CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a, 4-QuickScan natuur.pdf

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1225284 Vaststelling TAM-omgevingsplan Eemdijk 3, Eemdijk Hoofdstuk 22a omgevingsplan Bunschoten12.459 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Natuurwaardenonderzoek Eemdijk 3 – Eemdijk

Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

1

Colofon Quickscan Natuurwaardenonderzoek Eemdijk 3 – Eemdijk Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 7-5 7131PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852

Opdrachtgever: VanWestreenen Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 6878 versie 1.0 Ligging plangebied: Eemdijk 3 Eemdijk Auteur: H. Tiggeloven

Status: definitief Rapportdatum: 23-01-2025 Veldwerk uitgevoerd door: N. Sessink

De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.

2

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1

INLEIDING ............................................................................................................................... 7

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 8

2.1 Situering ............................................................................................................................................ 8 2.2 Beschrijving van het plangebied........................................................................................................ 9 HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................. 10

3.1 Algemeen......................................................................................................................................... 10 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ....... 11 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...................................................................................................... 11 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied............................................................................................ 12 HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS ................................................................................................................. 13

4.1 Algemeen......................................................................................................................................... 13 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 ........................................................................................................... 13 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ............................................................................................. 13 4.4 Specifieke zorgplicht........................................................................................................................ 14 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ......................................................... 16 HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING............................................................................................................ 17

5.1 Algemeen......................................................................................................................................... 17 5.2 Natuurnetwerk Nederland .............................................................................................................. 17 5.3 Natura 2000 ..................................................................................................................................... 19 5.4 Slotconclusie.................................................................................................................................... 21 HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING .......................................................................................................... 22

6.1 Verwachting en bureauonderzoek .................................................................................................. 22 6.1.1 Algemeen...................................................................................................................................... 22 6.1.2 Bronnenonderzoek ....................................................................................................................... 22 6.2 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 23 6.3 Resultaten ....................................................................................................................................... 25 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ........................................................................ 31 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ...................................................................................... 34 6.6 Volledigheid van het onderzoek ...................................................................................................... 34 HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES .......................................................................................................................... 35

3

SAMENVATTING In het kader van voorgenomen herontwikkeling zijn er plannen om de agrarische bestemming van de Eemdijk 3 in Eemdijk om te zetten in een woonbestemming. In het plangebied worden een woning, een schuur, twee stallen en een kapschuur gesloopt. Er zullen twee nieuwe woningen gerealiseerd worden. Nadien zal het erf landschappelijk ingepast worden door aanplant van erfbeplanting. Als gevolg van deze voorgenomen activiteit kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 4 oktober 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.

Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase. Voor de gebruiksfase hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden, omdat er agrarische bebouwing gesloopt wordt en slechts één extra woning gerealiseerd wordt. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren en vleermuizen er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt er mogelijk een huismus gedood en wordt er een nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Het nest van een huismus is het jaarrond beschermd. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van een huismus of het beschadigen en vernielen van de nestplaats van de huismus, daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden omtrent hoeveel nestplaatsen aanwezig zijn in het plangebied en of deze bezet zijn. Indien er nesten van huismussen aanwezig zijn, moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In dat geval mag de bebouwing pas gesloopt worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Als gevolg van het slopen van de ligboxenstal wordt er mogelijk een steenuil gedood en wordt er een nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Het nest van een steenuil is het jaarrond beschermd.

Er geldt geen vrijstelling voor het doden van een steenuil of het beschadigen en vernielen van de nestplaats van de steenuil, daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden of er nestplaatsen aanwezig zijn in het plangebied. Indien er nesten van steenuilen aanwezig zijn moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In dat geval mag de ligboxenstal pas gesloopt worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. 4

Mogelijk wordt er als gevolg het slopen van de stallen, schuur, woning en kapschuur ook een ander bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief worden beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Als gevolg van het slopen van de bebouwing worden mogelijk vleermuizen gedood en/of verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord, beschadigd of vernield.

Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september. Mogelijk moet een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Als gevolg van het verwijderen van opgeslagen materialen en het uitvoeren van grondverzet wordt er mogelijk een rugstreeppad en/of heikikker gedood en wordt er een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De (winter)rustplaats van een rugstreeppad en heikikker is beschermd. Er geldt geen vrijstelling voor het doden of vangen van een rugstreeppad en heikikker of het beschadigen en vernielen van de (winter)rustplaats van de rugstreeppad, daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden omtrent de aanwezigheid van de rugstreeppad en heikikker in het plangebied.

Indien er rugstreeppadden en heikikkers aanwezig zijn, moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In dat geval mogen de opgeslagen materialen pas verwijderd worden en het grondverzet pas uitgevoerd worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat andere beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten), of dient het 5

werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); • Stikstofberekening uitvoeren (ontwikkelfase); • Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor de huismus; • Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de bebouwing voor de steenuil; • Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van bebouwing van vleermuizen; • Nader onderzoek uitvoeren naar de aanwezigheid van de rugstreeppad en heikikker;

6

HOOFDSTUK 1

INLEIDING In het kader van voorgenomen herontwikkeling zijn er plannen om de agrarische bestemming van de Eemdijk 3 in Eemdijk om te zetten in een woonbestemming. In het plangebied worden een woning, een schuur, twee stallen en een kapschuur gesloopt. Er zullen twee nieuwe woningen gerealiseerd worden. Nadien zal het erf landschappelijk ingepast worden door aanplant van erfbeplanting. Als gevolg van deze voorgenomen activiteit kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteit in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteit weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Utrecht (Natuurnetwerk Nederland).

7

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED

2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Eemdijk 3 in Eemdijk. Het ligt in de polder en ligt circa 1,5 kilometer ten noordoosten van het dorp Eemdijk in de gemeente Bunschoten. Het wordt omgeven door agrarisch cultuurland, poldersloten, een openbare weg en bebouwing. Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).

8

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een woning, een schuur, een melkstal, een ligboxenstal, een kapschuur, twee voersilo’s, een mestsilo, voeropslag, sleufsilo’s, verharding, beplanting, een bomenrij en opgeslagen materialen. De woning, de schuur, de ligboxenstal en de melkstal beschikken over over gevels van bakstenen metselwerk en een spouwmuur. De woning met huisnummer 3 heeft een dakpannen gelegd mansardedak. De schuur met huisnummer 5 heeft golfplaten als dakbedekking en is niet geisoleerd. De melkstal heeft als dakbedekking sandwichplaten. Op het dak van de melkstal liggen zonnepanelen. De ligboxenstal beschikt over een geisoleerd dak met golfplaten en dupanelplaten. De kapschuur bestaat uit gevels van damwandpanelen en golfplaten als dakbedekking. Het plangebied grenst aan agrarisch cultuurland, twee schuren, bomen en poldersloten. Op onderstaande afbeelding staat de begrenzing van het plangebied weergegeven.

Luchtfoto met de begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

9

HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

3.1 Algemeen In het kader van voorgenomen herontwikkeling zijn er plannen om een ligboxenstal, melkstal, kapschuur, een woning en een schuur te slopen. Aangenomen wordt dat de voersilo’s, sleufsilo’s, voeropslag, mestsilo, verharding en opgeslagen materialen verwijderd worden. Mogelijk wordt er opgaande beplanting, zoals bomen en struiken verwijderd. De bestemming agrarisch wordt omgezet in een woonbestemming. In het plangebied worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. Het erf zal nadien landschappelijk ingepast worden. Dit gebeurt middels aanplant van bomen en er wordt een poel aangelegd. Op onderstaande verbeelding wordt een plattegrond van het wenselijk eindbeeld weergegeven.

Plattegrond van het wenselijke eindbeeld (bron: VanWestreenen).

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet flora- en fauna-activiteit: • Slopen twee stallen; • Slopen woning, schuur en kapschuur; • Verwijderen opgeslagen materialen, mestsilo, sleufsilo’s en voersilo’s; • Verwijderen beplanting; • Verwijderen verharding; • Bouwrijp maken terrein; • Aanleggen nieuwe verharding; • Bouwen twee nieuwe woningen; • Realiseren nieuwe erfinrichting; • Aanplant bomen; • Aanleggen poel;

10

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van sloop- en bouwwerkzaamheden.

Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang om ook buiten het plangebied te kijken en om het plangebied aan te passen. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland, poldersloten, schuren en aan bomen. Er is een aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of waarden op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. De inzet van werktuigen en machines kan mogelijk tot verstoring van beschermde soorten leiden en mogelijk hebben de werkzaamheden negatieve effecten op beschermde soorten. Om de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden inzichtelijk te krijgen, wordt daarom het aangrenzende agrarisch cultuurland, naastgelegen poldersloten, de schuren en de nabijgelegen bomen meegenomen in het onderzoeksgebied.

11

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt niet gelijk gesteld aan het plangebied. Hieronder is het plangebied en het onderzoeksgebied weergegeven. Indien verder in deze rapportage gesproken wordt over plangebied wordt onderstaand onderzoeksgebied bedoeld.

Met de gele lijn wordt het plangebied weergegeven en met gele en de rode lijn wordt het onderzoeksgebied weergegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

12

HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS

4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; 13

c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a.

het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen Omgevingsvergunning flora en fauna activiteit nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.

Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.

14

Toelichting op de verschillende verbodsbepalingen Bal.

15

Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.

als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Wet natuurbescherming een Omgevingsvergunning flora en fauna activiteit).

Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats. 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels te n aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden.

De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Utrecht zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Utrecht. 16

HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Utrecht. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt.

17

Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 370 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Minimaal 370 meter afstand tussen het plangebied en gronden die tot het NNN behoren.

NNN

Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid. (bron: atlasleefomgeving.nl).

Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. het Natuurnetwerk Nederland.

18

5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op.

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

19

Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 372 meter afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Eemmeer & Gooimeer Zuidoever. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Minimaal 372 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren.

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de blauwe kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van (bouw)materialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen activiteiten, de afstand (372 meter) tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de ontwikkelfase is daarom noodzakelijk.

20

Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Er wordt agrarische bebouwing (melkstal en ligboxenstal) gesloopt en er wordt één extra woning gerealiseerd. Het perceel wijzigt van de bestemming agrarisch naar een woonbestemming. De bestaande veestal genereert in de bestaande situatie een hogere emissie van stikstofoxiden ten opzichte van het bewonen van één extra woning in de nieuwe situatie gedurende de gebruiksfase. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden tijdens de gebruiksfase kan daarom op voorhand uitgesloten worden. Voor de gebruiksfase hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase.

Voor de gebruiksfase hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden, omdat er agrarische bebouwing gesloopt wordt en slechts één extra woning gerealiseerd wordt. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.

21

HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING

6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 04-10-2024 door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 3 oktober 2024 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank. In een ruime begrenzing van het zoekgebied rondom het plangebied, zijn in de afgelopen 5 jaar 58 waarnemingen bekend in de NDFF. Dit betreffen waarnemingen van vogels (50), overige zoogdieren (2), amfibieën (1), sprinkhanen en krekels (1), korstmossen (1) en vaatplanten (3). In het zoekgebied komen waarnemingen van huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw, witte kwikstaart, Turkse tortel, zuidelijk spitskopje, grote brandnetel, Engels raaigras en haas voor. Van de vogelwaarnemingen valt alleen de waarneming van de Turkse tortel binnen het plangebied. De waarnemingen van de andere vogels hebben mogelijk betrokkenheid met het plangebied en worden ook meegenomen in de studie. De waarnemingen van zuidelijk spitskopje, Engels raaigras en grote brandnetel vallen weliswaar binnen het plangebied, maar vormen verder geen relevantie voor deze studie, anders dan het voorkomen van een bepaalde soort in de omgeving van het plangebied.

Op onderstaande afbeelding is het zoekgebied met de waarnemingen weergegeven.

Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied weergegeven. Er zijn 58 waarnemingen bekend in de directe omgeving van het plangebied (bron: NDFF).

22

6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 4 oktober 2024 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Doorgaans hebben vogels geen bezet nest meer gedurende deze tijd van het jaar en zijn alle zomergasten al vertrokken naar de overwinteringsgebieden. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren hebben geen zogende jongen meer in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen in deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats bezetten. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die open en bloot aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen.

Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde amfibieën. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. Amfibieën bezetten de winterrustplaats in deze tijd van het jaar en zitten dan weggekropen in de sliblaag van open water of diep weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

23

Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.

24

6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten zoals huismus, merel, witte kwikstaart, houtduif, holenduif, Turkse tortel, huiszwaluw en boerenzwaluw. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er kunnen mogelijk vogels nestelen in toegankelijke bebouwing en beplanting. In de NDFF is een waarneming opgenomen van een ‘waarschijnlijk broedende’ Turkse tortel. Deze soort bezet mogelijk een nestplaats in een van de bomen in het plangebied. Mogelijk wordt er opgaande beplanting zoals bomen en struiken verwijderd. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van boerenzwaluw en huiszwaluw waargenomen. Deze zwaluwsoorten zullen het plangebied als foerageergebied gebruiken. De bebouwing is potentieel geschikt om een nestplaats te bezetten. De witte kwikstaart is een soort die onder de zonnepanelen van de melkstal kan broeden. Tijdens het veldbezoek zijn nesten van huismussen waargenomen onder de windveer van de woning (zie foto linksonder) en in de kapschuur (zie foto rechtsonder).

Ook zijn er huismussen waargenomen op het erf zoals te zien is op de 3e foto hieronder.

Foto links: nest huismus onder windveer in woning. Foto rechts: nest huismus in kapschuur.

Foto: kwetterplek huismussen in struik.

25

In de stallen zijn geen sporen van uilen zoals braakballen of schijtsporen aangetroffen. Maar de ligboxenstal is potentieel wel geschikt voor steenuilen. Deze uilensoort zou door gaten in de dakisolatie in de ruimte tussen de dupanelplaten en de golfplaten kunnen kruipen en daar een nestplaats kunnen bezetten. De foto hieronder geeft deze gaten in de dakisolatie weer. In een groter zoekgebied in de NDFF (2025) zijn ook 4 waarnemingen bekend van de steenuil. Op circa 100 meter afstand van het plangebied zijn 3 steenuilen waargenomen. Dit betekent dat het gebied geschikt is voor steenuilen. De melkstal is niet toegankelijk voor steenuilen, omdat deze stal over sandwichpanelen beschikt. Hierdoor is er geen ruimte aanwezig waar steenuilen in kunnen kruipen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen (oude) roofvogelnesten in het plangebied aangetroffen.

foto: Ligboxenstal; de rode cirkels geven gaten in de dakisolatie weer.

Door het slopen van de woning, schuur, stallen en kapschuur tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet nest beschadigd, verstoord of vernield met als gevolg dat een (jonge) vogel gedood, eieren beschadigd of vernield worden en de nestplaatsen van verschillende soorten verloren gaan. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Slopen van woning, schuur, stallen en kapschuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels; - Verwijderen beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels;

26

Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt een functioneel leefgebied van beschermde grondgebonden zoogdieren als huisspitsmuis, bosmuis, haas, egel en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten bos- en huisspitsmuizen er ook een vaste rusten voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder strooisel en bladeren en onder opgeslagen materialen in het plangebied, zoals te zien is op de foto hieronder.

Foto: Opgeslagen materiaal in de kapschuur.

Tijdens het veldbezoek er zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van de steenmarter, zoals prooiresten en latrines. Het plangebied ligt ook buiten het verspreidingsgebied van de steenmarter (NDFF, 2025). Daarom is het niet aannemelijk dat steenmarters een rust- of voortplantingsplaats bezetten. Het plangebied ligt in het poldergebied. Dit is voor een egel een te geïsoleerd gebied en is daarmee een ongeschikt habitat. Er zijn daarom geen geschikte rust- en voortplantingsplaatsen voor egels aanwezig. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer en het ontbreken van geschikte rust- en voortplantingsplaatsen zoals houtstapels, holenbomen en takkenbossen wordt het plangebied niet tot functioneel leefgebied van kleine marterachtigen als de wezel, bunzing en hermelijn beschouwd. Door het verwijderen van opgeslagen materialen, strooisel en bladeren en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Verwijderen opgeslagen materialen, strooisel en bladeren; - Uitvoeren grondverzet;

