CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Quickscan WNB ‘Broerswetering 6’.pdf

Gemeenteraad 30 januari 2025, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1219362 Aanvraag verklaring van geen bedenkingen Broerswetering 6-8 (vml. Rabo Lidl)13.698 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1 alinea's met “opening”: 180

Pagina 27 van 39 Om te voldoen aan de plicht vanuit de specifieke zorgplicht, is voorafgaand aan het verrichten van de ontwikkeling nagegaan of er aanwijzingen zijn dat vogels (Vogelrichtlijnsoorten), Habitatrichtlijnsoorten, nationaal beschermde soorten of rode lijst-soorten voorkomen binnen of rond de projectlocatie. Met betrekking tot vogels (Vogelrichtlijnsoorten), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten is dit onderzoek reeds uiteengezet in Hoofdstuk 5.1 t/m 5.6. Met betrekking tot rode lijst-soorten het volgende: Er is gebruik gemaakt van zowel objectieve gegevens volgend uit de NDFF en een veldonderzoek om te bepalen of rode lijst-soorten voorkomen binnen of rond de projectlocatie (voor de NDFF is een omgevingsstraal aangehouden van 1 kilometer). Rode lijst-soorten die bekend zijn uit de omgeving van het projectgebied, of vastgesteld zijn tijdens het veldonderzoek, zijn reeds opgenomen in Hoofdstuk 5.1 t/m 5.6. De rode lijst-soorten die op basis van objectieve gegevens zijn vastgesteld binnen of rond het plangebied zijn voor de volledigheid tevens opgenomen in Tab. 5.7. Tab 5.7, Verzameltabel vaststellingen bureau- en veldonderzoek van rode lijst-soorten

Soortgroep Broedvogels jaarrond beschermde nesten Algemene broedvogels

Vleermuizen Overige zoogdieren Reptielen, amfibieën en vissen Insecten en ongewervelden Vaatplanten

Rode lijst-soorten vanuit bureau- en/of veldonderzoek waargenomen binnen of rond plangebied Huismus, ransuil, steenuil Blauwe kiekendief, boerenzwaluw, brilduiker, dwergmeeuw, gele kwikstaart, goudplevier, graspieper, grote mantelmeeuw, grutto, huiszwaluw, keep, kemphaan, kleine zilverreiger, kneu, koekoek, middelste zaagbek, nachtegaal, oeverloper, paapje, ringmus, roodhalsfuut, slobeend, smient, tapuit, torenvalk, tureluur, veldleeuwerik, visdief, watersnip, wintertaling, wulp, zeearend, zomertaling, zwarte stern Bunzing, haas Grote vos, bruin blauwtje Bolderik, donkergroene basterdwederik, gele kornoelje, kamgras, korenbloem

In onderstaande tabel wordt voor de soorten genoemd in Tab. 5.7 aangegeven of er potentie is tot aanwezigheid van deze soorten. Enkele soorten zijn reeds uitvoerig behandeld in Hoofdstuk 5.1 t/m 5.6, dit betreft bijvoorbeeld de broedvogels met jaarrond beschermde nesten. De potentie tot aanwezigheid wordt gebaseerd op objectieve gegevens als; de aanwezigheid van geschikt habitat voor een soort (bijv. wateroppervlak voor vissen), de aanwezigheid van specifieke waardplanten voor specifieke vlindersoorten, maar ook op basis van expert judgement. Indien noodzakelijk worden specifieke soorten nader toegelicht. Tab 5.8, Verzameltabel voor potentie tot aanwezigheid van rode lijst-soorten

Potentie tot aanwezigheid Hoog Geen, laag of incidenteel

Rode lijst-soorten vanuit bureau- en/of veldonderzoek waargenomen binnen of rond plangebied Huismus, ransuil, steenuil, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, brilduiker, dwergmeeuw, gele kwikstaart, goudplevier, graspieper, grote mantelmeeuw, grutto, huiszwaluw, keep, kemphaan, kleine zilverreiger, kneu, koekoek, middelste zaagbek, nachtegaal, oeverloper, paapje, ringmus, roodhalsfuut, slobeend, smient, tapuit, torenvalk, tureluur, veldleeuwerik, visdief, watersnip, wintertaling, wulp, zeearend, zomertaling, zwarte stern, bunzing, haas, grote vos, bruin blauwtje, bolderik, donkergroene basterdwederik, gele kornoelje, kamgras, korenbloem

