CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Quickscan WNB ‘Broerswetering 6’.pdf

Gemeenteraad 30 januari 2025, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1219362 Aanvraag verklaring van geen bedenkingen Broerswetering 6-8 (vml. Rabo Lidl)13.698 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1 alinea's met “opening”: 180

Quickscan Natuurwetgeving ‘Broerswetering 6’ te Bunschoten

Pagina 2 van 39

Colofon Titel Subtitel

Quickscan Natuurwetgeving Broerswetering 6, te Bunschoten

Opdrachtgever

Heinen & Hopman Beheer B.V. Produktieweg 12 3751 LN Bunschoten-Spakenburg

Projectlocatie Projectnummer

Broerswetering 6, te Bunschoten 08QS05-21

Datum Status

18 oktober 2024 Concept

Veldonderzoek

S.T. Brouwer

Auteur(s)

G.R. Bouw

Kwaliteitscontrole

G.R. Bouw

BSc Wiskunde en Toepassingen, Universiteit Utrecht Oud-vrijwilliger IVN Nijkerk bij Landschapsbeheer en Weidevogelbescherming Gecertificeerd Imker

Werkvoorbereider Wet natuurbescherming, ruimtelijke ontwikkeling niveau 3 Planvormer Wet natuurbescherming, ruimtelijke ontwikkeling niveau 4 European Tree Worker (ETW) European Tree Technician (ETT) Boom technisch adviseur, Norminstituut handboek bomen HBO Minor bomen en stedelijke omgeving Gecertificeerd Boom Veiligheid Controleur

Copyright © 2024 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Pagina 3 van 39

Kennismaken met FF Solutions FF Solutions ‘Natuurbescherming’ FF Solutions is een adviesbureau dat zich heeft toegelegd op het in kaart brengen van voorkomende ecologische vraagstukken die zich bij ruimtelijke ontwikkelingen en beheersmaatregelen kunnen voordoen. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling en-/of beheersmaatregel zal er rekening moeten worden gehouden met eventuele beschermde soorten, gebieden en-/of houtopstanden. Onze ecologen brengen de risico’s van de voorgenomen activiteit in kaart en bieden een passende oplossing ten aanzien van de te beschermen soorten, gebieden en-/of houtopstanden. Ons uitgangspunt is de natuur respecteren, zorgvuldig handelen en de ruimte te zoeken om het voorgenomen project doorgang te laten vinden. FF Solutions ‘Boomtechniek’ FF Solutions is een adviesbureau dat zich heeft toegelegd op het onder andere in kaart brengen van voorkomende boomvraagstukken die bij ruimtelijke ontwikkelingen zich kunnen voordoen. FF Solutions is voorzien van de laatste kennis op het gebied van boomtechniek met betrekking tot weten regelgeving en groeiomstandigheden van de boom. De kennis is getoetst onder Europees toezicht, het EAC. Middels een puntensysteem wordt de kennis en kwaliteit van de kennis op peil gehouden en geborgd. FF Solutions onderhoudt de vereiste kwalificaties, waardoor de certificering geborgd blijft.

FF Solutions ‘Landschappelijke inpassingen’ FF Solutions is een adviesbureau dat zich heeft toegelegd op het o.a. in kaart brengen en tekenen van landschappelijke inrichtingsplannen die bij ruimtelijke ontwikkelingen toegepast kunnen worden. FF Solutions is voorzien van kennis op het gebied van landschappelijke inpassingen met betrekking tot het in kaart brengen van gebied eigen natuurwaarden. FF Solutions onderhoudt de benodigde kennis door continu zich te blijven verdiepen in natuur- en cultuurwaarden die gesteld worden aan bepaalde gebieden. FF Solutions onderhoudt dan ook diverse kwalificaties die aan dit onderwerp zijn gerelateerd.

Pagina 4 van 39

Inhoudsopgave 1 Inleiding 1.1 Wetgeving

5 5

1.2 Methoden

6

1.3 Betrouwbaarheid

6

1.4 Leeswijzer

7

2 Gebiedsbeschrijving 2.1 Topografische ligging

8 8

2.2 Huidig gebruik projectlocatie en omgeving

8

2.3 Toekomstig gebruik van de projectlocatie en voorgenomen ingrepen

9

3 Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000-gebieden

10 10

3.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

12

3.3 Bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen

13

3.4 Ander beleidsmatig beschermd gebied

14

4 Beschermde houtopstanden 4.1 Specifieke zorgplicht houtopstanden

16 16

5 Soortenbescherming 5.1 Broedvogels

17 17

5.2 Vleermuizen

20

5.3 Overige zoogdieren

21

5.4 Reptielen, amfibieën en vissen

23

5.5 Insecten en ongewervelden

24

5.6 Vaatplanten

25

5.7 Nader onderzoek

26

5.8 Algemene en specifieke zorgplicht soortenbescherming

26

6 Samenvatting 7 Bijlagen Bijlage 1: Bronnen

29 31 31

Bijlage 2: Omschrijving van de natuurwetgeving

32

Bijlage 3: Kernkwaliteiten nationale landschappen

38

Pagina 5 van 39

1

Inleiding FF Solutions heeft van Heinen & Hopman Beheer B.V. opdracht gekregen een Quickscan Natuurwetgeving uit te voeren binnen de ontwikkeling ‘Broerswetering 6’, te Bunschoten. Deze Quickscan dient als actualisatie voor de eerder gemaakte Quickscan (projectnummer 08QS05-21, d.d. 30 april 2021). Binnen de voorgenomen ontwikkeling bestaat het voornemen om het bestaande gebouw te herontwikkelen. De Quickscan Natuurwetgeving heeft als doel in te schatten of er binnen de te onderzoeken locatie beschermde planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die een beschermde status hebben en mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op beschermde houtopstanden, gebieden die een beleidsmatige bescherming genieten of gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

1.1

Wetgeving Om het voorliggend document beter te begrijpen zal een korte toelichting gegeven worden over de relevante wetgeving; de Omgevingswet (zie bijlage 2 voor aanvullende informatie). De Omgevingswet (kortweg Ow) is een wet die alle regels omvat met betrekking tot alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultureel erfgoed en natuur. In vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en een ministeriële regeling werkt de wetgever de Omgevingswet uit. Het voorgaande heeft specifiek betrekking op: o o

AMvB’s: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en Omgevingsbesluit (Ob); Ministeriële regeling: Omgevingsregeling (Or).

Het doel van de Ow is onder andere het beschermen en verbeteren van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) die aangeeft dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteiten nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving verplicht is om: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. Deze algemene zorgplicht geldt voor de gehele fysieke leefomgeving en voorziet hiermee ook in een basis voor de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden. Naast de algemene zorgplicht geldt er een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te verrichten (par. 5.1.1 Ow), tenzij afwijkend beschreven in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Het verbod om zonder een omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te verrichten, heeft onder andere betrekking op Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (zie bijlage 2 voor een uitgebreide beschrijving van deze activiteiten).

