Overzicht wijzigingen verordening sociaal domein 2025
Tekst van het document
Overzicht wijzigingen verordening sociaal domein 2025 Oude tekst verordening Artikel 1.2 Uitgangspunten 1 zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen;
Nieuwe tekst verordening Artikel 1.2 Uitgangspunten 1 zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te halen en knelpunten van inwoners op te lossen of te verminderen;
1.3 kernwaarden 1 Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de genoemde doelen.
1.3 kernwaarden 1 Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het behalen van de genoemde doelen.
2.2.2 doel en procedure gesprek Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt plaats binnen zes weken na de melding. Voor de Wgs geldt een termijn van vier weken. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.
2.2.2 doel en procedure gesprek Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen wat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt plaats binnen zes weken na de melding. Voor de Wgs geldt een termijn van vier weken. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.
2.2.4 verslag 3 Uit het verslag blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd (plan van aanpak). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn.
2.2.4 verslag Uit het verslag blijkt wat de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden behaald (plan van aanpak). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn.
2.3.3 advisering De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een wel deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.
2.3.3 advisering De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een wel deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. Specifiek voor de jeugdwet geldt dat een medewerker moet beschikken over een geldige SKJ-registratie of een registratie bij de Nederlandse Vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) of het Nederlands Instituut van Psychologen(NIP). Als een
medewerker deze registratie nog niet heeft, dan is er altijd een tweede medewerker betrokken bij de aanvraag die wel beschikt over de juiste registratie. De medewerker werkt volgens de richtlijnen jeugdhulp. Hiermee waarborgt de gemeente dat de medewerkers die aanvragen behandelen, beschikken over de juiste deskundigheid. Het gestelde in dit lid is ook van toepassing op heronderzoek als bedoeld in artikel 8.1.3. Jeugdwet. Specifiek voor de Wmo geldt dat als een deskundige advies uitbrengt, de adviseur beschikt over: Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts; Ergonomische kennis; Bouwkundige/technische kennis; Gedragswetenschappelijke kennis 2.3.4
beoordelen van de aanvraag
2. Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat
de hulpvraag van de inwoner is. De gemeente stelt vast welke wet van toepassing is en of de gemeente verantwoordelijk is. Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn. Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen. Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.
2.3.4 beoordelen van de aanvraag 2. Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is. De gemeente stelt vast welke wet van toepassing is en of de gemeente verantwoordelijk is. Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn. Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen. Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 3 In de jeugdwet wordt stap 4 het bepalen van de eigen mogelijkheden en het
probleemoplossend vermogen genoemd. Zie voor een verdere uitwerking paragraaf 2.3.5.. In paragraaf 2.3.6. wordt de beoordeling van aanwezige gebruikelijke hulp bij hulp op maat Wmo uiteengezet. In bijlage 3, die bij deze verordening hoort, is het afwegingskader opgenomen wat de hulpverleners bij stap 4 gebruiken, zowel voor de jeugdwet als de Wmo. 4 Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt. Was nog geen artikel
2.3.5
Afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Een aanvraag hulp op maat voor jeugdhulp wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. 2. Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft het college als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Zij doen alles wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. 3. Om te bepalen wat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval: a. De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; b. De voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; c. De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders; d. De samenstelling van het gezin en de woonsituatie; e. Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting
f. g. h.
Was nog geen artikel
wordt gedaan; De mogelijkheden van het sociale netwerk om de jeugdige en de ouders te ondersteunen; De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen; Overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden.
2.3.6.Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp 1. Een aanvraag hulp op maat voor Wmo wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de inwoner de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen: b. Door gebruik te maken van zijn eigen kracht; c. Met gebruikelijke hulp van huisgenoten d. Met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk e. Door gebruik te maken van algemene voorzieningen f. Door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten 2. Bij het onderzoek wordt beoordeeld of er gebruikelijke hulp van huisgenoten beschikbaar is. 3. Huisgenoten van de inwoner zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, hun medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het (her)onderzoek. 4. Bij het beoordeling of er gebruikelijke hulp van huisgenoten beschikbaar is (lid 2) wordt voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met: a. De samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten b. De aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten c. De inhoudelijke aard, de omvang en de
complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner d. De beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving e. De mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving f. Overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.
4.5 afstemming met andere vormen van hulp De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties.