Pagina 28 van 39

Er worden geen soorten met een hoge potentie tot aanwezigheid verwacht. Voor de overige soorten zal de ontwikkeling niet leiden tot het opheffen van vaste rust- of verblijfplaatsen indien maatregelen worden genomen. De schaal van de projectlocatie ten opzichte van omliggende gebieden maakt dat het projectgebied niet gezien kan worden als essentieel leefgebied of essentiële groeiplaats voor deze soorten. Binnen de ontwikkeling dient echter voorkomen te worden dat soorten worden gedood. Ten behoeve hiervan dienen maatregelen opgevolgd te worden. Maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht, en tevens algemene zorgplicht, zijn aan het eind van dit hoofdstuk ingevoegd. In het kader van de algemene en specifieke zorgplicht wordt geadviseerd onderstaande maatregelen (voor specifieke soortgroepen) op te volgen; Specifieke maatregelen algemene broedvogels -

Handelen buiten broedseizoen; Deskundige schouwt locatie op aanwezige actieve nestplaatsen voorafgaand werkzaamheden; Er wordt contact opgenomen met ecoloog bij calamiteiten (vestiging broedvogel).

Specifieke maatregelen voor vleermuizen -

Licht afwenden van de boomrijen en watergang in de omgeving en hierbij enkel richting de projectlocatie schijnen tijdens de werkzaamheden; Indien mogelijk heeft de voorkeur bouwverlichting niet toe te passen en werkzaamheden louter tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren; Aangepaste verlichting gebruiken welk enkel naar beneden schijnt en niet richting omliggende boomrijen en watergang schijnt; Geen versperrende elementen langs boomrijen en watergang plaatsen zodat vleermuizen vrij kunnen vliegen; Indien mogelijk; werkzaamheden welke vliegrouten/foeragegebieden beïnvloeden uitvoeren in de winterrustperiode (november t/m maart); Het integreren van vleermuisvriendelijke verlichting omtrent aantal verlichtingsbronnen en positionering in het ontwerp van de nieuwbouw, bijvoorbeeld door aanbrengen van verlichting met een scherpe bundel (‘scherpe cutoff’).

Algemene maatregelen -

Opdrachtgever schouwt locatie op aanwezige dieren voorafgaand aan de werkzaamheden, bijvoorbeeld onder struikgewas of in bladhopen en overhoeken of in bebouwing; Rijsnelheid van machines wordt zo afgesteld dat dieren zo veel mogelijk kunnen wegvluchten; Draag zorg voor het veilig wegkomen van eventueel aanwezige soorten door openlaten vluchtwegen.

Pagina 29 van 39

6

Samenvatting FF Solutions heeft van Heinen & Hopman Beheer B.V. opdracht gekregen een Quickscan Natuurwetgeving uit te voeren binnen de ontwikkeling ‘Broerswetering 6’, te Bunschoten. Deze Quickscan dient als actualisatie voor de eerder gemaakte Quickscan (projectnummer 08QS05-21, d.d. 30 april 2021). Binnen de voorgenomen ontwikkeling bestaat het voornemen om het bestaande gebouw te herontwikkelen. Het onderzoek heeft tot doel in te schatten of er op de projectlocatie planten- en diersoorten aanwezig en-/of te verwachten zijn, die volgens de Ow een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de ingreep. Daarnaast heeft het onderzoek als doel in te schatten of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op gebieden die een beleidsmatige bescherming genieten, gebieden die deel uitmaken van NNN-gebieden of beschermde houtopstanden. Onderstaand een samenvatting met conclusies voor respectievelijk gebiedsbescherming, beschermde houtopstanden en soortenbescherming.