Pagina 6 van 39

De Omgevingswet borgt de bescherming van vele dier- en plantsoorten. Het gaat hier om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, maar ook om soorten van nationaal belang. Hiernaast wordt ook de bescherming van Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Nederland en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen geborgd door de Ow. Tevens ziet de Ow er op toe dat houtopstanden in de fysieke leefomgeving worden beschermd. Behalve de algemene zorgplicht, kent de Ow ook diverse specifieke zorgplichten die duidelijk maken wat er wel en niet moet gebeuren bij een activiteit. Aan de natuur gerelateerde specifieke zorgplichten zien toe op: o o o

1.2

Activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden (art. 11.6 Bal); Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild (art. 11.27 Bal); en Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen (art. 11.116 Bal).

Methoden Het verrichte onderzoek is opgedeeld uit een bureau- en veldonderzoek, welke samen leiden tot inzicht in aanwezigheid van beschermde soorten en geschikt habitat. Bij de beoordeling van het plangebied is allereerst een bronnenonderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde soorten binnen en rondom de projectlocatie, de ligging van beschermde gebieden in de regio van de projectlocatie en aanwezige houtopstanden en relevante regelgeving. Daarvoor is onder andere de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF genoemd) geraadpleegd voor actuele verspreidingsgegevens van soorten (zie bijlage 1 voor bronnen). Het bureauonderzoek dient als basis voor veldonderzoek welke plaatsvindt binnen de projectlocatie. Tijdens het veldonderzoek is onderzoek gedaan naar (potentiële) vaste rust- en verblijfplaatsen, sporen en-/ of resten van beschermde soorten, welke voor kunnen komen of in de directe omgeving vanuit actuele data zijn vastgesteld. Tijdens het veldonderzoek is er onder andere gebruik gemaakt van de checklist voor het inschatten van de aanwezigheid van vleermuizen, opgesteld door Netwerk Groene Bureaus. Tevens is het terrein beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten (habitatbeoordeling).

Door resultaten van het veld- en bureauonderzoek te combineren wordt beoordeeld welke effecten te verwachten zijn als gevolg van de geplande ingrepen op (potentieel) aanwezige soorten en hun habitat, beschermde gebieden en houtopstanden. Naar aanleiding van de effectenbeoordelingen volgt een advies in te ondernemen stappen binnen de relevante ontwikkeling.

1.3

Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform geldende regelgeving omtrent natuurbescherming (zie bijlage 2). Het betreft een momentopname en levert een toetsing op van de geschiktheid van de projectlocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel ter plaatse zijn van beschermde soorten is daarentegen nooit met zekerheid te voorspellen. FF Solutions verwerpt op voorhand aansprakelijkheid met betrekking tot mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door FF Solutions verrichte onderzoek neemt. Een Quickscan is in de regel geldig voor een duur van 2 tot 3 jaar, behalve indien in deze periode de ecologische omstandigheden dermate veranderd zijn en/of de relevante regelgeving of inzichten daartoe behorend zijn veranderd. Indien uitvoering van een ontwikkeling met meer

Pagina 7 van 39 dan 3 jaar wordt verschoven, wordt aangeraden de uitkomsten van de Quickscan wederom te toetsen. FF Solutions verklaart geen onderzoek uit te voeren binnen de projectlocatie met als doel om resultaten van wettelijke of maatschappelijke vereisten te ontwijken, die gebleken zijn uit eerder onderzoek.

1.4

Leeswijzer Dit onderzoek is opgedeeld in een bureauonderzoek en een veldonderzoek. Hoofdstuk 2 bestaat uit de gebiedsbeschrijving, waarin het huidige gebruik, het toekomstige gebruik en topografische ligging van de projectlocatie besproken wordt. In hoofdstuk 3 vindt u het hoofdstuk over gebiedsbescherming en de resultaten aan de hand van bureauonderzoek. Aansluitend zullen in hoofdstuk 4 de beschermde houtopstanden besproken worden. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten vanuit het veld- en bureauonderzoek omtrent soortenbescherming en de effectenbeoordeling. Per categorie beschermde soorten worden de vaststellingen, effectenbeoordelingen en het hierop volgende advies besproken. Het onderzoek wordt in hoofdstuk 6 afgesloten met de samenvatting en conclusies op de uitkomst van het gehele onderzoek.

Pagina 8 van 39

2

Gebiedsbeschrijving Binnen dit hoofdstuk wordt de huidige situering en voorgenomen ontwikkelingen van de projectlocatie beschreven. Tevens zal ingegaan worden op de huidige staat van de projectlocatie en belangrijke kenmerken die zijn vastgesteld tijdens veldbezoek.

2.1

Topografische ligging De projectlocatie bevindt zich binnen de bebouwde kom van Bunschoten (zie Fig. 2.0 en Fig. 2.1).

Fig. 2.0, Topografische aanduiding projectlocatie (rood omrand) (achtergrondbron: www.pdok.nl)

2.2

Fig. 2.1, Topografische aanduiding projectlocatie (rood omrand) (achtergrondbron: www.pdok.nl)

Huidig gebruik projectlocatie en omgeving Binnen de projectlocatie bevindt zich een pand dat is opgebouwd uit bakstenen spouwmuren met afgedekte stootvoegen laag bij de grond. Het pand bestaat aan de zuidzijde uit twee verdiepingen, de noordzijde slechts één met over de gehele oppervlakte een plat dak. Aan de zuidzijde bevinden zich aan de bovenzijde van de gevel uitstekende plastic buizen ten behoeve van de afwatering van het dak. Het pand grenst aan de oostzijde aan een ander pand. De noordzijde grenst aan een steeg geschikt voor voetgangers. Aan de zuidzijde bevindt zich een doorgaande weg, gevolgd door een smalle watergang met aan weerszijde bomen en met regelmaat gemaaid gras. Westelijk van het pand bevindt zich een steeg gevolgd door een winkelpand.

Fig. 2.2, Vooraanzicht (zuidzijde) projectlocatie (bron: FF Solutions)

Pagina 9 van 39

Fig. 2.3, Aansluiting naastgelegen pand (zuidzijde) (bron: FF Fig. 2.4, Noordzijde pand (bron: Google) Solutions)

2.3

Toekomstig gebruik van de projectlocatie en voorgenomen ingrepen Binnen de voorgenomen ontwikkeling bestaat het voornemen om het bestaande gebouw te herontwikkelen. Het is nog onbekend of het gebouw wordt gesloopt of gerenoveerd. Echter wil de opdrachtgever vooruitlopend inzicht krijgen in de risico’s betreft flora- en fauna-aspecten omtrent dit gebouw.