4.5 afstemming met andere vormen van hulp De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. De gemeente heeft meerdere overlegtafels waar algemene afspraken over de samenwerking worden gemaakt. Op individueel niveau spreken we met de jongere of zijn ouders wat nodig is. Dit kan bijvoorbeeld een multidisciplinair overleg zijn.
5.2.2
een schone en leefbare woning
5.2.2
1
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden. De hulp-op-maat houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Ook het aanbrengen van structuur in de huishouding, het doen van
1
2
2
een schone en leefbare woning De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden. Een schone en leefbare woning houdt in dat de inwoner gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimtes, gang, trap en overloop. Als een inwoner door de basisvoorziening van een schone een leefbare woning onvoldoende wordt ondersteund, kan aanvullend
3
boodschappen, het zorgen voor eten en drinken, en het wassen, drogen en strijken van kleding, bedden- en linnengoed kan deel uitmaken van de hulp-op-maat. Voor de beoordeling van aanvragen geldt de “Tijdsnormering huishoudelijke taken Bunschoten”, zoals opgenomen in bijlage 1.
6.2 hulp in geld 1 De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald. 2 De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen een kalendermaand nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling. 3 De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een leverancier of een betaling in contant geld, als de inwoner geen bankrekening heeft. 4 De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan
maatwerk zoals bijvoorbeeld wasverzorging, activiteiten benodigd voor de boodschappen of het verzorgen van maaltijden worden ingezet. 3 Bij de inzet van hulp-op-maat wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het sociale netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo hulp-opmaat ingezet. 4 Voor de onderbouwing van de hulp-opmaat maken we gebruik van het “HHM Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022”, zoals opgenomen in bijlage 1. 6.2 hulp in geld
1.
2.
3.
4.
De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald. De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen een kalendermaand nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een leverancier of een betaling in contant geld, als de inwoner geen bankrekening heeft. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is
5
om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd.
6.3.1 Voorwaarden 2. De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. 3 Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner kan motiveren waarom een pgb de voorkeur heeft boven hulp-op-maat. De inwoner moet motiveren waarom hulp-op-maat door de gemeente voorgestelde aanbieder niet passend wordt geacht. 6.3.3 Hoogte en tarief Pgb 1 De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan pgb. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna het pgb vast stellen. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd. 4.De kostprijs mag niet hoger zijn dat wat gebruikelijk is voor de dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura – tarief). Wanneer de offerte hoger is dat dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. 7E.
geschikte woning: de hulp op maat wordt berekend op basis van en de laagste kostprijs in de hand van twee offertes, maar daarbij moet wel worden voldaan aan een programma van eisen. Als de gemeente de hulp op maat regelt door een
5.
gebaseerd. De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd.
6.3.1 Voorwaarden 2. De gemeente kent een pgb toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. 3 Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner kan motiveren waarom een pgb de voorkeur heeft boven hulp-op-maat. De inwoner moet motiveren waarom hulp-op-maat door de gemeente voorgestelde aanbieder niet passend is. 6.3.3 hoogte en tarief Pgb 3 De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan pgb. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna de hoogte van het pgb vast stellen. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd. 4
De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor de dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura –tarief). Wanneer de offerte hoger is dat dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet.
7E. geschikte woning: de hulp op maat wordt berekend op basis van en de laagste kostprijs aan de hand van twee
gecontracteerde aanbieder te vragen, dan is de hoogte van het pgb het bedrag dat de aanbieder rekent.
offertes, maar daarbij moet wel worden voldaan aan een programma van eisen. Als de gemeente de hulp op maat regelt door een gecontracteerde aanbieder te vragen, dan is de hoogte van het pgb het bedrag dat de aanbieder rekent.
6.4.5. lid 5 De inwoner betaalt een eigen bijdrage in de kosten van Wmo-hulp voor de volgende andere voorzieningen: A het schoon en leefbaar houden van de woning voor een mantelzorger van een inwoner (hulp in de huishouding). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. B: collectief taxivervoer: De eigen bijdrage is € 2,75 per zone. Wanneer een inwoner geïndiceerd is voor collectief taxivervoer kan deze tegen gereduceerd tarief gebruik maken van collectief taxivervoer. De eigen bijdrage is dan 1,20 per zone.
