CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgekeerde verordening Sociaal Domein 2026 .docx

Gemeenteraad 12 februari 2026, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1228455 Verordening Sociaal domein 202640.871 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Omgekeerde Verordening Sociaal Domein gemeente Bunschoten 2026

Versie januari 2026

Verordening sociaal domein

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9. Hoofdstuk 10. Hoofdstuk 11. Hoofdstuk 12.

inleiding omgekeerde verordening......................................................3 de hulpvraag........................................................................................5 werk en participatie...........................................................................11 gezond en veilig opgroeien...............................................................21 wonen in een veilige en gezonde omgeving.....................................24 de vorm van de hulp..........................................................................27 inkomen en schulden........................................................................32 afspraken tussen inwoner en gemeente...........................................37 Adviesraad Sociaal Domein..............................................................46 kwaliteit en aanbesteding..................................................................48 van oud naar nieuw..........................................................................49 begrippen.........................................................................................51 Bijlage 1 HHM Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022........................................................................................57 Bijlage 2 Erkenningseisen Jobcoach 2023.......................................58 Bijlage 3

Afwegingskader beoordelen eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere of zijn ouders en/of eigen kracht of gebruikelijke hulp........................................................................................................59 Algemene toelichting.........................................................................73 Artikelsgewijze toelichting.................................................................75 Hoofdstuk 1. inleiding toelichting............................................................................75 Hoofdstuk 2. de hulpvraag......................................................................................76 Hoofdstuk 3. werk en participatie...........................................................................82 Hoofdstuk 4. gezond en veilig opgroeien...............................................................93 Hoofdstuk 5. wonen in een veilige en gezonde omgeving.....................................95 Hoofdstuk 6. de vorm van de hulp..........................................................................98 Hoofdstuk 7. inkomen en schulden.................................................103 Hoofdstuk 8. afspraken tussen inwoner en gemeente....................107 Hoofdstuk 9. Adviesraad Sociaal Domein.......................................121 Hoofdstuk 10.

kwaliteit en aanbesteding.........................................124 Hoofdstuk 11. van oud naar nieuw..................................................125

2

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 1. inleiding omgekeerde verordening Deze verordening geeft gemeentelijke regels van de gemeente Bunschoten over de volgende onderwerpen:  Werken en participeren  Uitkeringen  Schuldhulpverlening  Gezond en veilig opgroeien, en  Wonen in een veilige en gezonde omgeving.

1.1 waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat:  mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;  mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;  mensen hun financiën op orde hebben;  mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;  mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; en  kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:  Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ;  Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);  Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);  Jeugdwet;  Gemeentewet; en  Wet inburgering 2021. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld. De Adviesraad Sociaal Domein heeft over deze regels een advies gegeven.

1.2 uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: 1 zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te halen en knelpunten van inwoners op te lossen of te verminderen; 2 zijn goed leesbaar; 3 regelen niet meer dan nodig is; 4 houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; 5 kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; 6 zijn onderling afgestemd op elkaar; 7 respecteren de wettelijke regels, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen.

1.3 kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: 1 Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het behalen van de genoemde doelen. 3

Verordening sociaal domein

2 3 4

Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk). Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving.

Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 12.

1.4 artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Niet alle wetten zijn op ieder artikel van toepassing. Dat verschilt per artikel. Per artikel is aangegeven welke wetten op dat artikel van toepassing zijn.

4

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 2. de hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Dit is de standaardprocedure. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route. Die wordt aan het einde van dit hoofdstuk genoemd. Hoe de gemeente omgaat met signalen en hulpvragen van andere personen over inwoners die hulp nodig hebben, wordt hier niet beschreven.

2.1 Stap 1: melding bij de gemeente 2.1.1 indienen hulpvraag Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen:  Schriftelijk;  Mondeling;  Telefonisch;  Digitaal.

2.1.2 procedure melding/aanvraag Na de melding/aanvraag kan de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling nemen. De gemeente bevestigt de melding/aanvraag per brief/email aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner, voor de Jeugdwet kan dit ook een vertrouwenspersoon zijn) en de mogelijkheid om binnen een week zelf een plan om te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).