Pagina 10 van 39

3

Gebiedsbescherming Binnen dit hoofdstuk zal ingegaan worden op gebieden die een beleidsmatige bescherming genieten of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierbij zal beoordeeld worden of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op de betreffende gebieden.

3.1

Natura 2000-gebieden De projectlocatie is niet gelegen binnen de grenzen van gebieden die aangewezen zijn als Natura 2000-gebied (zie Fig. 3.0). Het meest nabijgelegen N2000-gebied is ‘Eemmeer & Gooimeer Zuidoever’ op circa 1,94 km van de projectlocatie1. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelig gebied is ‘Veluwe’ op circa 15,40 km van de projectlocatie.

Fig. 3.0, Ligging projectlocatie (rood omrand) ten opzichte van de N2000gebieden (achtergrondbron: AERIUS Calculator)

Effectenbeoordeling Ow en advies Doordat de projectlocatie niet binnen een Natura 2000-gebied bevindt, is er geen sprake van interne effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling. Er is hiermee ook geen sprake van verlies aan oppervlak van Natura 2000-gebieden door de ontwikkeling. De projectlocatie is op een minimale afstand van circa 1,94 km gelegen van Natura 2000gebieden. Om een nadere inschatting te maken in negatieve effecten die te verwachten zijn als gevolg van externe effecten, wordt gebruik gemaakt van de storende factoren uit de Effectenindicator Natura 2000-gebieden. In Tab. 3.1 is een korte uiteenzetting gemaakt. Mede in verband met de ligging van de projectlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden en de schaal en aard van de werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden door interne en externe factoren (zie Tab. 3.1). Een uitzondering op het voorgaande betreft echter stikstofdeposities. Er is mogelijk sprake van een toename van stikstofdeposities op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

1

De afstanden van de projectlocatie naar beschermde gebieden wordt berekend vanuit het middelpunt van de projectlocatie.

Pagina 11 van 39

Tab 3.1, Storende factoren en te verwachten negatieve effecten (achtergrondbron: Effectenindicator Natura 2000-gebieden)

Verlies oppervlak Verzuring/vermesting Verzoeting/verzilting

Negatieve effecten te verwachten? Nee Mogelijk Nee

Verontreiniging

Nee

Verdroging/vernatting/etc.

Nee

Verandering substraat Geluid

Nee Nee

Licht

Nee

Trilling

Nee

Verstoring door mensen Mechanische effecten Barrièrewerking

Nee Nee Nee

Versnippering

Nee

Verbreiding van soorten

Nee

Storende factor

Reden Het project vindt plaats buiten N2000-gebied Aanleg en gebruik leidt tot stikstofdeposities Het project vindt ruim buiten N2000-gebied plaats en heeft geen invloed op water(-gangen) Het project vindt ruim buiten N2000-gebied plaats en is gebonden aan de reguliere milieuwetgeving Het project vindt ruim buiten N2000-gebied plaats en heeft geen invloed op water(-gangen) Het project vindt plaats buiten N2000-gebied Het project vindt ruim buiten N2000-gebied plaats, verstoring door deze factor beperkt zich (afhankelijk van de ontwikkeling en ligging) veelal tot slechts enkele tientallen tot honderden meters Het project vindt ruim buiten N2000-gebied plaats, verstoring door deze factor beperkt zich (afhankelijk van de ontwikkeling en ligging) veelal tot slechts enkele tientallen tot honderden meters Het project vindt ruim buiten N2000-gebied plaats, verstoring door deze factor beperkt zich (afhankelijk van de ontwikkeling en ligging) veelal tot slechts enkele tientallen tot honderden meters Het project vindt plaats buiten N2000-gebied Het project vindt plaats buiten N2000-gebied Het project leidt niet tot het ontstaan van een barrière tussen N2000gebieden, zoals een weg Het project vindt plaats buiten N2000-gebied of essentiële verbindingszones tussen N2000-gebieden Het project leidt niet tot de introductie van soorten in een gebied waar deze momenteel niet voorkomen

Binnen de huidig voorgenomen ontwikkeling dient een AERIUS-berekening gemaakt te worden om te toetsen of er significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van relevante stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving te verwachten zijn. Indien significante gevolgen op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden optreden, dient een omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten aangevraagd te worden. Opmerking: Formeel juridisch geldt voor de vastlegging van omgevingsplan dat een plan mag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling, bedoeld in art. 16.53c, eerste lid Ow, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl). Op basis van hetgeen in het voorgaande hoofdstuk is opgenomen, worden (los van mogelijke stikstofdeposities) geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000gebieden. Het voorgaande betreft echter géén Passende Beoordeling. Voor zekerheidsstelling kan een Passende Beoordeling gemaakt worden indien het omgevingsplan aangepast dient te worden voor de uitvoering van het project, onderdeel hiervan is de reeds geadviseerde AERIUSberekening. 3.1.1 Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden De specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden geldt te allen tijde en is onderstaand toegelicht.

Pagina 12 van 39

Art. 11.6 (Bal) Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden 1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f.

het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Binnen de huidige voorgenomen ontwikkeling zijn, los van mogelijke stikstofdeposities, geen interne of externe effecten te verwachten op Natura 2000-gebieden. Nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling, zoals benoemd in art. 11.6.1 (Bal), zijn hierom niet te verwachten. Er is geen noodzaak tot het nemen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden. Echter, in verband met mogelijk te verwachten stikstofdeposities zal een AERIUS-berekening gemaakt worden om te toetsen of er significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van relevante stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving te verwachten zijn. Eventuele maatregelen in het kader van stikstofdeposities zijn pas aan de orde als significant negatieve effecten te verwachten zijn op basis van de AERIUS-berekening en zijn hierom niet opgenomen in deze Quickscan.

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) De projectlocatie is niet gelegen binnen de grenzen van gebied dat aangewezen is als NNN-gebied of Groene contour (Fig. 3.2). Het meest nabij gelegen NNN-gebied ligt op circa 0,56 km afstand van de projectlocatie, de meest nabijgelegen Groene contour ligt op circa 1,14 km. Effectenbeoordeling Ow en advies Externe effecten worden conform Afdeling 6.1 ‘Natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden’ van Omgevingsverordening provincie Utrecht (prov. Utrecht, in werking vanaf 01-09-2024) niet getoetst. Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van de ontwikkeling met betrekking tot Natuurnetwerk Nederland in provincie Utrecht.

