CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4a. Toelichting.pdf

Gemeenteraad 30 januari 2025, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1219360 Herstelbesluit bestemmingsplan Eemdijk-Oost naar aanleiding van ingediend beroep26.085 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

Voorliggend plan (met 64 woningen) is meegenomen in het regionale overzicht woningbouwplannen tot en met 2024 (zie Bijlage 5). De eerste afweging is derhalve al gedaan. Vanwege een planwijziging zijn het aantal woningen opgehoogd naar 72 woningen. Deze planwijziging is getoetst in paragraaf 3.1.2 aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Hieruit blijkt dat er kwantiatieve en kwalitatieve behoefte is aan voorliggende ontwikkeling. Het plan kan daarmee een bijdrage leveren aan de woningbouwbehoefte in Eemdijk.

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

26

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van 72 nieuwe woningen. De beoogde activiteit wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Het onderhavige project wordt niet gezien als een m.e.r.plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project ruimschoots onder blijft. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van onderhavig plan. De aanmeldnotitie is als Bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen.

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

27

4.2

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied ligt aan de rand van Eemdijk, in het buitengebied van de gemeente Bunschoten-Spakenburg. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woonfuncties aanwezig. Gesteld kan worden dat het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' Toets Bij het realiseren van een nieuwe bestemming danwel nieuwe functie dient gekeken te worden of de nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

28

sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De dichtstbijzijnde milieubelastende functies zijn drie maatschappelijke bestemmingen en een bedrijfsbestemming. De maatschappelijke bestemmingen betreffen Basischool met de Bijbel aan de Vaartweg 5 op circa 95 meter afstand, Vaartkerk (PKN Gereformeerd) aan de Vaartweg 3 op circa 90 meter afstand en de CGK kerk Eeemdijk aan de Eemdijk 47 op circa 95 meter afstand. Voor de categorie 'Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs' geldt milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. De basisschool ligt op circa 95 meter afstand. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Voor de categorie 'Kerkgebouwen e.d.' geldt eveneeens milieucategorie 2 met richtafstand van 30 meter. De twee kerken liggen op respectievelijk circa 90 en 95 meter afstand. Ook aan deze richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. De bedrijfsbestemming betreft een loon- en verhuurbedrijf aan de Eemdijk 29B op circa 80 meter afstand. Voor de categorie 'Dienstverlening t.b.v. de landbouw - algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o.

> 500 m²' geldt milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter. Het loonbedrijf ligt op circa 80 meter afstand. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Tot slot staan aan op het perceel Eemdijk 35a diverse bedrijfsgebouwen. In het vigerende bestemmingsplan heeft dit perceel de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'opslag' voor de loods. Het plan kent tevens een wijzigingsbevoegdheid, waarbij deze bevoegdheid niet kan leiden tot een bedrijfsbestemming. Het betreffende gebied kan gewijzigd worden naar de functies wonen, tuin en/of verkeer - verblijfsgebied. Opslaggebouwen hebben volgens de hiervoor genoemde VNG-uitgave een milieucategorie 2 met de daarbij behorende afstand van 30 m voor geluid. De afstand van de aanduiding 'opslag' tot het plangebied bedraagt circa 35 meter, waardoor de er geen belemmering voor de te bouwen woningen bestaat. Conclusie Het woon- en leefklimaat van de nieuw te bouwen woningen in het plan Eemdijk-Oost is gelet op het vorenstaande voldoende gewaarborgd. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijbedrijven. De wettelijke afstand die gehanteerd dient te worden tussen een woning in de bebouwde kom

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

29

en een veehouderijbedrijf met alleen maar rundvee, bedraagt in principe 100 meter. Voor intensieve veehouderijbedrijven dient rekening te worden gehouden met rekeneenheid Odour per m³. Intensieve veehouderijbedrijven zijn niet in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Daarnaast bevinden zich geen bedrijventerreinen of andere geurrelevante bedrijven in de buurt van het plangebied die het woon- en leefklimaat kunnen beinvloeden. Conclusie Voor het aspect 'geur' is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen.

4.4

Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek [BO13213] om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Het bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 6. Dit onderzoek komt uit september 2013. Sinds 2013 is het bestaande agrarische gebruik van het plangebied voortgezet.