5

Verordening sociaal domein

2.1.3 gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen 7 dagen te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.

2.2 Stap 2: gesprek na de melding 2.2.1 uitnodiging voor gesprek Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is.

2.2.2 doel en procedure gesprek Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen wat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt plaats binnen zes weken na de melding. Voor de Wgs geldt een termijn van vier weken. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.

2.2.3 inhoud gesprek 1

2

De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker: a. de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect? c. de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? d. de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden? De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.

2.2.4 verslag 1 2 3 4 5

Zo spoedig mogelijk na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner een verslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner. Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het verslag, waardoor het verslag vertraging oploopt, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd. Uit het verslag blijkt wat de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden behaald (plan van aanpak). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit binnen zeven dagen naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen. Als de inwoner hulp-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag dan als een aanvraag.

6

Verordening sociaal domein

2.3 Stap 3: aanvraag 2.3.1 aanvraag 1

2 3

Na de melding en na een gesprek met een medewerker van de gemeente, kan de inwoner een aanvraag indienen volgens de regels die daarvoor gelden. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan betreft. De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente. Een aanvraag wordt ingediend bij de gemeente of bij een van de uitvoerders van de gemeente.

2.3.2 aanvraag voor hulp-op-maat 1

2 3 4

Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan kent de gemeente die hulp toe in de volgende situatie: a. De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de 1.1. genoemde wetten te bereiken; b. De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met behulp van andere voorzieningen of organisatie; c. De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in de verordening extra voorwaarden gesteld. De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die passend is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij deze had kunnen voorzien. De gemeente kan hulp-op-maat ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. Als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (onevenredig nadeel ervaart), dan kan de gemeente de hulp-op-maat wel toekennen.

2.3.3 advisering De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een wel deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. Specifiek voor de Jeugdwet geldt dat een medewerker moet beschikken over een geldige SKJ-registratie of een registratie bij de Nederlandse Vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) of het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Als een medewerker deze registratie nog niet heeft, dan is er altijd een tweede medewerker betrokken bij de aanvraag die wel beschikt over de juiste registratie. De medewerker werkt volgens de richtlijnen jeugdhulp. Hiermee waarborgt de gemeente dat de medewerkers die aanvragen behandelen, beschikken over de juiste deskundigheid. Het gestelde in dit lid is ook van toepassing op heronderzoek als bedoeld in artikel 8.1.3. Jeugdwet. Specifiek voor de Wmo geldt dat als een deskundige advies uitbrengt, de adviseur beschikt over: - sociaal-medische kennis op het niveau van een arts; - ergonomische kennis; - bouwkundige/technische kennis; - gedragswetenschappelijke kennis. 7

Verordening sociaal domein

2.3.4 beoordelen aanvraag 1

2

3

4

Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: a. de behoeften van de inwoner; b. de (on)mogelijkheden van de inwoner; c. de persoonlijke situatie van de inwoner; d. de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente. Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is. De gemeente stelt vast welke wet van toepassing is en of de gemeente verantwoordelijk is Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn. Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen. Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. In de Jeugdwet wordt stap 4 het bepalen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen genoemd. Zie voor een verdere uitwerking paragraaf 2.3.5. In paragraaf 2.3.6. wordt de beoordeling van aanwezige gebruikelijke hulp bij hulp op maat Wmo uiteengezet.

In bijlage 3, die bij deze verordening hoort, is het afwegingskader opgenomen wat de hulpverleners bij stap 4 gebruiken, zowel voor de Jeugdwet als de Wmo. Voor iedere stap geldt dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

2.3.5 afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Een aanvraag hulp op maat voor jeugdhulp wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. 2. Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft het college als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Zij doen alles wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. 3. Om te bepalen wat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval: a. De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; b. De voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; c. De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders; d. De samenstelling van het gezin en de woonsituatie; e. Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan; f. De mogelijkheden van het sociale netwerk om de jeugdige en de ouders te ondersteunen; g.

De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen;

8

Verordening sociaal domein

h. Overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden.