Pagina 13 van 39

Fig. 3.2, Ligging projectlocatie (rood omrand) ten opzichte van NNN-gebieden (achtergrondbron: provincie Utrecht)

3.3

Bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen Voor bijzondere nationale natuurgebieden en bijzondere nationale landschappen geldt, overeenkomstig met Natura 2000-gebieden, de specifieke zorgplicht zoals uiteengezet in art. 11.6 Bal. De projectlocatie is zover bekend bij FF Solutions niet gelegen binnen of rond grenzen van gebied dat aangewezen is als bijzonder nationaal natuurgebied. Wel is de projectlocatie gelegen binnen nationaal landschap ‘Arkemheen-Eemland’ (zie Fig. 3.3). Effectenbeoordeling Ow en advies De kernkwaliteiten van nationaal landschap ‘Arkemheen-Eemland’ betreffen (Ministerie van VROM, 2004): o o o

Extreme openheid; Slagenverkaveling; Veenweidekarakter.

Binnen de voorgenomen ontwikkeling bestaat het voornemen om het bestaande gebouw te herontwikkelen. De ontwikkeling vindt plaats binnen het stedelijk gebied. Er wordt niet verwacht dat de ontwikkeling afbreuk doet aan de kernkwaliteiten van het nationaal landschap ‘Arkemheen-Eemland’, onder meer door de ligging binnen het stedelijk gebied. Mede in verband met de ligging van de projectlocatie, de schaal en aard van de werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op bijzondere nationale natuurgebieden en bijzondere nationale landschappen door interne en externe factoren. Nadelige gevolgen op voorgaand genoemde gebieden en-/of landschappen als gevolg van de ontwikkeling, zoals benoemd in art. 11.6.1 (Bal), zijn niet te verwachten. Er is geen noodzaak tot het nemen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht voor bijzondere nationale natuurgebieden en bijzondere nationale landschappen.

Pagina 14 van 39

Fig. 3.3, Ligging projectlocatie (rood omrand) ten opzichte van nationaal landschap ‘ArkemheenEemland’ en ten opzichte van provinciaal landschap ‘Eemland’ (achtergrondbron: provincie Utrecht)

3.4

Ander beleidsmatig beschermd gebied De projectlocatie is gelegen binnen ‘Landschap Eemland’ (zie Fig. 3.3). Regels ter bescherming van het voorgaande gebied zijn opgenomen in Omgevingsverordening provincie Utrecht (prov. Utrecht, in werking vanaf 01-09-2024) in Afd. 7.2 ‘Kwaliteit van landschap’. De omgevingsverordening meldt het volgende: o

Art. 7.11.3: Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in Landschap bevat: a. regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.

o

Art. 7.11.4: De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.

Indien binnen het huidige omgevingsplan gebouwd wordt, zal het omgevingsplan reeds borgen dat de kernkwaliteiten van ‘Landschap Eemland’ beschermd worden. Het voorgaande komt voort uit Art. 7.11.3 van de omgevingsverordening. Indien binnen het huidige omgevingsplan gebouwd wordt, zijn er geen bezwaren tot de uitvoering van het project met betrekking tot ‘Landschap Eemland’. Indien het huidige omgevingsplan aangepast moet worden voor de uitvoering van de ontwikkeling, dan zal conform Art. 7.11.4 gemotiveerd moeten worden hoe de kernkwaliteiten van het gebied beschermd worden. De projectlocatie is zover bekend bij FF Solutions niet gelegen binnen of rond grenzen van ander gebied dat aangewezen is als ander beleidsmatig beschermd gebied.

Pagina 15 van 39

Pagina 16 van 39

4

Beschermde houtopstanden Binnen dit hoofdstuk zal ingegaan worden op de invloed welke de voorgenomen ontwikkelingen kunnen hebben op beschermde houtopstanden. Beschermde houtopstanden zijn opgenomen binnen de Omgevingswet met als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden en de natuur en landschappelijke waarden te beschermen. De bescherming geldt voor bos, maar ook voor andere 'houtopstanden' zoals boomvormers, struiken, hakhout of griend. In bijlage 2 worden de regels nader toegelicht. Effectenbeoordeling Ow en advies De projectlocatie is gelegen binnen de bebouwingscontour houtkap, zoals bedoeld in art. 11.111, lid 2 Bal. De regels uit de Ow voor de bescherming van houtopstanden gelden niet voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Er zijn in het kader van de Ow geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft beschermde houtopstanden.

4.1

Specifieke zorgplicht houtopstanden De specifieke zorgplicht voor houtopstanden geldt te allen tijde en is onderstaand toegelicht. Art. 11.116 (Bal) Specifieke zorgplicht houtopstanden Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.111, eerste lid [vellen van houtopstand en herbeplanten van grond], verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.112 [natuurbescherming, instandhouding bosareaal en beschermen landschappelijke waarden], is verplicht: a. b. c.

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Binnen de huidig voorgenomen werkzaamheden worden, zover bij FF Solutions bekend, geen houtopstanden verwijderd of aangeplant. Nadelige gevolgen op de natuurbescherming, instandhouding van het bosareaal en beschermde landschappelijke waarden zijn uit te sluiten. Er is geen noodzaak tot het nemen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht voor houtopstanden.

Pagina 17 van 39

5

Soortenbescherming Binnen dit hoofdstuk zal ingegaan worden op bureau- en veldonderzoek dat heeft plaatsgevonden om te bepalen welke invloeden de voorgenomen ontwikkelingen hebben op beschermde soorten. Er zal per soortgroep een nadere beschrijving gegeven worden van onderzoeksresultaten, effectenbeoordeling van de ingreep en indien van toepassing wordt aangegeven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is. Dit bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is en er aanvullend onderzoek plaats dient te vinden. Tevens wordt beschreven wat de mogelijke gevolgen zijn met betrekking tot omgevingsvergunningen. Er is gebruik gemaakt van actuele verspreidingsgegevens van onder andere de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF)2 om te bepalen of beschermde soorten aanwezig zijn binnen of nabij de projectlocatie. Het aansluitende veldonderzoek waarbij gelet wordt op (potentiële) vaste rust- en verblijfplaatsen, sporen en-/ of resten van beschermde soorten vond plaats op 18 oktober 2024 (18°C, bewolkt, droog, 2-3 Bft). Middelen welke gebruikt worden bij veldbezoeken zijn bijvoorbeeld een (nacht)verrekijker Swarovski EL 8.5x42 WB Swarovision en-/of zaklamp.

5.1

Broedvogels Beschermde vogelsoorten worden onderscheiden in twee categorieën; broedvogels met jaarrond beschermde nesten en algemene broedvogels voor welke nesten beschermd zijn louter tijdens het broedseizoen. Nesten van soorten binnen de laatste categorie kunnen echter eveneens jaarrond beschermd zijn indien er zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen. Bij de kwalificatie van broedvogels binnen dit document is gebruik gemaakt van Beschermde dieren- en plantensoorten van provincie Utrecht3.

