mirt-brief-voorjaar-2023.pdf
Tekst van het document
3.4.5 Waterstoftreinen Groningen In de provincie Groningen loopt de aanbesteding voor de aanleg van een waterstof tankinstallatie, hiervoor wordt nauw samengewerkt met ProRail. Tegelijkertijd is Arriva gestart met de aanbesteding van vier waterstoftreinen. In november 2023 volgt voor beide trajecten een gezamenlijke besluitvorming in de Provinciale Staten. De treinen moeten vanaf 2027 in de dienstregeling meerijden. In het BO Kamerstuk 36 200-A, nr. 73 Kamerstuk 36 200-A, nr. 52 29 Kamerstuk 36 200-A, nr. 49 30 Kamerstuk 36 200-XII, nr. 40 31 Kamerstuk 36 200-A, nr. 53 32 Kamerstuk 36 200-A, nr. 47 27 28
P agina 19 van 32
MIRT van 2020 is afgesproken om € 5 mln. bij te dragen aan de realisatie van de benodigde H2 tankinstallatie en vanuit het programma Vergroenen Reisgedrag een bijdrage van € 15 mln. voor de aanschaf van de treinen.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
3.4.6 Hoofdvaarweg Lemmer Delfzijl – fase 2 Voor diverse bruggen in Friesland en Groningen is vervanging voorzien in het kader van het nu lopende MIRT-programma voor de Hoofdvaarweg Lemmer Delfzijl. Als gevolg van de calamiteit in de Prinses Margriettunnel in de A7 bij Sneek kreeg het omliggende wegennet, waaronder enkele Friese Rijksbruggen, het zwaar te verduren door omrijdend (vracht-)verkeer. De kwetsbaarheid in het Friese infrastructuurnetwerk baart IenW en de regio grote zorgen. RWS onderzoekt daarom momenteel, samen met de regio, wat de mogelijkheden zijn voor het zo snel mogelijk aanpakken van de vijf Friese bruggen (Spannenburg, Uitwellingerga, Oude Schouw, Kootstertille en Schuilenburg). Dit traject heeft een relatie met het financieringsvoorstel dat de provincie Fryslân aan het Rijk heeft gedaan voor het overnemen van brug Spannenburg en Kootstertille én raakt ook het capaciteitsvraagstuk binnen de huidige krappe arbeidsmarkt. Het streven is om eind 2023 een maatwerkaanpak per brug te hebben. 3.5 Regio Zuidwest 3.5.1 Wind in de Zeilen De Kamer is in december jl. geïnformeerd met de vijfde voortgangsrapportage over het bestuursakkoord Wind in de Zeilen.33 In december 2021 is de treindienst intercity Vlissingen-Rotterdam volgens planning in gebruik genomen.
Het plan van aanpak voor de benodigde infrastructurele maatregelen is akkoord bevonden en de eerste maatregelen op overwegen worden zichtbaar in het tweede kwartaal van 2023. 3.5.2 MIRT-verkenning Oude Lijn De MIRT-verkenning Oude Lijn is voortvarend van start gegaan na de afspraken die zijn gemaakt in het BO MIRT van november jl. De keuze van de Kansrijke Oplossingsrichtingen is voorzien voor eind 2024. Via de gebiedsbudgetten en mobiliteitspakketten dragen IenW en BZK bij aan verschillende verstedelijkingsontwikkelingen in de zone langs de Oude Lijn wat een extra bijdrage levert aan de mobiliteitsontwikkeling langs de Oude Lijn. 3.5.3 Oeververbindingen Rotterdam Het streven is om eind 2023 de voorkeursbeslissing voor de nieuwe oeververbinding te nemen, nadat al in het BO MIRT van november jl. de bestuurlijke voorkeur is vastgesteld voor het gehele pakket van maatregelen. Dat pakket bestaat uit een nieuwe multimodale stadsbrug met tramverbinding over de Maas, het opwaarderen van station Stadionpark, een busverbinding door de Maastunnel en capaciteitsuitbreiding van de N210/Algeracorridor en de A16 Van Brienenoordcorridor.
Voor het deel multimodale stadsbrug met tramverbinding en station Stadionpark is begin 2023 een kwartiermaker aangesteld, die bezig is met het opstellen van een plan van aanpak respectievelijk een bestuursovereenkomst, waarin proces en nadere afspraken over het vervolg (planning- en studiefase) worden vastgelegd. Onderdeel hiervan is het uitvoeren van nader onderzoek.
33
Kamerstuk 33 358, nr. 40 P agina 20 van 32
3.5.4 Regionale Mobiliteitsstrategie Zeeland Tijdens het BO MIRT van november jl. heeft de provincie Zeeland haar regionale mobiliteitsstrategie gepresenteerd en hebben Rijk en Regio afgesproken samen op te trekken om te komen tot een innovatief en duurzaam publiek vervoerssysteem. Hierin staan een grofmazig netwerk van snelle buslijnen (met elementen van Bus Rapid Transit) gecombineerd met een fijnmazig multimodaal netwerk (inclusief doelgroepenvervoer) centraal. Tijdens de conferentie Bereikbaarheid voor iedereen34 was veel aandacht voor de strategie en inmiddels is e r intensief contact tussen Rijk en Regio om de kansen en uitdagingen scherper in kaart te brengen en daarmee te komen tot een routekaart conform de motie van de leden Van Ginneken en Van der Graaf.35 Parallel vindt er in het kader van de Mobiliteitsvisie 2050 een uitwerking plaats van dit concept en een aanpak voor de bredere toepassing in Nederland. Rijk en regio hebben in het BOL herbevestigd dat zij hierbij samen optrekken en elkaars denkkracht willen benutten. Dit najaar worden zowel de routekaart als een eerste uitwerking met de Kamer gedeeld.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
3.5.5 Instandhoudingsopgave bruggen en andere kunstwerken Zeeland De zorgen van de provincie Zeeland over de bereikbaarheid en de afhankelijkheid van een goed functionerende infrastructuur als gevolg van de eilandenstructuur van deze provincie worden gedeeld. Als het gaat om de staat van de infrastructuur in Zeeland in den brede, is gezamenlijk geconstateerd dat daar – zeker op middellange termijn – een grote opgave ligt. Het is daarom goed om juist nu al te kijken naar de opgaven die eraan komen. De Provincie is in dit kader al gestart met de ontwikkeling van een ‘Toekomstvisie Midden-Zeeland Route’. Het Ministerie van IenW gaat in het kader van het bestuurlijk overleg MIRT in het najaar graag in gesprek met de provincie over deze visie en het vervolg daarop. In het gesprek kan bijvoorbeeld aan de orde komen met welke renovatiekennis en -ervaring van Rijkswaterstaat de provincie Zeeland toekomstgericht ondersteund kan worden. 3.6 Algemeen (regio-overschrijdende onderwerpen) 3.6.1 Verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen Vanuit het coalitieakkoord is vanaf 2023 € 200 mln. gereserveerd voor het verder verbeteren van de verkeersveiligheid op Rijks -N-wegen.