2.3.6 beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp 1. Een aanvraag hulp op maat voor Wmo wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de inwoner de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen: a. Door gebruik te maken van zijn eigen kracht; b. Met gebruikelijke hulp van huisgenoten c. Met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk d. Door gebruik te maken van algemene voorzieningen e. Door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten 2. Bij het onderzoek wordt beoordeeld of er gebruikelijke hulp van huisgenoten beschikbaar is. 3. Huisgenoten van de inwoner zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, hun medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het (her)onderzoek. 4. Bij het beoordeling of er gebruikelijke hulp van huisgenoten beschikbaar is (lid 2) wordt voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met: a. De samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten b. De aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten c. De inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner d.

De beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving e. De mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving f. Overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

2.3.7 beslistermijn 1 2

De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen acht weken nadat de melding/aanvraag is ontvangen of het eerste gesprek heeft plaatsgevonden. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.

2.4 Stap 4: beslissing 2.4.1 inhoud besluit 1

2

De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is; 9

Verordening sociaal domein

3

4

5

b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c. hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en d. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. Geeft de gemeente hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. waarvoor het pgb bedoeld is; b. hoe hoog het pgb is; c. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; d. hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en e. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. voor welk doel het geld wordt gegeven; b. wanneer het geld wordt betaald; c. hoe vaak het geld wordt betaald; en d. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten. Dit is de eigen bijdrage, zoals opgenomen in hoofdstuk 6, onder 6.4.

2.4.2 verval van recht Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen drie maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.

2.5 uitzonderingen 2.5.1 jeugdhulp via arts e.a. 1

2 3 4

5

De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder, als de jeugdhulpaanbieder vindt dat het voor de jongere nodig is om jeugdhulp te krijgen. De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. Als de jongere of zijn ouders hierom verzoeken stuurt de gemeente een brief. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. Jeugdhulp die is gegeven na een verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts wordt niet door de gemeente betaald als deze hulp komt van een aanbieder zonder contract of subsidie van de gemeente. De gemeente betaalt deze hulp alleen als er voldaan is aan de voorwaarden voor een persoonsgebonden budget (pgb). Als de gemeente vergelijkbare hulp kan laten geven door een aanbieder waarmee zij wél een contract of subsidie heeft, dan kiest de gemeente daarvoor. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en aan de afspraken die met de gemeente zijn gemaakt.

2.5.2 spoedeisende gevallen 1

In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan afwijken van de normale procedure als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente: a. het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; c. het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; of

10

Verordening sociaal domein

d. het verstrekken van een voorschot op een uitkering of tegemoetkoming die nog niet is toegekend.

Hoofdstuk 3. werk en participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering worden geholpen bij het vinden van passend werk als zij kunnen werken. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. Deze voorzieningen moeten op een goede manier worden verdeeld over verschillende doelgroepen. Hoe de voorzieningen worden verdeeld, wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de inwoners. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert.

3.1 doelgroep De gemeente helpt de volgende inwoners op weg naar werk: 1 inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden. 2 Inwoners met een indicatie voor beschut werk en/of opgenomen in het Doelgroepenregister. 3 inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven. 4 jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo of vwo-diploma of mbodiploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg.

11

Verordening sociaal domein

3.2 samenwerking 1 2

De gemeente werkt samen met UWV, regiogemeenten en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden. De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers ondersteund worden als zij inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk willen aanbieden.

3.3 budget 1 2 3

De gemeente kan subsidie- en budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen; De gemeente kan een plafond vaststellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening; Als het plafond is bereikt, verstrekt de gemeente geen voorziening meer. De gemeente kan dan nog wel advies of sollicitatietrainingen geven.