5.1.1 Jaarrond beschermde nesten van broedvogels Bureauonderzoek Vanuit het bureauonderzoek worden diverse broedvogels met jaarrond beschermde nesten waargenomen in de directe omgeving van de projectlocatie, zie Tab. 5.0 voor verzameltabel 4. Tab 5.0, Verzameltabel vaststellingen bureauonderzoek ‘broedvogels jaarrond beschermde nesten’

Soortgroep Broedvogels jaarrond beschermde nesten

Soorten vanuit bureauonderzoek Buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief

Wetgeving Vogelrichtlijn

Overig -

2

De NDFF verleent toegang tot gebruik van hun databank. Verkregen informatie is bij FF Solutions aanwezig, en mag worden ingezien. Ter bescherming van de NDFF wordt de verkregen informatie van de NDFF niet aan derden verspreid. Bij het gebruik van waarnemingen is rekening gehouden met de juridische houdbaarheid van gegevens (3-5 jaar). Oudere waarnemingen worden enkel gebruikt om een beeld van de ecologische potenties van een gebied te geven. 3

4

https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/2020-12/Beschermde%20soorten%20Wet%20natuurbescherming.pdf

De soorten weergegeven met rode letters zijn soorten welke genoemd worden op de rode lijst van Nederland. Op de rode lijst zijn soorten vermeld die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Deze notatie zal in verdere verzameltabellen binnen dit document aangehouden blijven.

Pagina 18 van 39 Veldonderzoek Tijdens het veldonderzoek zijn er geen vogels met jaarrond beschermde nesten waargenomen binnen de projectlocatie. Het projectgebouw is tevens ongeschikt gebleken voor vestiging door vogels met jaarrond beschermde nesten. Het gebouw voorziet niet in openingen of nissen die vogels toegang kunnen geven tot het gebouw en tevens is het gebouw in het bezit van platte daken. Vestigingsplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Tevens wordt niet verwacht dat de projectlocatie voorziet in essentieel leefgebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Effectenbeoordeling Ow Er worden geen vestigingsplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten verwacht binnen de projectlocatie, tevens zal de projectlocatie geen essentieel onderdeel zijn van leefgebied van soorten binnen deze categorie. Er worden hierom geen negatieve effecten verwacht op broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Advies Er zijn in het kader van de Ow geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft deze soort(en). 5.1.2 Broedvogels algemeen Bureauonderzoek Vanuit het bureauonderzoek worden diverse algemene broedvogels waargenomen in de directe omgeving van de projectlocatie, zie Tab. 5.1 voor verzameltabel5. Broedvogels welke in Beschermde dieren- en plantensoorten (prov.

Utrecht) aangeduid worden als ‘mogelijk jaarrond beschermd’ zijn opgenomen als algemene broedvogel indien in deze situatie voldoende alternatieve locaties voor nesten aanwezig zijn. Tab 5.1, Verzameltabel vaststellingen bureauonderzoek ‘algemene broedvogels’

Soortgroep Algemene broedvogels

5

Soorten vanuit bureauonderzoek Aalscholver, appelvink, bergeend, blauwborst, blauwe kiekendief, blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte strandloper, boomklever, boomkruiper, bosrietzanger, bosuil, braamsluiper, brandgans, brilduiker, bruine kiekendief, Cetti’s zanger, dodaars, dwergmeeuw, ekster, fazant, fitis, fuut, gaai, geelpootmeeuw, gele kwikstaart, geoorde fuut, goudhaan, goudplevier, grasmus, graspieper, grauwe gans, groene specht, groenling, groenpootruiter, grote bonte specht, grote Canadese gans, grote mantelmeeuw, grote zaagbek, grote zilverreiger, grutto, heggenmus, holenduif, houtduif, huiszwaluw, ijsvogel, kauw, keep, kemphaan, kievit, kleine karekiet, kleine mantelmeeuw, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleine zwaan, kluut, kneu, knobbelzwaan, koekoek, koereiger, kokmeeuw, kolgans, koolmees, koperwiek, krakeend, krooneend, kuifeend, lepelaar, meerkoet, merel, middelste zaagbek, nachtegaal, nonnetje, oeverloper, oeverzwaluw, paapje, pimpelmees, Pontische meeuw, putter, regenwulp, rietzanger, ringmus, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, Ross’ gans, rotgans, scholekster, slobeend, smient, spreeuw, sprinkhaanzanger, staartmees, stormmeeuw, tafeleend, tapuit, tjiftjaf, toendrarietgans, torenvalk, tuinfluiter, tureluur, Turkse tortel, veldleeuwerik, vink, visdief, waterhoen, waterpieper,

Wetgeving Vogelrichtlijn

Overig -

Soorten welke weergeven zijn met dikgedrukte letters zijn soorten welke genoemd worden op de Unielijst. Deze lijst bevat invasieve exoten welke binnen de EU schade toebrengen (of dit in de toekomst gaan doen). Deze notatie zal in verdere verzameltabellen binnen dit document aangehouden blijven.

Pagina 19 van 39 watersnip, wilde eend, winterkoning, wintertaling, witte kwikstaart, wulp, zanglijster, zeearend, zilvermeeuw, zomertaling, zwarte kraai, zwarte roodstaart, zwarte stern, zwartkop, zwartkopmeeuw Indische gans, mandarijneend, soepeend, soepgans, stadsduif

Exoot6

-

Nijlgans

Unielijst

-

Veldonderzoek Visueel en auditief zijn algemene broedvogels waargenomen in de directe omgeving van de projectlocatie tijdens het veldbezoek, het gaat hier om bijvoorbeeld de koolmees. Het is mogelijk dat een broedvogel zich vestigt binnen of rond het werkgebied. Effectenbeoordeling Ow Binnen de voorgenomen ontwikkeling bestaat het voornemen om het bestaande gebouw te herontwikkelen. Het is mogelijk dat een broedvogel zich vestigt binnen of rond het werkgebied. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen mogelijk leiden tot het beschadigen, vernielen of wegnemen van nestplaatsen en eieren, maar ook tot het doden of verstoren van soorten indien actieve nestplaatsen aanwezig zijn binnen het werkgebied. Indien een nest tijdens broed of grootbrengen van de jongen te lang verstoord en verlaten wordt, raken eieren/jongen onderkoeld of verhongeren. Onderstaande wetgeving is van toepassing; Art. 11.37 (Bal) Aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten Vogelrichtlijn: schadelijke handelingen 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.

2.

Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

Werkzaamheden binnen het broedseizoen kunnen, zoals reeds gemeld, mogelijk leiden tot schade aan nestplaatsen van algemene broedvogels. Voor een begrip als ‘broedseizoen’ is geen standaardperiode te benoemen. Afhankelijk van de soort en weersomstandigheden in een bepaald jaar kunnen soorten veel eerder of juist veel later broeden dan normaal het geval zou zijn. Dit kan zelfs per regio verschillen. Voor de wet is van belang of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De vaak geciteerde periode 15 maart t/m 15 augustus is slechts een indicatie. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen, wordt voorkomen dat nestplaatsen beschadigd raken. Werkzaamheden binnen het broedseizoen kunnen echter uitgevoerd worden, mits zeker gesteld wordt dat er geen actieve nestplaatsen aanwezig zijn. 6

Voor de bepaling welke soorten exoten zijn is gebruik gemaakt van gegevens van Sovon.