Op 28 juni 2022 is de Kamer geïnformeerd over de uitgewerkte aanpak en de trajecten waar met deze middelen de komende jaren gewerkt gaat worden aan het verbeteren van de verkeersveiligheid.36 RWS heeft in de afgelopen periode een plan van aanpak uitgewerkt voor de N36 en de N50, waarbij ook de medeoverheden betrokken zijn zodat mogelijke meekoppelkansen geïdentificeerd konden worden. Ook is een nadere analyse uitgevoerd naar mogelijke maatregelen op de N14, N44, N59 en N915. 3.6.1.1 Grootschalige aanpak N36 en N50 Kampen – Ramspol In het plan van aanpak zijn voor zowel de N36 als voor de N50 Kampen -Ramspol scenario’s uitgewerkt hoe de weginrichting aangepakt kan worden aan de hand van een aantal dwarsprofielen. In verschillende bijeenkomsten is informatie opgehaald bij de regiopartners en nood- en hulpdiensten over meekoppelkansen, uitgangspunten en toetsingscriteria. Hieronder wordt kort ingegaan op de gekozen
Kamerstuk 31 305, nr. 397 Kamerstuk 36 200-A, nr. 25 36 Kamerstuk 28 398, nr.1014 34 35
P agina 21 van 32
voorkeursscenario’s en de opgehaalde meekoppelkansen per weg. Ook wordt het vervolgproces geschetst.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
3.6.1.2 N36 In overleg met de medeoverheden zijn aanvankelijk vijf scenario’s voor de N36 gedefinieerd, variërend in de breedte van het wegprofiel, wel of geen maatwerk op kunstwerken en het wel of niet uitbreiden van de scope met het ongelijkvloers maken van de aansluitingen en knooppunten. De scenario’s zijn beoordeeld aan de hand van de verkeersveiligheidswinst, snelheid tot realisatie, kosten en omgevingsfactoren. Omdat geen van deze scenario’s binnen het taakstellend budget zou passen, is daarnaast nog een zesde (budgetgestuurd) s cenario gemaakt die een combinatie bevat van de vijf eerder gedefinieerde scenario’s. Dit budgetgestuurde scenario heeft daarom de voorkeur. Dit scenario zet nog steeds in op een standaard wegprofiel met rijbaanscheiding in de middenberm en een obstakelvrijzone of geleiderail in de zijberm volgens de CROW -richtlijnen. Hier bestaat de mogelijkheid om bij de (34) kunstwerken op de N36 maatwerk te leveren door af te wijken van de richtlijnen of om bepaalde kunstwerken gefaseerd aan te pakken (bijv. tijdens ve rvanging en renovatie). Deze mogelijkheid is van belang voor het realiseren van een standaard wegprofiel over de rest van de N36. Ook gaan we in dit scenario actief op zoek naar mogelijkheden om werkzaamheden te combineren met de geplande beheer- en onderhoudsopgave, om zo kosten te besparen.
Op deze manier verwachten we met het beschikbare budget een zo groot mogelijk aantal kilometers met rijbaanscheiding te kunnen realiseren. Daarnaast zijn meekoppelkansen opgehaald bij de regionale partners die mogelijk ingepast kunnen worden bij de uitwerking. Deze meekoppelkansen zijn beoordeeld op basis van de criteria: bijdrage verkeersveiligheid, financiële bijdrage vanuit de betrokken regiopartners, impact op de doorlooptijd, belang van de betrokken regiopartners en de mogelijkheid tot het inpassing in de uitwerking van het project. Op basis hiervan is besloten de volgende meekoppelkansen mee te nemen in de verdere uitwerking: o Het ongelijkvloers maken van vijf bestaande gelijkvloerse kruisingen; o Het aanpassen van de aansluiting van de bedrijvenparksingel bij Almelo op de N36; o Het aanpassen van de aansluiting met het onderliggend wegennet bij Westerhaar. Deze meekoppelkansen worden nog niet aan de scope van het project toegevoegd. Er zal hiervoor immers aanvullende financiering gevonden moeten worden en ook formele afspraken gemaakt moeten worden over cofinanciering vanuit de regio. Tot slot is besloten om het budget dat gereserveerd was voor bermmaatregelen op de N36 vanuit het Meer Veilig 4 programma (€ 10 mln.) aan de scope van de verkeersveiligheidsopgave N36 toe te voegen. Hierdoor wordt het taakstellend budget voor de N36 € 125 mln.