Het is niet te verwachten dat door dit gebruik als grasland de kwaliteit van de bodem van het plangebied is gewijzigd. Wel is het laatst bekende onderzoek ouder dan 5 jaar en om die reden wordt dat onderzoek geactualiseerd. Het geactualiseerde bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 7. Hierbij is gezien het gelijksoortig en extensief gebruik de onderzoekslocatie als grootschalige onverdachte locatie aangemerkt en voor de NEN5740 als zodanig onderzocht. Gedurende het onderzoek in 2013 zijn in het tracé van de twee gedempte sloten geen waarnemingen gedaan die kunnen veronderstellen dat de voormalige sloten met ander materiaal dan gebiedseigen grond zijn gedempt. Gedurende onderhavig onderzoek wordt bij de projectie van enkele diepe boringen (opnieuw) rekening gehouden met deze tracés maar worden deze niet als separate deellocaties onderzocht. Wel wordt de ondergrond separaat in analyse gezet om de aanname te staven. De resultaten zijn als volgt. Resultaten bodemonderzoek 2022 Gedurende onderhavig onderzoek zijn overwegend lichte verontreinigingen aangetroffen aan kobalt en nikkel in zowel de boven- (klei) als de ondergrond (veen). Met name nikkel werd ook in 2013 in de grond in lichte mate aangetroffen Lokaal (ter hoogte van boring 331) is in de bovengrond een matige bijmenging aan baksteen aangetroffen. Dit bodemtype is licht verontreinigd met lood, zink en PAK.

Mogelijk dat deze verhogingen aan het voorkomen van het baksteen kunnen worden gerelateerd. Een eenduidige bijmenging met baksteen wordt niet als asbestverdacht beschouwd en vormt geen aanleiding om deze grond aanvullend op asbest te onderzoeken. Het grondwater is lokaal licht verontreinigd met koper. Verder komen in het grondwater lichte verhogingen aan barium voor. Barium werd op basis van het vooronderzoek in het grondwater verwacht en komt regionaal vaker in deze mate voor. De hypothese ‘onverdacht’ komt met deze resultaten te vervallen. Echter, gezien de lichte verhogingen in grond en grondwater is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Wel dient u bij ontwikkeling rekening te houden met het feit dat de toepassing van licht verontreinigde

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

30

grond aan beperkingen onderhevig is. Mocht gedurende de ontwikkeling grond vrijkomen en niet op de onderzoekslocatie worden verwerkt, dient de grond te worden voorzien van een kwaliteitsverklaring conform het Besluit bodemkwaliteit, dan wel te worden aangeboden aan een erkende verwerker. In dat geval dient de grond tevens te worden onderzocht op PFAS in navolging van het handelingskader. Rekening houdend met bovenstaande zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan. Onderzoek puinverharding In verband met een aanwezig puinpad in het plangebied is dat puinpad onderzocht op de aanwezigheid van asbest. De bevindingen van dat onderzoek zijn beschreven in de rapportage van 2 december 2014 (projectcode BO13213). Het onderzoek is als Bijlage 8 aan de toelichting van dit plan gekoppeld. In geen van de onderzochte monsters is asbest boven de detectiegrens gemeten. De onderzoekshypothese dat de locatie asbestverdacht is, wordt hiermee verworpen. Op basis van de resultaten van onderhavig asbestonderzoek en het in 2013 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 zijn er geen milieutechnische beperkingen voor de geplande nieuwbouw op de locatie.

Conclusie Op basis van de bevindingen van de onderzoeken wordt geconcludeerd dat er geen milieutechnische belemmeringen aanwezig zijn die de woningbouwontwikkeling en de afgifte van omgevingsvergunningen in de weg staan.

4.5

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Op basis van de Wgh zijn alleen de wegen relevant waar een maximum snelheid van 50 kilometer per uur of meer geldt. Voor 30 kilometer zones hoeft conform artikel 74 lid 2 van de

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

31

Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek te worden verricht. Net zoals in Eemdijk, zullen de wegen in het plangebied ook een maximale snelheid van 30 km/uur krijgen. De Vaartweg, die buiten het plangebied ligt, is de toegangsweg voor Eemdijk en kent een maximale snelheid van 30 km/u binnen de (verkeerskundige) bebouwde kom. Binnen het plangebied is één woning aan de Vaartweg gesitueerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij eventuele toekomstige ontwikkelingen, ondanks het uitgangspunt van alleen 30 km/uur wegen, wel akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Door Bijvoets bouw- en geluidsadvisering is een akoestisch onderzoek verricht naar wegverkeerslawaai (d.d. 8 februari 2023; werknummer: 22.001). Deze is opgenomen in Bijlage 9. Toetsing van de geluidbelasting aan de grenswaarden gebeurd volgens de Wgh per weg en per woning. Voor wegverkeerslawaai is vooral de Vaartweg relevant. De Vaartweg buiten de bebouwde kom heeft een geluidzone van 250 m, het deel binnen de bebouwde kom waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt heeft geen geluidzone. In artikel 75 van lid 3 de Wgh is bepaald: “Aan de uiteinden van een weg loopt de zone door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg. De zone loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de wegas.