Pagina 20 van 39

Advies Er zijn in het kader van de Ow geen grote belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft deze soort(en) mits maatregelen genomen worden. Zie Hoofdstuk 5.8 Algemene en specifieke zorgplicht soortenbescherming voor te nemen maatregelen.

5.2

Vleermuizen Bureauonderzoek Vanuit het bureauonderzoek worden vleermuizen waargenomen in de directe omgeving van de projectlocatie, zie Tab. 5.2 voor verzameltabel.

Tab 5.2, Verzameltabel vaststellingen bureauonderzoek ‘vleermuizen’

Soortgroep Vleermuizen

Soorten vanuit bureauonderzoek Gewone dwergvleermuis

Wetgeving Habitatrichtlijn

Overig -

5.2.1 Verblijfplaatsen binnen de projectlocatie Veldonderzoek Tijdens het veldonderzoek zijn er visueel geen vleermuizen aangetroffen. Om een inschatting te maken van mogelijke aanwezigheid van vleermuizen is gebruik gemaakt van de Checklist aanwezigheid uit het Vleermuisprotocol van Netwerk Groene Bureaus. Binnen de projectlocatie ontbreekt het aan opgaande gewassen, waarmee vestigingsplaatsen van boombewonende vleermuizen uitgesloten kunnen worden om aanwezig te zijn. Het projectgebouw is tevens ongeschikt gebleken als vestigingsplaats voor gebouwbewonende vleermuizen door het ontbreken van geschikte invliegopeningen die vleermuizen toegang kunnen geven tot het gebouw. Effectenbeoordeling Ow Er worden geen vestigingsplaatsen van vleermuizen verwacht binnen de projectlocatie, hierom zijn ook geen negatieve effecten te verwachten. Advies Er zijn in het kader van de Ow geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft deze soort(en). 5.2.2 Foerageergebied Veldonderzoek Er zijn opgaande gewassen en bomen aanwezig rondom de projectlocatie welke voor vleermuizen zorgen voor luwe omgevingen binnen de projectlocatie waarin gefoerageerd kan worden. Tevens is er sprake van een watergang buiten de projectlocatie. De directe omgeving blijft ongemoeid bij de voorgenomen ontwikkeling.

De projectlocatie en direct omliggende omgeving kan in gebruik genomen als foeragegebied. Effectenbeoordeling Ow Mogelijk foerageren vleermuizen rond de projectlocatie. De omgeving rondom de projectlocatie zal na afronding van de ontwikkelingen onaangetast zijn, de projectlocatie zelf is slechts een klein areaal in het totale leefgebied en zal eveneens toegankelijk zijn na realisatie. Tijdens en na de ontwikkelingen kan er echter wel mogelijk sprake zijn van een toename aan verlichting richting omliggende gebieden welke verstorend kan werken indien vleermuizen hier foerageren.

Pagina 21 van 39 Advies Tijdens en na de voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk een negatief effect ontstaan op het foeragegebied voor vleermuizen door toename van verlichting richting de omliggende gebieden. Dit effect kan echter voorkomen worden door, indien verlichting gebruikt wordt tijdens de bouw, deze louter richting de projectlocatie te schijnen of uit te zetten na zonsondergang. Verlichting die toegepast wordt in bouwplannen kan afgestemd worden op vleermuizen. Er zijn in het kader van de Ow geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft deze soort(en) omtrent foeragegebied mits maatregelen genomen worden. Zie Hoofdstuk 5.8 Algemene en specifieke zorgplicht soortenbescherming voor te nemen maatregelen. 5.2.3 Vliegroutes Veldonderzoek Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Vleermuisroutes verbinden op (grote) afstand verschillende soorten habitats (verblijfplaatsen, foerageergebied) met elkaar. De bebouwing binnen de projectlocatie vormt geen essentieel lijnvormig landschapselementen in de omgeving. Buiten de projectlocatie bevindt zich echter een watergang met boomrijen die mogelijk wel dienst kan doen als essentieel, relatief donker, lijnvormig landschapselement.

Effectenbeoordeling Ow Mogelijk zijn de omliggende boomrijen en watergang onderdeel van een vliegroute. Deze mogelijke vliegroute blijft zowel tijdens, als na de voorgenomen ontwikkelingen aanwezig. Tijdens en na de ontwikkelingen kan er echter wel mogelijk sprake zijn van een toename aan verlichting richting omliggende gebieden welke verstorend kan werken indien vleermuizen hier een vliegroute bezetten. Advies Tijdens en na de voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk een negatief effect ontstaan op vliegroutes voor vleermuizen door toename van verlichting richting de omliggende gebieden, met name richting de watergang. Dit effect kan echter voorkomen worden door, indien verlichting gebruikt wordt tijdens de bouw, deze louter richting de projectlocatie te schijnen of uit te zetten na zonsondergang. Verlichting die toegepast wordt in bouwplannen kan afgestemd worden op vleermuizen. Er zijn in het kader van de Ow geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft deze soort(en) omtrent vliegroutes mits maatregelen genomen worden. Zie Hoofdstuk 5.8 Algemene en specifieke zorgplicht soortenbescherming voor te nemen maatregelen.

5.3

Overige zoogdieren Bureauonderzoek Tijdens het onderzoek is onderscheid gemaakt tussen soorten voor welke een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingsprojecten en welke niet. Vanuit het bureauonderzoek worden overige zoogdieren waargenomen in de directe omgeving van de projectlocatie, zie Tab. 5.3 voor verzameltabel.

Pagina 22 van 39 Tab 5.3, Verzameltabel vaststellingen bureauonderzoek ‘overige zoogdieren’

Soortgroep Overige zoogdieren

Soorten vanuit bureauonderzoek Boommarter, bunzing, haas Bosmuis, egel, ree, vos

Wetgeving Nationaal beschermd Nationaal beschermd

Overig Provinciale vrijstelling

Bruine rat, huiskat, mol, schaap

Zorgplicht

-

Muskusrat

Unielijst

-

Veldonderzoek De NDFF meldt enkele waarnemingen van specifiek beschermde soorten (Habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten, zonder provinciale vrijstelling) in de omgeving van de projectlocatie, het gaat hier om de boommarter, bunzing en haas. Binnen de resultaten van het veldbezoek zal per specifiek beschermde soort een beschrijving worden gegeven. Boommarter

De boommarter is een soort welke gebruik maakt van holten in bomen, konijnen-, vossen of dassenholen, ruimte tussen boomwortels of ruimte onder takkenbossen om een rustplaats te maken (Zoogdiervereniging). Soms maakt de boommarter gebruik van bebouwing aan de rand van een bos. Het habitat van de boommarter is bij uitstek bos. De projectlocatie is gelegen in stedelijk gebied en biedt geen geschikt habitat voor de boommarter, mede door het versteende karakter. Aanwezigheid van de boommarter wordt uitgesloten.