3.6.1.3 N50 Kampen-Ramspol In overleg met de medeoverheden zijn voor de N50 zijn drie scenario’s gedefinieerd, variërend van een standaard breedte tot een extra smal wegprofiel (afwijkend van de richtlijnen). De scenario’s zijn beoordeeld aan de hand van
P agina 22 van 32
dezelfde criteria als bij de N36. Op basis hiervan is het gekozen voorkeursscenario op de N50 een standaard wegprofiel met een reguliere rijbaanscheiding en obstakelvrijezone. Dit scenario is het meest veilige scenario, maar iets duurder (€ 21 mln.) dan het gereserveerde budget (€ 19 mln.). De overschrijding van € 2 mln. kan ingepast worden binnen de € 200 mln., bijvoorbeeld vanuit de reservering onvoorzien.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Ook bij de N50 zijn meekoppelkansen opgehaald. Hiervoor is hetzelfde beoordelingstraject gevolgd als bij de N36. Op basis hiervan is besloten de meest kansrijke meekoppelkans (aanleg filewaarschuwingssysteem traject Kampen Ramspol) nader uit te werken als kortetermijnmaatregel. 3.6.1.4 Vervolg De uitwerking van de plannen voor zowel de N36 als N50 start in het derde kwartaal van 2023. De afronding van de planning- en studiefase is eind 2025 voorzien. De start van de realisatie, op basis van de meeste conservatieve planning, is voorzien in 2028. Mogelijk kan de N50 eerder in realisatie dan de N36. Omdat het enige jaren zal duren voordat de grootschalige maatregelen zijn uitgevoerd, is samen met de regiopartners besproken dat we in de tussenliggende periode graag al iets willen doen voor het verbeteren van de verkeersveiligheid. Daarom wordt in de tussentijd met de regio verkend of er ook kortetermijnmaatregelen getroffen kunnen worden die bijdragen aan het verbeteren van de verkeersveiligheid. De structurele maatregelen zullen echter het volledige gereserveerde budget nodig hebben. Daarom zal dit aanvullende middelen vragen. Meer duidelijkheid over de kortetermijnmaatregelen wordt medio 2024 verwacht.
3.6.1.5 Maakbaar maatregelpakket top 5 IMA De afgelopen maanden heeft Rijkswaterstaat voor de N14, N44, N59 en N915 een verkeersveiligheidsrisico-analyse opgesteld en maatregelen gedefinieerd. Bij de prioritering zijn de risico’s op de wegen afgezet tegen de kosten van een verkeersveiligheidsmaatregel, de maakbaarheid ervan en expert judgement. Dit heeft geleid tot het volgende maatregelpakket, waar met de uitvoering van de eerste maatregelen naar verwachting gestart worden in 2026: Weg
Maatregel
N14
Snelheidsreducerende maatregelen voor en nabij kruisingen waardoor de kans op kop-staart ongevallen afneemt
N44 N59
Parallelvoorziening aanbrengen, verbreding rijbaan Aanpassing rotonde Zierikzee met ongelijkvloers oversteek voor langzaam verkeer
N59
Aanpassing kruispunt Nieuwe Groeneweg
N59 N59
Reconstructie kruispunt Oud-Heiligenweg Fietsveilig maken oversteek Klerksweg
N59
Aanpassing kruispunt Vissersweg
N59 N59
Aanpassing oversteek/parallelweg Capelle Aanleg invoegstrook vanaf N257
N59
Aanleg parallelweg/passeerstroken Serooskerke-Zierikzee
N915
Afscherming lichtmasten binnen de obstakelvrije zone
3.6.2 Mobiliteitstransitie Investeringen in innovatieve mobiliteitsmaatregelen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het behalen van doelstellingen op het gebied van P agina 23 van 32
bereikbaarheid, duurzaamheid en verkeersveiligheid. In dit kader hebben Rijk en regio afgesproken om in nauwe samenwerking, en met oog voor gebiedsspecifieke kenmerken, te komen tot een nationale aanpak voor mobiliteitstransitie. In de vorm van gezamenlijk te ontwikkelen en te hanteren principes, uitgangspunten en best practices die bijdragen aan efficiënte inzet van middelen en een succesvolle, toekomstbestendige uitvoering van maatregelen. Het gezamenlijk ontwikkelen van een afweegkader deelmobiliteit (als onderdeel van het Samenwerkingsprogramma Deelmobiliteit) en een leidraad mobiliteitshubs, maakt onderdeel uit van deze landelijk aanpak. Daarnaast w ordt ingezet op het ontwikkelen van gezamenlijke uitgangspunten voor gedragsaanpakken en, via de uitwerking van het Dutch Metropolitan Innovations (DMI) ecosysteem, de digitale ontsluiting van datagedreven diensten en toepassingen die bijdragen aan optimalisaties in het mobiliteitssysteem, verstedelijking en ruimtelijke planning. Dit laatste in nauwe samenhang met de afspraken tussen Rijk en G40-gemeenten over de uitwerking van het door de G40 aangeboden ’uitvoeringsprogramma mobiliteitsvernieuwing voor slimme, duurzame verstedelijking’. Het streven is om op het BO MIRT van 2023 concrete afspraken te maken over de inhoud, reikwijdte en toepassing van de nationale aanpak mobiliteitstransitie.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
3.6.3 Programma 740 meter treinlengte Het programma 740 meter treinlengte is een nieuw programma in het MIRT. Dit programma geeft invulling aan de verplichting in de TEN-T-verordening (Vo 1315/2013) om op tracés behorend tot het in de verordening benoemde kernnetwerk uiterlijk in 2030 het rijden van goederentreinen met een lengte van 740 meter mogelijk te maken. Voor het in dezelfde verordening benoemde ‘uitgebreide netwerk’ geldt deze verplichting voor 2050. In de herziening van deze verordening zal deze verplichting naar verwachting op hoofdlijnen dezelfde blijven. Eind 2022 heeft IenW een bedrag van € 90 mln. vrijgemaakt voor de financiering van een aantal meekoppelkansen: aanvullend budget uit dit programma om in lopende projecten tevens te voldoen aan de 740-meterverplichting. Ook is uit de MIRT goederenvervoercorridors een budget van € 7,5 mln. vrijgemaakt voor het realiseren van deze verplichting op goederenknooppunten. Met deze middelen worden nu meekoppelkansen gerealiseerd op Rotterdam Noord Goederen (verlenging één wachtspoor), Hengelo (verlenging één wacht-/bufferspoor), Lage Zwaluwe (verlengen twee opstelsporen) en Roosendaal (verlengen twee wacht/keersporen). Voor de verdere uitrol van deze en andere TEN-T-verplichtingen heeft de Kamer verzocht om na de zomer een implementatieplan te presenteren.