Zij behoudt de breedte die zij had ter hoogte van het einde van de weg.” Bovenstaande houdt in dat een aantal geplande woningen nog binnen de geluidzone van de Vaartweg liggen omdat aan het einde van het wegdeel met 60 km/uur de zone nog 250 m doorloopt. De geluidbelasting LDEN t.g.v. de Vaartweg op de zuidgevel van het bouwvlak bedraagt maximaal 46 dB waarmee de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. De geluidbelasting LDEN t.g.v. de ontsluitingsweg is met maximaal 48 dB gelijk aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor alle overige nieuwe woningen is de geluidbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde en voor het aspect wegverkeerslawaai sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast is door Buijvoets bouw- en geluidsadvisering een akoestisch onderzoek verricht in verband met de aanleg van de rotonde. Deze is opgenomen in Bijlage 10 (d.d. 8 februari 2023; werknummer: 22.001b). Uit dit onderzoek volgt dat de toename van de geluidbelasting LDEN in het maatgevende punt 1 maximaal 1.80 dB is en na afronding kleiner dan 2 dB. Hiermee is geen sprake van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Bovendien is de geluidbelasting incl. 5 dB aftrek gelijk aan de voorkeursgrenswaarde. Er is i.v.m. de aanleg van de rotonde geen procedure voor een hogere waarde noodzakelijk.

Voor het aspect wegverkeerslawaai is voor het plangebied sprake van een goede ruimtelijke ordening. Derhalve geldt dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Stiltegebied Door Buijvoets bouw- en geluidsadvisering is een onderzoek gedaan naar de beoogde woningbouwontwikkeling op het naastgelegen stiltegebied. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 11. De belangrijkste bevindingen zijn als volgt: De “Bufferzone stiltegebied” grenst direct aan het plangebied op slechts 10 m uit het hart van de ontsluitingsweg. Op de grens van de “bufferzone stiltegebied” en het “stiltegebied” zijn de extra waarneempunten 4, 6 respectievelijk 5 gehanteerd. Het 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h in deze punten bedraagt: 1. punt 4 en 6 : grens bufferzone 44 respectievelijk 45 dB(A) 2. punt 5 : grens stiltegebied 38 dB(A) Uit de resultaten volgt dat de normen op de grens van de bufferzone en stiltegebied niet worden overschreden. Wanneer de ontsluitingsweg over een afstand van ca 130 m wordt uitgevoerd in stille elementenverharding (zie rode arcering verbeelding in de bijlage van het onderzoek) is de geluidbelasting op de grens van de bufferzone nog eens 2 dB(A) lager. Voor het aspect 'stiltegebied' is derhalve sprake van een goede ruimtelijke ordening. De ontwikkeling vormt geen belemmering op het naastgelegen stiltegebied.

Railverkeerslawaai en industrielawaai

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

32

Vanwege het ontbreken van een spoorweg en een geluidgezoneerd bedrijventerrein in de omgevings van het plangebied geldt dat de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Met de NIBM-tool van het kenniscentrum InfoMil kan eenvoudig en snel bij kleinere ruimtelijke plannen worden bepaald of deze in betekende mate bijdragen aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Onderhavig plan betreft de realisatie van 72 woningen.

Het gaat om een mix van verschillende woningtypen (rijwoningen, twee-kappers en vrijstaand). Het betreffen zowel woningen in de koop- als huursector. Voor het berekenen van het totaal aantal verkeersbewegingen is aangesloten bij de mobiliteitstoets van Royal Haskoning. Deze is opgenomen in Bijlage 24 en Bijlage 25. Hiervan uitgaande kan het aantal verkeersbewegingen op 591 worden gesteld. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 591 voertuigbewegingen.

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

33

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

34

direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wel duidt de arcering op de aanwezigheid van een buitendijksgebied. Dit is een gebied die bij een overstroming onder water komt te staan. Ook laat de risicokaart zien hoe hoog het water in het ergste geval dan komt. Dijkringen Een dijkring is een aaneengesloten ring van waterkeringen (dijken, duinen of kunstwerken), die een gebied beschermen tegen overstromingen. Het gebied binnen een dijkring is het dijkringgebied. Een dijkring is onderverdeeld in vakken, kunstwerken, dijkvakken en duinvakken, die min of meer even hoog zijn. Het dijkringgebied en het vereiste beschermingsniveau van elke dijkring zijn wettelijk