6.4.5. lid 5 De inwoner betaalt een eigen bijdrage in de kosten van Wmo-hulp voor de volgende andere voorzieningen: a: collectief taxivervoer: Wanneer een inwoner geïndiceerd is voor collectief taxivervoer kan deze tegen gereduceerd tarief gebruik maken van collectief taxivervoer. De eigen bijdrage is dan € 0,30 per kilometer en een instaptarief van € 1,20. Het college is bevoegd jaarlijks de eigen bijdrage te indexeren en maakt de eigen bijdrage jaarlijks bekend in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.
Geen artikel
7.4.1. Indienen aanvraag individuele inkomenstoeslag Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend via een door het college vastgesteld formulier. 7.4.2. Doelgroep 1. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner: a. die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager of gelijk is aan 100% van de bijstandsnorm, waarbij de kostendelersnorm niet wordt toegepast. De periode voor verblijf in een asielzoekerscentrum telt mee in de 36 maanden en b. Geen zicht heeft op inkomensverbetering, zoals afronding van een opleiding of verkrijgen van werk, en wel alles heeft geprobeerd om meer inkomen te krijgen. 2 Er is uitzicht op inkomensverbetering als: a. Er op de peildatum of in de periode tot en met 12 maanden voorafgaand aan de peildatum een opleiding of studie gevolgd wordt of is gevolgd en met mogelijke aanspraak op studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming op grond van de Wet
7.4.1. Doelgroep 1 De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner: a. die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager of gelijk is aan 100% van de bijstandsnorm, waarbij de kostendelersnorm wel wordt toegepast. en b. Geen zicht heeft op inkomensverbetering, zoals afronding van een opleiding of verkrijgen van werk, en wel alles heeft geprobeerd om meer inkomen te krijgen. 2. Gehuwden of samenwonenden moeten beiden aan alle voorwaarden voldoen.
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. 3 Gehuwden of samenwonenden moeten beiden aan alle voorwaarden voldoen. 7.4.2
hoogte van de toeslag
7.4.3
hoogte van de toeslag
1 De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar met afronding op hele euro’s naar boven: a. voor gehuwden of samenwonenden: 3,2% van de voor hen geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag op jaarbasis. b. voor een alleenstaande: 70% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden c. voor een alleenstaande ouder: 90% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden; 2 Bij gehuwden of samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op individuele inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
1. De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar met afronding op hele euro’s naar boven: a. voor gehuwden of samenwonenden: 3,2% van de voor hen geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag op jaarbasis. b. voor een alleenstaande: 70% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden c. voor een alleenstaande ouder: 90% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden; 2 Bij gehuwden of samenwonenden geldt dat als één van de partners een niet rechthebbende partner is en de andere partner voldoet wel aan de voorwaarden, de partner die aan de voorwaarden voldoet het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. 3 De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld op basis van de dan geldende gehuwdennorm van artikel 21, onderdeel B, Participatiewet. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.
Begrippen
Begrippen
Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld.
Gebruikelijk hulp: Gebruikelijke hulp is de normale hulp, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen en/of huisgenoten elkaar geven. eigen kracht: eigen kracht (Jeugdwet): De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) zelf of met behulp van het sociale netwerk om te voorzien in of bij te dragen aan het oplossen van opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen.
eigen kracht (Wmo): het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen. Peildatum: Datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt. Referteperiode: Periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Uitkeringsgerechtigde: persoon die een uitkering heeft ingevolge de Participatiewet, de Ioaw: (Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers), de Iow (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen) of de Ioaz (Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen). WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten WSF 2000: Wet Studiefinanciering In de Toelichting: 2.3.2. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een voorziening is dus algemeen gebruikelijk als deze: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is en niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten.
4.3.3. advisering De gemeente kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de inwoner en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.