Dit plan zal op basis van corridorstudies van ProRail opgesteld worden, waarbij ook aandacht zal zijn voor de behoeften voorkomend uit militaire mobiliteit. 3.6.4 Spoorcapaciteit 2030 en baanstabiliteit In het BO MIRT van 2022 is € 585 mln. gereserveerd om stapsgewijs meer treinen te laten rijden en het spoornetwerk toekomstbestendig te maken en te houden. De verwachting is dit jaar over een eerste maatregelenpakket te beschikken. Dat pakket bevat urgente maatregelen voor de nieuwe dienstregelingsstructuur per dienstregeling 2025 (ingaand eind 2024), waaronder verdere uitbreiding van de tractie-energievoorziening voor het nieuwe intercitymaterieel (ICNG). Daarnaast bevat het pakket financiering voor diverse verkenningen. Enkele hiervan onderzoeken in hoeverre de baanstabiliteit op diverse trajecten beoogde frequentieverhogingen richting 2030 toelaat en mogelijke oplossingen voor eventuele knelpunten. Dit is parallel aan het lopende landelijke onderzoek naar baanstabiliteit, waarover de Kamer dit jaar nog nader wordt geïnformeerd. P agina 24 van 32
Op basis van de verkenningsresultaten kan een tweede maatregelenpakket samengesteld worden binnen het resterende budget. Met het totale maatregelenpakket werken we aan de gewenste doorontwikkeling van he t spoornetwerk en de ontsluiting van de beoogde woningbouwlocaties.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
3.6.5 Bestuursakkoord toegankelijkheid Vanuit het Rijk is in totaal € 30 mln. beschikbaar voor de uitvoering van het Bestuursakkoord toegankelijkheid openbaar vervoer 2022 – 2032 dat op 7 november jl. is ondertekend en aan de Kamer is gezonden.37 Met dit akkoord worden belangrijke stappen gezet om de toegankelijkheid van het openbaar vervoer voor álle reizigers en in het bijzonder voor mensen met een beperking verder te verbeteren. In het Nationaal OV-Beraad van maart 2023 is met de decentrale overheden en vervoerders afgesproken dat de besluitvorming over de verdeling van het gereserveerde budget in het BO MIRT van 2023 zal plaatsvinden. Bij deze besluitvorming worden ook de uitkomsten van het onderzoek op grond van artikel 2 Financiële verhoudingswet betrokken. Dat onderzoek zal in kaart brengen of de uitoefening van taken of activiteiten door provincies of gemeentes ten gevolge van het bestuursakkoord wijzigen en worden ook eventuele financiële gevolgen voor decentrale OV-autoriteiten en wegbeheerders in kaart gebracht. 3.6.6 Meerjarige adaptieve uitvoeringsagenda fiets In het BO MIRT van november jl. is met alle MIRT-regio's de bestuurlijke afspraak gemaakt een meerjarige adaptieve uitvoeringsagenda fiets op te stellen en deze te combineren met de versnellingsafspraken en mobiliteitspakketten in het woningbouwdossier en de middelen vanuit duurzame mobiliteit.
Hierbij is historisch veel geld uitgetrokken voor de fiets en hiermee wordt invulling gegeven aan een nadere uitwerking van het Nationaal Toekomstbeeld Fiets (NTF).38 De meerjarige adaptieve uitvoeringsagenda fiets is uitdrukkelijk een agenda van Rijk en regio samen. Niet alle opgaven uit het NTF kunnen tegelijkertijd. Rijk en regio prioriteren en verdiepen de opgaven aan de hand van de meerjarige adaptieve uitvoeringsagenda en criteria. In het najaar van 2023 wordt de Kamer hier nader over geïnformeerd. 3.6.7 Programma Integraal Riviermanagement Het programma Integraal Riviermanagement (IRM) werkt aan een programma onder de Omgevingswet (POW-IRM). Het doel van het IRM is om te komen tot een toekomstbestendig riviersysteem wat als systeem goed functioneert en meervoudig bruikbaar is. We zoeken hierbij naar de optimale balans tussen de verschillende functies. Bovendien beogen we een aantrekkelijk rivierengebied wat duurzaam te beheren is. In het POW -IRM komt een visie op de ontwikkelingen en functionaliteiten van het riviersysteem tot 2050 met een doorkijk naar 2100. Er worden beleidsbeslissingen genomen over de rivierbodemligging en afvoercapaciteit.
Er komt een adaptief uitvoeringsprogramma waarin diverse soorten ingrepen zoals internationale afspraken, systeemingrepen (aanpak rivierbodemligging), gebiedsuitwerkingen, wetgeving en onderzoeksvragen in samenhang worden opgenomen. Naar verwachting komt medio 2023 het concept POW-IRM gereed waarna de ter visielegging en het vaststellingproces zullen starten en medio 2024 het POW-IRM gepubliceerd zal worden.