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

35

vastgelegd in de Wet op de Waterkering. Het plangebied ligt buiten de dijkring en loopt derhalve geen risico ten aanzien van het aspect overstroming. Calamiteitenroute In het plan zijn twee calamiteitenroutes opgenomen. Een ter plaatse van de percelen Kerkepad 17 en 19 en één ter hoogte van Kerkepad nummer 55. Deze routes kunnen tevens gebruikt worden door langzaamverkeer, maar bij calamiteiten is deze route ook toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

4.8

Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.8.1

Watersysteem

Het watersysteem omvat het grondwater en het oppervlaktewater, inclusief oevers en waterbodems. Eemdijk ligt in het noordoostelijk deel van het deelstroomgebied Eemland. Dit (regionale) watersysteem betreft het stroomdal van de Eem vanaf Amersfoort en de diverse polders tussen Eemnes en de Laak en wordt in het zuiden begrensd door de hogere gronden van Soest en Baarn. Het gebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Vallei & Veluwe. Waterhuishouding Het dorp Eemdijk ontstond oorspronkelijk op en langs de waterkering Eemdijk. De hoogte van de verbeterde dijk bedraagt in het dorp circa + 2,04 m N.A.P. Het merendeel van het huidige dorp ligt ten oosten van de dijk, in de Bikkerspolder. Hier is het maaiveld ten gevolge van de ontwatering geleidelijk gedaald tot -0,3 m N.A.P. Het waterpeil van de polder ligt, seizoensvariaties uitgezonderd ongeveer een halve meter lager. Oppervlaktewater Eemdijk maakt deel uit van het deelstroomgebied Eemland. De Eem (en stroomopwaarts van Amersfoort het Vallei kanaal) is binnen dit stroomgebied de centrale ader waarlangs water wordt af- en aangevoerd. Door bodemdaling als gevolg van ontwatering, is de Eem in loop der eeuwen boven het omliggende land komen te liggen. Deze van oorsprong natuurlijke rivier stroomt van zuid naar noord en watert vrij af op het Eemmeer.

Het Eemmeer heeft een gemiddeld zomerpeil van -0,2 m NAP en een gemiddeld winterpeil van -0,4 m NAP. Het Eem peil wisselt sterk door windinvloed. Bij opstuwing vanuit het Eemmeer kan de afvoer tijdelijk stagneren. De Bikkersvaart vormt een belangrijke schakel voor de waterafvoer naar het Randmeer (via de Noorderwetering) en de waterinlaat in de polder vanaf de rivier de Eem. Tegengaan wateroverlast Door de snelle afvoer van regenwater in het stedelijk gebied komt het water snel in de riolering terecht. Het Waterschap Vallei & Veluwe en de gemeente nemen waar mogelijk maatregelen om in bestaand en nieuw te ontwikkelen gebied wateroverlast te voorkomen en vuil- en schoonwater te scheiden. Verbeteren waterkwaliteit De belangrijkste doelstellingen van het stedelijk waterbeheer in Eemdijk liggen op het gebied van het verbeteren van het beheer van primaire en tertiaire watergangen, het beheren van de waterkwaliteit en het beperken van de afvoer van schoon water naar de rioolwaterzuivering. Het beleid van het Waterschap en de gemeente is er dan ook op gericht om, waar mogelijk en haalbaar, schoon hemelwater direct naar het oppervlaktewater af te

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

36

voeren. Bij reconstructies van wegen wordt bezien of afkoppeling van verhard oppervlak kan plaatsvinden. Beheer watergangen en oevers Het Waterschap Vallei en Veluwe is primair verantwoordelijk voor het waterbeheer en gaat na of iedereen zich aan de regels houdt. De Keur is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van A- of B-waterlopen niet zonder toestemming van het waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd, dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 4.8.2

Beleidskaders

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet de zogenaamde watertoets uitgevoerd worden. Hierbij moeten de initiatiefnemer en de waterbeheerder overleg voeren over de wateraspecten die verband houden met de voorgenomen ontwikkeling. Naast de watertoets spelen de volgende beleidslijnen een rol. Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; verbetering van emissies; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Nationaal Waterplan (2016 - 2021) Het Tweede Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Provinciaal Bodem- Water en Milieuplan 2016-2021 Het beleidsterrein bodem, water en milieu is de laatste jaren sterk in ontwikkeling. De wetgeving voor bodem, water en milieu is aan verandering onderhevig, internationaal zijn er regels en afspraken bij gekomen en nationaal zijn wetten samengevoegd en vereenvoudigd. Bovendien zijn bevoegdheden tussen overheden verschoven. Het veranderingsproces dat zich voltrekt, levert een vernieuwde provinciale beleidsinsteek op. Deze insteek is meer dan voorheen gericht op het voorkomen van problemen en vooral op het verbeteren van de Utrechtse leefkwaliteit. De gebiedsgerichte aanpak staat hierbij centraal. In het 'Bodem- Water- en Milieuplan 2016-2021' richt de provincie zich op het behoud en verder verbeteren van het aantrekkelijke woon-, werk- en leefklimaat in de provincie. Voor bodem, water en milieu betekent dit dat gestreefd wordt naar: een robuust bodem- en watersysteem.

Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden; bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied; een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden; een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. De rol van stedelijke gebieden wordt steeds belangrijker. In stedelijke gebieden wonen,

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

37

werken en recreëren mensen relatief dicht op elkaar, waardoor ogenschijnlijk kleine ontwikkelingen relatief veel effect op de fysieke leefomgeving (kunnen) hebben. Om te komen tot een duurzaam gebruik van het bodem- en watersysteem is het noodzakelijk een balans te vinden tussen de groei van het gebruik enerzijds en de bescherming van de leefkwaliteit anderzijds. Ook inspelen op de gevolgen van klimaatverandering wordt een steeds belangrijkere factor bij de inrichting van gebieden. Zowel in het landelijk als het stedelijk gebied neemt de urgentie toe om voorzieningen te treffen om wateroverlast door hoge neerslagintensiteiten te voorkomen, overstromingsrobuust te bouwen en water vast te houden om droge periodes te overbruggen. Ten aanzien van grondwater is de doelstelling dat de grondwatervoorraad mag worden benut, zonder dat deze wezenlijk wordt aangetast of andere belangen worden geschaad. Het op peil houden van de huidige hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater is de minimale ambitie voor het beleid. Het kan echter nodig zijn om lokaal de grondwaterkwantiteit of -kwaliteit te verbeteren, bijvoorbeeld omdat anders negatieve effecten optreden op natuur die van grondwater afhankelijk is. Blauwe Omgevingsvisie 2050 Met de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) zet het waterschap koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving, op een manier die aansluit bij de Omgevingswet.

In de BOVI staat het nieuwe waterdenken centraal. De BOVI is de input van het waterschap voor omgevingsvisies en -plannen in het kader van de Omgevingswet. De BOVI 2050 bestaat uit drie waterprincipes, te weten: 4 thema's: 1. waardevolle leefomgeving 2. klimaatverandering 3. circulaire economie en 4. energietransitie. 7 verhalen: 1. Vitale blauwe motor; 2. Dynamische bronlandschappen op de flank; 3. Robuust en natuurlijk oppervlaktewatersysteem van bron tot monding 4. Kringlooplandschappen op levende bodems; 5. Waterinclusieve bebouwde omgeving; 6. Lokale waterfabrieken en grondstoffen- en energiehubs 7. Veilige dijken en dynamisch buitenwater 3 gebieden: 1. Gelderse Vallei en Eemland 2. Noord-Veluwe 3. IJsselvallei en Oostflank van de Veluwe.

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

38

Figuur 4.4: de waterprincipes BOVI 2050 (bron: Waterschap Vallei en Veluwe) Voor voorliggend bestemmingsplan is het deelgebied 'Gelderse vallei en Eemland' relevant. Het deelgebied van de Gelderse Vallei en Eemland is het stroomgebied tussen de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug, dat afwatert op het randmeer. Het stroomgebied van de Gelderse Vallei en Eemland is een karakteristieke doorsnede van de hoge gronden van de Veluwe naar de Utrechtse Heuvelrug, met de Gelderse Vallei daartussen. De Veluwe herbergt een grote, strategische grondwatervoorraad van nationaal belang. Dit grondwater wordt aangevuld met regenwater, dat hier kan infiltreren. Landbouw, waaronder een groot aandeel intensieve veehouderij, heeft in de Gelderse Vallei een plek gevonden. Voor de Gelderse Vallei en Eemland is de volgende visiekaart ontwikkeld:

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

39

Figuur 4.5: Visiekaart BOVI 2050 (bron: Waterschap Vallei en Veluwe) Het plangebied ligt binnen de categorie 'vernatting'. Voor de ontwikkeling in Eemdijk-Oost is met name het thema: 'Waterinclusieve bebouwde omgeving' relevant. Waterinclusieve bebouwde omgeving Stedelijke in- en uitbreiding, ten behoeve van de groeiende bevolking, moet worden gekoppeld aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven. Dit biedt enorme kansen om de stad aantrekkelijker te maken. Overal waar wordt gebouwd, wordt rekening gehouden met het aspect water (waterinclusief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de stad als spons. Groenblauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de stad bovendien leefbaar bij toenemende hittestress en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnenstedelijke verdichting. Afwegingen over eventuele nieuwe, stedelijke uitbreidingen worden gemaakt vanuit de ondergrond, met het oog op de waterhuishouding en altijd klimaatadaptief.