Bunzing

De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie, ook dorpen en buitenwijken van steden vormen geschikt leefgebied (Zoogdiervereniging). Als dagrustplaats worden voornamelijk bestaande holen gebruikt, zoals konijnenholen en holen van bijvoorbeeld muskusrat. Ook takken- en steenhopen, duikers en rommelschuurtjes worden als dagrustplaats gebruikt. In de winter zoeken bunzingen vaak warmere plekken op, zoals hooi- en strobalen. De projectlocatie is gelegen in stedelijk gebied en voorziet niet in kleinschalig landschap of geschikte verblijfplaatsen voor de bunzing. De bunzing wordt niet aanwezig verwacht binnen de projectlocatie op basis van habitatsvoorkeuren en het ontbreken van geschikte vestigingsmogelijkheden.

Haas

De haas heeft een voorkeur voor kleinschalig gras- en bouwland, open veld, akkers en weilanden, maar komt ook wel voor in open bos, heide en kwelders (Zoogdiervereniging). De projectlocatie is gelegen in stedelijk gebied en biedt geen geschikt vestigingshabitat voor de haas. Er zijn op basis van verspreidingsgegevens, aanwezig habitat en het ontbreken van sporen als latrines, holen of prooiresten, geen aanwijzingen dat andere streng beschermde soorten aanwezig zullen zijn binnen de projectlocatie. Mogelijk verblijven minder streng beschermde soorten, zoals de huisspitsmuis, (incidenteel) rond de projectlocatie. Effectenbeoordeling Ow Er worden geen specifiek beschermde soorten (Habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten, zonder provinciale vrijstelling) binnen deze categorie verwacht binnen de projectlocatie. Mogelijk kunnen incidenteel minder beschermde soorten die een provinciale vrijstelling hebben of waarvoor de zorgplicht geldt, zoals de huisspitsmuis, voorkomen rond de projectlocatie. Indien gehouden wordt aan de zorgplicht worden in het kader van de Ow geen negatieve effecten verwacht. Advies Er zijn in het kader van de Ow geen grote belemmeringen, mits maatregelen genomen worden. Zie Hoofdstuk 5.8 Algemene en specifieke zorgplicht soortenbescherming voor te nemen maatregelen.

Pagina 23 van 39

5.4

Reptielen, amfibieën en vissen Bureauonderzoek Tijdens het onderzoek is onderscheid gemaakt tussen soorten voor welke een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingsprojecten en welke niet. Vanuit het bureauonderzoek worden diverse reptielen, amfibieën en-/of vissen waargenomen in de directe omgeving van de projectlocatie, zie Tab. 5.4 voor verzameltabel.

Tab 5.4, Verzameltabel vaststellingen bureauonderzoek ‘reptielen, amfibieën en vissen’

Soortgroep Reptielen, amfibieën en vissen

Soorten vanuit bureauonderzoek Groene kikker (onb.) Bruine kikker, gewone pad, groene kikker (onb.), kleine watersalamander

Wetgeving Habitatrichtlijn Nationaal beschermd

Overig Provinciale vrijstelling

Baars, bittervoorn, blankvoorn, driedoornige stekelbaars, marmergrondel, rietvoorn, tiendoornige stekelbaars, vetje, zeelt

Zorgplicht

-

Veldonderzoek De NDFF meldt vaststellingen van specifiek beschermde soorten (Habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten, zonder provinciale vrijstelling) in de omgeving van de projectlocatie, het betreft de groene kikker (onb.). Specifiek beschermde reptielen, amfibieën en vissen stellen specifieke eisen aan hun habitat. Groene kikker (onbekend)

De groene kikker (onbekend) kan zowel nationaal beschermd zijn (meerkikker, bastaardkikker (vrijgesteld in prov. Utrecht), als een Habitatsrichtlijnsoort (poelkikker). Vanuit de NDFF is niet bekend om welke soort het gaat. Binnen en direct rond de projectlocatie is echter geen geschikt voortplantingshabitat aanwezig voor alle soorten groene kikkers door het ontbreken van water. De aanwezige bestrating biedt hierbij tevens geen essentieel landhabitat. Groene kikkers (spec.) worden niet aanwezig verwacht binnen de projectlocatie. De watergang buiten de projectlocatie is niet geschikt als voortplantingsplaats voor de specifiek beschermde poelkikker, die een voorkeur geeft aan onbeschaduwde, voedselarme wateren waarbij de oeverzone goed begroeid is. Op basis van verspreidingsgegevens en-/of aanwezig habitat worden geen andere specifiek beschermde reptielen, amfibieën verwacht aanwezig te zijn binnen de projectlocatie. Het ontbreken van wateroppervlak maakt aanwezigheid van beschermde vissen eveneens niet mogelijk. Incidenteel kunnen minder beschermde soorten amfibieën, zoals de bruine kikker, voorkomen rond de projectlocatie. Effectenbeoordeling Ow Er worden geen specifiek beschermde soorten (Habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten, zonder provinciale vrijstelling) binnen deze categorie verwacht binnen de projectlocatie.

Mogelijk kunnen incidenteel minder beschermde soorten die een provinciale vrijstelling hebben of waarvoor de zorgplicht geldt, zoals de bruine kikker, voorkomen rond de projectlocatie. Indien gehouden wordt aan de zorgplicht worden in het kader van de Ow geen negatieve effecten verwacht. Advies Er zijn in het kader van de Ow geen grote belemmeringen, mits maatregelen genomen worden. Zie Hoofdstuk 5.8 Algemene en specifieke zorgplicht soortenbescherming voor te nemen maatregelen.

Pagina 24 van 39

5.5

Insecten en ongewervelden Bureauonderzoek Tijdens het onderzoek is onderscheid gemaakt tussen soorten welke specifiek beschermd zijn en voor welke enkel de zorgplicht geldt. Vanuit het bureauonderzoek worden diverse insecten en/of ongewervelden waargenomen in de directe omgeving van de projectlocatie, zie Tab. 5.5 voor verzameltabel.