37 38
Kamerstuk 23 645, nr. 783 Kamerstuk 31 305, nr. 362 P agina 25 van 32
3.6.8 IA Sourcing Het programma ‘Industriële Automatisering Sourcing’ (IAS) gaat om de verdere ontwikkeling van standaardisatie van Industriële Automatisering (IA). Begin 2021 heeft het adviescollege ICT-toetsing (AcICT) een advies uitgebracht over dit programma. Eén van de aanbevelingen van AcICT was om twee jaar de tijd te nemen om de meerwaarde te bepalen van de zogenoemde IA-bouwblokken en objectief vast te stellen welke vorm van standaardisatie per IA-component het meest geschikt is. Deze en andere aanbevelingen zijn de afgelopen twee jaar uitgevoerd. In dit kader is samen met de markt gekeken naar alternatieven om standaardisatie en uniformering van Industriële Automatisering te realiseren en is ervaring opgedaan met implementatie van reeds ontwikkelde IA-componenten.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Voor de meeste bouwblokken is deze herijking inmiddels afgerond, bij een tweetal bouwblokken zijn weliswaar stappen gezet, maar is de herijking nog niet volledig afgerond. Het gaat daarbij om de meer complexe 3B-bouwblokken. Deze 3Bbouwblokken zijn gericht op het besturen, bedienen en bewaken van bruggen en tunnels. Voor 3B-bruggen geldt dat momenteel ervaring wordt opgedaan in de implementatie van het bouwblok op een aantal bruggen en dat besluitvorming over verdere implementatie plaatsvindt als hier meerwaarde mee wordt aangetoond. Er wordt samen met de markt gekeken naar een pragmatische aanpak van standaardisatie. Na de zomer van 2023 neemt IenW een besluit over het al dan niet verder toepassen van de 3B-bouwblokken. In het najaar van 2023 wordt de Kamer geïnformeerd over de afronding van het programma IAS. 4. Moties en toezeggingen 4.1 Onderzoeken N50 De Kamer heeft met de motie van het lid Geurts 39 de regering verzocht om een onderzoek uit te voeren naar de aanhoudende ongevallen op de N50 en te bezien welke infrastructurele maatregelen genomen zouden kunnen worden. Het verkeersveiligheidsonderzoek N50 is onlangs afgerond en dit heeft geresulteerd in twee eindrapportages. Beide eindrapportages zijn recent besproken met de regionale bestuurders en bijgevoegd bij deze brief.
In de probleemanalyse (zie bijlage) is een aantal verkeersveiligheidsrisico’s geconstateerd die zorgen voor een hogere kans op (ernstige) verkeersongevallen. In de tweede fase zijn mogelijke maatregelen geselecteerd die ongevallen zoveel mogelijk voorkomen of de ernst van ongevallen zoveel mogelijk beperken. De maatregelen zijn uitgewerkt in schetsontwerpen en voorzien van een kostenraming volgens SSK-methodiek (met bandbreedte van +/- 30%). Hierbij is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van eerdere onderzoeken, waaronder de eerdere raming van de regio naar de verbreding van het tracé knooppunt Hattemerbroek – Kampen Zuid. Uit het onderzoek (zie bijlage) blijkt dat de belangrijkste verkeersveiligheidsknelpunten worden aangepakt met al gerealiseerd e of geplande maatregelen. Dit gaat om de gerealiseerde tijdelijke rijbaanscheiding en de tijdelijke verlaging van de snelheid tussen Kampen en Kampen Zuid, de planuitwerking N50 verbreding Kampen – Kampen Zuid en de realisatie van een fysieke rijbaanscheiding tussen Kampen en de Ramspolbrug als onderdeel van de aanpak verkeersveiligheid Rijks-N-wegen vanuit het coalitieakkoord. Na realisatie van deze maatregelen is hiermee over de hele N50 een fysieke rijbaanscheiding gerealiseerd.
39
Kamerstuk 35 570-A, nr. 82 P agina 26 van 32
Na realisatie van bovenstaande maatregelen resteren de belangrijkste veiligheidsrisico’s nog op het traject knooppunt Hattemerbroek - Kampen Zuid. Vanwege het tekort aan stikstofruimte, (personele) capaciteit en financiële middelen is het op dit moment niet mogelijk om maatregelen te treffen op dit traject. De maatregel die op dit traject de verkeersveiligheid het meest verhoogt, is verbreding naar 2x2 rijstroken. Met de regionale bestuurders is daarom vastgesteld dat het gezamenlijk eindbeeld is om op termijn (wanneer weer stikstofruimte, capaciteit en middelen beschikbaar komen voor nieuwe investeringen) het tracé tussen knooppunt Hattemerbroek en Kampen – Zuid te verbreden naar 2x2.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
4.2 InnovA58 Eindhoven – Tilburg Aan het lid Koerhuis is toegezegd de Kamer te informeren over de herstart van het project InnovA58 Eindhoven – Tilburg. Voor het project zijn bij het BO MIRT van november jl. nadere afspraken gemaakt om het ontstane budgettaire tekort weg te nemen. Het Rijk heeft voor dit en enkele andere wegprojecten middelen gereserveerd vanuit de coalitiemiddelen voor de goede bereikbaarheid en ontsluiting van nieuwe woningen. Voor deze projecten geldt dat het Rijk in overleg gaat met de regio over de mogelijkheden van het realiseren van stikstofruimte. Mocht dit op redelijke termijn mogelijk zijn, dan zetten we deze projecten voort. Anders zetten we deze in de pauzestand met de notie dat deze weer als eerste uitgepakt worden, mocht dit vanwege stikstof mogelijk zijn. 4.3 Bereikbaarheid zorg werkzaamheden Haringvlietbrug en EHT De motie van de leden Van der Molen en Koerhuis40 over woon-werkverkeer en hulpdiensten op Goeree-Overflakkee is uitgevoerd. Het plan van aanpak voor aanpak overlast woon-werk verkeer is gereed. Er is een uitgebreid pakket maatregelen in samenspraak met onder andere de provincie en gemeenten vastgesteld. Met de betrokken veiligheidsregio’s zijn inmiddels afspraken gemaakt over de bereikbaarheid voor hulpdiensten.