2.3.2. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een voorziening is dus algemeen gebruikelijk als deze: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. 2.3.3. advisering Vanuit de jeugdwet is de gemeente verplicht om te waarborgen dat een medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die hiervoor nodig is. De gemeente waarborgt dit doormiddel van het inzetten van SKJ-geregistreerde, NVO of NIP geregistreerde beroepskrachten. Dit wordt naar aanleiding van recente jurisprudentie nu ook vastgesteld in de verordening. De gemeente kan extern advies inwinnen indien
In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo, artikel 17, tweede lid van de Participatiewet, artikel 7 van de Wgs en artikelen 13, tweede lid van de IOAZ en IOAW is een medewerkingsplicht opgenomen. De inwoner is verplicht aan de gemeente desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
3.6.4. Contact met anderen Personen die geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer kunnen ook onder de Wmo 2015 tegen gereduceerd tarief gebruik maken van de Regiotaxi (ofwel het collectief vraagafhankelijk vervoer). Deze voorziening wordt verstrekt door middel van het beschikbaar stellen van een Wmo-vervoerspas. Met deze pas reist men tegen een gereduceerd tarief tot maximaal 600 zones exclusief opstapzones per jaar. Het is niet mogelijk bij een beroep op deze voorziening keuzevrijheid te bieden. Bij een combinatie van vervoersvoorzieningen valt te denken aan een scootmobiel voor het verplaatsen rondom de woning en middellange afstanden naast een pasje voor collectief vervoer (vervoersdoel middellange en lange afstanden). Het gebruik van openbaar en collectief vervoer heeft het primaat wanneer deze de inwoner in voldoende mate in staat stelt tot participatie. 5.2.2.een schone en leefbare woning Dit artikel spreekt voor zich
dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de inwoner en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo, artikel 17, tweede lid van de Participatiewet, artikel 7 van de Wgs en artikelen 13, tweede lid van de IOAZ en IOAW is een medewerkingsplicht opgenomen. De inwoner is verplicht aan de gemeente desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3.6.4 Contact met anderen Personen die geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer kunnen ook onder de Wmo 2015 tegen gereduceerd tarief gebruik maken van de Regiotaxi (ofwel het collectief vraagafhankelijk vervoer). Deze voorziening wordt verstrekt door middel van het beschikbaar stellen van een Wmo-vervoerspas. Met deze pas reist men tegen een gereduceerd kilometertarief tot maximaal 2400 kilometer per jaar. Het is niet mogelijk bij een beroep op deze voorziening keuzevrijheid te bieden.
Bij een combinatie van vervoersvoorzieningen valt te denken aan een scootmobiel voor het verplaatsen rondom de woning en middellange afstanden naast een pasje voor collectief vervoer (vervoersdoel middellange en lange afstanden). Het gebruik van openbaar en collectief vervoer heeft het primaat wanneer deze de inwoner in voldoende mate in staat stelt tot participatie. 5.2.2.een schone en leefbare woning Een woning is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
Het schoonmaken van buitenruimte bij het huis (ramen, tuinen, balkon etc.) maakt geen onderdeel uit van het schoon en leefbaar houden van een woning. 6.4. Wat is de eigen bijdrage? Op grond van artikel 2.1.4a, derde lid, van de wet kan de gemeente in de verordening bepalen dat het (collectief) vervoer zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van een algemene voorziening niet onder de maximale eigen bijdrage wordt gebracht. De gemeente mag voor deze voorziening zelf een eigen bijdrage bepalen. Voor de algemene voorziening huiselijke hulp voor mantelzorgers, bedoeld om mantelzorgers te ondersteunen, draagt de gemeente maximaal 1,5 uur per week bij. Voor de overige uren is de bijdrage van de inwoner gelijk aan de kostprijs van de aanbieder.
6.4. Wat is de eigen bijdrage? Op grond van artikel 2.1.4a, derde lid, van de wet kan de gemeente in de verordening bepalen dat het (collectief) vervoer in de vorm van een maatwerkvoorziening niet onder de maximale eigen bijdrage wordt gebracht. De gemeente mag voor deze voorziening zelf een eigen bijdrage bepalen. Tekst verwijderd, vanwege verwijderd artikel dat hierover gaat.
7.4. Individuele inkomenstoeslag De hoogte van de bijstand wordt jaarlijks zo vastgesteld dat het genoeg is voor noodzakelijke kosten van bestaan én iets te reserveren voor onvoorziene omstandigheden. Toch kan de financiële positie van mensen, die langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen, onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Voor deze situatie is de individuele inkomenstoeslag in artikel 36 van de Participatiewet opgenomen.
7.4. Individuele inkomenstoeslag De hoogte van de bijstand wordt jaarlijks zo vastgesteld dat het genoeg is voor noodzakelijke kosten van bestaan én iets te reserveren voor onvoorziene omstandigheden. Toch kan de financiële positie van mensen, die langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen, onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Voor deze situatie is de individuele inkomenstoeslag in artikel 36 van de Participatiewet opgenomen.