Tab 6.0, Samenvatting met conclusies en adviezen voor gebiedsbescherming, beschermde houtopstanden en soortenbescherming

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen

Ander beleidsmatig beschermd gebied

Conclusie

o Mede in verband met de ligging van de projectlocatie ten opzichte van Natura 2000gebieden en de schaal en aard van de werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden door interne of externe factoren. Een uitzondering op het voorgaande betreft echter stikstofdeposities. Er is mogelijk sprake van een toename van stikstofdeposities op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. o Er is geen noodzaak tot het nemen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden, met uitzondering van maatregelen in het kader van (mogelijke) stikstofdeposities.

Advies

o Voor zekerheidstelling dient een AERIUS-berekening gemaakt worden om te toetsen of er significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van relevante stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving verwacht kan worden. o Voor zekerheidsstelling kan een Passende Beoordeling gemaakt worden indien het omgevingsplan aangepast dient te worden voor de uitvoering van het project, onderdeel hiervan is de reeds geadviseerde AERIUS-berekening.

Conclusie

o Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van de ontwikkeling met betrekking tot Natuurnetwerk Nederland.

Advies

o Geen maatregelen noodzakelijk.

Conclusie

o Mede in verband met de ligging van de projectlocatie, de schaal en aard van de werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op nationale landschappen en nationale natuurgebieden.

Advies

Geen maatregelen noodzakelijk.

Conclusie

o De projectlocatie is gelegen binnen ‘Landschap Eemland’. Indien binnen het huidige omgevingsplan gebouwd wordt, zijn er geen bezwaren tot de uitvoering van het project met betrekking tot ‘Landschap Eemland’. Indien het huidige omgevingsplan aangepast moet worden voor de uitvoering van de ontwikkeling, dan zal gemotiveerd moeten worden hoe de kernkwaliteiten van het gebied beschermd worden.

Advies

o Er zijn geen maatregelen noodzakelijk indien binnen het huidige omgevingsplan gebouwd wordt. o Er dient een motivatie bij het omgevingsplan opgesteld moeten worden indien het omgevingsplan aangepast moet worden voor de ontwikkeling.

Pagina 30 van 39 Beschermde houtopstanden Conclusie

o Er zijn in het kader van de Ow geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft beschermde houtopstanden. o Er is geen noodzaak tot het nemen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht voor houtopstanden.

Advies

o Geen maatregelen noodzakelijk.

Conclusie

o Op basis van het uitgevoerd veld- en bureauonderzoek is geconstateerd dat er geen noodzaak is tot het uitvoeren van nader onderzoek omtrent specifiek beschermde soorten. o Er zijn in het kader van de Ow geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling, mits maatregelen worden genomen, mede in het kader van de algemene en specifieke zorgplicht.

Advies

o Er dienen maatregelen opgevolgd te worden in het kader van de algemene en specifieke zorgplicht (zie einde van Hoofdstuk 5.8).

Soortenbescherming

De algemene zorgplicht blijft van kracht. Bij calamiteiten zal opnieuw moeten worden beoordeeld welke maatregelen passend zijn.

Naam ondertekenende. Dhr. G.R. Bouw

Nijkerk, 18 oktober 2024 Handtekening.

Pagina 31 van 39

7

Bijlagen

Bijlage 1: Bronnen

Literatuur Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen'. (2023). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie november 2023. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus. (2021). Vleermuisprotocol 2021. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. (z.d.). Indicatieve lijst Jaarrond beschermde vogelnesten.

Internet Gebiedsbescherming: https://www.natura2000.nl/ https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicator.aspx Soortenbescherming: https://www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/unielijst-invasieve-exoten https://www.vlinderstichting.nl/ https://www.zoogdiervereniging.nl/ https://www.ndff.nl/ https://www.verspreidingsatlas.nl/ https://www.ravon.nl/ https://www.sovon.nl/ Overig: https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/ https://www.pdok.nl/ https://www.provincie-utrecht.nl/

https://www.gelderland.nl/

https://www.flevoland.nl/

https://www.zeeland.nl/

https://www.noord-holland.nl/Home

https://www.zuid-holland.nl/

https://www.fryslan.frl/

https://www.provincie.drenthe.nl/

https://www.provinciegroningen.nl/

https://www.overijssel.nl/

https://www.limburg.nl/

https://www.brabant.nl/

Pagina 32 van 39

Bijlage 2: Omschrijving van de natuurwetgeving Deze bijlage gaat in op de natuurwetgeving waaraan de ingrepen binnen de projectlocatie worden getoetst. Hierbij zal gepoogd worden om de meest relevante stukken vanuit de wetgeving, welke voldoende zijn om de wetgeving te snappen, over te dragen. Omgevingswet De Omgevingswet (kortweg Ow) is een wet die alle regels omvat met betrekking tot alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultureel erfgoed en natuur. In vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en een ministeriële regeling werkt de wetgever de Omgevingswet uit. Het voorgaande heeft specifiek betrekking op: o o