3.4 evenwichtige verdeling en evaluatie 1 2 3

4

5

6

7 8

De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de positie op de arbeidsmarkt. Voor inwoners met een grote kans op betaald werk wordt andere hulp ingezet dan voor inwoners met een kleine kans op betaald werk. De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. Alle voorzieningen die genoemd worden in de verordening kunnen ingezet worden voor de doelgroep. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is, beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen, de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk en de beschikbaarheid van voldoende budget. De gemeente kan een voorziening weigeren als: a. de persoon niet tot de doelgroep hoort b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek c. de persoon een beroep kan doen op een voorliggende voorziening d. de voorziening onvoldoende bijdraagt aan het vinden van een baan. e. er niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden van de voorziening. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a.

de persoon die aan de voorziening deelneemt, niet behoort tot de doelgroep b. de persoon aan het werk gaat waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, c. de voorziening niet helpt bij het snel vinden van werk d. de voorziening niet geschikt is voor een persoon e. de persoon onvoldoende gebruik maakt van de voorziening f. de persoon voldoet niet meer aan de voorwaarden die gesteld worden voor de voorziening. De gemeente biedt de beste voorziening aan tegen de laagste kosten. De gemeente houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen in kader van het sociaal domein en stemt dit aanbod af, zodat dit bijdraagt aan optimale integrale dienstverlening. De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de re-integratie in de praktijk. Het verslag wordt ter informatie verstuurd naar het cliëntenpanel en/of Adviesraadraad Sociaal domein. In het verslag staat informatie over het bijstandsvolume, uitstroomcijfers en cijfers met betrekking tot de banenafspraak en beschut werk. 12

Verordening sociaal domein

VOORZIENINGEN

3.4.1 sollicitatie activiteiten De gemeente organiseert jaarlijks verschillende activiteiten om een inwoner aan een baan te helpen, zoals begeleiding bij solliciteren, een banenmarkt en speeddates met werkgevers.

3.4.2 scholing 1 2 3

De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken. Het scholingstraject moet de baankans aanzienlijk vergroten. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.

3.4.3 nazorg De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, gedurende een termijn van zes maanden nadat de uitkering is beëindigd, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen.

3.4.4 tegemoetkoming kinderopvang 1

2

Inwoners komen in aanmerking voor een tegemoetkoming kinderopvang: a. als de inwoner zoals afgesproken in het verslag meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, of b. een inwoner die op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft, en c. opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner of er geen sprake is van een andere voorliggende voorziening. Kosten van kinderopvang die voor rekening van de inwoner blijven en niet via de Belastingdienst Toeslagen (Kinderopvangtoeslag) worden vergoed, worden door de gemeente vergoed. Een inkomensafhankelijke eigen bijdrage is mogelijk als kinderopvang nodig is op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang.

3.4.5 proefplaatsing 1 2 3 4

5

De gemeente kan met enige terughoudendheid een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. Het doel van de proefplaatsing is het krijgen van een betaalde baan waar de persoon langere tijd kan werken (duurzame uitstroom). Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal zes maanden, zonder proeftijd, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. De gemeente biedt de proefplaatsing alleen aan als: a. de verwachting is dat de proefplaatsing leidt tot werk voor een langere periode. b. de werkgever de inwoner goed begeleidt. c. de werkgever de intentie uitspreekt om de inwoner na een geslaagde proefplaatsing een arbeidsovereenkomst aan te bieden. d. de werkzaamheden passend zijn, gelet op de vaardigheden en capaciteiten van de inwoner. e. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. f. De werkzaamheden van de inwoner niet eerder beloond zijn door de werkgever. De proefplaatsing duurt maximaal twee maanden en kan met maximaal vier maanden worden verlengd, als dat voor de werkgever noodzakelijk is om een goed beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner.

13

Verordening sociaal domein

6 7 8

Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor het toepassen van de maximale periode niet meegeteld. Een proefplaatsing kan niet ingezet worden als er na de proefplaatsing direct sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie. De proefplaatsing kan niet worden ingezet als de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk.

3.4.6 sociale activering 1 2 3 4 5

De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichterbij werk brengen. Dit heet sociale activering. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. De gemeente stelt de duur en de werkzaamheden af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner. Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. Werkzaamheden als lid van een stembureau ziet de gemeente ook als een vorm van sociale activering. De vrijwilligersvergoeding die een persoon hiervoor ontvangt, stelt de gemeente gelijk aan de reguliere vrijwilligersvergoeding. Dit betekent dat deze niet in mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering voor zover de maximale vrijlating voor vrijwilligersvergoedingen in een jaar nog niet is bereikt.