Door het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) is voor huisartsen, verloskundigen en regionale ziekenhuizen een pakket maatregelen voorgesteld, aanvullend op wat met de veiligheidsregio’s is afgesproken. Ook daarover zijn inmiddels afspraken gemaakt. De Kamer is geïnformeerd met een uitgebreid overzicht van de te nemen maatregelen door middel van de beantwoording van Kamervragen op 5 april jl.41 en een Kamerbrief op 31 mei jl.42 4.4 Bereikbaarheid Utrecht Science Park De motie van de leden Dijkstra en Ziengs 43 verzoekt de regering zich in te zetten om de bereikbaarheid van Utrecht Science Park (Bilthoven) te versterken voor zowel de auto als hoogwaardig openbaar vervoer. Voor de korte termijn blijkt het mobiliteitsaanbod afdoende voor de vers tedelijking van Bilthoven. Daarom zijn er voor het gebiedsprogramma U Ned op het BOL 2022 en BO MIRT van november jl. financiële afspraken gemaakt over andere verstedelijkingslocaties, namelijk: Utrecht Zuid, Nieuwegein, Papendorp en Woerden.44 Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie. Op het afgelopen BO MIRT is daarnaast afgesproken dat Rijk en regio voor de lange termijn de groeipotenties van de regiopoort Bilthoven
Kamerstuk 36 200-A, nr. 34 Aanhangsel van de Handelingen 2022-2023, nr. 2174 42 Kamerstuk 29 385, nr. 136 43 Kamerstuk 35 570-A, nr. 15 44 Kamerstuk 36 200-A, nr. 9 40 41
P agina 27 van 32
verder in beeld brengen in het programma Regiopoorten. De Kamer zal hier met de tijd over worden geïnformeerd.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
4.5 Maaslijn De Kamer wordt zoals toegezegd regulier geïnformeerd over de voortgang van het project Maaslijn. De aanbesteding voor realisatie van het project loopt op dit moment. ProRail verwacht in juli 2023 de inschrijvingen van ma rktpartijen. Op dat moment wordt duidelijk waar we staan in termen van o.a. financiën. Zodra ProRail ons nader informeert over de inschrijvingen, kan geconcludeerd worden hoe het taakstellend budget zich verhoudt tot de inschrijvingen. Daarna kan de Kamer nader worden geïnformeerd over hoe het project financieel ervoor staat en hoe dit project samen met de provincie Limburg beheerst tot oplevering zal leiden. 4.6 Bus Rapid Transit De leden Minhas en Van Ginneken hebben via een amendement 45 op de begroting gevraagd € 2 mln. beschikbaar te stellen om pilots op te starten voor het vervoerssysteem Bus Rapid Transit (BRT). Op dit moment wordt bezien welke instrumenten geschikt zijn om dit geld effectief in te zetten voor het in de praktijk beproeven van BRT om daarmee huidige belemmeringen te beslechten. Eind dit jaar wordt de Kamer hier verder over geïnformeerd. 4.7 Behoud van bereikbaarheid van de regio Het kabinet hecht aan voldoende bereikbaarheid voor alle mensen in heel het land, ook in dunner bevolkte gebieden, en is daarom met alle betrokken partijen in gesprek over de mogelijkheden om ons OV verder te verbeteren.
Daartoe is de Kamer toegezegd te verkennen welke bijdrage het kabinet kan bieden zoals is verzocht in de motie van de leden Slootweg en Kuiken.46 Bij de invulling van de toezegging is het van belang uit te blijven gaan van de (wettelijke) verantwoordelijkheidsverdeling tussen de decentrale overheden en het Rijk en de effectiviteit van maatregelen en het financiële kader zorgvuldig mee te wegen. Het kabinet roept de decentrale overheden en vervoerders daarbij op om te komen met creatieve (maatwerk-)oplossingen voor bereikbaarheid, met name in de regio. 4.8 Investeringen in knelpunten bestaande ov-infrastructuur in de regio De motie van de leden Alkaya en De Hoop 47 roept op om een groter deel van het investeringspakket voor toekomstige infrastructuur te reserveren voor het oplossen van knelpunten in bestaande ov-infrastructuur in de regio. Aangezien de investeringsruimte op dit moment zeer beperkt is, is deze vraag nu niet aan de orde. Zodra toekomstige investeringen voorliggen zal deze motie daarbij worden betrokken. Uiteraard zijn er wel bredere afwegingen die we daarin met elkaar te maken hebben. 4.9 Afwegingskader Rijksbijdrage infrastructuur decentrale overheden De motie van het lid Van Ginneken 48 verzoekt de regering een permanent afwegingskader op te stellen met criteria waar een Rijksbijdrage aan infrastructuur in bezit van decentrale overheden gepast is.
Dit omdat de fiets een wezenlijk onderdeel is van een duurzaam mobiliteitssysteem en omdat fietsinfrastructuur een bijdrage kan leveren aan nationale publieke doelen.
Kamerstuk 36 200-A, nr. 48 Kamerstuk 23 645, nr. 804 47 Kamerstuk 36 200-A, nr. 24 48 Kamerstuk 36 200 XII, nr. 55 45 46
P agina 28 van 32
Voor specifiek de bijdragen van het Rijk aan medeoverheden is er niet één afwegingskader. Dat ligt ook niet voor de hand. Er bestaan namelijk diverse regelingen die uitkeringen aan medeoverheden mogelijk maken voor de aanleg of aanpassingen van lokale en regionale infrastructuur. Dat geldt ook voor regelingen op het gebied van fietsinfrastructuur. Voor bijvoorbeeld het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningbouwlocaties is een afwegingskader gebruikt waarbij voorstellen vanuit medeoverheden afgewogen zijn op onder andere de bijdrage aan het creëren van meer nabijheid en de mobiliteitstransitie. Dit afwegingskader is gedeeld met de Kamer op 24 juni 2022.49 Op basis hiervan heeft het Rijk besloten voor € 780 mln. bij te dragen aan fietsinfrastructuur. Daarnaast heeft IenW de intentie om € 6 mln. per jaar beschikbaar te stellen voor een landelijk dekkend netwerk van doorfietsroutes. Het is de intentie om voor de verdeling van deze middelen ook een afwegingskader te ontwikkelen.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Verder wordt gewerkt aan een algemene afweegmethode voor de investeringsruimte van het Mobiliteitsfonds.50 De afweegmethode heeft tot doel een integrale afweging van bereikbaarheidsopgaven mogelijk te maken. In de verdere ontwikkeling van de afweegmethode worden de medeoverheden betrokken. Ook heeft de spreiding over de landsdelen een plaats in de methode en wordt bekeken hoe cofinanciering een plek kan krijgen. 4.10 Reikwijdte Stikstofregistratiesysteem Vervanging- en renovatie, KRW - en HWBP-projecten en veel spoorprojecten leiden doorgaans alleen in de aanlegfase tot depositie. Voor een groot deel van deze projecten zal stikstofberekeningen en -beoordelingen moeten worden uitgevoerd en zal mogelijk stikstofruimte nodig zijn. Omdat de stikstofruimte die via landelijke bronmaatregelen van het Rijk wordt gecreëerd - en die niet nodig is voor de natuur - met prioriteit wordt ingezet voor de legalisatie van PASmeldingen en woningbouw, zullen in veel gevallen projectspecifieke mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn om projecten doorgang te laten vinden. Ditzelfde geldt voor de projecten voor de ontsluiting van nieuwe woningen en de verbetering van de verkeersveiligheid van Rijks N-wegen, waarvan de middelen buiten de herprioritering van het MF vallen. Het kabinet heeft de Kamer op 1 mei jl.