AMvB’s: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en Omgevingsbesluit (Ob); Ministeriële regeling: Omgevingsregeling (Or).

Het doel van de Ow is onder andere het beschermen en verbeteren van de fysieke leefomgeving. Algemene zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) die aangeeft dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteiten nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving verplicht is om: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. Deze algemene zorgplicht geldt voor de gehele fysieke leefomgeving en voorziet hiermee ook in een basis voor de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden. Verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te verrichten Er geldt een algemeen verbod binnen de Ow om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te verrichten (par. 5.1.1 Ow), tenzij afwijkend beschreven in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Het verbod om zonder een omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te verrichten, heeft onder andere betrekking op Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten.

Onderstaand een omschrijving van deze activiteiten. Definitie Natura 2000-activiteit Natura 2000-activiteit: activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Definitie flora- en fauna-activiteit Flora- en fauna-activiteit: activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten.

Pagina 33 van 39 Gebiedsbescherming (Natura 2000) Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een vergunningsvrij geval (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). Om te bepalen of een project leidt tot significante gevolgen op Natura 2000-gebieden, wordt in eerste opzet een voortoets uitgevoerd. Indien uit de voortoets blijkt dat significante gevolgen op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten zijn, is een project vergunningplichtig en dient eerst een Passende Beoordeling (art. 16.53c, lid 1 Ow / art. 8.74b Bkl) gemaakt te worden. Indien er noodzaak is tot het nemen van mitigerende maatregelen (verzachtende maatregelen), maar er nog steeds significante gevolgen te verwachten zijn, dan kan een omgevingsvergunning voor het project worden verleend als een ADC-toets succesvol is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). De Ow neemt, zoals reeds benoemd, vergunningsvrije gevallen op waarvoor geen omgevingsvergunning aangevraagd hoeft te worden. Activiteiten die op voorhand geen significante gevolgen hebben op Natura 2000-gebieden, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit (zie definitie). Vergunningsvrije activiteiten en activiteiten die op voorhand geen significante gevolgen hebben op Natura 2000-gebieden, kunnen alsnog een gevolg hebben op deze gebieden (zij het niet significant).

Alle activiteiten, waaronder activiteiten met gevolgen (niet zijnde significant), zijn gebonden aan de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden. De specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is onderstaand toegelicht. Art. 11.6 (Bal) Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden 1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f.

het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Opmerking: De term Natura 2000-activiteit geldt louter voor projecten, niet voor plannen (zie definitie). Een plan mag worden vastgelegd als middels een Passende Beoordeling (art. 16.53c, lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet aantast (art. 10.24 Bkl).

Pagina 34 van 39 Gebiedsbescherming (Natuurnetwerk Nederland) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Binnen de Ow zijn regels opgenomen ter bescherming en instandhouding van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het verbeteren en ontwikkelen van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden. De omgevingsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de provincie stelt binnen haar grondgebied. Gebiedsbescherming (Bijzondere natuurgebieden en landschappen) Het Rijk kan bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (art. 2.44, lid 2 Ow). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Voor bijzondere nationale natuurgebieden geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.6 Bal, gelijk aan specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden), regels voor bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen zijn te vinden in de provinciale omgevingsverordening. Beschermde houtopstanden Beschermde houtopstanden zijn opgenomen binnen de Omgevingswet met als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden en de natuur en landschappelijke waarden te beschermen.