Tab 5.5, Verzameltabel vaststellingen bureauonderzoek ‘insecten en ongewervelden’

Soortgroep Insecten en ongewervelden

Soorten vanuit bureauonderzoek Grote vos

Wetgeving Nationaal beschermd

Overig -

Diverse zorgplichtsoorten, waaronder bruin blauwtje

Zorgplicht

-

5.5.1 Libellen Veldonderzoek Er zijn geen specifiek beschermde voortplantingsplaatsen en/of beschermde libellen waargenomen binnen de projectlocatie en directe omgeving. Binnen de projectlocatie en directe omgeving bevindt zich geen geschikt habitat voor (streng beschermde) libellen, mede door het ontbreken van (jaarrond) wateroppervlak. Tevens zijn er vanuit de NDFF geen vaststellingen bekend van streng beschermde libellen in de directe omgeving van de projectlocatie. Het is niet aannemelijk dat beschermde soorten zich vestigen binnen de projectlocatie. Effectenbeoordeling Ow en advies Er worden geen vestigingsplaatsen van libellen verwacht binnen en rond de projectlocatie, hierom zijn in het kader van de Ow geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft deze soort(en). Eventueel aanwezige libellen zijn in staat te vluchten bij verstoring. 5.5.2 Dag-/nachtvlinders Veldonderzoek Vanuit de NDFF is de grote vos vastgesteld in de omgeving van de projectlocatie. Het habitat voor specifiek beschermde vlinders (Habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten) voldoet aan specifieke eisen omtrent waard- en nectarplanten. Grote vos De grote vos geeft de voorkeur aan vochtige, open bossen of bosranden of andere plaatsen waar

vrijstaande bomen aanwezig zijn. De grote vos voedt zich met het sap van onder andere bloedende bomen en rust ook op de stammen van bomen in de zon. De projectlocatie ligt niet in een gebied met vochtige open bosranden. Het ontbreekt tevens aan de waardplant van de grote vos; de iep. De projectlocatie voorziet niet in geschikt habitat voor de grote vos. Tijdens het veldbezoek is er geen habitat aanwezig bevonden binnen en rond de projectlocatie welke voldoet aan eisen voor andere specifiek beschermde dag-/nachtvlinders. Het voorgaande bijvoorbeeld door het ontbreken van geschikte waardplanten. Tevens zijn er geen beschermde dag-/nachtvlinders waargenomen. Het is niet aannemelijk dat specifiek beschermde soorten zich vestigen binnen de projectlocatie. De incidentele aanwezigheid van minder beschermde soorten waarvoor de zorgplicht geldt, is op basis van het verkennend onderzoek niet uit te sluiten.

Pagina 25 van 39 Effectenbeoordeling Ow en advies Er worden geen specifiek beschermde soorten (Habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten) binnen deze categorie verwacht binnen de projectlocatie. Wel kunnen minder beschermde soorten voorkomen rond de projectlocatie. Indien gehouden wordt aan de zorgplicht worden in het kader van de Ow geen negatieve effecten verwacht. Zie Hoofdstuk 5.8 voor een uitgebreide beschrijving omtrent de zorgplicht. 5.5.3 Overige ongewervelden Veldonderzoek Binnen en in de directe omgeving van de projectlocatie ontbreekt het aan kenmerken die specifiek beschermde soorten (Habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten) binnen deze categorie stellen aan hun leefgebied. Zo is er geen rottend eikenhout of jaarrond wateroppervlak waargenomen binnen de projectlocatie. Er zijn geen specifiek beschermde soorten waargenomen. De NDFF laat eveneens geen streng beschermde soorten zien in de omgeving van de projectlocatie. Het is niet aannemelijk dat specifiek beschermde soorten zich vestigen binnen de projectlocatie. De aanwezigheid van minder beschermde soorten waarvoor de zorgplicht geldt, is op basis van het verkennend onderzoek niet uit te sluiten. Effectenbeoordeling Ow en advies Er worden geen specifiek beschermde soorten (Habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten) binnen deze categorie verwacht binnen de projectlocatie.

Wel kunnen minder beschermde soorten voorkomen binnen of rond de projectlocatie. Indien gehouden wordt aan de zorgplicht worden in het kader van de Ow geen negatieve effecten verwacht. Zie Hoofdstuk 5.8 voor een uitgebreide beschrijving omtrent de zorgplicht.

5.6

Vaatplanten Bureauonderzoek Tijdens het onderzoek is onderscheid gemaakt tussen soorten welke specifiek beschermd zijn (Habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten) en voor welke enkel de zorgplicht geldt. Vanuit het bureauonderzoek worden diverse vaatplanten waargenomen in de directe omgeving van de projectlocatie, zie Tab. 5.6 voor verzameltabel.

Tab 5.6, Verzameltabel vaststellingen bureauonderzoek ‘vaatplanten’

Soortgroep Vaatplanten

Soorten vanuit bureauonderzoek Diverse zorgplichtsoorten, waaronder bolderik, donkergroene basterdwederik, gele kornoelje, kamgras, korenbloem Grote waternavel, reuzenberenklauw, smalle waterpest

Wetgeving Zorgplicht

Overig -

Unielijst

-

Veldonderzoek Er zijn tijdens het veldbezoek geen specifiek beschermde planten aangetroffen of indicaties van het voorkomen van specifiek beschermde planten binnen de projectlocatie. Er is sprake van bestrating rondom het projectgebouw. Er is eveneens gelet op het voorkomen van beschermde muurvegetatie. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Binnen de projectlocatie is vast te stellen dat er geen specifiek beschermde vaatplanten op de projectlocatie zijn te verwachten.

Pagina 26 van 39 De aanwezigheid van minder beschermde soorten waarvoor de zorgplicht geldt, is op basis van het verkennend onderzoek niet uit te sluiten. Effectenbeoordeling Ow en advies Het is niet te verwachten dat door de geplande ontwikkeling verstoring van het leefgebied zal optreden van specifiek beschermde soorten door afwezigheid van specifiek beschermde soorten. Wel kunnen minder beschermde soorten voorkomen binnen of rond de projectlocatie. Indien gehouden wordt aan de zorgplicht worden in het kader van de Ow geen negatieve effecten verwacht. Zie Hoofdstuk 5.8 voor een uitgebreide beschrijving omtrent de zorgplicht.

5.7

Nader onderzoek Op basis van het uitgevoerd veld- en bureauonderzoek is geconstateerd dat er geen noodzaak is tot het uitvoeren van nader onderzoek omtrent specifiek beschermde soorten.

5.8

Algemene en specifieke zorgplicht soortenbescherming Tijdens de voorgenomen ontwikkelingen dient altijd gehouden te worden aan de zorgplicht. Het voorgaande het in ieder geval betrekking op de algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) (zie Hoofdstuk 1.1 en bijlage 2). Naast de algemene zorgplicht is in het Bal ook een specifieke zorgplicht opgenomen voor flora- en fauna-activiteiten. Deze specifieke zorgplicht is onderstaand toegelicht. Art. 11.27 (Bal) Specifieke zorgplicht soortenbescherming 1.

Degene die een flora- en fauna-activiteit […] verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23 [natuurbescherming], is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX [van Bal, betreft nationaal beschermde soorten] of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c.

als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

3.

Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat eenieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15003592/1