Concreet betekent dit: Stedelijke ontwikkeling koppelen aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven; Circulair en CO2 neutraal ontwerpen; Meer groen en biodiversiteit in steden en dorpen; Vergroten zichtbaarheid en beleving water in stad en dorp; Benutten energie uit oppervlaktewater en rioolwater (TEO/TEA) Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 In het Blauwe Omgevingsprogramma 2022-2027 geeft waterschap Vallei en Veluwe inzicht in de doelen en maatregelen die het waterschap in deze periode gaat bereiken. De maatregelen zijn hierin op hoofdlijnen beschreven. Dit plan is mede kader voor de wijze waarop wordt omgegaan met water in het plangebied. Voor voorliggende ontwikkeling is de Gebiedsopgave Eemland relevant. Gebiedsopgave Eemland Het waterschap bouwt in dit deelgebied samen met partners aan een veilig en meer natuurlijk Eemland, met balans tussen verstedelijking, landbouw, beschermen en aanvullen van de grondwatervoorraad, recreatie, natuur en water.

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

40

Langs de Eem en randmeerkust streeft het waterschap naar een goede zonering van landbouw en natuur en de ontwikkeling van een groen en recreatief lint met veilige dijken en dynamisch buitenwater. Mogelijk kunnen het Valleikanaal en de Eem worden benut voor de winning van thermische energie. Het waterschap staat open om samen met de beheerders te participeren in een onderzoek naar de mogelijkheden om met herinrichting en oeverbeplanting de waterkwaliteit van het Eemmeer te verbeteren. In het poldergebied Eemland en Arkemheen onderzoekt het waterschap maatregelen voor het remmen van bodemdaling in combinatie met kringlooplandbouw en natuur, energie, de ontwikkeling van een recreatief lint langs de Eem en het Eemmeer en de verbetering van de waterkwaliteit in het lokale systeem. 4.8.3

Watertoets

Het plangebied is gelegen in een veengebied dat kwetsbaar is voor oxidatie. In de PRS is vermeld dat er bij voorkeur geen nieuwe bouwlocaties worden aangewezen in veengebieden. Mocht bouwen toch nodig zijn, dan is het in deze gebieden extra belangrijk rekening te houden met de eisen die de eigenschappen van het bodem- en watersysteem ter plaatse stellen. Oxidatie en inklinking van een veenlaag vindt plaats indien die veenlaag, door een verlaging van de grondwaterstand tot een niveau lager dan het niveau van het veen, wordt ontwaterd. Naar de gevolgen van de ontwikkeling op het bodem- en watersysteem is onderzoek gedaan, getuige het 'Geotechnisch bodemonderzoek' d.d. 9 januari 2013 van IJB Geotechniek B.V. en het naar aanleiding hiervan opgestelde rapport d.d. 23 oktober 2014 van Geoconsult Noord B.V., die als Bijlage 12 en Bijlage 13 aan de toelichting zijn gehecht. Verder is door J en L Datamanagement V.O.F. een Waterstructuurplan opgestelt voor de in het voorliggende plan beschreven ontwikkeling. De uitkomst van deze toets is beschreven in een waterparagraaf welke als Bijlage 14 en Bijlage 15 aan deze toelichting gekoppeld. De samenvatting en conclusie van het waterstructuurplan is als volgt: Door realisatie van het uitbreidingsplan zal een deel van de Bikkerspolder een andere functie krijgen.

De oppervlakte stedelijk gebied neemt toe; er kan minder regenwater in de bodem infiltreren en regenwater zal sneller afstromen naar het oppervlaktewater. Bij de uitwerking van het plan is echter voldoende rekening gehouden met deze aspecten: er is ruim voldoende ruimte voor water en de wijk heeft een ‘groen’ karkater. Het beleid van gemeente Bunschoten sluit aan bij het principe dat voorkomen moet worden dat teveel verharding wordt aangelegd rond woningen. Door het afdwingen dat regenwater van daken via spuwers wordt geloosd, blijven waterstromen zichtbaar en wordt voorkomen dat verontreinigingen optreden. Waterpartijen en watergangen worden aangelegd volgens de uitgangspunten van het waterschap, zodat ook beheer- en onderhoud- en veiligheidsaspecten voldoende aan bod komen. Door de uitbreiding van het aantal woningen wijzigt het aantal inwoners in het plangebied en zal het afvoerend verhard oppervlak toenemen. De wijzigingen zijn klein en hebben geen negatief effect op het functioneren van het systeem. Het plan voldoet aan de eisen en uitgangspunten die gesteld worden nieuwbouwplannen volgens het beleid van gemeente en waterschap. Het plan krijgt dan ook een positief wateradvies voor de bestemmingsplanwijziging van het waterschap Vallei en Veluwe. Dempen watergang Eemdijk Als gevolg van de planontwikkeling is nadrukkelijk de waterhuishouding betrokken.