27

Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen. In de bebouwing zijn geen sporen zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die wijzen op een vleermuisverblijfplaats. Het is echter niet uit te sluiten dat vleermuizen een verblijfplaats in de bebouwing bezetten. Er zijn in het plangebied potentiële verblijfplaatsen waargenomen. Vleermuizen kunnen achter de betimmering van het dakoverstek van de woning kruipen, zoals te zien is op de foto hieronder. Mogelijk hebben vleermuizen ook toegang tot de spouwmuur. Gaten en kieren in de gevels kunnen invliegopeningen richting de spouwmuur vormen. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen holtes en loshangend schors aangetroffen waar een vleermuis een verblijfplaats achter kan bezetten.

Foto: kier achter betimmering dakoverstek.

Door de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied worden mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord, beschadigd of vernield en worden vleermuizen gedood. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Slopen woning, schuur en stallen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;

28

• Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied en de omgeving van het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige amfibieënsoorten beschouwd. De poldersloten worden als functioneel leefgebied beschouwd voor soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, heikikker, rugstreeppad en poelkikker. In de NDFF (2025) staan in een zoekgebied van circa 3 kilometer rondom het plangebied waarnemingen van zeldzame amfibieënsoorten als heikikker, rugstreeppad en poelkikker.

Algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats in holen en gaten in de grond of onder opgeslagen materialen, in beplanting en onder strooisel en bladeren. Geschikt voortplantingsbiotoop voor deze soorten ontbreekt in het plangebied. Poelkikkers komen voor in de omgeving, maar gelet op de habitatvoorkeuren van deze soort worden de sloten in het plangebied niet als functioneel leefgebied beschouwd, omdat deze sloten direct grenzen aan de bebouwing. De zeldzame amfibieënsoorten heikikker en rugstreeppad kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied en als (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop voor deze twee soorten ontbreekt in het plangebied. Op de afbeeldingen hieronder worden de waarnemingen van de heikikker en rugstreeppad weergegeven. De heikikker en rugstreeppad kunnen een (winter)rustplaats bezetten onder opgeslagen materialen en in holen en gaten in de grond. Ze kunnen bijvoorbeeld in een grondwal bij de kuilvoerplaten een (winter)rustplaats bezetten, zoals te zien is op de foto op de volgende pagina.

Plattegrond links: Waarnemingen rugstreeppad. Plattegrond rechts: Waarnemingen heikikker. Het plangebied wordt weergeven met de rode cirkel. De groene stippen geven de waarnemingen weer (NDFF, 2025).

29

Foto: opgeslagen materialen en grondwal naast kuilvoerplaten.

Door het verwijderen van opgeslagen materialen, beplanting en bladeren en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied neemt voor amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de omgevingswet: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen opgeslagen materialen, beplanting en bladeren; Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. In de NDFF zijn waarnemingen van de Rode-lijstsoorten haas en huismus opgenomen. Het aanwezige agrarisch cultuurland vormt voor de haas een functioneel leefgebied. Tijdens het veldbezoek zijn huismussen en huismusnesten waargenomen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden rode-lijstsoorten echter niet nadelig beïnvloed in het voorkomen op populatieniveau. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

30

6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt er mogelijk een huismus gedood en wordt er een nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Het nest van een huismus is het jaarrond beschermd. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van een huismus of het beschadigen en vernielen van de nestplaats van de huismus, daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden omtrent hoeveel nestplaatsen aanwezig zijn in het plangebied en of deze bezet zijn. Indien er nesten van huismussen aanwezig zijn, moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In dat geval mag de bebouwing pas gesloopt worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Als gevolg van het slopen van de ligboxenstal wordt er mogelijk een steenuil gedood en wordt er een nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Het nest van een steenuil is het jaarrond beschermd. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van een steenuil of het beschadigen en vernielen van de nestplaats van de steenuil, daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden of er nestplaatsen aanwezig zijn in het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15883899/1