Om het recht op individuele inkomenstoeslag vast te stellen, wordt gekeken naar de Participatiewet en de regels in deze verordening. In artikel 36 van de Participatiewet is bepaald dat de inwoner: -minimaal 21 jaar moet zijn en niet ouder mag zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd -geen uitzicht heeft op inkomensverbetering -in de laatste 12 maanden geen individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen Daarnaast staat in de Participatiewet dat de artikelen 12, 43, 49 en 52 niet van toepassing zijn. Dit betekent dat:
Om het recht op individuele inkomenstoeslag vast te stellen, wordt gekeken naar de Participatiewet en de regels in deze verordening. In artikel 36 van de Participatiewet is bepaald dat de inwoner: -minimaal 21 jaar moet zijn en niet ouder mag zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd -geen uitzicht heeft op inkomensverbetering -in de laatste 12 maanden geen individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen Daarnaast staat in de Participatiewet dat de artikelen 43, 49 en 52 niet van toepassing zijn. Dit betekent dat:
- de onderhoudsplicht voor ouders voor hun kinderen tot 21 jaar niet geldt; - de toeslag direct na aanvraag toegekend kan worden - de toeslag niet als lening kan worden verstrekt als de inwoner met de toeslag schulden wil aflossen - de toeslag niet als voorschot kan worden verstrekt.
Geen artikel
7.4.1. Doelgroep In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag. Centrale raad van beroep heeft geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2023:1788) dat een
- de toeslag direct na aanvraag toegekend kan worden - de toeslag niet als lening kan worden verstrekt als de inwoner met de toeslag schulden wil aflossen - de toeslag niet als voorschot kan worden verstrekt. Uitvoeringsorganisatie BBS voert de individuele inkomenstoeslag uit voor de drie BBS gemeenten. Zij kunnen, met in achtneming van deze verordening, uitvoeringsregels opstellen. De uitvoeringsregels geven richtlijnen over hoe te handelen in specifieke situaties die niet in de verordening staan beschreven. 7.4.1. Indienen aanvraag individuele inkomenstoeslag Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier of digitaal zodra mogelijk. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. 7.4.2. Doelgroep Centrale raad van beroep heeft geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2023:1788) dat een gemeenteraad in de verordening mag aangeven wat zij onder een laag inkomen verstaat. In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie. Bij een hoger
gemeenteraad in de verordening mag aangeven wat zij onder een laag inkomen verstaat.
inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag.
In het eerste lid onder b is ook bepaald dat er geen zicht mag zijn op een inkomensverbetering. Studenten worden hier expliciet uitgesloten vaan de individuele inkomenstoeslag. De overweging hierachter is dat bij studenten, die zich met hun studie voorbereiden op de beroepspraktijk op hoger niveau, geen sprake is van een gebrek aan zicht op inkomensverbetering.
De overweging bij lid 2 is dat bij studenten, die zich met hun studie voorbereiden op de beroepspraktijk op hoger niveau, geen sprake is van een gebrek aan zicht op inkomensverbetering.
Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet de gemeente rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: - de krachten en bekwaamheden van de persoon, en - de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Gekozen is voor een systematiek waarin sprake is van “geen zicht op inkomensverbetering’, indien voldaan wordt aan de inkomenseis. Er wordt dus teruggekeken. Verder is bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag de inwoner een zelfstandige huishouding moet hebben gevoerd tijdens de referteperiode. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor personen en huishoudens die door een gebrek aan inkomen geen mogelijkheden hebben te reserveren voor vervangingsuitgaven van duurzame gebruiksgoederen. Personen die geen zelfstandige huishouding voeren hebben in veel mindere mate te maken met vervangingsuitgaven. Op grond daarvan is in de verordening bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag er sprake moet zijn van het voeren van een zelfstandige huishouding. Van het voeren van een zelfstandige huishouding is geen sprake als de inwoner inwoont bij een of beide ouders of indien de inwoner langdurig verblijft in een
Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet de gemeente rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: - de krachten en bekwaamheden van de persoon, en - de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Gekozen is voor een systematiek waarin sprake is van “geen zicht op inkomensverbetering’, indien voldaan wordt aan de inkomenseis. Er wordt dus teruggekeken.
In het derde lid staat dat het recht op toeslag bij gehuwden of samenwonenden ontstaat als beiden aan alle voorwaarden voor toekenning voldoen. Zie voor de uitzondering artikel 7.4.3, tweede lid.