3.4.7 participatieplaats 1

2

3 4

De gemeente kan een inwoner die algemene bijstand ontvangt en weinig kans heeft op werk een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties De gemeente verstrekt € 50,- premie per zes maanden aan personen die gebruik maken van een participatieplaats.

3.4.8 werkgeverssubsidie 1 2 3 4 5

De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke werkgeverssubsidie geven. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. De subsidie wordt niet verstrekt als er voor dezelfde werknemer een loonkostensubsidie of andere financiële tegemoetkomingen worden verstrekt. De gemeente kan nadere regels stellen over: a. de specifieke doelgroepen waarvoor subsidie kan worden verstrekt; b. de hoogte en duur van de subsidie; c. het recht op de subsidie in relatie tot de omvang van de dienstbetrekking; d. de wijze van betaalbaar stellen; e. het maximaal aantal/het maximale bedrag aan te verstrekken subsidies per werkgever.

14

Verordening sociaal domein

3.4.9 loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking 1 2 3

4 5

6 7

De gemeente kent de werkgever een loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de methode toe om dit te beoordelen. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd. Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient voor wettelijke loonkostensubsidie, bevestigt de gemeente de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer de aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als de inwoner niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort gedaan door middel van de Praktijkroute.

De loonwaarde wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, tenzij in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend. De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. Meer informatie staat op www.normaalstezaak.nl.

3.4.10 loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers 1 Naast de wettelijke loonkostensubsidie kan de gemeente loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die een kwetsbare inwoner in dienst nemen. 2 De loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers bedraagt ten hoogste 50% van de loonkosten gedurende zes maanden met mogelijkheid tot verlenging met nog eens zes maanden. 3 Onder een kwetsbare werknemer kan worden verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indiensttreding gedurende zes maanden geen baan heeft kunnen behouden; b. geen startkwalificatie bezit; c. ouder is dan 50 jaar; d. alleenstaande ouder is; e. de Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst. 4 Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5 De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kwetsbare werknemer ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.

3.4.11 1

2 3 4

beschut werk

De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het Rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. De gemeente biedt de volgende mogelijkheden aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; 15

Verordening sociaal domein

5

c. aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: a. arbeidsmatige dagbesteding, zoals bedoeld in artikel 3.6.1. van deze verordening; b. sociale activering; c. scholing

3.4.12 persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1 2

3 4 5 6 7

8

De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een inwoner met een arbeidsbeperking. De gemeente stelt de volgende voorwaarden voor persoonlijke ondersteuning en overige voorzieningen: a. de persoon behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en is minimaal achttien jaar oud, tenzij de inwoner VSO/PRO onderwijs heeft gevolgd; b. de inwoner kan zonder deze ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstverband aan van minimaal zes maanden; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die standaard bij de werkgever gebruikt wordt of algemeen aanwezig is in de organisatie; f. er is geen sprake van een werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd; g. de kosten van de voorziening(en) zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering moet opwegen tegen de opbrengsten. Een aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan worden ingediend bij de gemeente door de inwoner en zijn werkgever. Er kan hiervoor een aanvraagformulier worden vastgesteld. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag. De gemeente kan een deskundig oordeel en advies inwinnen als dit de beoordeling van een aanvraag mogelijk maakt.

De gemeente bepaalt, in overleg met de inwoner en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening het beste kan bijdragen aan het goed uitvoeren van het werk van de inwoner. De gemeente onderzoekt, wanneer de persoonlijke situatie van de inwoner daarom vraagt, welke mogelijkheden er zijn tot samenwerking met verschillende partijen, onder meer op het gebied van jeugdhulp, onderwijs, (publieke) gezondheid en schuldhulpverlening. Dit om de inwoner een zo goed mogelijke afgestemde integrale dienstverlening aan te kunnen bieden, met als doel de mogelijkheden tot het verrichten van werk te vergroten. In een beschikking voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is in ieder geval opgenomen: a. welke ondersteuning wordt gegeven; b. de hoogte van de vergoeding als een vergoeding wordt gegeven; c. duur en intensiteit; d. de startdatum; e. als iets anders wordt toegekend dan aangevraagd, wordt dit gemotiveerd met een reden.