De bescherming geldt voor bos, maar ook voor andere 'houtopstanden' zoals boomvormers, struiken, hakhout of griend. De regels voor het beschermen van houtopstanden staan beschreven in afd. 11.3 Bal. Houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (art. 11.111, lid 2 Bal), bestaande uit 10 are of meer óf bestaande uit bomenrijen met meer dan 20 bomen, worden beschermd van velling door een meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal). De regels gelden niet voor: a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan 20 jaar; f. kweekgoed; g. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen; en 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; i. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1°. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2°.

bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2m; en 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013; en j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.

Pagina 35 van 39 Het is verboden om zonder een melding een houtopstand geheel of gedeeltelijk te velen (met uitzondering van periodiek vellen van griend- of hakhout). De te maken melding dient ten minste 4 weken tot maximaal 1 jaar voorafgaand aan de velling uitgevoerd te worden (art. 11.126 Bal). In een omgevingsverordening kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld aan kapverboden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. Indien een houtopstanden geheel of gedeeltelijk geveld is, geldt de herplantplicht die binnen 3 jaar op dezelfde grond uitgevoerd dient te worden (aanvullende voorwaarden te lezen in Ow). Binnen de Ow zijn uitzondering en afwijkingen op de meld- en herplantplicht opgenomen. Naast de meld- en herplantplicht, geldt tevens een specifieke zorgplicht voor houtopstanden (art. 11.116 Bal). Deze specifieke zorgplicht is onderstaand toegelicht. Art. 11.116 (Bal) Specifieke zorgplicht houtopstanden Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.111, eerste lid [vellen van houtopstand en herbeplanten van grond], verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.112 [natuurbescherming, instandhouding bosareaal en beschermen landschappelijke waarden], is verplicht: a. b. c.

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Soortenbescherming De Omgevingswet borgt de bescherming van vele dier- en plantsoorten. Het gaat hier om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, maar ook om soorten van nationaal belang. Voor een flora- en fauna-activiteit (zie definitie) kan een omgevingsvergunning nodig zijn. Vergunningplichtige flora- en fauna-activiteiten zijn beschreven in paragraaf 11.2.2 t/m 11.2.5 van Bal. Onderstaande wetgeving is van toepassing.

Art. 11.37 (Bal) Aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten Vogelrichtlijn: schadelijke handelingen 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.

2.

Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

Pagina 36 van 39

Art. 11.46 (Bal) Aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten Habitatrichtlijn: schadelijke handelingen 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

2.

Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

3.

Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.

Art. 11.54 (Bal) Aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.

2.

Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

Binnen de Ow zijn uitzondering op de vergunningplicht en vergunningsvrije gevallen opgenomen (e.g. provinciaal vrijgestelde soorten en handelingen). Een omgevingsvergunning voor een floraen fauna-activiteit kan worden verleend als (par. 8.6.2 Bkl): o o o

Er geen andere bevredigende oplossing dan het verrichten van de activiteit bestaat; De activiteit nodig is vanwege een wettelijk belang; en De activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de relevante soort.

Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning dient natuurwaardenonderzoek aangeleverd te worden (par. 7.2.8a.2 Or).

onder

andere

aan

Pagina 37 van 39 Tijdens ontwikkelingen dient altijd gehouden te worden aan de zorgplicht. Het voorgaande het in ieder geval betrekking op de algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow). Naast de algemene zorgplicht is in het Bal ook een specifieke zorgplicht opgenomen voor flora- en fauna-activiteiten. Deze specifieke zorgplicht is onderstaand toegelicht. Art. 11.27 (Bal) Specifieke zorgplicht soortenbescherming 1.

Degene die een flora- en fauna-activiteit […] verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23 [natuurbescherming], is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX [van Bal, betreft nationaal beschermde soorten] of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c.

als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

3.

Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat eenieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

Pagina 38 van 39

Bijlage 3: Kernkwaliteiten nationale landschappen Deze bijlage gaat in op de kernkwaliteiten van nationale landschappen. De kernkwaliteiten zijn per nationaal landschap opgesomd (zie ook; Ministerie van VROM, 2004). Tab 7.0, Kernkwaliteiten nationale landschappen (bron: Ministerie van VROM)

Nationaal landschap 1. Groene Hart

Kernkwaliteit(en) De kernkwaliteiten van het Hollands-Utrechts veenweidegebied: o Grote mate van openheid; o Strokenverkaveling met hoog percentage water-land; o Veenweidekarakter. De kernkwaliteiten van de ‘waarden’ (Alblasserwaard, Krimpenerwaard, Lopikerwaard): o Verkavelingspatroon; o Groen karakter door beplante dijken en kades; o Grote mate van openheid. De kernkwaliteiten van de plassen (met name de Vinkeveense, Loosdrechtse, Nieuwkoopse en Reeuwijkse plassen): o Besloten oeverwal met vele buitenplaatsen; o Open veenplassen; o Veenweidekarakter.

2.

Middag-Humsterland

3.

Noordelijke Wouden

4.

Westergo

5.

Zuidwest-Friesland (Hemmen-Friese merenGaasterland) Drentse Aa

6.

7.

IJsseldelta (MastenbroekKampereiland)

8.

Noordoost-Twente

9.

Graafschap

10. Achterhoek

11. Gelderse Poort

12. Veluwe

13. Rivierengebied

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Reliëf gevormd door terpen, kwelderruggen en dijken; Onregelmatige blokverkavelingspatroon; Grote mate van openheid. Strokenverkaveling met een lengte-breedteverhouding van 3:1-5:1; Grote mate van kleinschaligheid; Reliëf in de vorm van pingoruïnes en dijkwallen. Extreme mate van openheid; Reliëf gevormd door terpen en kwelderruggen; Onregelmatig blokvormig en radiaal verkavelingspatroon. Schaalcontrast van zeer open naar besloten; Middeleeuwse verkaveling, waterlopen en meren; Reliëf in de vorm van stuwwallen en terpen. Grote mate van kleinschaligheid; Vrij meanderende beken; Samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen. Oudste rationele geometrische verkaveling van Nederland; Grote mate van openheid; Reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen. Grote mate van kleinschaligheid; Het groene karakter; Samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. Grote mate van kleinschaligheid; Het groene karakter (o.a. door buitenplaatsen); Kenmerkend waterhuishoudingsysteem en –patroon. Kleinschalige openheid; Het groene karakter; Microreliëf door essen en ‘eenmansessen‘. Kleinschalige openheid; Het groene karakter; Reliëf door oeverwallen en dijken. Schaalcontrast van zeer open naar besloten; Actieve stuifzanden; De grote en aaneengeslotenheid van het bos.

Schaalcontrast van zeer open naar besloten; Samenhangend stelsel van rivier-uiterwaard-oeverwal-kom; Samenhangend stelsel van hoge stuwwal-flank-kwelzone-oeverwal-rivier.

Pagina 39 van 39 14. Noord-Hollands Midden

15. Zuidwest-Zeeland

▪ Grote openheid; ▪ Geometrische inrichtingspatroon in droogmakerijen; ▪ Strokenverkaveling. De kernkwaliteiten van Walcheren: o Kleinschalige openheid; o Groen karakter; o Reliëf door duinen, kreekruggen, kommen en vlietbergen. De kernkwaliteiten van de Zak van Zuid-Beveland: o Groen karakter door fijnmazige kleinschaligheid; o Polderpatroon; o Kreekrestanten.

16. Groene Woud

17. Heuvelland

18. Arkemheen-Eemland

19. De Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) 20. De Stelling van Amsterdam (SvA)

De kernkwaliteiten van West-Zeeuws-Vlaanderen: o Polderpatroon met geulensysteem; o Overgang van zandige kust, via kleipolders, naar dekzandgebied, met verschillende mate van openheid o Verdedigingswerken. ▪ Het groene karakter; ▪ Kleinschalige openheid; ▪ Samenhangend complex van beken, essen, kampen, bossen en heides. ▪ Schaalcontrast van zeer open naar besloten; ▪ Groene karakter; ▪ Reliëf. ▪ Extreme openheid; ▪ Slagenverkaveling; ▪ Veenweidekarakter. ▪ Samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen; ▪ Groen en overwegend rustig karakter; ▪ Openheid. ▪ Samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen; ▪ Groene en relatief ‘stille’ ring rond Amsterdam; ▪ Relatief grote openheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15003592/1