AWBZ bekostigde verpleeginrichting. In het tweede lid staat dat het recht op toeslag bij gehuwden of samenwonenden ontstaat als beiden aan alle voorwaarden voor toekenning voldoen. Zie voor de uitzondering artikel 7.4.2, tweede lid. 7.4.2. Hoogte van de toeslag
7.4.3. Hoogte van de toeslag
In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. Voor echtparen is de hoogte vastgesteld op 3,2% van de voor gehuwden geldende bijstandsnorm, afgerond op hele euro’s naar boven. Onder de oude wet waren er toeslagen op de bijstandsnorm voor een alleenstaande en voor alleenstaande ouders. Het nieuwe systeem in de wet is anders (alleenstaande ouders krijgen bijstand naar de norm voor een alleenstaande en een toeslag via de belastingdienst). Daarom wordt er voor de categorieën alleenstaande ouders en alleenstaanden bij de bepaling van de hoogte van de toeslag gekozen voor een afgeleide van de toeslag van echtparen. De hoogte van de toeslag voor een alleenstaande ouder is 90% van de toeslag voor gehuwden en de hoogte van de toeslag voor een alleenstaande is 70% van de toeslag voor gehuwden. Door voor deze vorm te kiezen blijft de verhouding gelijk als onder de oude regeling. Door uit te gaan van een percentage (3,2%) hoeft het bedrag van de toeslag niet jaarlijks aangepast te worden door een apart besluit. De bedragen volgen automatisch de aanpassingen van de normbedragen van de Participatiewet. Om een indruk te geven: momenteel (1 januari 2017) bedraagt 3,2% van de gehuwdennorm op jaarbasis inclusief vakantietoeslag een bedrag van € 540.
In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. Voor echtparen is de hoogte vastgesteld op 3,2% van de voor gehuwden geldende bijstandsnorm, afgerond op hele euro’s naar boven. De hoogte van de toeslag voor een alleenstaande ouder is 90% van de toeslag voor gehuwden en de hoogte van de toeslag voor een alleenstaande is 70% van de toeslag voor gehuwden. Door voor deze vorm te kiezen blijft de verhouding gelijk als onder de oude regeling. Door uit te gaan van een percentage (3,2%) hoeft het bedrag van de toeslag niet jaarlijks aangepast te worden door een apart besluit. De bedragen volgen automatisch de aanpassingen van de normbedragen van de Participatiewet. Om een indruk te geven: momenteel (1 januari 2017) bedraagt 3,2% van de gehuwdennorm op jaarbasis inclusief vakantietoeslag een bedrag van € 540.
Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één
Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het derde lid. De peildatum is de datum waarop een inwoner de individuele inkomenstoeslag aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.
partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid. De peildatum is de datum waarop een inwoner de individuele inkomenstoeslag aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.
Bijlage 1 : vervangen “Tijdsnormering huishoudelijk taken Bunschoten” door “HHM Normenkader Huishoudelijk Ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022” Bijlag 3: Bijlage 3: afwegingskader beoordelen eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere of zijn ouders en/of eigen kracht of gebruikelijke hulp
Uitgangspunten jeugdwet 1. Ouders zijn verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Dit is geregeld in de artikelen 8.2 en 245 van boek 1 van het BW. 2. Ouders houden de regie over de opvoeding van hun kinderen (tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert). In de memorie van toelichting op de Jeugdwet staat dat wordt
uitgegaan van de mogelijkheden en behoeften van de individuele jeugdigen en hun ouders, en dat hulp en ondersteuning aanvullend zijn aan wat ouders en jeugdigen zelf kunnen. 3. Ook staat er dat ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op de eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelfstandig verder kunnen. 4. Het versterken van de eigen kracht kan ook met inzet van vrijwilligers en buurtgenoten worden gestimuleerd. 5. Dit afwegingskader heeft tot doel te bepalen wat de mogelijkheden van de individuele jeugdigen en hun ouders zijn en welke oplossingen ze in kunnen zetten vanuit hun eigen probleemoplossend vermogen. Het afwegingskader wordt ingezet bij stap 4 bij het beoordelen van een aanvraag (artikel 2.3.4.). Uitgangspunten Wmo De gemeente gaat na de vaststelling van de hulpvraag en beantwoording van de vraag welke problemen ondervonden worden bij zelfredzaamheid en participatie, na wat de eigen mogelijkheden van de aanvrager zijn en dat begint met de eigen kracht (artikel 2.3.2, lid 4 sub b). Als besloten wordt een maatwerkvoorziening toe te kennen hoeft dat alleen maar voor zoverre gebruikelijke hulp daarin niet kan voorzien (art. 2.3.5, lid 3). Afwegingskader Om te bepalen of de jongere of zijn ouders in staat zijn om gebruik te maken van de eigen mogelijkheden (Jeugdwet), wordt het volgende in kaart gebracht:
1. Betreft het een normale opvoeduitdaging, zoals beschreven door het Nji? 2. Beschikt één van beide ouders over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden?