3.4.13 hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider 1 De gemeente kan een inwoner op de werkplek een jobcoach aanbieden door middel van een jobcoach die werkzaam is bij de gemeente of in opdracht werkt van de gemeente. Een jobcoach kan ook worden ingezet bij een proefplaats of een leer-werktraject. Een jobcoach kan ook ingezet worden bij het ondersteunen van vinden van werk of onderwijs. Wel moet de gemeente hier vooraf toestemming voor geven. 2 De gemeente kan, op aanvraag, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider. Als de 16

Verordening sociaal domein

inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen uitvoeren, kan de gemeente een vergoeding geven aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan de interne werkbegeleiding. De gemeente kan een training aanbieden aan medewerkers om hen in staat te stellen aan personen tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. 3 De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 8 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. Altijd worden individuele omstandigheden gewogen, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit worden gewogen. 4 Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt moet werknemer op de hoogte zijn van de aanvraag en instemmen met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding. 5 Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen. 6 De jobcoach of interne werkbegeleiding stemt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever af en legt dit vast in een plan van aanpak. 7 De gemeente bepaalt de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden, de intensiteit in duur en aantal uren en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever.

Afstemming is aanwezig met werkgever en werknemer. 8 Om te bepalen hoeveel uur jobcoaching in te zetten wordt gebruik gemaakt van de begeleidingsregimes licht (3%), midden (6%) en zwaar (10%. Er wordt minimaal één keer per jaar geëvalueerd. Naar aanleiding hiervan kan de intensiteit van de jobcoaching aangepast worden. 9 De gemeente kan van de begeleidingsregimes afwijken en maatwerk leveren, wanneer dit aansluit bij de persoonlijke behoeften en omstandigheden van de inwoner. 10 Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de bijlage (Erkenningseisen Jobcoach 2023). 11 Het college maakt jaarlijks de maximumtarieven voor jobcoaching bekend. Het tarief van de interne jobcoach is altijd 50% van het maximale tarief van de externe jobcoach. 12 Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de eisen van het coachingsplan, welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren en hoe de evaluatie plaatsvindt.

3.4.14 ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening 1 De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in vergoeding in geld worden verstrekt. 2 De gemeente biedt de vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer 3 De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4 De gemeente brengt een eventueel bedrag dat verstrekt wordt door de werkgever voor de vervoersvoorziening aan de werknemer, in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

3.4.15

ondersteuning bij een motorische handicap

1 De gemeente kan hulp of ondersteuning bieden voor bepaalde taken die de persoon door een motorische handicap (moeite met bewegen) niet kan doen.

17

Verordening sociaal domein

3.4.16 ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening 1 De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen als dit noodzakelijk is voor de persoon om te kunnen werken. 2 Er is geen volledige lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als is aangetoond dat het noodzakelijk is om te kunnen werken. 3 De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan de medewerker besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.

3.4.17 1

ondersteuning bij werkplekaanpassingen

De gemeente kan een werkplekaanpassing toekennen als dit noodzakelijk is voor de persoon om te kunnen werken.

3.4.18

ondersteuning bij een visuele handicap

1 De gemeente kan hulp of ondersteuning bieden voor bepaalde taken die de persoon door een visuele beperking (niet goed kunnen zien) niet kan doen.

3.4.19 Subsidie voor het organiseren van scholing ter verbetering van basisvaardigheden (Taal op de werkvloer) 1. De gemeente kan een subsidie toekennen aan de werkgever voor het organiseren van scholing, met als doel de verbetering van basisvaardigheden van de werknemer. 2. De subsidie is bedoeld voor het organiseren van scholing ter verbetering van de basisvaardigheden, namelijk: a. Taalvaardighedenheden b. Rekenvaardigheden c. Digitale vaardigheden 3. Subsidie voor het organiseren van scholing ter verbetering van basisvaardigheden kan worden verleend als de scholing past bij de kaders in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs 4. De gemeente verleent de subsidie in de vorm van een terugbetaling, na betaling van de scholing door de werkgever.