geïnformeerd over het besluit de prioritering in en doelen van het stikstofregistratiesysteem (SSRS) aan te passen.51 In plaats van de zeven MIRT-projecten kunnen projecten betreffende renovatie en veiligheid van Rijkswegen gebruik maken van ruimte in het SSRS. De aanpassing in het SSRS volgt hiermee de herprioritering van het MF. De aanpassing treedt in oktober 2023 in werking na wijziging van de Regeling natuurbescherming. De betreffende renovatie- en veiligheidsprojecten kunnen na vier maanden vanaf dat moment gebruik maken van de ruimte in het SSRS die niet gereserveerd of toegedeeld is ten behoeve van legalisering van PASmeldingen en woningbouwprojecten. In juni 2021 is de Kamer geïnformeerd over de toewijzing van € 15 mln. uit de onderuitputting van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen voor projectspecifieke mitigatie van de zeven MIRT-projecten.52 Gelet op de hiervoor genoemde beweging binnen het MIRT zullen deze middelen in de toekomst ook Kamerstuk 32 847, nr. 921 Kamerstuk 36 200-A, nr. 65 51 Kamerstuk 35 334, nr. 251 52 Kamerstuk 35 334, nr. 244 49 50
P agina 29 van 32
ingezet worden voor projectspecifieke mitigatie van andere (MIRT-)projecten waarvoor IenW initiatiefnemer is, zoals instandhouding van bestaande infrastructuur (wegen en vaarwegen), kaderrichtlijn waterprojecten en projecten in het kader van het hoogwaterbeschermingsprogramma.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
4.11 Bereikbaarheidsdoelen Het lid Bontenbal heeft om een reactie gevraagd op de aangenomen motie van lid Krul c.s. over bereikbaarheidsnormen die ontraden was. In de motie 53 wordt het kabinet verzocht volgend jaar uitgewerkte bereikbaarheidsnormen inclusief minimumnormen en drempelwaardes te hanteren bij het afwegingskader van het Mobiliteitsfonds en het MIRT. Zoals bij de appreciatie van de motie is aangegeven ondersteunt de motie het beleid om voortvarend te komen tot de invulling van bereikbaarheidsdoelen. Daaraan wordt op dit moment uitvoering gegeven. We werken binnen het Actieprogramma mobiliteitsvisie aan verschillende varianten voor doelstellingen die voor het hele land voorzien in bereikbaarheid. We geven bij elk van de varianten een aantal overwegingen mee. U ontvangt die varianten voor de begrotingsbehandeling als onderdeel van het Actieprogramma mobiliteitsvisie. Dat stelt de Kamer in de gelegenheid het debat te voeren met ons over de vraag met welke variant(en) we verdergaan. De gekozen variant(en) worden daarna uitgewerkt zodat ze gebruikt kunnen worden in de MIRT-besluitvorming. De inzet is dat we dit najaar in gesprek met de Kamer tot voorkeursvariant(en) kunnen komen.
Die garantie kon echter bij de appreciatie niet afgegeven worden om daarmee niet vooruit te lopen op de inhoudelijke uitkomsten van de verkenning en op het oordeel van de Kamer over de nog te presenteren varianten. Onze inzet ligt echter in lijn met de gedachte die ten grondslag ligt aan de motie. 4.12 Onderzoek toegankelijkheid auto en OV De motie van de leden Koerhuis en Minhas54 verzoekt de regering om voor het MIRT 2023 het PBL te laten onderzoek hoe de auto en het OV toegankelijker kunnen worden gemaakt voor lage inkomens. IenW heeft met het PBL gesproken over het vervolg van het in oktober 2022 gepubliceerde PBL rapport ‘Toegang voor iedereen?’ in het kader van het PBL-werkprogramma 2023-2024. Het PBL is bezig met het verder ontwikkelen en toepassen van de bereikbaarheidsindicatoren voor banen en voorzieningen. Hierbij wordt allereerst met historische datasets geanalyseerd hoe de bereikbaarheid de afgelopen jaren is veranderd voor verschillende groepen en gebieden. Ook wordt gekeken hoe de reiskosten in beeld kunnen worden gebracht en hoe deze kunnen worden ondergebracht in de bereikbaarheidsindicator. Dit project is op eigen initiatief en tempo van het PBL. Gezien de complexiteit van het onderzoek is nog geen uitspraak te doen over de publicatiedatum.