3. Is één van beide ouders eventueel in staat om deze vaardigheden aan te leren? 4. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de gezins- en woonsituatie van de jongere en zijn ouder(s); c. de belastbaarheid van ouder(s). Als ouders en/of hulpverleners twijfelen, kan een objectief instrument ingezet worden om dit te beoordelen, zoals de opvoedingsbelastbaarheidsvragenlijst;
d. de beschikbaarheid van ouder(s) en de intensiteit van de hulpvraag. Door vraag 1 tot en met 3 in kaart brengen, krijgt de hulpverlener het antwoord op de vraag of één van beide ouders in staat is om de hulp te bieden. Vraag 4 brengt in kaart of het realistisch is om dit te vragen. Daarbij wordt de volgende afweging gemaakt: Punt a: Duurt de hulpvraag langer dan 6 maanden, uitgezonderd behandeling, dan wordt met ouders overlegd of zij voor deze duur in staat zijn om de hulp te bieden. Duurt de hulpvraag korter dan 6 maanden, dan gaat de gemeente ervan uit dat ouders de hulp zelf bieden. Punt b: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar dit niet kan doordat de gezinswoonsituatie van de ouders dit niet toelaat, kan de hulp niet daadwerkelijk geboden worden en kan
er voor dit deel van de hulpvraag dus geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders. Punt c: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar er sprake is van overbelasting en ouders oorzaken van overbelasting zoveel mogelijk weggenomen hebben, kan voor dit deel van de hulpvraag geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders. Punt d: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar niet beschikbaar zijn voor de ondersteuning, dan verwacht de gemeente dat ouders het belang van hun kind voor het belang van een (werk)carrière stellen en bijvoorbeeld hun werktijden aanpassen, zorgverlof en andere soorten verlof inzetten, gebruik maken van de Wet kinderopvang zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor andere kinderen e.d. Is dit allemaal ingezet en blijft de beschikbaarheid van ouders onvoldoende? Dan kan er voor dit deel van de hulvraag geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders. Om te bepalen of de jongeren of zijn ouders in staat zijn om gebruik te maken van hun eigen probleemoplossend vermogen (jeugdwet) of een volwassene van eigen kracht (Wmo) wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Is het sociaal netwerk in kaart gebracht? 2. Beschikt iemand in het sociale netwerk over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 3. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a.
De duur van de hulpvraag b. De intensiteit van de hulpvraag c. De bereidheid van het netwerk om de hulp te bieden d. De belastbaarheid van het netwerk e. De beschikbaarheid van het netwerk 4. Kan de hulp door een vrijwilliger geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. De duur van de hulpvraag b. De intensiteit van de hulpvraag c. De daadwerkelijke beschikbaarheid van een vrijwilliger 5. Kan de hulp geboden worden door middel van een algemene voorziening. Hierbij wordt rekening gehouden met: a. De duur van de hulpvraag b. De intensiteit van de hulpvraag c. De daadwerkelijke beschikbaarheid van de algemene voorziening 6. Kan voor de benodigde hulp een aanvullende zorgverzekering afgesloten worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. Kan de hulpvraag uitgesteld worden tot ouders daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om een aanvullende zorgverzekering af te sluiten? b. Kan de inwoner een aanvullende zorgverzekering betalen? Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp (Wmo) is de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Om af te wegen of er sprake is van gebruikelijke hulp wordt het volgende in kaart gebracht:
1. Woont er nog iemand anders in hetzelfde huis? 2. Hoe oud is deze persoon? Gaat het om huishoudelijk taken, dan verwacht de gemeente het volgende: -
-
-
Een volwassen huisgenoot van 23 jaar en ouder kan, mits gezond, het huishouden helemaal overnemen. Een volwassen huisgenoot tot 23 jaar kan de huishoudelijke taken voor 1 persoon overnemen: De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, schoonhouden van keuken en één slaapkamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Een jeugdige tot 5 jaar hoeft niet mee te helpen met het huishouden Een jeugdige van 5 tot 12 jaar helpt, als hij dat kan, mee met lichte huishoudelijke taken zoals opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien Een jeugdige van 13 tot 18 jaar kan naast deze taken ook hun eigen kamer opruimen, stofzuigen en zijn eigen bed verschonen.