3.5 tegenprestatie 3.5.1 doel van de tegenprestatie 1 2

De gemeente vereist een tegenprestatie als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner.

3.5.2 duur en omvang tegenprestatie De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht, wordt opgenomen in het verslag. Hier worden de volgende voorwaarden aan gesteld: 1 De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten; 2 De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie; 3 Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd. 18

Verordening sociaal domein

3.5.3 voorwaarden tegenprestatie 1 2

Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid en eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie.

3.6 meedoen in de samenleving Inwoners die vanwege een beperking, een psychisch of psychosociaal probleem hulp nodig hebben om mee te doen in de samenleving (participatie), kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Zij moeten wel aan de voorwaarden van artikel 2.3.2. voldoen. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij in staat zijn om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente kan in ieder geval de volgende vormen van hulp geven:

3.6.1 dagbesteding 1 2

De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn om de dag goed in te vullen, hulp-op-maat kunnen krijgen (dagbesteding). De hulp-op-maat houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten onder begeleiding, voor een aantal dagdelen per week.

3.6.2 persoonlijke begeleiding De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten te doen, hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden bij deze activiteiten (persoonlijke begeleiding). Het betekent, dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner help om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over.

3.6.3 rolstoel 1 2

De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet voldoende kunnen verplaatsen in en om de woning, hulpopmaat kunnen krijgen. De hulpopmaat houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik door de inwoner. De rolstoel kan bestaan uit een handmatig of elektronisch voortbewogen rolstoel en voor zowel binnen als buitengebruik geschikt zijn.

3.6.4 contact met anderen 1 2 3

De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulpop-maat kunnen krijgen. De gemeente kijkt eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met het openbaar vervoer of collectief taxivervoer. De hulpopmaat houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis, zodat ze mee kunnen doen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. Die hulp kan bestaan uit: a. de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer; b. een taxi; c. een scootmobiel; of d. het gebruikmaken van een vervoersvoorziening.

19

Verordening sociaal domein

4 5

6

Een combinatie van deze voorzieningen kan tot de mogelijkheid behoren als er verschillende afstandsdoelen zijn. Het moet gaan om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of c. het vervoer naar de plek waar de inwoners deelnemen aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen. Een voorziening voor woon-werk verkeer en zakelijk verkeer is uitgesloten.

3.7 meedoen aan sportactiviteiten Voor sportactiviteiten is verstrekking van een sportrolstoel mogelijk.

3.8 vervanging vervoermiddel of rolstoel Als de inwoner hulp-op-maat wil en het gaat om vervanging van een eerder door de gemeente verstrekt rolstoel of vervoermiddel, dan doet de gemeente dit alleen, als het vervoermiddel of de rolstoel: a. technisch is afgeschreven; b. verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of c. geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het vervoer dicht bij huis.

20

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 4. gezond en veilig opgroeien Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jongeren, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

4.1 uitgangspunten bij het bieden van hulp 1 2 3 4

5 6

Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jongere en de ouders. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouders en hun sociale netwerk. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is, kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door een organisatie die werkt binnen de sociale basisinfrastructuur. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt hulpopmaat ingezet. Als een collectieve, groepsgewijze voorziening beschikbaar is, gaat deze voor op een individuele hulp-op-maat voorziening. De hulpvraag van de jongere of ouder wordt integraal in samenhang met vraagstukken op andere domeinen onderzocht. Jongeren of ouders kunnen alleen in aanmerking komen voor hulp-op-maat als zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door: a. gebruik te maken van een andere voorziening.

Een andere voorziening is voorliggend aan een voorziening die op grond van de Jeugdwet beschikbaar wordt gesteld, hierbij bestaat het aanbod o.a. uit: i. ondersteuning vanuit de Zorgverzekeringswet 21

Verordening sociaal domein

ii. iii. iv.