Ook het onderhoud en controle op het water en duikers is hierin meegenomen. De waterpartijen in het plangebied staan met een watergang en een duiker in verbinding met de Bikkersvaart. Deze watergang zal gedempt worden en vervangen worden door een ondergrondse buis. In verband met deze keuze is door Wiertsema en Partners onderzocht wat de gevolgen kunnen zijn van die demping. De bevindingen van dat onderzoek zijn beschreven in de rapportage van 5 december 2014 (documentnummer R32732). Onder verwijzing naar die rapportage (Bijlage 16) wordt hierna de conclusie aangehaald. Vanwege planwijzigingen heeft Wiertsema & Partners een oplegnotitie opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 17. De conclusies zijn als volgt:

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

41

In ons rapport uit 2014 is geadviseerd om de betreffende sloot te vervangen door een duiker met infiltrerende werking. Deze duiker zou fungeren als een “begraven sloot”. Via deze “begraven sloot zou moeten kunnen worden ingelaten vanuit de Bikkersvaart in het stedelijk watersysteem. De beheersing van het grondwaterpeil in het stedelijk watersysteem is belangrijk om schade aan de woningen te voorkomen. Door de verhoging van het stedelijk peil met circa 20 cm, het onder stedelijk peil brengen van het gehele nieuwbouwplan en de toename van het aantal geplande woningen (8 extra) is het bergend vermogen van het oppervlaktewatersysteem verkleind. Voor het via vrij verval afwateren op het omringende poldersysteem heeft dit geen gevolgen. De afstand tussen de oudere kern van Eemdijk en de older wordt groter door het uitbreidingsplan. Het stedelijk waterpeil in het gehele uitbreidingsplan zorgt voor een extra buffer met het omringende lagere polderpeil. Hierdoor neemt het risico op zettingsschade van oudere woningen verder af.

Op basis van bovenstaande kan worden vastgesteld dat het advies uit 2014 niet hoeft te worden aangepast, omdat: de aanpassingen geen invloed hebben op de afwatering naar het aangrenzende poldersysteem (met een lager polderpeil); er eerder een positief effect is door de grotere bufferzone tussen de oudere kern van Eemdijk het aangrenzende poldersysteem (met een lager polderpeil). Conclusie: De ontwikkeling voldoet aan de gestelde randvoorwaarden die gemeente en waterschap stellen aan nieuwe ontwikkelingen binnen het beheergebied. Er is voldoende ruimte voor water. Door het ontwerp worden tevens goede voorwaarden geschapen voor natuurontwikkeling en ecologie. De ontwikkeling schaadt de waterkwaliteit niet.

4.9

Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden [kenmerk: 4024, versie 1.0, rapportdatum 24-1-2022; geactualiseerd op 3-2-2023 en op 30-08-2023] van Natuurbank Overijssel, zie ook Bijlage 18. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Het plangebied is op 20 januari 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, Weidevogelgebied en Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied, maar ligt volledig binnen weidevogelkerngebied.

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Het plan ligt volledig binnen ‘weidevogelkerngebied’. Voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de ontwikkeling van 72 woningen in Eemdijk-Oost. Het ‘weidevogelkerngebied’ legt alleen beperkingen op voor ontwikkelingen die betrekking hebben op het aanleggen van windturbines en zonnevelden. Deze kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor de weidevogelkerngebieden. Met voorliggend plan worden geen windturbines of zonnevelden gerealiseerd. Het beoogde plan van 72 woningen in Eemdijk-Oost heeft dan ook geen gevolgen voor het weidevogelkerngebied. Verdere toetsing aan beleidsregels voor Weidevogelkerngebied is niet aan de orde. Een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied is niet aannemelijk, gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tussen plangebied en stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, maar een

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

42

stikstofberekening kan antwoord geven op de vraag, of realisatie van het voorgenomen plan tot een verhoogde depositie van stikstof in Natura 2000-gebied leidt. Stikstofberekening Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Ad Fontem heeft een stikstofberekening opgesteld. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 19. De conclusies zijn als volgt: Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS berekening is aangetoond dat dit zowel in de aanleg- als gebruiksfase niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. De emissie in beide fasen ligt dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2022 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect 'stikstof' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een vaste winterrust- en voortplantingsplaats en behoort het mogelijk tot functioneel leefgebied van een beschermde vissoort. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd of vernield. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling, maar deze vrijstelling geldt niet voor het doden van beschermde dieren.

Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, mogen ze verjaagd of weggevangen worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren (opzettelijk) gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Tevens vormt het plangebied functioneel leefgebied van beschermde amfibieën en mogelijk vormt het functioneel leefgebied van een beschermde vis. Beschermde dieren mogen niet (opzettelijk) gedood worden, maar voor het beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats van algemene amfibieënsoorten geldt een vrijstelling. Deze vrijstelling geldt niet voor heikikkers, poelkikkers en grote modderkruipers. Er zijn geen aanwijzingen dat voorgenoemde soorten een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, of dat deze dieren gedood worden als gevolg van de voorgenomen activiteiten, maar dat kan niet geheel uitgesloten worden. Om de functie van het plangebied voor heikikkers, poelkikkers en grote modderkruipers vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties samengevat: Terrein bouwrijp maken buiten voortplantingsperiode van vogels; Geen beschermde dieren doden; Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor poelkikker, heikikker en grote modderkruiper; Voor de poelkikker, heikikker en grote modderkruiper moet nader onderzoek uitgevoerd worden.

Dit onderzoek is uitgevoerd door Laneco en opgenomen in Bijlage 20. De conclusies van deze veldinventarisatie zijn als volgt: Nader onderzoek

bestemmingsplan Eemdijk-Oost NL.IMRO.0313.EEMDIJKOOST2400-0301

43

Voor de nieuwbouwplannen in het gebied Eemdijk-Oost (zie luchtfoto) is een quick scan flora en fauna (Natuurbank Overijssel, 2022) uitgevoerd waarin nader onderzoek naar heikikker, poelkikker en grote modderkruiper wordt aanbevolen. Inmiddels is duidelijk geworden dat ook onderzoek naar rugstreeppad en ringslang moet worden gedaan. Vanwege de droge en intensieve weides en de vrij hoge voedselrijkdom en smalle oeverzones van de watergangen betreft de locatie geen optimaal biotoop voor de verwachte soorten. Volledig uitsluiten van deze soorten kan echter ook niet. Heikikker: suboptimaal biotoop. De sloten zijn matig geschikt als voortplantingswater en de oevers zijn wel geschikt als landbiotoop. De weides zijn te droog. Poelkikker: geschikt biotoop in de sloten en op de oevers. Grote modderkruiper: geschikt biotoop in het water. Rugstreeppad: komt wel veel in de omgeving voor, maar een zeer kleine kans op voorkomen in het plangebied vanwege de afwezigheid van vergraafbare grond en zeer suboptimale voortplantingsomstandigheden. Ringslang: geschikt als zomer foerageergebied en leefgebied. Daarmee zijn vooral de watergangen en 0,2-0,5 meter oever geschikt biotoop voor amfibieën. De weides zijn te droog. Er gaan meer watergangen weg dan dat er terug worden gebracht in het nieuwe plan.

Echter, als de watergang aan de west- en noordzijde van het plangebied een natuurvriendelijke oever van 1 meter aan weerszijden krijgt (plas-dras) en middels een stuwtje of overloopberm wordt afgesloten van doorgaande watergangen, ontstaat een geschikter biotoop dan nu het geval is. Naar verwachting worden de watergangen daarmee ook minder voedselrijk vanwege zuiverende soorten in deze zones. In de groenzones van het plan kunnen enkele poelen en/of lage plas-dras zones (die ook als wadi mogen dienen) met kruidenrijke begroeiing dienen als extra water- en landbiotoop worden gerealiseerd. Hier kunnen ook enkele betonnen rugstreeppaddenpoelen worden aangelegd. Op een perceel bij de Vaartweg van ongeveer 500 m2 (naast de ingang, direct tegen de Vaartweg) kunnen 2 poelen van 100 m2 worden gerealiseerd, met moeraszone er om heen. Vereiste is wel dat de zones ook zodanig worden beheerd dat ze blijven functioneren voor de soorten. Met deze maatregelen is de compensatie/mitigatieopgave naar waarschijnlijkheid in en direct tegen het plan op te lossen voor de verwachte soorten. Nader onderzoek in het veld in geschikte periodes kan uitsluitsel geven over het voorkomen van en de abundantie van de genoemde soorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15007622/1