Gaat het om andere hulp? Dan wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Wat is de relatie tussen de huisgenoten? 2. Beschikt de huisgenoot over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 3. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: b. De duur van de hulpvraag c. De intensiteit van de hulpvraag d. De belastbaarheid van de huisgenoot e. De beschikbaarheid van de huisgenoot Daarbij verwacht de gemeente dat: -
Een levenspartner de volledige administratie overneemt Een levenspartner ondersteunt bij het plannen en organiseren van de week
Overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen. Onderstaand overzicht, uit ‘Opgroeien en opvoeden’ van het NJi, is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt. Leeftijd 0–2 jaar
Belangrijkste milieus Gezin Opvang
Ontwikkelingstaken
Opvoedingsopgaven Normale uitdagingen
• Veilige hechting; • Lichaamsbeheersing; • Exploratie & spelen;
• Soepele verzorging; • Sensitief en
• Voedingsproblemen; • Slaapproblemen; • Scheidingsangst;
• Autonomie en individuatie.
2–4 jaar
Gezin Buurt Opvang Media
4–6 jaar
Gezin Basisschool Opvang Verenigingen Mediaomgevin g
6 – 12 jaar
Gezin Opvang School Verenigingen Peergroep Mediaomgevin
• Representationele vaardigheid; • Taalvaardigheid en denkontwikkeling; • Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag); • Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; • Socialisatie; • Zelfredzaamheid; • Sekserol-identificatie • Schoolse vaardigheden; • Taal- en denkontwikkeling; • Executieve vaardigheden (zelfsturing); • Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels; • Vriendschappen sluiten; • Ontwikkeling gewetensontwikkeling / schaamtegevoelens; • Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen). • Vergroten zelfstandigheid; • Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen
responsief reageren op gedrag van het kind; • Letterlijk beschikbaar zijn; • Structuur bieden; • Ruimte geven voor exploitatie; • Spelen en praten; • Ontwikkeling stimuleren. • Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren); • Respect voor autonomie én grenzen stellen; • Bevorderen zelfsturing (impulscontrole).
• Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Incidenteel huilen.
• Aanmoedigen sociaal gedrag; • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; • Mediaopvoeding; • Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie); • Loslaten en vertrouwen geven.
• Niet gegronde angsten; • Ruzies met leeftijdgenoten; • Zindelijkheid; • Schoolweigering; • Gebrek zelfsturing.
• Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); • Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden,
• Ruzies, pesten; • Concentratie problemen; • Laag prestatieniveau; • Niet naar school
• Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Koppigheid; • Driftbuien; • Agressie; • Ongehoorzaamheid; • Druk gedrag; • Niet zindelijk zijn; • Zeuren/driftbuien om beeldschermgebruik.
g
12 – 16 jaar
Gezin School Verenigingen Peergroep Mediaomgevin g Werkkring
16 – 23 jaar
Gezin School Verenigingen Peergroep Internetgroep Werkkring
sociale media); • Schoolse vaardigheden; • Internet en sociale media vaardigheden; • Acceptatie door leeftijdgenoten; • Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen.
• Emotionele en praktische zelfstandigheid; • Ontwikkeling waardensysteem; • Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader; • Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; • Seksualiteit; • Omgang met sociale media en gevaren onderkennen; • Onderwijs en beroepsvoorbereiding. • Overgang van jeugd naar volwassenheid; • Loskomen van ouderlijk gezag; • Ontwikkeling eigen waarden en normen; • Onafhankelijkheid; • Duurzame relaties aangaan.
contacten); • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; • Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties. • Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen; • Toezicht houden; • Emotionele beschikbaarheid; • Tolerantie voor experimenten; • leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen; • Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag.
willen; • Incidenteel stelen of vandalisme; • Overmatig gamen/ televisie/ Netflix; • Cyberpesten.
• Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; • Emotionele, financiële en praktische steun; • Eigen keuzes en beslissingen laten maken; • Accepteren seksuele keuzes.
• Stemmingswisselingen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten.
• Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; • Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; • Wisselend humeur; • Incidenteel spijbelen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten; • Overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).