7

8

ondersteuningsstructuur op school vanuit de Wet passend onderwijs ondersteuning vanuit de Leerplichtwet ondersteuningsstructuur vanuit de Wet kinderopvang en/of de Wet primair onderwijs v. ondersteuning op grond van de Wmo 2015 en/of Participatiewet. b. gebruik te maken van hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder ook wordt verstaan het aanspreken van een afgesloten aanvullende zorgverzekering. Hulp-op-maat wordt alleen toegekend als verwacht wordt dat de inzet van de hulp-opmaat doeltreffend is. Hulp-op-maat is doeltreffend als het echt bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er een bewezen effectieve interventie ingezet wordt als deze beschikbaar is. Hulp-op-maat mag nooit ingezet worden voor een bewezen niet effectieve interventie. Er is sprake van bewezen effectieve interventie als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut, of; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden, of; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);

4.2 preventieve maatregelen 1

2

De gemeente zorgt ervoor dat jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk met: a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen; b. informatie, advies en trainingen; c. jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts); d. activiteiten voor jongeren die hun talenten ontwikkelen via het jongerenwerk; e. opvoedondersteuning; f. een vertrouwenspersoon. Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, en ook geen besluit van de gemeente. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk biedt de gemeente jeugdhulp op vrijwillige basis.

4.3 hulp-op-maat 1

2

Indien de hulpvraag niet met vrij toegankelijke hulp en begeleiding vanuit het Sociaal Team kan worden opgelost, kan de gemeente de volgende hulp–op–maat aanbieden: a. een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling. Pleegzorg of gezinshuis heeft hierbij de voorkeur; b. ambulante specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; c. crisiszorg; d. ernstige dyslexiezorg (ED), tot 13 jaar; e. vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdhulp wordt geboden; f. dagbesteding; g. respijtzorg. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig of een besluit van de gemeente. Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de EDspecialist van het Samenwerkingsverband de Eem op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. 22

Verordening sociaal domein

3

Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind naar en van de jeugdhulp. Hierbij wordt twee keer brengen en halen gezien als de eigen mogelijkheden van ouders. Het college verstrekt de vervoersvoorziening alleen als het echt nodig blijkt. Het college kijkt per situatie of het gezin zelf voor het vervoer kan zorgen. Dit is onderdeel van het onderzoek, zie hoofdstuk 2. Als er een andere passende voorziening is waarbij geen vervoer nodig is, krijgt die voorrang op een voorziening waarvoor wél vervoer nodig is.

4.4 overgang van 18- naar 18+ 1

2

3 4 5

6

De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jongeren uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente zorgt voor een plan voor de jongere op alle belangrijke leefgebieden voordat de jongere 18 jaar wordt. Als de jongere na hun 18e levensjaar een ondersteuningsvraag hebben, vindt tijdige afstemming plaats welke andere voorzieningen nodig zijn na het 18e levensjaar. Dit perspectiefplan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: a. scholing, werk of participatie; b. wonen; c. inkomen; d. zorg en ondersteuning; e. vrije tijd; f. het netwerk van de jongeren. Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan. Als sprake is van pleegzorg, dan wordt in alle gevallen onderzocht of verlenging hiervan wenselijk is. Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis loopt standaard totdat de jongere 21 jaar wordt. Van 21 tot 23 jaar kan sprake zijn van verlengde jeugdzorg. Indien de zorg vanaf de 18e verjaardag onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet valt en de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jongere wordt voorgezet, voldoet het besluit over de voortzetting van de zorg aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars.

In de gevallen bedoeld in het vorige lid wijst het college de jongere en zijn ouders erop dat de zorg vanaf de 18e verjaardag van de jongere onder de Zorgverzekeringswet valt en legt het uit welke gevolgen dat heeft. Indien continuïteit van de zorg nodig is, spant het college zich daarvoor in.

4.5 afstemming met andere vormen van hulp De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. De gemeente heeft meerdere overlegtafels waar algemene afspraken over de samenwerking worden gemaakt. Op individueel niveau spreken we met de jongere of zijn ouders wat nodig is. Dit kan bijvoorbeeld een multidisciplinair overleg zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16449455/3