4.13 Parkeerplaatsen en uitvalswegen nieuwe woonwijken De motie van het lid Madlener55 verzoekt de regering om zorg te dragen voor voldoende parkeerplaatsen en voldoende uitvalswegen bij de aanleg van nieuwe woonwijken. De Kamer is begin dit jaar geïnformeerd56 over welke stappen gezet kunnen worden om deze motie tot uitvoering te brengen. De stappen die in deze beantwoording genoemd worden zijn inmiddels uitgevoerd. Gemeenten die betrokken zijn bij de woningbouwprojecten zijn gewezen op het belang van een goede multimodale ontsluiting in zijn algemeenheid en de positie van de auto Kamerstuk 29 385, nr. 130 Kamerstuk 36 200-A, nr. 21 55 Kamerstuk 36 200-A, nr. 15 56 Kamerstuk 36 200-A, nr. 63 53 54
P agina 30 van 32
hierin in het bijzonder. Dit is gedaan bij verschillende overleggen en nogmaals bij het BO Leefomgeving. Daarnaast is met de VNG gesproken over een goede invulling van een goede verhouding tussen parkeervraag en -aanbod. Hiermee is de motie uitgevoerd.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
4.14 Parkeerplaatsen mensen met lichamelijke beperking Met de VNG is gesproken over de uitwerking van de motie van het lid Van der Plas over parkeerplaatsen voor mensen met een lichamelijke beperking .57 Daaruit is gebleken dat er bij de VNG, maar ook bij andere organisaties, geen gecentraliseerde data over aantallen gehandicaptenparkeerplaatsen beschikbaar is. Bij de VNG zijn geen signalen bekend dat er sprake is van een knelpunt. Het betreft een beleidsvrijheid van gemeenten om eigen keuzes te maken rond (gehandicapten)parkeerbeleid. De VNG is niet de juiste organisatie om een nadere inventarisatie rond aantallen gehandicaptenparkeerplaatsen te doen ; hiervoor wordt verwezen naar gespecialiseerde (kennis)partijen op het gebied van parkeren. Samen met het CROW en gemeenten zetten we nog dit jaar in op een nadere inventarisatie om beter inzicht te krijgen in het van het aantal gehandicaptenparkeerplaatsen. Tegelijkertijd biedt het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom) opgesteld door het CROW een handreiking over het benodigd aantal gehandicaptenplaatsen. Dit handboek geeft aan dat bij publieke voorzieningen zoals een restaurant, bibliotheek en gemeentehuis minimaal twee procent van de parkeerplaatsen een algemene gehandicaptenparkeerplaatsen dient te zijn.
De afstand tot de ingang moet het liefst minder dan 50 meter zijn en nooit meer dan 100 meter. Hoewel het ASVV geen formeel juridische status heeft wordt het advies vaak wel overgenomen bij projectontwikkeling. Het ASVV is namelijk hét handboek voor verkeerskundig ontwerp binnen de bebouwde kom. Hiermee wordt getracht te borgen dat zowel qua aantal als qua locatie voldoende algemene gehandicaptenparkeerplaatsen bij publieke voorzieningen worden gerealiseerd. 4.15 MIRT-spelregels Op 22 september jl. heeft de Kamer de geactualiseerde versie van de MIRTspelregels ontvangen.58 Hierbij is aan de Kamer gemeld dat de Kamer naar verwachting in het voorjaar van 2023 geïnformeerd kan worden over het al dan niet aanpassen van de huidige spelregel dat bij de start van een MIRT-verkenning er 75% zicht op financiering moet zijn. IenW is in gesprek met de koepels VNG en IPO en de vervoerregio’s VRA en MRDH over de ontwikkelingen die de MIRTagenda veranderen en hoe dit effect heeft op het MIRT-proces. De MIRTspelregels en het financieringspercentage zullen daar ook bij worden betrokken. Hierover continueert IenW de komende periode de gesprekken met de koepels en vervoerregio’s. 4.16 KiM-onderzoek ‘effecten tariefverlagingen in het OV Aan de Kamer is toegezegd deze te informeren over het vervolg op het KiMonderzoek ‘Effecten tariefverlagingen in het OV’.
Dit naar aanleiding van het verzoek van het lid Van Ginneken tot een vervolgonderzoek naar eventuele automaatregelen die het gebruik van het OV verder kunnen versterken. Er wordt geen vervolgonderzoek naar automaatregelen om het OV te versterken voorzien. 57 58
Kamerstuk 24 170, nr. 274 Kamerstuk 36 200-A, nr. 4
P agina 31 van 32
In de Hoofdlijnennotitie Mobiliteitsvisie 205059 is aangegeven dat we inzetten op de juiste mobiliteit op de juiste plaats en tijd. In de uitwerking willen we dat gebiedsgericht gaan invullen, in samenwerking met decentrale overheden en stakeholders: welke mobiliteitssysteem is het beste geschikt om burgers bij vitale voorzieningen te brengen? In die afweging spelen ook doelen als klimaat en leefomgeving mee. De Kamer wordt daarover nog voor de begrotingsbehandeling geïnformeerd in het kader van het Actie programma Mobiliteitsvisie.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
4.17 Participatieve Waarde Evaluatie In de MIRT-brief van november jl. is aan de Kamer gemeld dat de Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) in het kader van het MIRT onderzocht wordt door middel van pilots. Eén van deze pilots heeft inmiddels plaatsgevonden bij het MIRTonderzoek Lelylijn. Op 15 mei 2023 is aan de Kamer over de toepassing en uitkomsten van de PWE gerapporteerd.60 Naast de toepassing van de PWE bij het lopende Lelylijn MIRT-project, zal de PWE ook theoretisch worden geëvalueerd. Hiervoor zal de A2-ondertunneling in Maastricht worden benut; een al afgerond MIRT-project waar al een volledige MKBA voor is. Zodoende kan de PWE enerzijds meer theoretisch worden vergeleken met de MKBA en kan anderzijds de participatieve kracht worden geëvalueerd via een actueel traject (Lelylijn). Er wordt nog verkend of de PWE ook kan worden ingezet bij twee andere lopende trajecten: de Oude Lijn en de OVverbinding Amsterdam – Haarlemmermeer. De Kamer zal in het najaar over de toepassing van de PWE bij MIRT-projecten worden geïnformeerd. 5. Ten slotte Zoals de Kamer in deze brief heeft kunnen lezen blijven wij werken om Nederland bereikbaar, veilig en leefbaar te houden. Tegelijkertijd komt er veel op ons af, en blijkt eens te meer dat niet alles altijd overal kan.
Dat betekent dat we de komende periode nog grote keuzes te maken hebben, waarbij het essentieel blijft om de dialoog met de regiopartners en de Kamer te blijven zoeken, en er gezamenlijk voor te zorgen dat ook in de toekomst iedereen veilig en gezond naar het werk, de school, de winkel of het ziekenhuis kan. Hoogachtend, DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
Mark Harbers
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
drs. V.L.W.A. Heijnen
59 60
Kamerstuk 31 305, nr. 388 Kamerstuk 36 200-A, nr. 73 P agina 32 van 32