsgerechtigden worden ingezet voor het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand van de inburgeringsplichtige tot de arbeidsmarkt, bij voorkeur worden gehandhaafd op grond van de Participatiewet. Uitzondering hierop is het aanbod van de MAP. Het handhavingsinstrumentarium uit de Participatiewet kan immers enkel worden ingezet als de verplichting ook voortvloeit uit deze wet. Dit is voor de MAP niet het geval. Overige activiteiten, zoals de PVT, taallessen en activiteiten in het kader van de leerroute, worden gehandhaafd op basis van de wet. Geen artikel
8.2.17 Verrekening boete met inburgering met bijstandsuitkering Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een boete die het college op grond van de wet inburgering aan de inburgeringsplichtige heeft opgelegd, te verrekenen met een eventuele algemene bijstandsuitkering. Hiermee kan worden bereikt dat het college de boete niet met een aanmaning en een dwangbevel (vergelijk artikel 5:10 Awb en artikel 4:117 Awb) hoeft in te vorderen. Artikel 4:93 lid 1 Awb bepaalt dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts geschiedt voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Een raadverordening is een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 4:93 lid 1 Awb. Hoewel de oude Wet inburgering (zoals die luidde tot 1 januari 2013) een apart voorschrift bevatte (artikel 44) op grond waarvan het college de bestuurlijke boete kon verrekenen met algemene bijstand, is een dergelijk voorschrift in de nieuwe
wet niet teruggekeerd. Voorzover bekend is echter niet gebleken dat dit een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Daarom levert de bepaling over de verrekening in deze verordening geen strijd op met de Wet inburgering 2021 en wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 121 van de Gemeentewet.